202101962/1/R1.Datum uitspraak: 1 juni 2022 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
- appellant sub 1], wonend te Vuren, gemeente West Betuwe,
- [ appellant sub 2], wonend te Vuren, gemeente West Betuwe,
- [ appellant sub 3], wonend te Haaften, gemeente West Betuwe,
- [ appellant sub 4], wonend te Herwijnen, gemeente West Betuwe,
- [ appellant sub 5] en anderen, wonend te Hellouw, gemeente West Betuwe,
- Stichting Vurense Uiterwaardennatuur (hierna: SVU), gevestigd te Lingewaal, thans West Betuwe,
- [ appellant sub 7] en anderen, wonend te Vuren, gemeente West Betuwe,
- [ appellant sub 8] en anderen, wonend te Vuren, gemeente West Betuwe,
- [ appellant sub 9], wonend te Vuren, gemeente West Betuwe,
- Stichting tot behoud Peilschaalhuisje, gevestigd te Lingewaal, thans West Betuwe,
- [ appellant sub 11], wonend te Herwijnen, gemeente West Betuwe,
- [ appellant sub 12] en anderen, wonend te Vuren, gemeente West Betuwe,
- Historische Buitenplaats Frissestyn B.V., gevestigd te Herwijnen, gemeente West Betuwe,
- [ appellant sub 14], wonend te Vuren, gemeente West Betuwe,
- [ appellant sub 15], wonend te Vuren, gemeente West Betuwe,
- [ appellant sub 16A] en [appellant sub 16B], wonend te Herwijnen, gemeente West Betuwe,
- [ appellant sub 17] en anderen, allen wonend te Herwijnen, gemeente West Betuwe,
- [ appellant sub 18], wonend te Hellouw, gemeente West Betuwe,
- [ appellant sub 19], wonend te Haaften, gemeente West Betuwe,
- [ appellant sub 20A] en [appellant sub 20B], wonend te Gorinchem (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 20]),
- [ appellant sub 21], wonend te Herwijnen, gemeente West Betuwe,
- [ appellant sub 22], wonend te Vuren, gemeente West Betuwe,
- [ appellant sub 23], wonend te Hellouw, gemeente West Betuwe,
- [ appellant sub 24], wonend te Vuren, gemeente West Betuwe,
- [ appellant sub 25], wonend te Tuil, gemeente West Betuwe,
- [ appellant sub 26A] en [appellant sub 26B], wonend te Vuren, gemeente West Betuwe (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 26]),
- [ appellant sub 27], wonend te Oegstgeest,
- [ appellant sub 28] en anderen, wonend te Dalem, gemeente Gorinchem, appellanten, en
- het college van gedeputeerde staten van Gelderland,
- het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
- de raad van de gemeente West Betuwe,
- de raad van de gemeente Gorinchem, verweerders. Procesverloop Bij besluit van 27 november 2020 heeft het algemeen bestuur van het Waterschap Rivierenland op grond van artikel 5.4 van de Waterwet het projectplan "Waterwet dijkversterking Gorinchem-Waardenburg" vastgesteld. Bij besluit van 9 februari 2021 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland, mede namens het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, (hierna tezamen en in enkelvoud: het college) op grond van artikel 5.7, eerste lid, van de Waterwet goedkeuring verleend aan het projectplan (hierna: goedkeuringsbesluit). Ter uitvoering van het projectplan zijn onder meer de hierna te noemen besluiten genomen (hierna: uitvoeringsbesluiten). Bij besluit van 21 januari 2021 heeft de raad van de gemeente Gorinchem het bestemmingsplan "Dijkversterking Gorinchem-Waardenburg" vastgesteld. Bij besluit van 26 januari 2021 heeft de raad van de gemeente West Betuwe het bestemmingsplan "Dijkversterking Gorinchem-Waardenburg" vastgesteld. Bij besluit van 2 februari 2021 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland een vergunning verleend op grond van de Ontgrondingenwet voor ontgrondingswerkzaamheden in de Herwijnense Bovenwaard, gelegen in de gemeente West Betuwe. Bij besluit van 15 oktober 2020 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland een vergunning gebiedsbescherming verleend op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb en Wnb-vergunning). Tegen het goedkeuringsbesluit hebben alle appellanten beroep ingesteld. Enkele van de beroepen zijn ook gericht tegen een of meer van de hiervoor vermelde uitvoeringsbesluiten. Verweerders hebben een verweerschrift ingediend. Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 en 17 januari 2022, waar appellanten zijn verschenen of zich hebben laten vertegenwoordigen. Een aantal appellanten is niet verschenen en heeft zich ook niet laten vertegenwoordigen. Verweerders hebben zich ook laten vertegenwoordigen. Een van de appellanten heeft via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen. Overwegingen Wettelijke bepalingen
- De (wettelijke) bepalingen die ten grondslag liggen aan de hierna volgende rechtsoverwegingen, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. Inleiding
- In 2017 is voor rivierdijken een nieuwe wettelijke waterveiligheidsnorm vastgesteld. Voor de dijk tussen Gorinchem en Waardenburg ligt de nieuwe norm (wettelijke ondergrens) op een overstromingskans van 1/10.000 per jaar. De huidige rivierdijk tussen Gorinchem en Waardenburg voldoet ruimschoots niet aan deze veiligheidsnorm en moet daarom versterkt worden. De dijk is aangemerkt als een van de meest urgente dijkversterkingen in Nederland. De dijkversterking is onderdeel van het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) waarin de waterschappen en Rijkswaterstaat samenwerken om de primaire waterkeringen aan de veiligheidsnorm te laten voldoen. De doelstelling van de dijkversterking is het realiseren van een veilige en leefbare dijk die voldoet aan de waterveiligheidsnormen en past binnen de randvoorwaarden van het HWBP. De opgave is om een veilige dijk te realiseren die gedurende 50 jaar zijn functie kan vervullen. Het plangebied van de dijkversterking loopt aan de noordzijde van de Waal vanaf de kruising met de A2 tot de vesting Gorinchem. Het dijktraject heeft een totale lengte van ongeveer 23 km. De dijk ligt voor het grootste deel in de gemeente West Betuwe en voor een kleiner deel in de gemeente Gorinchem. De twee gemeenten liggen in respectievelijk de provincie Gelderland en de provincie Zuid-Holland. Waterschap Rivierenland is als beheerder van de dijk tussen Gorinchem en Waardenburg verantwoordelijk voor de dijkversterking en heeft met het oog daarop het projectplan opgesteld. Het projectplan voorziet in versterkingsmaatregelen. Daarnaast voorziet het plan in een herinrichting van de uiterwaarden langs het dijktracé. Om voor ieder stukje dijk een passend ontwerp te kunnen maken is de dijk tussen Gorinchem en Waardenburg opgedeeld in 51 dijkvakken. Ter uitvoering van het projectplan zijn meerdere uitvoeringsbesluiten genomen. Ter voorbereiding van het projectplan is er een milieueffectrapport (hierna: MER) opgesteld. Het college van gedeputeerde staten van Gelderland heeft als aangewezen coördinerend bevoegd gezag de besluitvorming in het kader van de projectprocedure gecoördineerd. De dijkversterking zal feitelijk worden uitgevoerd door de Graaf Reinaldalliantie (ook wel: Gralliantie), een alliantie van het waterschap Rivierenland en het Waalensemble, een samenwerking van drie aannemers en een ingenieursbureau. Toetsingskader projectplan
- Een besluit tot vaststelling van een projectplan door het algemeen bestuur van het waterschap, genomen op grond van artikel 5.5 van de Waterwet, moet op grond van artikel 5.7, eerste lid, van de Waterwet worden goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten. Omdat bij een projectplan algemene belangen betrokken zijn, heeft de wetgever gewild dat het toezicht door het college van gedeputeerde staten ook betrekking heeft op belangen die geen ruimtelijke doorwerking hebben (Kamerstukken II 2006/07, 30 818, nr. 3, blz. 105). Het projectplan is vormvrij. In de Waterwet wordt aan een projectplan wel een aantal inhoudelijke eisen gesteld, zoals de eis dat het projectplan een beschrijving bevat van de te treffen voorzieningen, gericht op het ongedaan maken of beperken van eventuele nadelige gevolgen van het werk (Kamerstukken II 2006/07, 30 818, nr. 3, blz. 40). Zowel het besluit van het algemeen bestuur tot vaststelling van een projectplan als het besluit van het college van gedeputeerde staten tot goedkeuring van een dergelijk vaststellingsbesluit zijn besluiten als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). In verband daarmee dienen deze besluiten te voldoen aan de algemene voor besluiten geldende bepalingen, als opgenomen in de afdelingen 3.2 en 3.7 van de Awb. Omdat artikel 5.5 van de Waterwet is geplaatst op de zogenoemde "negatieve lijst" van Bijlage 2 bij de Awb, ligt, gelet op artikel 8:5, eerste lid, van de Awb, niet de vaststelling van het projectplan, maar alleen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten ter beoordeling aan de Afdeling voor. Behalve ambtshalve door de Afdeling te beoordelen aspecten, beoordeelt de Afdeling, gelet op artikel 10:27 van de Awb en artikel 5.7, eerste lid, van de Waterwet, of in hetgeen appellanten hebben aangevoerd aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten het projectplan in strijd met het algemeen belang had moeten achten. Ook beoordeelt de Afdeling of er aanleiding bestaat voor het oordeel dat het projectplan niet getuigt van een evenwichtige belangenafweging of anderszins in strijd is met het recht.
- Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is het niet zo dat er geen nadelige gevolgen mogen optreden als gevolg van een projectplan. Evenmin is vereist dat met alle betrokkenen volledige overeenstemming bestaat over de te nemen maatregelen. Voldoende is dat in een projectplan is omschreven welke nadelige gevolgen kunnen optreden, welke voorzieningen worden en kunnen worden getroffen om die nadelige gevolgen ongedaan te maken en welke mogelijkheden er zijn om een financiële vergoeding te krijgen voor schade die niet kan worden voorkomen (vergelijk de uitspraak van 13 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:45, onder 4 en 5).
- De Afdeling beoordeelt verder of een projectplan het detailniveau bevat dat nodig is om de dijkversterking en de effecten hiervan in beeld te brengen, te beoordelen en om genoeg rechtszekerheid voor belanghebbenden te bieden. Artikel 5.4, tweede lid, van de Waterwet staat er niet aan in de weg dat in een projectplan enige flexibiliteit wordt geboden bij de definitieve uitvoering van het werk. Deze uitvoering kan, zoals dat in deze zaak aan de orde is, in bijvoorbeeld een uitvoeringsontwerp worden geregeld. Een uitvoeringsontwerp dient een zodanige detaillering van het ontwerp uit het projectplan te zijn dat alles in het uitvoeringsontwerp zijn grondslag vindt in het projectplan. Daarbij blijft de beoordeling door de Afdeling beperkt tot het voorliggende projectplan. De mate van flexibiliteit bij de uitvoering moet in een projectplan toereikend worden omschreven. Het uitvoeringsontwerp zelf is een kwestie van uitvoering die in het kader van deze procedure niet ter beoordeling staat. Toetsingskader bestemmingsplan
- Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen. Beoordeling van de beroepen De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 9], [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellant sub 22] en [appellant sub 24] Inleiding
- [ appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 9], [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellant sub 22] en [appellant sub 24] wonen aan respectievelijk de [locatie 1], [locatie 2], [locatie 3], [locatie 4], [locatie 5], [locatie 6] en [locatie 7] in Vuren aan dijkvak 8d. De dijk wordt hier buitenwaarts versterkt. Hun beroepen zijn gericht tegen het goedkeuringsbesluit. Ingetrokken beroepsgronden
- Ter zitting heeft [appellant sub 22] de beroepsgrond dat gekozen had moeten worden voor een andere route voor het zware werkverkeer, ingetrokken. Hinder gedurende uitvoeringswerkzaamheden
- [ appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 9], [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellant sub 22] en [appellant sub 24] vrezen voor hinder gedurende uitvoeringswerkzaamheden. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 9], [appellant sub 14], [appellant sub 15] en [appellant sub 24] voeren aan dat gekozen had moeten worden voor een andere route voor het zware werkverkeer dat gedurende meerdere jaren over de bestaande dijk zal rijden. De gekozen route zal volgens hen zorgen voor geluidhinder, onveilige verkeerssituaties voor onder meer fietsers en spelende kinderen op de dijk en overlast voor omwonenden en bedrijven die langs de dijk respectievelijk wonen en zijn gevestigd. Daarnaast zal de gekozen route volgens hen zorgen voor een verslechtering van de luchtkwaliteit en daarmee hun gezondheid vanwege uitlaatgassen van het werkverkeer, vervuiling van hun woningen door stof en klei en voor trillinghinder als gevolg waarvan schade aan hun (onderheide) woningen zal ontstaan. Verder vrezen zij voor schade aan de weg en zullen de woningen volgens hen slecht bereikbaar zijn voor omwonenden en hulpdiensten. [appellant sub 15] vreest er verder voor dat niet meer direct aan de dijk kan worden geparkeerd, doordat de oppervlakte wegdek afneemt. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 9], [appellant sub 14], [appellant sub 15] en [appellant sub 24] voeren aan dat het mogelijk is om de aan- en afvoer van het werkverkeer door de uiterwaarden te laten plaatsvinden, aangezien deze daar breed genoeg voor zijn. [appellant sub 22] en [appellant sub 9] voeren over trillinghinder verder aan dat er trillingsmeters op hun woning geplaatst moeten worden. De sensoren die nu op de woningen zijn aangebracht zijn daartoe onvoldoende, omdat deze slechts verzakkingen meten en geen trillingen. Over verkeersveiligheid hebben [appellant sub 22] en [appellant sub 9] verder aangevoerd dat de snelheid op de dijk tijdens de uitvoeringswerkzaamheden beperkt moet worden tot 30 km/u en dat hierop gehandhaafd moet worden. Verder voert [appellant sub 9] aan dat de verkeersdrempel tussen dijkwoning [locatie 3] en [locatie 8] tijdens de uitvoeringswerkzaamheden moet worden verwijderd en een gedeeltelijk verharde tijdelijke weg moet worden aangelegd achter de percelen van dijkvak 8d die op de Zijl aansluit. 9.
