(1x)) missers van gradatie 3 zijn en dat uit het Cusumsysteem Keurmeester APK 2017 volgt dat een misser van gradatie 3 tot 1,6 strafpunten leidt. Het steekproefcontrolerapport geeft daarmee inzicht in welke overtredingen zijn geconstateerd en het aantal strafpunten wat daarvoor is gegeven. Nu de RDW de gradatielijst aan [appellant] heeft geopenbaard, is voor [appellant] kenbaar hoe de kwalificaties van gradatie 3 zijn bepaald en is controleerbaar of die overeenkomen met de gradatielijst. Verder kan [appellant] nagaan of de aan de missers toegekende gradaties redelijk zijn in verhouding tot aan andere missers toegekende gradaties. Tot slot is voor [appellant] aan de hand van de steekproefcontrolerapporten, het Cusumsysteem Keurmeester APK 2017 en de gradatielijst na te gaan of de opbouw van strafpunten in de periode van 21 juni 2019, op welke datum [appellant] voor het laatst op cusumstand 0 stond, tot aan cusumstand 5,7 op 12 september 2019 juist is. 10.
- De Afdeling is dan ook van oordeel dat de RDW met het openbaar maken van de gradatielijst aan de opdracht in de uitspraak van 6 januari 2021 heeft voldaan en dat het in die uitspraak geconstateerde motiveringsgebrek is hersteld. 10.
- Over de door [appellant] ter zitting ingenomen stelling dat hij zijn cusumstand niet kon controleren, omdat het inlogsysteem van de RDW haperde, heeft de Afdeling in de uitspraak van 6 januari 2021 al uitgemaakt dat [appellant], daargelaten of het cusumverloop op ieder moment direct raadpleegbaar was, aan de hand van de steekproefcontrolerapporten zelf kon bijhouden wat de resultaten van de steekproeven voor het verloop van de cusumstand betekenden. [appellant] heeft aan de hand van de openbaar gemaakte gradatielijst de aan de missers toegekende gradaties en de opbouw van de strafpunten in de periode van 21 juni tot en met 12 september 2019 verder niet bestreden. 10.
- Het betoog faalt. Evenredigheidsbeginsel
- [appellant] betoogt dat de RDW zijn financiële belangen ten onrechte niet bij de besluitvorming heeft betrokken. Hij voert, onder verwijzing naar een verklaring van zijn boekhouder aan, dat zijn bedrijf voor 80% van APK-keuringen afhankelijk is en stelt dat hij door de intrekking van de keuringsbevoegdheid daarom onevenredig hard wordt getroffen ten opzichte van andere bedrijven. [appellant] betwist het standpunt van de RDW dat hij een externe keurmeester kan inhuren, zodat het verrichten van APK-keuringen niet volledig stil hoeft komen te liggen, omdat daarbij het risico bestaat dat vaste klanten dan daarna overstappen. Volgens [appellant] had de RDW voor een minder ingrijpende sanctie kunnen kiezen, bijvoorbeeld het geven van een waarschuwing of een voorwaardelijke intrekking. 11.
- Gelet op artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient te worden beoordeeld of de RDW van het door hem gevoerde beleid had moeten afwijken omdat de gevolgen van de opgelegde sanctie wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot het doel van de sanctie. 11.
- Dat de nadelige gevolgen van de intrekking van de keuringsbevoegdheid voor de duur van zes weken voor [appellant] onevenredig zijn in verhouding tot de met het sanctie te dienen doelen, te weten het algemene belang van de verkeersveiligheid, is niet gebleken. De Afdeling overweegt daartoe het volgende. Daargelaten dat [appellant] geen inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie en de omvang van de door hem gestelde schade niet heeft onderbouwd, is het lijden van een zekere omzetschade inherent aan de aard van de sanctie (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1627). Dat [appellant] zijn bedrijf zo heeft ingericht dat hij voor 80% afhankelijk is van het verrichten van APK-keuringen en hij daardoor meer omzetschade zal lijden dan een bedrijf dat minder APK-keuringen uitvoert, is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid waarmee de RDW rekening dient te houden in die zin dat de intrekking alleen daarom in dit geval onevenredig is. [appellant] heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat hij door de intrekking in onoverkomelijke financiële moeilijkheden komt of is gekomen of dat sprake is van zodanige omzetschade dat dit niet in verhouding staat tot de ernst van de overtreding en de RDW daarom in dit geval voor een minder ingrijpende sanctie had moeten kiezen. Verder heeft [appellant] de ter zitting ingenomen stelling dat hij door intrekking van de keuringsbevoegdheid klanten heeft verloren niet onderbouwd en kan, anders dan [appellant] meent, uit de door hem overgelegde stukken van 16 april 2020 niet worden afgeleid dat een hypotheekaanvraag is afgewezen wegens de tenuitvoerlegging van de sanctie. Gelet op het vorenstaande, is de Afdeling van oordeel dat de RDW in dit geval gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking van de keuringsbevoegdheid voor zes weken. 11.
- Het betoog faalt. Conclusie
- Het beroep is ongegrond.
- De RDW hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier. Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2022 856