202102127/1/A3. Datum uitspraak: 18 mei 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te Amsterdam, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2021 in zaak nr. 20/4208 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Procesverloop Bij besluit van 2 januari 2020 heeft het college aan [vergunninghouder] een omzettingsvergunning voor woningsplitsing verleend. Bij besluit van 18 juni 2020 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 17 februari 2021 heeft de voorzieningenrechter het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en haar verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. Zij heeft verscheidene stukken ingediend. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 april 2022, waar [appellante], bijgestaan door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.H.J. Stelwagen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder] als partij gehoord. Overwegingen Inleiding 1. Het college heeft aan [vergunninghouder], nadat hij zijn woning aan de [locatie 1] te Amsterdam had omgezet naar vier onzelfstandige woonruimten, op zijn aanvraag daarvoor, een omzettingsvergunning verleend. Aan die vergunningverlening is onder meer de voorwaarde verbonden dat uiterlijk op 1 juli 2022 moet zijn voldaan aan de in de vergunning vermelde geluidsnormen. [appellante], wier woning aan de [locatie 2] boven de woning van [vergunninghouder] ligt, heeft tegen het verlenen van de vergunning bezwaar gemaakt, omdat volgens haar daardoor de leefbaarheid en het woongenot van omwonenden wordt aangetast. Zij ervaart geluidsoverlast en verwacht dat niet aan de geluidseisen kan worden voldaan omdat de woningen daarvoor te oud en te gehorig zijn. Besluitvorming 2. Het college heeft het bezwaar ongegrond verklaard, omdat de aanvraag voldoet aan de voorwaarden voor toekenning daarvan. De voorwaarden voor een vergunning voor omzetting van een zelfstandige woonruimte naar vier onzelfstandige woonruimten zijn per 5 juni 2019 vermeld in paragraaf 2.3.2 van de Beleidsregel wijzigen van de woonruimtevoorraad (hierna: beleidsregel 12). Die voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat de in beleidsregel 12 gestelde geluidseisen uiterlijk 1 juli 2022 moeten zijn gerealiseerd, zijn het resultaat van afweging van de belangen die met de omzetting zijn gediend, de belangen van de woonruimtevoorraad en de leefbaarheid. Als een aanvraag aan de voorwaarden voldoet wordt aangenomen dat de omzetting de leefbaarheid niet onaanvaardbaar zal aantasten en wordt de omzettingsvergunning in beginsel verleend. Als na 1 juli 2022 zal blijken dat niet aan de geluidsnorm wordt voldaan, zal de vergunning worden ingetrokken. De omzetting leidt volgens het college niet tot onevenredige bezwaren voor [appellante]. Zij heeft de door haar gestelde onevenredige geluidsoverlast niet aannemelijk gemaakt. Aangevallen uitspraak 3. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het beleid van het college in beleidsregel 12 als redelijk kan worden aangemerkt. Dat pas uiterlijk 1 juli 2022 aan de geluidseisen moet zijn voldaan maakt dat niet anders. Het college heeft voldoende gemotiveerd dat de omzetting in dit geval de leefbaarheid niet aantast. Er was geen aanleiding om aan te nemen dat sprake was van onrechtmatige geluidsoverlast. Als dat toch het geval is, kan daartegen desgevraagd handhavend worden opgetreden. Wettelijk kader 4. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van de uitspraak. Beoordeling 5. [appellante] betoogt dat de voorzieningenrechter het beginsel van hoor en wederhoor, het verdedigingsbeginsel en artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) geschonden. De procedure bij de voorzieningenrechter had slechts moeten gaan over de spoedeisendheid. Doordat de voorzieningenrechter artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft toegepast, heeft zij haar beroepsgronden tegen het besluit onvoldoende naar voren kunnen brengen. De voorzieningenrechter had het onderzoek ter zitting moeten schorsen of na de zitting moeten heropenen. 