- Hinder ten gevolge van werkzaamheden in verband met de aanleg van de kering is een aspect van uitvoering van het werk. De aannemer moet bij de uitvoering voldoen aan daarvoor geldende wet- en regelgeving. Deze uitvoeringsaspecten hoeven niet in het projectplan te worden opgenomen, maar moeten wel in de belangenafweging worden betrokken (zie hiervoor onder 5 en vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:513, onder 14.5). 9.
- In het projectplan werd oorspronkelijk ervan uitgegaan dat het werkverkeer in twee richtingen over de bestaande dijk zal rijden en dat daar waar dit nodig is, passeerhavens worden aangelegd, zodat het verkeer elkaar altijd veilig kan passeren. Dit volgt uit paragraaf 7.3.1 van het projectplan. In de nota van antwoord is vermeld dat het werkverkeer de dijk als eenrichtingsweg zal gebruiken bij buitenwaartse versterkingen. Hierin is vermeld dat het werkverkeer zowel over de dijk als door de uiterwaarden zal rijden. De bestaande dijk zal als aanvoerroute worden gebruikt en de uiterwaarden als afvoerroute. Op deze manier wordt de veiligheid voor het (bestemmings)verkeer op de dijk en voor het werkverkeer en aanwonenden gewaarborgd, omdat het werkverkeer elkaar niet hoeft te passeren. Tijdens de realisatie wordt de dijk bovendien afgesloten voor doorgaand verkeer. Toegang tot de dijk voor bestemmingsverkeer wordt geregeld door verkeersregelaars, zo staat in de nota van antwoord. Volgens het verweerschrift, en zoals ter zitting is toegelicht, is na de vaststelling van het projectplan gebleken dat de aan te leggen dijk, anders dan aanvankelijk werd aangenomen, niet een kern van klei, maar van zand krijgt. Het werkverkeer kan en zal hierdoor de aan te leggen dijk als aan- en afvoerroute gebruiken. Om hinder nog verder te beperken, zullen zogenoemde passeerplekken worden aangelegd in de uiterwaarden. Hierdoor kan het grondtransport de eerste twee jaar over de aan te leggen dijk rijden en wordt het werkverkeer over de bestaande dijk tot het minimum beperkt. In de afbeelding hieronder is de werkwijze afgebeeld in een boven- en onderaanzicht. Het grondtransport zal achter de bestaande dijk (gezien vanaf de woningen), op de nieuwe dijk rijden. In het bovenaanzicht zijn links de passeerplekken afgebeeld. Na de eerste twee jaar zal het werkverkeer elkaar niet kunnen passeren, omdat de nieuw aan te leggen dijk daarvoor te smal wordt. De dijk wordt immers steeds hoger, in verband waarmee, door de helling van het talud, de breedte van de kruin afneemt. Het werkverkeer zal volgens het college in dat geval de nieuw aan te leggen dijk gebruiken als aanvoerroute en de bestaande dijk als afvoerroute. Ter zitting is verder toegelicht dat de bestaande dijk slechts voor een korte periode van enkele weken als afvoerroute zal worden gebruikt. Het verkeer zal daarnaast veilig worden begeleid door verkeersregelaars en de dijk zal alleen bereikbaar zijn voor bestemmingsverkeer. 9.
- Verder staat in paragraaf 7.3.4 van het projectplan dat maatregelen worden genomen om overlast door stofvorming tijdens de werkzaamheden te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het nathouden van de zandophogingen en werkwegen in droge periodes en het schoonhouden van wegen. 9.
- In paragraaf 5.8.2 van het projectplan is over trillinghinder vermeld dat tijdens de realisatie werkzaamheden worden uitgevoerd die trillingen kunnen veroorzaken. Deze trillingen kunnen hinder en schade veroorzaken. Om te bepalen op welke locaties binnen het plangebied een vergrote kans op trillinghinder en risico op schade is, zijn berekeningen uitgevoerd. Deze berekeningen zijn gebaseerd op de SBR-richtlijn B "Hinder voor personen in gebouwen" en de SBR-richtlijn A "Schade aan gebouwen". (SBR staat voor: de - voormalige - Stichting Bouwresearch). De omgeving wordt in de aanlegfase van de dijk volgens het projectplan tijdelijk belast met een verhoogde mate van trillingen en overlast als gevolg van de werkzaamheden. Met name op locaties waar damwanden aangebracht worden, bevinden zich veel bouwkundige objecten binnen de invloedssferen voor hinder en risico op schade. Het college heeft toegelicht dat binnen het totale invloedsgebied van de dijkversterking ongeveer 425 gebouwen staan. Het overgrote deel daarvan zijn woonhuizen en de overige gebouwen zijn bijgebouwen. Van de gebouwen in het invloedgebied wordt een bouwkundige opname gemaakt om de huidige toestand van het gebouw in kaart te brengen. Dit volgt ook uit paragraaf 8.5 van het projectplan. De opname van deze woningen is al gestart. Het college heeft toegelicht dat inmiddels van 90% van de gebouwen een opname is gemaakt en dat de eigenaren de rapportage hebben ontvangen. De verzamelde gegevens betreffen onder meer het bouwjaar, de monumentale status, de wijze van fundatie, het schadeverleden, beschikbare bouwtekeningen en de soort wand-, vloer- en plafondafwerkingen. Op grond van de opname is het gebouw en de fundering ingedeeld in een gevoeligheidsklasse conform de SBR-richtlijn A, uitgave
- Op basis van die informatie wordt bepaald welke panden op trillingen gemonitord moeten worden en of er scheurmeters moeten worden geplaatst. Indien nodig zijn de scheurmeters volgens het college ook geplaatst. Alle gegevens zijn vastgelegd in een "woningdatabase". Het college heeft verder toegelicht dat maximaal twee maanden voor aanvang van de werkzaamheden aan alle panden opnieuw een bouwkundige (tussen)opname wordt uitgevoerd en de verandering tussen de beide opnamen wordt vastgelegd. Hierbij wordt gekeken of bijvoorbeeld al bestaande scheuren langer of wijder zijn geworden. Als dit zo is, is er mogelijk een beweging van het gebouw met een oorzaak anders dan de dijkversterking. Om deze autonome bewegingen in kaart te brengen zijn (en worden nog) zettingsbouten en tiltsensoren aangebracht op alle hoofdgebouwen binnen 25 m van de werkzaamheden. Het aanbrengen van de zettingsbouten en tiltsensoren gebeurt een jaar voor de start van de werkzaamheden. Inmiddels zijn in 90% van deze gebouwen meetbouten en tiltsensoren geplaatst. Door het opmeten van de locatie met een zettingsbout wordt geregistreerd of een woning sinds de vorige meting heeft bewogen. Tiltsensoren worden op hoeken van gebouwen geplaatst, zijn voorzien van een batterij en meten continu. De metingen worden via een tussenstation ("gateway") en via het mobiele internet naar een server gestuurd. Daarmee wordt bepaald of het gebouw vervormt. In de afgelopen periode is daarnaast met vijf trillingsmeters bekeken wat de "normale" trillingen zijn nu er nog geen werkzaamheden plaatsvinden. Dit zijn zogeheten nulmetingen. Er zijn ook (of worden nog) nulmetingen gedaan bij de woningen waar tijdens de uitvoering de trillingen worden gemeten. Al deze gegevens helpen om te bepalen of beweging van gebouwen tijdens de uitvoeringswerkzaamheden het gevolg is van de werkzaamheden. Voordat gestart wordt met het aanbrengen van damwanden, worden volgens het college trillingsmeters geplaatst op de maatgevende gebouwen vóór, naast en achter de damwandstelling. Deze gebouwen zijn maatgevend vanwege de geldende signaleringswaarde in combinatie met de nabijheid van de werkzaamheden. Hierdoor kan de kans op schade aan andere gebouwen ook goed in beeld worden gebracht. De damwandstelling plaatst ongeveer 10 strekkende meter damwand per dag. Elke dag schuift de stelling 10 m op. De trillingsmeters worden gedurende het werk met de damwandstelling mee verplaatst. Niet alleen rond de damwandstelling worden trillingsmeters geplaatst, maar ook op gebouwen langs aan- en afvoerroutes en aan gebouwen waarbij grondwerkzaamheden worden uitgevoerd. Als de trillingen die worden gemeten hoger zijn dan de signaleringswaarden van het gebouw, dan worden de operator van de damwandstelling en een team van experts (monitoring, bouwkundig, uitvoerend) op de hoogte gebracht. Als er op enig moment trillingen boven de interventiewaarde worden gemeten, dan worden de werkzaamheden zo snel mogelijk stilgelegd. Dit volgt ook uit paragraaf 8.5 van het projectplan. Vervolgens zal worden bezien of er schade is ontstaan en wordt overwogen of een aangepaste werkmethode moet worden gebruikt om de damwanden in de grond te brengen. De bovenstaande werkwijze geldt ook als de interventiewaarden van de tiltsensoren worden overschreden. Als de risicovolle dijkversterkingswerkzaamheden in een specifiek dijkvak zijn afgerond, wordt volgens het college aan de gebouwen een bouwkundige eindopname uitgevoerd. Er wordt vastgesteld of er veranderingen zijn opgetreden in het gebouw ten opzichte van de vorige opname. Dat kan dan de opname zijn die is verricht voor de start van de werkzaamheden of een tussentijdse opname van een latere datum. Om te voorkomen dat er schade ontstaat door trillingen wordt volgens paragraaf 8.5 van het projectplan een monitoringsplan opgesteld. Hierin worden onder meer signalerings- en alarmwaarden omschreven die zijn gebaseerd op de schadegrenswaarden van de specifieke bouwkundige objecten en wordt daarnaast een alarm- en communicatieprotocol opgenomen over de werkwijze bij overschrijding van deze waarden. Dit monitoringsplan is inmiddels vastgesteld. In het monitoringsplan wordt ook omschreven hoe de werkzaamheden na het stilleggen hiervan weer worden hervat. Mocht onverhoopt toch schade ontstaan, dan zijn de regelingen voor schadevergoeding zoals beschreven in paragraaf 8.4 van het projectplan van toepassing. 9.
- Gelet op het voorgaande geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de wijze van uitvoering, met het oog op de belangen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 9], [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellant sub 22] en [appellant sub 24], onvoldoende in de afweging is betrokken en dat het projectplan niet getuigt van een evenwichtige belangenafweging. Overigens heeft het college ter zitting toegezegd dat bij de woningen van [appellant sub 22] en [appellant sub 9] trillingsmeters zullen worden geplaatst. Wat betreft de beperking van de snelheid op de dijk tot 30 km/u en de verwijdering van de verkeersdrempel tussen dijkwoning [locatie 3] en [locatie 8], overweegt de Afdeling dat dit uitvoeringsaspecten betreffen. Het college heeft ter zitting toegelicht dat het de bedoeling is dat de transporteurs maximaal 30 km/u rijden. Mocht onverhoopt toch harder dan 30 km/u worden gereden, dan zijn tijdens de werkzaamheden verkeersregelaars aanwezig die daarop toezien. Het college heeft in zoverre terecht geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het projectplan te onthouden. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat bij eventuele schade aanspraak kan worden gemaakt op schadevergoeding zoals beschreven in paragraaf 8.4 van het projectplan. Het betoog faalt. Conclusie
- De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 9], [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellant sub 22] en [appellant sub 24] zijn ongegrond.
- Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Het beroep van [appellant sub 3] Inleiding
- [ appellant sub 3] woont aan de [locatie 9] in Haaften. Zijn woning ligt op ongeveer 185 m van de dijk ter hoogte van dijkvak 5b. De dijk wordt hier buitenwaarts versterkt. Het beroep van [appellant sub 3] is gericht tegen het goedkeuringsbesluit. Ingetrokken beroepsgronden
- Ter zitting heeft [appellant sub 3] te kennen gegeven de beroepsgronden dat hij niet is uitgenodigd om in te spreken tijdens de commissievergadering en dat ten onrechte met hem geen contact is opgenomen over de grondverwerving, in te trekken. Aansluiting op maaiveld
- [ appellant sub 3] betoogt dat aan een deel van de berm van zijn perceel ten onrechte niet in overeenstemming met de situatie in 1996 wordt voorzien in een 1:10 talud en een dikkere teellaag, terwijl dit in de nota van antwoord is toegezegd. Hierdoor zal de berm volgens hem niet beter bruikbaar worden en vreest hij, zoals hij ter zitting heeft toegelicht, voor wateroverlast. Hij wijst erop dat het bepalen van de exacte aansluiting van de dijk op het omliggende maaiveld plaats zou vinden in een detailuitwerking, maar dat tot op heden geen detailuitwerking heeft plaatsgevonden en dat hij, anders dan in de nota van antwoord staat, hier niet bij is betrokken. Verder geeft hij aan dat er niets is gedaan met zijn zienswijze. 14.
- Het college heeft toegelicht dat de dijk bij het perceel van [appellant sub 3] buitenwaarts zal worden versterkt. Aan de binnenzijde van de dijk vindt volgens het college geen wijziging plaats, behalve dat deze wordt aangesloten op het maaiveld. De berm maakt wel deel uit van de dijk, maar niet van de te versterken dijk. Het basisprofiel van de dijk wordt gevormd door een 1:3 talud aan de binnen- en buitenzijde. Voor de dijkversterking is het volgens het college niet nodig om een dikke teellaag of een minder steil talud aan te leggen. [appellant sub 3] heeft dit niet gemotiveerd bestreden. Verder heeft het college ter zitting toegelicht dat het perceel van [appellant sub 3], na de tijdelijke ingebruikname van een deel van zijn grond voor een werkstrook, zal worden teruggebracht in de huidige staat. Anders dan [appellant sub 3] stelt, is zijn zienswijze in de nota van antwoord opgenomen en is deze van een inhoudelijke reactie voorzien. In de nota van antwoord is vermeld dat het bepalen van de exacte aansluiting van de dijkversterking op het omliggende maaiveld, inclusief het materiaalgebruik, plaatsvindt in de detailuitwerking van de dijk ten behoeve van het uitvoeringsontwerp. De zienswijze van [appellant sub 3] wordt daarbij volgens de nota van antwoord meegenomen en hij zal daarbij betrokken worden. Zoals hiervoor onder 5 is overwogen, staat artikel 5.4, tweede lid, van de Waterwet daar niet aan in de weg. Dat de detailuitwerking nog niet heeft plaatsgevonden, betekent op zichzelf niet dat de zienswijze van [appellant sub 3] niet bij de besluitvorming is betrokken. [appellant sub 3] heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat hem anderszins toezeggingen zijn gedaan. Gelet op het vorenstaande heeft het college in zoverre terecht geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het projectplan te onthouden. Het betoog faalt. Conclusie
- Het beroep is ongegrond.
- Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Het beroep van [appellant sub 4] Inleiding
- [ appellant sub 4] woont aan de [locatie 10] in Herwijnen in de tot een woonhuis omgebouwde [molen]. De molenromp is aangewezen als rijksmonument. De woning van [appellant sub 4] ligt op ongeveer 8 m van de kruin van de dijk ter hoogte van dijkvak 7i. De dijk wordt hier versterkt met een zogenoemde langsconstructie. Het beroep van [appellant sub 4] is gericht tegen het goedkeuringsbesluit, het bestemmingsplan van de gemeente West Betuwe en het ontbreken van een Omgevingsvergunning monument (hierna: monumentenvergunning). Procedureel
- [ appellant sub 4] betoogt dat de procedure onzorgvuldig is doorlopen omdat hij, anders dan in de brief van de provincie Gelderland van 2 december 2020 staat, niet is uitgenodigd om in te spreken tijdens een vergadering over het bestemmingsplan van de gemeenteraadscommissie in de gemeente West Betuwe. 18.
- De Afdeling vindt het gelet op de diverse samenhangende uitvoeringsbesluiten van verschillende bestuursorganen niet onbegrijpelijk dat bij [appellant sub 4] de gedachte is ontstaan dat hij na het indienen van zijn zienswijze uitgenodigd zou worden om in te spreken tijdens de gemeentelijke commissievergadering. In de brief van 2 december 2020 is evenwel het volgende vermeld: "De gemeenten West Betuwe en Gorinchem gaan in januari 2021 het bestemmingsplan voorleggen aan hun gemeenteraden. Als u een zienswijze hebt ingediend tegen dit besluit, dan krijgt u binnenkort van de gemeente een brief met een uitnodiging om in te spreken tijdens een commissievergadering." Niet gebleken is dat [appellant sub 4] een zienswijze heeft ingediend tegen het bestemmingsplan van de gemeente West Betuwe. De enkele stelling van [appellant sub 4] dat zijn zienswijze gericht was tegen de weginrichting in verband met de Gastvrije Waaldijk, betekent op zichzelf niet dat duidelijk was dat deze ook expliciet gericht was tegen het bestemmingsplan van de gemeente West Betuwe. Dat hij geen uitnodiging heeft ontvangen om in te spreken tijdens de commissievergadering levert dan ook alleen al daarom geen gebrek op in het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. De Afdeling ziet in wat [appellant sub 4] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het bestemmingsplan onzorgvuldig is voorbereid. Het betoog faalt.
- [appellant sub 4] betoogt dat hij als eigenaar betrokken had moeten worden bij de afweging of voor de voormalige molen een monumentenvergunning had moeten worden aangevraagd. 19.
- In het kader van de voorbereiding van het projectplan is vastgesteld dat voor de voormalige molen van [appellant sub 4] geen monumentenvergunning nodig is. Daarover is met [appellant sub 4] geen overleg gevoerd. Weliswaar had het voor de hand gelegen om hierover met [appellant sub 4] als eigenaar van een rijksmonument in contact te treden, maar dit heeft geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het projectplan en de goedkeuring daarvan. Daarbij overweegt de Afdeling dat voor het projectplan de in de Waterwet geregelde procedure is doorlopen. Het ontwerpprojectplan en de bijbehorende stukken, zoals het ontwerpbesluit voor de activiteiten bouwen, monumenten en kappen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) van de gemeente West Betuwe, zijn ter inzage gelegd. Daarvan had en heeft [appellant sub 4] kennis kunnen nemen. Dat geen contact is opgenomen met hem is niet in strijd met artikel 5.4 van de Waterwet of anderszins met het recht. Gelet op het vorenstaande heeft het college in zoverre terecht geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het projectplan te onthouden. Het betoog faalt. Monumentenvergunning
- [appellant sub 4] betoogt dat een monumentenvergunning voor de werkzaamheden ten onrechte ontbreekt, omdat deze werkzaamheden in de nabijheid en rondom de molen worden uitgevoerd. Bij verlening van die vergunning kunnen dan extra voorwaarden worden gesteld aan het werken in de nabijheid van het monument, zodat er geen schade wordt veroorzaakt. Hij wijst ter ondersteuning van dit betoog op de specifieke zorgplicht voor rijksmonumenten zoals die ook is opgenomen in artikel 13.7 van het toekomstige "Besluit Activiteiten Leefomgeving". Voor de voormalige molen had volgens [appellant sub 4] een monumentenvergunning moeten worden aangevraagd en verleend, met daarin voorschriften over de uitvoering van de werkzaamheden met het oog op het behoud van het rijksmonument en waarin is vastgelegd wie eindverantwoordelijk en aansprakelijk is voor de eventueel opgetreden schade. Hiertoe voert hij aan dat er werkzaamheden in de nabijheid en rondom de voormalige molen worden uitgevoerd, zodat kans op schade aan de voormalige molen bestaat als gevolg van de damwand die op 7 m afstand van de molenwand is voorzien. In dat verband wijst hij op de monumentale boerderij aan de [locatie 11] in Hellouw waarvoor wel een monumentenvergunning is aangevraagd. Verder is volgens hem in de "monumentenfactsheet" ten onrechte ervan uitgegaan dat de molenromp ongeveer 10 tot 15 m van de kruin van de dijk ligt, terwijl de afstand tussen de molenwand en de rand van het asfalt net geen 7 m is. Met de redeneerlijn dat door een eerdere dijkverhoging de herkenbaarheid van de molen al is verstoord, wordt volgens [appellant sub 4] ten onrechte een "salamitactiek" toegepast bij een volgende dijkversterking. 20.
- Het college heeft toegelicht dat gelet op de analyse in de monumentenfactsheet geen sprake is van een wijziging en/of aantasting van de beschreven monumentale waarden van de molenromp als gevolg van de dijkversterking. Een monumentenvergunning is volgens het college niet nodig. 20.
- De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant sub 4] zo dat op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wabo een omgevingsvergunning had moeten worden verleend voor het rijksmonument. Ingevolge die bepaling is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een rijksmonument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat voor de voormalige molen op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wabo een omgevingsvergunning had moeten worden aangevraagd. Daartoe overweegt de Afdeling het volgende. In paragraaf 5.9 van het projectplan is vermeld dat in het kader van de dijkversterking cultuurhistorisch onderzoek heeft plaatsgevonden door Vestigia. Voor 49 monumenten, waaronder dat van [appellant sub 4], is geanalyseerd of er sprake is van een ingrijpende aanpassing aan het monument en of derhalve een vergunningaanvraag nodig is om een wijziging aan te brengen aan het monument. In de monumentenfactsheet voor de voormalige molen van [appellant sub 4] staat dat de molenromp in het binnendijktalud op een afstand van ongeveer 10 tot 15 m van de kruin van de dijk ligt. De kruin van de nieuwe dijk wordt 33 cm hoger dan de bestaande kruin. Het binnentalud van de dijk verandert nauwelijks. Omdat er slechts een beperkte wijziging van het profiel van het binnentalud plaatsvindt, de herkenbaarheid van de molen al verstoord is door een eerdere dijkverhoging en de wieken ontbreken, wordt het effect van het ontwerp op de molen als neutraal beoordeeld. De oorspronkelijke 18e-eeuwse molenromp is in feite ingekapseld in de nu zichtbare gemetselde gevel. Het is onduidelijk wat de constructieve toestand is van de 18e-eeuwse resten. Het is aan te raden deze toestand vooraf in kaart te brengen en tijdens de uitvoering te monitoren, zo staat in de monumentenfactsheet. Ter nadere toelichting heeft het college de memo "Molen zonder wieken" van 11 oktober 2021 overgelegd, die ook is opgesteld door Vestigia. Hierin is in lijn met de eerdere beoordeling vermeld dat de molen (casco of constructie) noch de molenbiotoop (de ligging in het landschap, het zicht op de molen) wordt aangetast door de geplande werkzaamheden. Voor de werkzaamheden is volgens de memo derhalve geen monumentvergunning nodig aangezien het monument niet wordt gewijzigd. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie in de monumentenfactsheet en de memo. Het betoog van [appellant sub 4] dat in de monumentenfactsheet is uitgegaan van een verkeerde afstand, maakt dit niet anders. Ter zitting heeft het college desgevraagd toegelicht dat zelfs als uitgegaan wordt van een afstand van 7 of 8 m daardoor geen situatie zou ontstaan waarin wel een monumentenvergunning moet worden aangevraagd. De Afdeling ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen. Daarbij betrekt de Afdeling dat uit de memo van Vestigia volgt dat er niet aan het monument zelf zal worden gewerkt en dat ook niet in de directe omgeving van de molen zal worden gegraven. Verder acht de Afdeling het niet aannemelijk dat doelbewust een salamitactiek wordt toegepast. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de dijk niet telkens weer wordt verhoogd, maar met intervallen van ongeveer 50 jaar. Bovendien zijn in de monumentenfactsheet de effecten van de dijkversterking op het monument als geheel beoordeeld en is niet alleen uitgegaan van verstoring van de herkenbaarheid van de molen. Over de door [appellant sub 4] gemaakte vergelijking met de monumentale boerderij aan de [locatie 11] in Hellouw heeft het college toegelicht dat de huidige dijk tegen de boerderij aan ligt. In het kader van de dijkversterking moet volgens het college de grond die tegen de boerderij aan ligt worden weggehaald, waardoor de tegendruk wegvalt, zodat schade aan de woning kan ontstaan. Dit volgt ook uit de monumentenfactsheet van de monumentale boerderij. Gelet op wat [appellant sub 4] heeft aangevoerd is de Afdeling van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de situatie aan de [locatie 11] niet op één lijn kan worden gesteld met de situatie ter plaatse van de woning van [appellant sub 4]. Gelet op het vorenstaande heeft het college in zoverre terecht geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het projectplan te onthouden. De Afdeling zal hierna bij de bespreking van de beroepsgrond over trillinghinder ingaan op de uitvoeringswerkzaamheden en de aansprakelijkheid voor de eventueel op te treden schade. Het betoog faalt. Trillinghinder
- [appellant sub 4] betoogt dat onduidelijk is welke maatregelen zullen worden genomen om schade door trillingen aan zijn woning te voorkomen als gevolg van de plaatsing van een damwand. Hij wijst erop dat in de nota van antwoord diverse methoden zijn genoemd voor het plaatsen van damwanden om trillingen te voorkomen, maar dat niet duidelijk is welke methode zal worden gebruikt. Verder voert [appellant sub 4] aan dat een herziening van de risicoberekeningen voor zijn woning vanwege trillingen op basis van de vigerende SBR-richtlijn
(2017)moet plaatsvinden, aangezien in het MER en het projectplan is uitgegaan van een verouderde versie en de beoordeling van trillingen bij monumenten in de nieuwe versie anders benaderd wordt. Dit betekent volgens hem dat er meer of minder bouwwerken binnen de invloedsfeer voor risico op schade komen te vallen. Verder wijst hij erop dat er tot op heden geen monitoringsplan is opgesteld waarbij hij betrokken is. 21.