5.1. De stukken in het dossier bieden geen steun voor het oordeel dat de voorzieningenrechter [appellante] onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld om haar beroepsgronden naar voren te brengen. In de brief van de rechtbank aan [appellante] over de ontvangst van haar verzoek om voorlopige voorziening is in overeenstemming met artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, vermeld dat partijen tot een dag voor de zitting van de voorzieningenrechter stukken kunnen indienen, zoals het college heeft gedaan. In de uitnodiging voor de zitting zijn partijen gewezen op de mogelijkheid dat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep. Ter zitting van de voorzieningenrechter zijn partijen gehoord en hebben zij hun standpunten kunnen toelichten. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel was dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kon bijdragen aan de beoordeling van de zaak, was deze op grond van artikel 8:86 van de Awb bevoegd om uitspraak te doen in de hoofdzaak. Toestemming van partijen was daarvoor niet vereist. 5.2. Het betoog faalt. 6. [appellante] betoogt voorts dat de voorzieningenrechter de feiten onjuist heeft weergegeven en van onjuiste wetgeving en jurisprudentie is uitgegaan. De voorzieningenrechter heeft miskend dat niet alleen sprake was van woningomzetting maar ook van woningvorming, waarvoor een andere vergunning nodig is. 6.1. De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat op de aanvraag van [vergunninghouder] van 20 november 2019 de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 (hierna: verordening 2016) van toepassing is. Dat volgt uit artikel 3.3.14, eerste lid, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 zoals die luidde per 1 januari 2020. Daarin is vermeld dat vóór 1 januari 2020 aangevraagde omzettingsvergunningen worden verleend op basis van de in 2019 geldende voorwaarden in de verordening 2016. De voorzieningenrechter heeft ook terecht geoordeeld dat van beleidsregel 12, paragraaf 2.3.2 van toepassing is zoals die beleidsregel op 5 juni 2019 luidde, en niet paragraaf 2.3.1. Dat volgt uit artikel 2 van het op 5 juni 2019 in het Gemeenteblad 2019, 138687 bekend gemaakte besluit van het college tot het gedeeltelijk wijzigen van beleidsregel 12. Daarin is vermeld dat het besluit een dag na bekendmaking in het Gemeenteblad in werking treedt. De voorzieningenrechter heeft verder ook terecht geoordeeld dat in dit geding naast woningomzetting niet ook sprake is van woningvorming, zoals [appellante] onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 18 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2778, stelt. Voor zover bij de omzetting van de woning van [vergunninghouder] een deel van de berging woonruimte is geworden, was dit geruime tijd voor de aanvraag om de omzettingsvergunning geschied. Het gaat in dit geding om een besluit tot het verlenen van een omzettingsvergunning. De voorzieningenrechter heeft de beoordeling in beroep terecht tot dat besluit beperkt. 6.2. Het betoog faalt. 7. [appellante] betoogt verder dat de voorzieningenrechter de beleidswijziging in paragraaf 2.3.2 van beleidsregel 12 (hierna: de gewijzigde beleidsregel) ten onrechte niet heeft beoordeeld aan de hand van de door haar in beroep daartegen aangevoerde gronden. Door de gewijzigde beleidsregel is een juridisch vacuüm ontstaan tussen de datum van het besluit en de datum 1 juli 2022 waarin niet aan de geluidseisen hoeft te worden voldaan. Het college had bij het verlenen van een omzettingsvergunning eerder dan per 1 juli 2022 omwonenden moet beschermen tegen geluidsoverlast. Het college had ook voorafgaand aan het verlenen van een omzettingsvergunning moeten nagaan of het bouwtechnisch mogelijk is om aan de in die vergunning gestelde geluidseisen te voldoen. Bij de oude en gehorige woningen uit de jaren 50 van de vorige eeuw van haar en [vergunninghouder] is op voorhand duidelijk dat dat niet mogelijk is. 7.1. De gewijzigde beleidsregel houdt onder meer in dat een vergunning voor het omzetten van zelfstandige woonruimte naar vier onzelfstandige woonruimten wordt verstrekt onder de voorwaarde dat uiterlijk op 1 juli 2022 aan de in die paragraaf vermelde geluidseisen wordt voldaan. Uit de toelichting op de wijziging volgt dat het doel van de wijziging is om in situaties waarin kamerverhuur plaatsvindt zonder vergunning, verhuurders te bewegen hun kamerverhuurwoning(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.