- De Afdeling stelt voorop dat welke methode uiteindelijk wordt ingezet voor de plaatsing van de damwand een uitvoeringsaspect betreft. In paragraaf 5.8 van het projectplan is per hinderaspect omschreven wat de omgeving kan verwachten en welke maatregelen genomen worden om hinder en schade zoveel mogelijk te beperken. Trillinghinder is besproken in paragraaf 5.8.
- Uit de nota van antwoord volgt verder dat van de woning van [appellant sub 4] inmiddels een bouwkundige nulopname is gemaakt en er meetboutjes zijn geplaatst. Verder is op de zitting gebleken dat er tiltsensoren zijn geplaatst. Het college heeft ter zitting nader toegelicht dat bovendien trillingsmeters voor, tijdens en na de uitvoeringswerkzaamheden worden geplaatst. Dat in het projectplan en in het MER de versie van juli 2006 van de SBR-richtlijn is vermeld, betekent op zichzelf niet dat het projectplan onzorgvuldig tot stand is gekomen. Daarbij acht de Afdeling van belang dat op basis van de verrichte bouwkundige opname gebouwen ingedeeld worden in een gevoeligheidsklasse conform de SBR-richtlijn, uitgave
- Verder is inmiddels een monitoringsplan vastgesteld, waar [appellant sub 4] kennis van heeft kunnen nemen. Dat hij bij de vaststelling daarvan niet is betrokken, is niet in strijd met artikel 5.4 van de Waterwet of anderszins met het recht. Dit geldt ook voor zover [appellant sub 4] ter zitting heeft aangevoerd dat de grenswaarde, de wijze van meting en monitoring ten tijde van de vaststelling en goedkeuring van het projectplan al duidelijk hadden moeten zijn. Daartoe overweegt de Afdeling dat het college heeft toegelicht dat de grenswaarde voor toelaatbare trillingen geen vast getal is. Deze waarde hangt af van de frequentie van de trilling in combinatie met het type gebouw, fundering, ondergrond en het type trilling. Verder volgt uit het projectplan dat op basis van de bouwkundige staat van de woning, het soort werkzaamheden dat uitgevoerd gaat worden en de geotechnische gegevens van de ondergrond bepaald wordt of en hoe er gemonitord wordt tijdens de uitvoering. Het college heeft zich redelijkerwijs op dit standpunt mogen stellen. Mocht er toch onverhoopt schade ontstaan, dan kan volgens paragraaf 8.4 aanspraak worden gemaakt op planschade- of nadeelcompensatie. Welke schade wordt uitgekeerd wordt berekend aan de hand van de "Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014". Voor het in behandeling nemen en afhandelen van planschade- of nadeelcompensatieclaims is verder de "Verordening schadevergoeding Waterschap Rivierenland" van toepassing, aldus paragraaf 8.
- Hiermee is voldaan aan de eisen die worden gesteld in artikel 5.4, tweede lid, van de Waterwet. Overigens is in het monitoringsplan vermeld dat schade die door de uitvoering ontstaat door het waterschap altijd volledig wordt vergoed en dat de hoogte van die vergoeding wordt bepaald door een onafhankelijke schadedeskundige. Voor verdere informatie wordt verwezen naar de factsheet Schade en de Schadekaart op de website www.gralliantie.nl/documenten. Gelet op het vorenstaande en met verwijzing naar wat onder 4, 5, 9.1 en 9.4 is overwogen, geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de wijze van uitvoering, met het oog op de belangen van [appellant sub 4], onvoldoende in de afweging is betrokken en dat het projectplan niet getuigt van een evenwichtige belangenafweging. Gelet op het vorenstaande heeft het college in zoverre terecht geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het projectplan te onthouden. Het betoog faalt. Weginrichting
- [appellant sub 4] betoogt dat onduidelijk is op welke wijze de weg ingericht gaat worden. Hij wijst erop dat het voornemen bestaat om de Waaldijk "gastvrij" te maken, zodat een verkeerssituatie ontstaat waarbij de auto "te gast" is en wandelaars en fietsers hoofdgebruikers zijn. De voorziene inrichting van de weg zal volgens [appellant sub 4] echter leiden tot een verkeersonveilige situatie. Volgens hem wordt in de stukken erop gewezen dat de weg versmald zal worden, terwijl er een wegverbreding plaatsvindt. In dat verband wijst hij erop dat een groot gedeelte van het dijktracé momenteel een breedte van 4 tot 4,3 m heeft, terwijl de berijdbare breedte na de dijkversterking 5 m zal bedragen. Door dit ruimere wegprofiel met bermverharding zullen bestuurders van motorvoertuigen volgens [appellant sub 4] juist harder gaan rijden. Deze visie wordt volgens hem ondersteund door het Verkeersveiligheidsadvies van de Stichting Veilig Verkeer Nederland van januari 2021 (hierna: VVN-advies). [appellant sub 4] wijst erop dat moet worden voorzien in snelheidsremmende maatregelen, zoals 30 km/u zones over langere afstanden. Volgens hem moet op verschillende deeltrajecten een passende maatwerkoplossing worden gezocht. 22.
- Deze beroepsgrond van [appellant sub 4] is gericht tegen zowel het goedkeuringsbesluit als het bestemmingsplan van de gemeente West Betuwe. Voor zover deze beroepsgrondgrond is gericht tegen het bestemmingsplan begrijpt de Afdeling het betoog van [appellant sub 4] zo dat hij zich niet kan verenigen met de in het plan toegekende bestemming "Verkeer". 22.
- Het college en de raad van de gemeente West Betuwe stellen zich op het standpunt dat de beoogde inrichting van de weg er niet toe zal leiden dat verkeer harder zal gaan rijden of verkeersonveilige situaties zullen ontstaan op dit gedeelte van de Waaldijk. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat zij zich niet op dit standpunt hebben mogen stellen. Daartoe overweegt de Afdeling het volgende. De weginrichting van de Waaldijk zal plaatsvinden volgens de uitgangspunten van het programma Gastvrije Waaldijk. Dit programma omvat het ontwerp voor een verkeersveilige en recreatieve dijk aan de noordzijde van de Waal over het gehele traject van Nijmegen tot aan Gorinchem. Het gaat om een dijk van 80 km lang met één uitstraling en dezelfde kenmerken, te weten een Waaldijk met een gastvrij karakter waar de fiets de hoofdgebruiker is en het gemotoriseerd verkeer te gast. De verkeersveiligheid is daarbij een belangrijk onderdeel. In de nota van antwoord en het verweerschrift is uiteengezet dat de huidige breedte van het asfalt varieert tussen 4 en 4,3 m en dat enkele wegvakken een asfaltbreedte hebben tussen 4,5 en 5,5 m. In paragraaf 4.1.2 van het projectplan is vermeld dat de asfaltbreedte in de nieuwe situatie varieert tussen 3,8 en 4,2 m met aan weerszijden een bermverharding. Het doel van de smallere asfaltverharding van 3,8 m is volgens het college en de raad een verlaging van de rijsnelheid te bewerkstelligen. Voorwaarde voor deze vormgeving is dat de bermverharding net zo draagkrachtig en stabiel is als de weg zelf. Of de voorziene situatie gelet op de eisen van draagkracht en stabiliteit van de berm overal haalbaar is, is nog niet zeker. Als dat niet mogelijk is, zal met het oog op de verkeersveiligheid een asfaltbreedte worden voorzien van 4,2 m met aan weerszijden een bermverharding. De precieze breedte moet volgens het projectplan nog worden bepaald en is afhankelijk van aspecten als verkeersintensiteit en gebruik (bijvoorbeeld door landbouw- en vrachtverkeer). Hiervoor wordt maatwerk toegepast. Ter zitting is toegelicht dat de bermverharding aan weerszijden van de weg 0,4 m zal bedragen, waarbij aan de rivierzijde zal worden voorzien in betonband en aan de landzijde in grasbetonstenen. Deze breedte is volgens het college en de raad nodig om het verkeer elkaar veilig te kunnen laten passeren, maar voorkomt dat het automobilisten uitnodigt om harder te gaan rijden. Met het aanbrengen van verkeersplateaus in 60 km/u zones op gelijkwaardige kruispunten en een logische indeling van 30 km/u- en 60 km/u-zones die beter aansluiten bij het gewenste verkeersgedrag, is verder beoogd om de verkeersveiligheid op het dijktraject te verbeteren. Ter zitting hebben het college en de raad nader toegelicht dat ook bij de zijweg vlak bij de woning van [appellant sub 4] een verkeersplateau zal komen. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de weg op dit gedeelte van de Waaldijk niet zodanig kan worden ingericht dat deze verkeersveilig zal zijn. Het VVN-advies maakt dit niet anders. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat dit advies ziet op de Waalbandijk bij Ophemert, op ongeveer 10 km afstand van de woning van [appellant sub 4]. Uit dit advies volgt niet dat het gedeelte van de Waaldijk bij zijn woning niet verkeersveilig kan worden ingericht noch dat het beoogde wegprofiel met bermverharding op deze plek ertoe zal leiden dat verkeer harder zal gaan rijden of verkeersonveilige situaties zullen ontstaan. Overigens hebben het college en de raad te kennen gegeven dat het VVN-advies bij de uitvoering zal worden meegenomen en dat daarnaast een verkeersadvies wordt ingewonnen voor het inrichten van een verkeersveilige weg. Hoe de weg concreet feitelijk ingericht gaat worden en op welke wegdelen 30 km/u- of 60 km/u-zones zullen gelden, is naar het oordeel van de Afdeling een kwestie van uitvoering. Gelet op het vorenstaande heeft het college in zoverre terecht geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het projectplan te onthouden. De Afdeling ziet evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad de in het plan toegekende bestemming "Verkeer" niet heeft mogen toekennen. Het betoog faalt. Conclusie
- Het beroep is ongegrond.
- Het college en de raad hoeven geen proceskosten te vergoeden. Het beroep van [appellant sub 5] en anderen Inleiding
- [ appellant sub 5] woont aan de [locatie 12] in Hellouw. Haar woning ligt op ongeveer 35 m van de dijk ter hoogte van dijkvak 5d. Het beroep van [appellant sub 5] en anderen is mede ingediend door [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], die respectievelijk aan de [locatie 13] en [locatie 14] wonen. Hun woningen liggen op respectievelijk ongeveer 65 m en 60 m van de dijk, eveneens ter hoogte van dijkvak 5d. De dijk wordt hier binnenwaarts versterkt. Het beroep van [appellant sub 5] en anderen is gericht tegen het goedkeuringsbesluit. Oprit
- [ appellant sub 5] en anderen betogen dat voor de drie woningen ten onrechte is voorzien in slechts één oprit. Zij wijzen erop dat tijdens een informatieavond van 23 januari 2020 is aangegeven dat bewoners die geen eigen opritten hebben, dit kenbaar kunnen maken en dat dit meegenomen zou worden bij de vaststelling van het projectplan. Volgens hen moet vanwege veiligheidsoverwegingen worden voorzien in drie opritten, één voor iedere woning, omdat de bewoners van deze woningen meerdere voertuigen bezitten en in het bezit zijn van een rijbewijs BE, zodat meerdere voertuigen elkaar regelmatig moeten passeren op de oprit. 26.
- [ appellant sub 5] en anderen hebben in de huidige situatie één gezamenlijke oprit. Op de kaart behorende bij het projectplan is voor hen eveneens uitgegaan van één gezamenlijke oprit. In paragraaf 4.3.1 van het projectplan is vermeld dat alle op- en afritten naar woningen en percelen opnieuw zijn ontworpen. Daarbij is het uitgangspunt dat de huidige functionaliteit hetzelfde blijft. Een toename van het aantal op- en afritten op de dijk is volgens het college niet gewenst vanwege de verkeersveiligheid. Dit uitgangspunt is volgens de Afdeling voldoende onderbouwd. [appellant sub 5] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat is toegezegd dat iedere bewoner een eigen oprit krijgt. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat voor [appellant sub 5] en anderen niet mocht worden voorzien in één gezamenlijke oprit. Daarbij acht de Afdeling van belang dat hun gezamenlijke oprit opnieuw is ontworpen en na de dijkversterking haaks op de dijk komt te liggen. Volgens het college komt dit ten goede aan de verkeersveiligheid. Het college heeft ter zitting toegelicht dat er geen gebouwen bij de oprit staan die het zicht beperken en dat de verkeerssituatie vanaf de dijk naar de woningen toe goed te overzien is, omdat er, anders dan in de huidige situatie, meer overzicht is om de bocht te nemen. [appellant sub 5] en anderen hebben ter zitting erkend dat sprake is van een veiligere situatie vanwege de haakse ligging van de oprit op de dijk. Gelet op het vorenstaande heeft het college in zoverre terecht geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het projectplan te onthouden. Het betoog faalt. Huurprijs grond
- [appellant sub 5] en anderen betogen dat de huurprijs van de dijkgrond van € 4,00 per m² per jaar buitenproportioneel en financieel niet haalbaar is. Zij wijzen erop dat het waterschap Rivierenland de onderhoudsovereenkomst eenzijdig heeft opgezegd en pas na afronding van de werkzaamheden mogelijkheden ziet voor een nieuwe overeenkomst, waarbij de huurprijs van de dijkgrond vooralsnog is vastgesteld op € 4,00 per m² per jaar. Bij navraag bij diverse lokale makelaars en rentmeesters, waaronder Plomp makelaars, is volgens [appellant sub 5] en anderen gebleken dat € 4,00 per m² per jaar gelijk is aan de koopprijs voor deze grond en dat een realistischer huurprijs zou zijn € 0,04 per m² per jaar. Zij wijzen erop dat als zij dit bedrag niet betalen, geen erfafscheiding meer kan worden geplaatst, wat zal leiden tot onveilige situaties. De erfafscheiding dient namelijk als vangnet voor voertuigen die te hard de dijk afrijden op het dijktalud voor hun woningen. Als geen erfafscheiding kan worden geplaatst, zullen voertuigen rechtstreeks de percelen oprijden waar kinderen spelen en honden loslopen. Verder wijzen zij erop dat nu de onderhoudsovereenkomst is opgezegd en de verschuldigde vergoeding € 4,00 per m² per jaar blijft, zij geen maaiwerkzaamheden meer zullen verrichten, terwijl planten zoals berenklauw uitbundig op de dijk groeien, wat een gevaar vormt voor recreanten en omwonenden. [appellant sub 5] en anderen wensen een deel van de grond aan te kopen en daarmee het eigendom van het waterschap gelijk te trekken met het perceel aan de [locatie 13]. 27.
- De Afdeling stelt voorop dat de tarievenlijst voor het huren van de grond van het waterschap in deze procedure niet aan de orde kan komen. De dijkgrond waar het in deze zaak over gaat is in eigendom van het waterschap. Het college heeft toegelicht dat de gebruikersovereenkomst van het perceel van het waterschap dat [appellant sub 5] en anderen in gebruik hadden, is opgezegd, zodat de bruikleen is komen te vervallen en er geen verplichtingen meer bestaan tussen hen en het waterschap. Na afronding van de werkzaamheden stelt het waterschap in overleg met de dijkbeheerder een nieuw uitgifteplan op. Bij de vaststelling van dat uitgifteplan zal beoordeeld worden of de betreffende grond weer aan [appellant sub 5] en anderen in bruikleen kan worden gegeven of door hen aangekocht kan worden als na de dijkversterking blijkt dat het waterschap gronden in bezit heeft die niet (meer) van belang zijn voor de uitoefening van zijn taken. [appellant sub 5] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat sprake zal zijn van verkeersonveilige situaties indien geen erfafscheiding meer kan worden geplaatst. Verder heeft het college ter zitting toegelicht dat het onderhoud, waaronder maaiwerkzaamheden, gepleegd zal worden door het waterschap. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding hieraan te twijfelen. Gelet op het vorenstaande heeft het college in zoverre terecht geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het projectplan te onthouden. Het betoog faalt. Conclusie
- Het beroep is ongegrond.
- Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Het beroep van SVU Inleiding
- SVU is statutair gevestigd in Lingewaal, thans West Betuwe, en houdt kantoor aan de Waaldijk 37 in Vuren ter hoogte van dijkvak 10a. Haar beroep is gericht tegen het goedkeuringsbesluit. Woningbouw op het voormalige steenfabrieksterrein
- SVU betoogt onder verwijzing naar de paragrafen 6.4.3 en 6.4.4 van het projectplan dat het projectplan weliswaar formeel geen woningbouw op het voormalige steenfabrieksterrein behorende bij het Heuffterrein mogelijk maakt, maar dit wel faciliteert. Ter zitting heeft zij toegelicht dat de rivierkundige ruimte die ontstaat als gevolg van de dijkversterking niet gebruikt moet worden voor woningbouw. Zij wijst erop dat een niet-riviergebonden initiatief, zoals woningbouw, op grond van de Beleidsregels grote rivieren en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening alleen is toegestaan als het initiatief per saldo meer ruimte voor de rivier oplevert. Dit houdt in dat de initiatiefnemer maatregelen dient te treffen die de afvoer- of bergingscapaciteit van het rivierbed structureel uitbreiden. In deze situatie behoort de eigenaar van het Heuffterrein niet tot de initiatiefnemers van het projectplan. Het is volgens SVU daarom niet mogelijk om de rivierkundige ruimte die ontstaat bij de inrichting van de Woelse Waard aan te wenden voor woningbouw op het Heuffterrein. De zoeklocatie voor woningbouw in figuur 6.29 in paragraaf 6.4.3 van het projectplan moet volgens SVU dan ook worden verwijderd. Daarnaast moet paragraaf 6.4.4 van het projectplan worden gewijzigd, in die zin dat de rivierkundige ruimte niet aangewend kan worden voor woningbouw op het voormalige steenfabrieksterrein, zo stelt SVU. 31.
- In figuur 6.29 in paragraaf 6.4.3 van het projectplan is de maatregelenkaart van het Heuffterrein weergegeven. In die figuur is het voormalige steenfabrieksterrein weergegeven als "zoekgebied uiterwaardenwoningen". In paragraaf 6.4.4 van het projectplan is vermeld dat rivierkundig modelonderzoek is uitgevoerd naar de effecten van de dijkversterking in combinatie met de maatregelen om deze effecten te compenseren. Uit het modelonderzoek blijkt dat de herinrichting van de Woelse Waard meer waterstandsdaling oplevert dan nodig is om de waterstandsverhoging als gevolg van de dijkversterking te compenseren. Hierdoor ontstaat ter plaatse van het Heuffterrein rivierkundige ruimte die ten goede kan komen aan het realiseren van een integraal plan met onder andere woningbouw in het buitendijkse gebied. 31.
- Het college heeft toegelicht dat de zoeklocatie voor woningbouw op het Heuffterrein is opgenomen om te laten zien dat er plannen zijn voor woningbouw op het Heuffterrein en om aan te geven hoe de toekomstige woningbouw zich verhoudt tot de natuurcompensatie voor het Natuurnetwerk Nederland (hierna: NNN-compensatie). Ook is de contour hiervan gebruikt voor het berekenen van de rivierkundige effecten van de dijkversterking en van de rivierkundige compensatie voor deze effecten. Voor het planologisch mogelijk maken van de woningen is volgens het college nog een (integrale) herziening van het vigerende bestemmingsplan nodig, die momenteel in voorbereiding is. De Afdeling overweegt dat het voormalige steenfabrieksterrein in het projectplan slechts is aangegeven als een locatie voor een mogelijke ontwikkeling voor woningbouw. Het projectplan maakt op deze locatie op zichzelf geen woningbouw mogelijk. Het vermelden van een mogelijke invulling van het voormalige steenfabrieksterrein met woningbouw is niet in strijd met artikel 5.4 van de Waterwet of anderszins met het recht. Voor het oordeel dat figuur 6.29 in paragraaf 6.4.3 van het projectplan moet worden verwijderd en paragraaf 6.4.4 moet worden gewijzigd, bestaat geen aanleiding. Gelet op het vorenstaande heeft het college in zoverre terecht geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het projectplan te onthouden. Het betoog faalt. Borging NNN-compensatie
- SVU betoogt dat realisering van de NNN-compensatie op het Heuffterrein niet is geborgd en dat realisering hiervan ten onrechte afhankelijk is van de woningbouw op het voormalige steenfabrieksterrein. Zij wijst erop dat voor het Heuffterrein een (inrichtings)plan in voorbereiding is en in procedure zal worden gebracht waarin naast de natuuropgave onder andere zal worden voorzien in woningbouw op deze locatie, zodat hiermee de woningbouw en de realisatie van de natuurcompensatie aan elkaar worden gekoppeld. De huidige eigenaar van de grond is bereid om zijn gronden beschikbaar te stellen voor de realisatie van de NNN-compensatie indien hij toestemming krijgt voor de bouw van een aantal woningen op het voormalige steenfabrieksterrein. Omdat de medewerking van de huidige eigenaar afhankelijk is van de toestemming van de gemeente West Betuwe voor de woningbouw, is de realisatie van de NNN-compensatie niet geborgd, omdat nog onzeker is of de gemeente West Betuwe toestemming geeft voor woningbouw op die locatie. Woningbouw op het voormalige steenfabrieksterrein is volgens SVU immers in strijd met het huidige bestemmingsplan en met artikel 6.12 van het Waterbesluit. Met de "Samenwerkingsovereenkomst inzake versterking Waaldijk - Dijkvak 10a - Vuren en herontwikkeling Heuffterrein" van 24 april 2020, tussen het waterschap, de gemeente West Betuwe en de eigenaar van het voormalige steenfabrieksterrein waarin is opgenomen dat de natuurcompensatie zal plaatsvinden ongeacht of de woningbouw zal worden gerealiseerd, is de NNN-compensatie volgens SVU onvoldoende geborgd. In dat verband wijst zij erop dat deze overeenkomst kan worden ontbonden en de eigenaar de gronden kan verkopen. Volgens SVU moet de NNN-compensatie zowel publiekrechtelijk zijn geborgd als privaatrechtelijk, waarbij een kettingbeding wordt opgenomen, zodat een eventuele nieuwe eigenaar gebonden is aan de realisatie en instandhouding van de natuurcompensatie. 32.
- De dijkversterking leidt tot ruimteverlies van het oppervlak van het NNN. Onder meer een gedeelte van het Heuffterrein, dat nu de bestemming "Natuur" heeft en buiten het NNN ligt, zal worden gebruikt voor de NNN-compensatie en zal worden aangewezen als onderdeel van het Gelderse Natuurnetwerk (hierna: GNN). Dit heeft het college ter zitting nogmaals bevestigd. Het college heeft eveneens bevestigd dat ook als de woningbouw geen doorgang zou vinden, toch natuurcompensatie zal plaatsvinden. Dit blijkt zowel uit de gemaakte privaatrechtelijke afspraken, waaronder een intussen afgesloten bilaterale overeenkomst tussen het waterschap en de eigenaar, als uit de waarborgen in het publiekrechtelijke spoor. In het rapport "NNN-compensatieplan dijkversterking GoWA" van Graaf Reinaldalliantie (hierna: NNN-compensatieplan) dat als bijlage bij het projectplan is opgenomen, is vermeld dat de inrichtingsmaatregelen voor het Heuffterrein zijn gericht op de verdere kwaliteitsverbetering van de al ontstane natuurwaarden. Het doel is om de kwaliteit zodanig te verbeteren dat de beheertypen in het gebied kwalificeren voor opname van het gebied in het GNN. In het NNN-compensatieplan is verder aangegeven welke ingrepen daartoe zullen worden uitgevoerd. Voor de inrichting van het Heuffterrein wordt volgens het NNN-compensatieplan door het waterschap, de gemeente West Betuwe, de eigenaar van het voormalige steenfabrieksterrein en de provincie Gelderland gezamenlijk een integraal inrichtingsplan opgesteld, waarvan deze ingrepen onderdeel zijn. Dit inrichtingsplan is, zoals ter zitting toegelicht, gebaseerd op het NNN-compensatieplan en zal deel uitmaken van het separate bestemmingsplan dat momenteel in voorbereiding is. De Afdeling stelt voorop dat de door SVU specifiek verlangde privaatrechtelijke borging van de natuurcompensatie door het opnemen van een kettingbeding - wat daar ook van zij - niet middels deze procedure kan worden afgedwongen. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de NNN-compensatie publiekrechtelijk niet afdoende is geregeld. Daartoe overweegt de Afdeling dat het NNN-compensatieplan is opgenomen als Bijlage 2 bij het bestemmingsplan "Dijkversterking Gorinchem-Waardenburg" van de gemeente West Betuwe dat ter uitvoering van het projectplan is genomen. Ingevolge artikel 30.3 van de regels van dit plan is het gebruik van de, na vaststelling van dit bestemmingsplan, aangelegde uitbreidingen van het waterstaatswerk uitsluitend toegestaan als natuur wordt ingericht conform het als Bijlage 2 bij deze regels opgenomen NNN-compensatieplan en deze natuur duurzaam in stand wordt gehouden. Gelet op het vorenstaande heeft het college in zoverre terecht geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het projectplan te onthouden. Het betoog faalt. Conclusie
- Het beroep is ongegrond.
- Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Het beroep van [appellant sub 7] en anderen Inleiding
- [ appellant sub 7] woont aan de [locatie 15] in Vuren. Haar woning ligt buitendijks op ongeveer 100 m van de dijk ter hoogte van dijkvak 10a. Het beroep van [appellant sub 7] en andereen is mede ingediend namens [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B], beiden wonend aan de [locatie 16] in Vuren. Hun woning ligt buitendijks op ongeveer 80 m van de dijk, eveneens ter hoogte van dijkvak 10a. De dijk wordt hier buitenwaarts versterkt. Het beroep van [appellant sub 7] en anderen is gericht tegen het goedkeuringsbesluit. Zorgvuldigheid projectplan
- [ appellant sub 7] en anderen betogen dat het projectplan onzorgvuldig tot stand is gekomen. Volgens hen is het projectplan vastgesteld met het oog op het versterken van het dijklichaam, waarbij geen rekening is gehouden met hun belangen en de gevolgen van de dijkversterking voor hun buitendijks gelegen woningen. Volgens hen is eerst het besluit vastgesteld, waarna pas - indien problemen rezen - met de eigenaren is getracht deze op te lossen, terwijl er geen speelruimte meer was. Dit blijkt volgens hen uit de omstandigheid dat in maart 2018 (lees: 2021), na de datum van de besluitvorming, namens het waterschap een deskundige bij hen langskwam om een inventarisatie te maken van de gronden die moesten worden aangekocht voor het dijklichaam en de gronden die gebruikt worden als werkterrein. Eerst op dat moment was het voor [appellant sub 7] en anderen duidelijk hoeveel m² grond zij zouden kwijtraken en welk globaal deel van de tuinen dit betreft. Verder voeren zij aan dat hun aangedragen alternatieven niet voorafgaande aan en in de besluitvorming zijn meegenomen. De routing van de toegangsweg zoals voorgesteld door [appellant sub 7] en anderen leidt tot behoud van een groter deel van hun eigendom. Zij willen niet dat de toegangsweg naar de overige huizen op de Gaalwaard over hun eigen grond loopt, maar via het dijktalud. [appellant sub 7] en anderen wijzen erop dat eerst tijdens het bezoek van 24 maart 2021 schetsmatig een tekening is gemaakt van de wijziging van de toegangsweg en dat nagegaan zou worden of deze op de in de tekening weergegeven wijze kan worden gerealiseerd. Een dergelijk overleg had volgens hen voorafgaand aan de besluitvorming moeten plaatsvinden. Tot slot wijzen zij erop dat inmiddels, na indiening van het beroepschrift, met het waterschap een vergaande mate overeenstemming is bereikt over de wijziging van de op- en afritten. In dat verband zijn gewijzigde tekeningen gemaakt die dienen als basis voor een nog te sluiten overeenkomst over de gewijzigde planologische situatie. Hieruit blijkt volgens [appellant sub 7] en anderen dat voorafgaand aan de vaststelling van het projectplan onvoldoende rekening is gehouden met hun belangen. 36.
- Voor zover het betoog van [appellant sub 7] en anderen zo moet worden begrepen dat de procedure in het voortraject wat betreft de keuze voor de voorkeursvariant niet goed is gevolgd, omdat zij daarbij te weinig inspraak hebben gehad, overweegt de Afdeling het volgende. Het college heeft toegelicht dat het bezoek in maart 2018 ruim voor de vaststelling van het voorkeursalternatief in oktober 2018 plaatsvond. De bedoeling van het bezoek was om [appellant sub 7] en anderen zo adequaat en vroeg mogelijk te informeren over de conceptplannen en de mogelijke invloed op hun eigendommen. Bij de vaststelling van het voorkeursalternatief in oktober 2018 was er nog geen definitief besluit over de oplossing bij onder andere dijkvak 10a. Om hier een keuze te kunnen maken voor een voorkeursoplossing voor de dijkversterking was meer onderzoek en tijd nodig. Dit had onder meer te maken met het aan de Waaldijk gelegen bedrijf BUKO Bouwsystemen B.V. en de vraag of het bedrijf verplaatst kon worden. Uiteindelijk heeft het waterschap op 13 februari 2019 de locatie van BUKO Bouwsystemen aan de Waaldijk aangekocht. De bedrijfsverplaatsing van BUKO Bouwsystemen heeft de mogelijkheid geboden om de locatie in te zetten voor het buitenwaarts versterken van de dijk, waardoor de woningen aan de Waaldijk 66 tot en met 69 behouden konden blijven. Uiteindelijk is voor dijkvak 10a gekozen voor een buitenwaartse versterking. Bij deze oplossing wordt de kruin van de dijk naar de rivierzijde verplaatst en kan het historische dijklint in het oosten van het dijkvak behouden blijven. De gekozen oplossing en de onderbouwing daarvan is op 22 januari 2019 persoonlijk aan [appellant sub 7] toegelicht en op 23 januari 2019 heeft een gesprek plaatsgevonden met [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B]. Op 7 maart 2019 is het voorkeursalternatief aan alle belanghebbenden in dijkvak 10a tijdens een inloopbijeenkomst gepresenteerd. Vervolgens is op 14 februari 2020 in een persoonlijk gesprek met [appellant sub 7] een nadere uitleg van het ontwerp gegeven. Ook [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] hebben een persoonlijk gesprek op 14 februari 2020 gehad. De Afdeling overweegt dat uit het voorgaande blijkt dat ook voorafgaand aan het besluit tot vaststelling van het projectplan gesprekken hebben plaatsgevonden tussen [appellant sub 7] en anderen aan de ene kant en het waterschap aan de andere kant. Wat [appellant sub 7] en anderen hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het projectplan in zoverre niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Voor zover het betoog zo moet worden begrepen dat eerst na de vaststelling en goedkeuring van het projectplan duidelijkheid is geboden over de aankoop en het tijdelijke gebruik van de percelen van [appellant sub 7] en anderen, overweegt de Afdeling als volgt. Weliswaar is in het projectplan niet uitdrukkelijk vermeld hoeveel m² van de percelen van [appellant sub 7] en anderen aangekocht moet worden en nodig is voor de tijdelijke werkstroken, maar in de kaartatlas behorende bij het projectplan is wel duidelijk weergegeven welk deel van de percelen van [appellant sub 7] en anderen nodig zijn voor de dijk en dus aangekocht moeten worden en welk deel nodig is voor de tijdelijke werkstroken. Er is immers aangegeven tot waar de dijk en de werkstroken over de percelen van [appellant sub 7] en anderen lopen. Dit volgt ook uit de grondaankooptekeningen behorende bij het Grondverwervingsplan. Overigens heeft het college toegelicht dat van het perceel van [appellant sub 7] van 3.025 m², aangeduid met nummer […], 372 m² zal worden aangekocht en 182 m² zal worden gebruikt voor een tijdelijke werkstrook. Van het perceel van [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] van 2.951 m², aangeduid met nummer […], zal 264 m² worden aangekocht en zal 219 m² worden gebruikt voor een tijdelijke werkstrook. Gelet op het vorenstaande heeft het college in zoverre terecht geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het projectplan te onthouden. Het betoog faalt in zoverre. 36.
- Wat betreft het betoog van [appellant sub 7] en anderen over hun aangedragen alternatieven, overweegt de Afdeling het volgende. Het college heeft toegelicht dat de huidige ontsluitingsweg ter hoogte van de woningen van [appellant sub 7] en anderen naar de rivier en dus meer richting hun woningen verschuift, omdat de dijk hier door de dijkversterking naar de rivier verschuift. In paragraaf 4.3.1 van het projectplan is vermeld dat alle op- en afritten naar woningen en percelen opnieuw zijn ontworpen. Daarbij is het uitgangspunt dat de huidige functionaliteit dezelfde blijft. Het college heeft toegelicht dat voor de inpassing van deze ontsluitingswegen is gekozen vanwege waterveiligheid, verkeersveiligheid en landschap. Er is gekozen om de weg loodrecht op de dijk aan te sluiten, omdat hoe kleiner het grondlichaam is, hoe minder stabiliteit de dijk verliest. Daarnaast is gekozen voor grote bochtstralen, zodat de ontsluitingsweg door de vuilophaaldiensten en hulpdiensten op een logische wijze gebruikt kan worden. Tot slot is de ontsluitingsweg zo ontworpen dat minimale aanpassingen ten opzichte van de huidige situatie plaatsvinden, aangezien de weg naar Gaalwaard 10, 12 en 14 op dezelfde plek ligt en de weg naar [locatie 16] en 18 zo veel mogelijk op de huidige situatie aansluit. Dat er niet voor gekozen is om de op- en afrit aan te passen conform het alternatief van [appellant sub 7] en anderen, betekent niet dat dit niet voorafgaande aan en in de besluitvorming is meegenomen. In de nota van antwoord is immers ingegaan op het aangedragen alternatief van [appellant sub 7] en anderen. Daaruit volgt, zoals het college ter zitting heeft toegelicht, dat onderzocht moet worden of de verschuiving van de oprit tot een verbetering van de huidige situatie leidt. Als dit het geval is dan moet de oplossing ook met de eigenaar van het aanpalende perceel Gaalwaard 10 besproken, omdat aanpassing van de op- en afrit zeer belastend is voor hem. Dat aanpassing van de op- en afrit niet in het projectplan is opgenomen, maakt niet dat dit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Zoals hiervoor, onder 5, in algemene zin is overwogen, mag in een projectplan enige flexibiliteit worden geboden bij de definitieve uitvoering van het werk. De enkele omstandigheid dat nu tussen partijen overeenstemming is bereikt over de op- en afrit maakt op zichzelf niet dat voorafgaande aan de vaststelling en goedkeuring van het projectplan onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van [appellant sub 7] en anderen. De Afdeling is van oordeel dat het college met het vorenstaande voldoende heeft gemotiveerd waarom de ontsluitingswegen op de wijze zoals in het projectplan is weergegeven, zijn ingepast. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de belangen van [appellant sub 7] en anderen onvoldoende bij de besluitvorming zijn betrokken. Gelet op het vorenstaande heeft het college in zoverre terecht geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het projectplan te onthouden. Het betoog faalt. Conclusie
- Het beroep is ongegrond.
- Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Het beroep van [appellant sub 8] en anderen Inleiding
- Het beroep van [appellant sub 8] en anderen is mede ingediend namens [appellant sub 8A], [appellant sub 8B] en [appellant sub 8C] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 8B]). [appellant sub 8] en [appellant sub 8A] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 8]) wonen aan de [locatie 17] in Vuren. Hun woning ligt op ongeveer 15 m van de kruin van de dijk ter hoogte van dijkvak 8d. [appellant sub 8B] woont aan de [locatie 18] in Vuren. Zijn woning ligt op ongeveer 10 m van de kruin van de dijk, eveneens ter hoogte van dijkvak 8d. De dijk wordt hier buitenwaarts versterkt. Het beroep van [appellant sub 8] en anderen is gericht tegen het goedkeuringsbesluit. Ontvankelijkheid
- Zoals hiervoor aangegeven is het beroep mede ingesteld namens [appellant sub 8B]. [appellant sub 8] heeft, ondanks dat de Afdeling hem daartoe twee keer in de gelegenheid heeft gesteld, geen machtiging overgelegd waaruit blijkt dat hij gemachtigd was beroep in te stellen namens [appellant sub 8B]. Gelet hierop is het beroep van [appellant sub 8] en anderen, voor zover ingediend door [appellant sub 8B], niet-ontvankelijk. Voor het overige is het beroep ontvankelijk. Hinder gedurende uitvoeringswerkzaamheden
- [ appellant sub 8] kan zich niet verenigen met de gekozen route voor het werkverkeer over de bestaande dijk. Hij vreest hierdoor een verkeersonveilige situatie, ronddwarrelend stof, uitstoot van gassen, geluidhinder, schade aan de weg en daardoor schade aan de eigen auto. Daarnaast vreest hij voor trillingschade. In dat verband wijst hij erop dat door frictie van het voorste deel van zijn woning, dat niet is onderheid en het achterste deel van zijn woning, dat wel is onderheid, scheuren en verzakkingen kunnen ontstaan. [appellant sub 8] voert verder aan dat onvoldoende aandacht is geschonken aan mogelijke alternatieve routes voor het werkverkeer en dat de belangen van de dijkbewoners onvoldoende in de afweging zijn betrokken. Volgens hem is de route door de uiterwaarden een alternatieve route die minder overlast met zich brengt. Als deze weg aangepast wordt dan kan deze volgens [appellant sub 8] als tweerichtingsweg worden gebruikt in plaats van als eenrichtingsweg. 41.
- Met verwijzing naar wat onder 4, 5, 9.1 en 9.4 is overwogen, geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de wijze van uitvoering, met het oog op de belangen van [appellant sub 8], onvoldoende in de afweging is betrokken en dat het projectplan niet getuigt van een evenwichtige belangenafweging. Het college heeft in zoverre terecht geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het projectplan te onthouden. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat bij eventuele schade aanspraak kan worden gemaakt op planschade- of nadeelcompensatie. Het betoog faalt. Rustpunt
- [appellant sub 8] betoogt dat het rustpunt in dijkvak 8d leidt tot aantasting van zijn woongenot. Hij voert aan dat het rustpunt tussen de woningen aan de [locatie 18] en [locatie 17] dermate dicht bij zijn woning en tuin is voorzien dat dit zijn privacy aantast en leidt tot overlast in de vorm van geluid, parkerende auto’s en rondslingerend afval. Volgens hem is niet gemotiveerd op welke wijze tot deze locatie is gekomen. Verder voert hij aan dat zijn belangen onvoldoende in de afweging zijn betrokken en hij nooit in de gelegenheid is gesteld om mee te denken over de locatie voor dit rustpunt. Er is wel aangegeven dat de locatie meer naar het oosten kan worden verplaatst, maar daar is verder geen gevolg aan gegeven. 42.
- In paragraaf 4.1.2 van het projectplan is vermeld dat het programma Gastvrije Waaldijk het ontwerp omvat voor een verkeersveilige en recreatieve dijk aan de noordzijde van de Waal over het gehele traject van Nijmegen tot aan Gorinchem. Inzet is onder meer een versterking van het recreatieve gebruik door bijvoorbeeld rustpunten. Er bevinden zich momenteel 26 officiële recreatieplekken of rustpunten langs de dijk. Dit zijn veelal bankjes boven aan de dijk, waarop bewoners en recreanten kunnen uitrusten met een mooi uitzicht op de rivier of een bijzondere plek in het achterland. De rustpunten langs de dijk worden teruggebracht, gebaseerd op de uitgangspunten van de Gastvrije Waaldijk en het Linielandschap. Ook wordt zoveel mogelijk aangesloten bij wensen van bewoners. Daarbij is per rustpunt de omvang en locatie beoordeeld op basis van vier criteria, te weten kenmerk van de plek, speciale waarde, aansluiting op de omgeving en capaciteit. De meeste rustpunten worden aan de hand van deze criteria verplaatst, omdat zij op een andere locatie beter tot hun recht komen. Dat kan gaan om een verschuiving van bijvoorbeeld ongeveer 20 m, om een verplaatsing van de binnenzijde van de dijk naar de buitenzijde van de dijk of om een grotere verplaatsing van bijvoorbeeld een paar honderd meter. Hier is ook rekening gehouden met de verdeling van de rustpunten over de dijk. 42.
- Het college heeft toegelicht dat er tussen Vuren en de ter plaatse gelegen veerpont in de huidige situatie geen (openbare) rustpunten zijn. Om die reden komen hier op ongeveer gelijke afstanden twee nieuwe rustpunten. Eén van die rustpunten is het punt tussen de woningen aan de [locatie 18] en [locatie 17]. De locatie is volgens het college ook gekozen vanwege het vrije uitzicht over de uiterwaarden en de rivier. Er is ter plaatse voldoende ruimte voor het rustpunt vlak naast de weg en het is daarmee toegankelijk. Met de sobere uitwerking sluit het daarnaast goed aan op het bestaande landschap. Ter zitting heeft het college toegelicht dat geen reden bestaat om het rustpunt te verplaatsen. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het voorziene rustpunt zal leiden tot een onevenredige aantasting van het woongenot van [appellant sub 8]. Hiertoe overweegt de Afdeling dat het rustpunt op een ruime afstand tot de woning van [appellant sub 8] is voorzien. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het rustpunt niet tegenover de woning van [appellant sub 8] is voorzien, maar tussen zijn woning en de woning aan de [locatie 18]. Verder komt het rustpunt buitendijks te liggen en is het gericht naar de rivier en niet naar de woning van [appellant sub 8]. Het rustpunt wordt volgens het college sober ingericht en er zullen daarbij geen parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Voor zover [appellant sub 8] stelt dat hij nooit in de gelegenheid is gesteld mee te denken over de locatie voor het rustpunt, overweegt de Afdeling dat dit niet betekent dat het projectplan niet zorgvuldig is vastgesteld. Overigens volgt uit de door [appellant sub 8] overgelegde stukken dat op 12 oktober 2020, nog voor de vaststelling en goedkeuring van het projectplan, aan [appellant sub 8] is meegedeeld dat ter plaatse zal worden voorzien in een rustpunt en is gevraagd te laten weten wat hij daarvan vindt. Dat het rustpunt niet is verplaatst betekent op zichzelf niet dat geen rekening is gehouden met de belangen van [appellant sub 8]. Gelet op het vorenstaande heeft het college in zoverre terecht geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het projectplan te onthouden. Het betoog faalt. Conclusie
- Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover ingediend door [appellant sub 8B]. Het beroep van [appellant sub 8] is ongegrond.
- Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Het beroep van Stichting tot behoud Peilschaalhuisje Inleiding
- Stichting tot behoud Peilschaalhuisje is statutair gevestigd in Lingewaal, thans West Betuwe, en houdt kantoor aan de Waaldijk 17 in Herwijnen. Aan weerszijden van het monumentale peilschaalhuisje, gelegen in dijkvak 8a, dat in eigendom is van Stichting tot behoud Peilschaalhuisje, wordt een buitenwaartse versterking toegepast. Ter hoogte van het peilschaalhuisje zelf is een langsconstructie voorzien. De kruin van de dijk wordt hier verhoogd en als gevolg hiervan komt de teen van het dijktalud dichter bij het peilschaalhuisje te liggen. Stichting tot behoud Peilschaalhuisje heeft beroep ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit. Ingetrokken beroepsgronden
- Ter zitting heeft Stichting tot behoud Peilschaalhuisje de beroepsgrond dat het peilschaalhuisje moet worden verplaatst en opgehoogd, ingetrokken. Verzwaring fundering en schade
- Stichting tot behoud Peilschaalhuisje vreest voor onherstelbare schade aan het uit 1874 daterende peilschaalhuisje en het nog werkende historische meetinstrumentarium uit
- Zij voert aan dat de fundering van het peilschaalhuisje moet worden verzwaard, zodat eventuele schade vanwege trillingen en wegverkeer over de dijk tijdens de werkzaamheden voorkomen kan worden. Zij wijst erop dat nooit concreet onderzoek is verricht naar de staat van onderhoud van het peilschaalhuisje. Onder verwijzing naar het "Inspectierapport 2013 objectnummer Peenm 13042" (hierna: inspectierapport), waarin de fundering met een leeftijd van ongeveer 150 jaar is onderzocht, wijst zij erop dat daaruit blijkt dat de fundering zeer zwak en kwetsbaar is. Verder wijst Stichting tot behoud Peilschaalhuisje erop dat een nieuwe nulmeting uitgevoerd moet worden, omdat recent renovatiewerkzaamheden hebben plaatsgevonden, zodat de eerdere nulmetingen achterhaald zijn. Daarnaast voert zij aan dat in een overeenkomst moet worden vastgelegd dat indien in de toekomst vanwege werkzaamheden schade of verzakkingen plaatsvinden, de kosten voor herstel en renovatie volledig voor rekening van het algemeen bestuur komen. 47.
- De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de fundering van het peilschaalhuisje had moeten worden verzwaard om eventuele schade te voorkomen. De verwijzing naar het inspectierapport maakt dit niet anders. Daartoe overweegt de Afdeling dat in het inspectierapport is opgenomen dat de constructieve toestand (casco) van het gebouw redelijk tot goed is. Weliswaar wordt in het inspectierapport een hersteladvies gegeven om de fundering tot de voet rondom uit te graven en waar nodig het metselwerk in te boeten. Maar in het rapport staat ook dat de funderingen als "goed" zijn gekwalificeerd. Dat de fundering in de toekomst eventueel moet worden verzwaard, betekent niet dat dat gerelateerd is aan de dijkversterking. Verder overweegt de Afdeling met verwijzing naar wat onder 4, 5, 9.1 en 9.4 is overwogen dat in het projectplan is omschreven welke voorzieningen worden en kunnen worden getroffen om nadelige gevolgen ongedaan te maken en welke mogelijkheden er zijn om een financiële vergoeding te krijgen voor schade die niet kan worden voorkomen. Zo wordt onder andere de toestand van de gebouwen tijdens de uitvoering van de dijkversterking gemonitord en worden er op maatgevende gebouwen trillingsmeters geplaatst ter voorkoming van schade. Het peilschaalhuisje is volgens het college aangemerkt als een maatgevend gebouw, zodat er een trillingsmeter op is geplaatst. Verder heeft het college ter zitting toegelicht dat er in november 2021 een nieuwe nulmeting heeft plaatsgevonden waarvan Stichting tot behoud Peilschaalhuisje kennis heeft kunnen nemen. Verder overweegt de Afdeling dat op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Waterwet inzichtelijk moet zijn welke mogelijkheden er zijn om een financiële vergoeding te krijgen voor schade die niet kan worden voorkomen. Gelet hierop is niet vereist dat aanvullend in een overeenkomst volledige schadeloosstelling voor eventuele toekomstige schade moet worden overeengekomen. Mocht onverhoopt schade ontstaan als gevolg van de dijkversterking, dan zijn de regelingen voor schadevergoeding zoals beschreven in paragraaf 8.4 van het projectplan van toepassing. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat, gelet op de belangen van Stichting tot behoud Peilschaalhuisje, het college in zoverre goedkeuring aan het projectplan had moeten onthouden. Het betoog faalt. Conclusie
- Het beroep is ongegrond.
- Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Het beroep van [appellant sub 11] Inleiding
- [ appellant sub 11] woont aan de [locatie 19] in Herwijnen. Hij is eigenaar van het perceel kadastraal bekend als gemeente Herwijnen, sectie U, nummer […] (hierna: perceel). Dit perceel ligt ter hoogte van dijkvak 7f in de uiterwaarden de Herwijnense Bovenwaard. Noodzakelijkheid perceel en voorziene geul
- [ appellant sub 11] betoogt dat zijn perceel niet noodzakelijk is voor de dijkversterking. Hij wijst erop dat dit perceel nodig is voor de realisering van een geul in de Herwijnense Bovenwaard en alleen in de plannen is opgenomen na inspraak door omwonenden. De geul zal volgens hem meer ganzen aantrekken. Deze zullen het gras van zijn aangrenzende weiland eten en de rest van het gras met uitwerpselen bevuilen, zo stelt [appellant sub 11]. Hij voert verder aan dat hij minder mest kan uitrijden omdat hij een deel van zijn grond moet verkopen en een eenmalige afkoopsom niet afdoende is.
- Het college heeft toegelicht dat 4.803 m² van het totale perceel van [appellant sub 11] van 73.061 m² nodig is voor de herinrichting van de Herwijnense Bovenwaard ten behoeve van de realisering van een geul. De grond die nodig is, hoeft volgens het college niet te worden aangekocht. Er zal een zakelijk recht op de grond worden gevestigd en [appellant sub 11] ontvangt daarvoor een volledige schadeloosstelling. Met de realisering van de geul op het perceel wordt volgens het college invulling gegeven aan de opgave voor de Kaderrichtlijn Water (hierna: KRW) en de compensatieopgave voor het GNN. Uit het projectplan volgt dat als gevolg van de dijkversterking sprake is van ruimtebeslag binnen het ecologisch relevant areaal van de KRW. Daarnaast zal de dijkversterking leiden tot een aantasting van de kernkwaliteiten van het GNN. Dit wordt deels gecompenseerd in de Herwijnense Bovenwaard. Volgens paragraaf 6.3.3 van het projectplan wordt de oorspronkelijke geul in het westen die de plassen met de rivier verbindt, hersteld en verdiept. Met de aanleg van deze geul in het westen ontstaat een hoogdynamische meestromende geul. Hiermee wordt het areaal KRW uitgebreid. Daarnaast draagt deze geul bij aan de benodigde natuurcompensatie. Verder heeft het college ter zitting toegelicht dat het foerageer- en rustgebied voor ganzen bestaat uit respectievelijk bemest grasland en water. De aanleg van de geul leidt volgens het college tot een afname van het foerageergebied en een toename van het potentieel rustgebied. Toename van het aantal foeragerende ganzen is niet te verwachten, omdat daarvoor het grasland van belang is, dat met de realisering van de geul juist afneemt. In de directe omgeving zijn genoeg plekken waar ganzen op het water kunnen rusten. Toename van ganzen op het water is niet te verwachten omdat er geen extra rustvoorziening is die verschil gaat maken voor de hoeveelheid ganzen die daar rusten. Bovendien hebben ganzen volgens het college meer behoefte aan extra foerageergebieden dan aan extra rustgebieden. [appellant sub 11] heeft deze toelichting van het college niet bestreden. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze toelichting te twijfelen. De Afdeling is van oordeel dat het college met het vorenstaande voldoende heeft gemotiveerd waarom de gronden van [appellant sub 11] nodig zijn voor de dijkversterking en de uitvoering daarvan. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de belangen van [appellant sub 11] onvoldoende bij de besluitvorming zijn betrokken. Gelet op het algemeen belang bij de dijkversterking heeft het college meer waarde mogen hechten aan het gebruik van de gronden voor de dijkversterking dan aan de belangen van [appellant sub 11] bij het eigen gebruik van zijn gronden voor andere doeleinden. Gelet op het vorenstaande heeft het college in zoverre terecht geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het projectplan te onthouden. Het betoog faalt. Conclusie
- Het beroep is ongegrond.
- Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Het beroep van [appellant sub 12] en anderen Inleiding
- Het beroep van [appellant sub 12] en anderen is mede ingesteld namens [appellant sub 12A] en [appellante sub 12B] en [appellant sub 12C] wonen aan de [locatie 20] in Vuren. Daarnaast hebben [appellant sub 12] en [appellant sub 12C] een bedrijf, [appellante sub 12B], dat zich richt op het op ambachtelijke wijze vervaardigen van houten vloeren en tafels. De showroom van [appellante sub 12B] waar klanten worden ontvangen is eveneens gevestigd aan de [locatie 20]. Bij [appellante sub 12B] hoort daarnaast een pand aan de [locatie 21] in Vuren dat in gebruik is als werk- en opslagplaats. De woning en showroom liggen op ongeveer 20 m van de dijk en grenzen aan dijkvak 8d. De dijk wordt hier buitenwaarts versterkt. De achterzijde van de werk- en opslagplaats ligt op ongeveer 10 m van de dijk en grenst aan dijkvak 9a. De dijk wordt hier versterkt met een constructie. Het beroep van [appellant sub 12] en anderen is gericht tegen het goedkeuringsbesluit en het bestemmingsplan van de gemeente West Betuwe. Hinder gedurende uitvoeringswerkzaamheden
- [ appellant sub 12] en anderen kunnen zich niet verenigen met de gekozen route voor het werkverkeer over de bestaande dijk. Zij voeren aan dat een verkeersonveilige situatie zal ontstaan doordat de bermen beschadigd zullen worden. Daarnaast vrezen zij voor schade aan hun woning en dat hun woning en showroom tijdens de realisatiefase nagenoeg onbereikbaar zullen zijn. Dit is volgens hen niet meegewogen bij de vaststelling van het projectplan en leidt tot financiële onzekerheid, wat in strijd is met artikel 5.4 van de Waterwet. Zij voeren aan dat het werkverkeer gebruik kan maken van de brede uiterwaarden door daar bouwwegen aan te leggen vanaf het benedeneind van Herwijnen tot aan de Xella fabriek. Volgens [appellant sub 12] en anderen is, anders dan is beoogd, in het projectplan niet opgenomen dat de dijk als een eenrichtingsweg zal worden gebruikt. Volgens hen valt niet in te zien waarom de aan te leggen tijdelijke rijbaan voor de afvoer niet ook kan worden gebruikt voor de aanvoer van materieel. 56.
- Met verwijzing naar wat onder 4, 5, 9.1 en 9.4 is overwogen, geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de wijze van uitvoering, met het oog op de belangen van [appellant sub 12] en anderen, onvoldoende in de afweging is betrokken en dat het projectplan niet getuigt van een evenwichtige belangenafweging. De stelling van [appellant sub 12] en anderen dat in het projectplan niet is opgenomen dat de dijk als een eenrichtingsweg zal worden gebruikt, maakt dit niet anders. Daarbij is van belang dat, zoals onder 5 en 9.1 is overwogen, uitvoeringsaspecten als zodanig niet in het projectplan hoeven te worden opgenomen. In 9.2 is al besproken dat na vaststelling van het projectplan is gekozen voor een andere wijze van afwikkeling van het werkverkeer dan aanvankelijk de bedoeling was. Doel daarvan is het bouwverkeer over de bestaande dijk tot een minimum te beperken. Met verwijzing daarnaar overweegt de Afdeling aanvullend dat het projectplan niet in de weg staat aan de nadien gekozen wijze van uitvoering voor de routering van het werkverkeer. Wat betreft de vrees van [appellant sub 12] en anderen dat hun showroom niet bereikbaar zal zijn, overweegt de Afdeling als volgt. [appellant sub 12] en anderen hebben ter zitting toegelicht dat zij in de praktijk er nu al regelmatig mee worden geconfronteerd dat bezoekers van de showroom deze niet kunnen bereiken, omdat verkeersregelaars niet goed zijn ingelicht en er geen juiste verkeersborden staan. Het college heeft erkend dat de showroom gedurende de werkzaamheden een aantal dagen slechter bereikbaar zal zijn. Deze periode zal vooraf worden afgestemd met [appellant sub 12] en anderen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college daarmee het belang van een goede bereikbaarheid van de showroom afdoende in zijn belangenafweging betrokken. Voor het oordeel dat sprake is van strijd met artikel 5.4 van de Waterwet ziet de Afdeling verder geen aanleiding. Daartoe overweegt de Afdeling dat op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Waterwet inzichtelijk moet zijn welke mogelijkheden er zijn om een financiële vergoeding te krijgen voor schade die niet kan worden voorkomen. In paragraaf 8.5 van het projectplan is beschreven welke maatregelen worden genomen om schade tijdens werkzaamheden aan de dijk te voorkomen. Mocht onverhoopt toch schade ontstaan, dan zijn de regelingen voor schadevergoeding zoals beschreven in paragraaf 8.4 van het projectplan van toepassing. Gelet op het vorenstaande heeft het college in zoverre terecht geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het projectplan te onthouden. Het betoog faalt. Belangenafweging
- [appellant sub 12] en anderen betogen dat geen rekening is gehouden met de belangen van [appellante sub 12B] bij het behoud en instandhouding van haar perceel [locatie 21]. Hiertoe voeren zij aan dat het zuidelijke deel van het perceel niet nodig is voor de dijkversterking. Deze strook is alleen nodig als beheerstrook voor het kunnen uitvoeren van maaiwerkzaamheden. Zij wijzen erop dat er een alternatief voorhanden is dat minder belastend is. Door een grondruil met het waterschap kan de natuuropgave volgens [appellant sub 12] en anderen worden gecompenseerd op een perceel dat gelegen is achter de [locatie 20], zodat het buitenterrein bij de werkplaats aan de [locatie 21] als opslag kan blijven dienen, aangezien dit terrein onmisbaar is voor de bedrijfsvoering van [appellante sub 12B]. 57.
- Het college heeft toegelicht dat de dijk ter plaatse van het perceel [locatie 21] met een totale oppervlakte van 1.854 m² verhoogd wordt en het talud onder aan de dijk breder wordt. Een deel van het perceel zal tijdelijk in gebruik worden genomen als een werkstrook om de dijk aan te kunnen leggen. Verder zal een strook van 237 m² worden aangekocht. Deze strook is nodig voor het beheer en inspectie van en onderhoud aan de dijk. Daarbij heeft het college ter zitting gewezen op het vaste beleid van het waterschap ten aanzien van het verwerven van de beheerstroken in eigendom in het belang van een doelmatig beheer van de dijk, welk beleid is vastgelegd in het "Eigendommenbeleid 2019". Dit beleid komt er in het kort op neer dat beheerstroken ook eigendom van het waterschap moeten zijn. [appellant sub 12] en anderen hebben dit niet bestreden. Dat beleid is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk. Anders dan [appellant sub 12] en anderen lijken te veronderstellen, liggen de werkstrook en beheerstrook niet over het pand van [appellant sub 12] en anderen. Volgens de kaartatlas behorende bij het projectplan loopt de werkstrook om het pand heen en grenst de beheerstrook aan het pand. Over het alternatief van [appellant sub 12] en anderen heeft het college toegelicht dat er geen natuurcompensatie plaatsvindt ter plaatse van de [locatie 21], zodat geen reden bestaat voor een grondruil. De Afdeling is van oordeel dat het college met het vorenstaande voldoende heeft gemotiveerd waarom de gronden van [appellant sub 12] en anderen nodig zijn voor de dijkversterking. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de belangen van [appellant sub 12] en anderen onvoldoende bij de besluitvorming zijn betrokken. Gelet op het algemeen belang bij de dijkversterking heeft het college meer waarde mogen hechten aan het gebruik van de gronden voor de dijkversterking dan aan de belangen van [appellant sub 12] en anderen bij het eigen gebruik van hun gronden voor andere doeleinden. Gelet op het vorenstaande heeft het college in zoverre terecht geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het projectplan te onthouden. Het betoog faalt. Bestemmingsplan
- [appellant sub 12] en anderen kunnen zich niet verenigen met de in het bestemmingsplan van de gemeente West Betuwe op het perceel [locatie 21] toegekende dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering", de gebiedsaanduiding "vrijwaringszone - dijk 1" en de bestemming "Groen". Volgens hen hebben deze bestemmingswijzigingen nadelige gevolgen voor de gebruiksmogelijkheden van het bedrijfspand op dat perceel en zal een deel van het pand op dat perceel mogelijk worden gesloopt. Verder hebben [appellant sub 12] en anderen ter zitting erop gewezen dat de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" die over de zuidoostelijke hoek van het perceel en het bedrijfspand loopt niet nodig blijkt te zijn, zodat die ten onrechte over het perceel en het bedrijfspand is gelegd. Daarbij hebben zij zich beroepen op het gelijkheidsbeginsel, in die zin dat zij stellen dat bij het gebouw aan de Mildijk 94 dat ten oosten van hun bedrijfspand ligt de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" wel om het pand heen is getekend, terwijl dat bij hun bedrijfspand ten onrechte niet is gedaan. Zij wijzen erop dat op gronden met die bestemming niet gebouwd mag worden, terwijl daar nu het bedrijfspand staat. Volgens [appellant sub 12] en anderen is geen rekening gehouden met hun belangen, zodat het bestemmingsplan een zorgvuldige belangenafweging ontbeert. 58.
- Op de verbeelding is - voor zover hier van belang - aan een deel van het perceel [locatie 21] de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" en de gebiedsaanduiding "vrijwaringszone - dijk 1" toegekend. Verder is aan het stuk grond dat grenst aan het perceel [locatie 21] de bestemming "Groen" toegekend. Ingevolge artikel 26.1 zijn de voor "Waterstaat - Waterkering" aangewezen gronden, naast de overige daaraan gegeven bestemmingen, primair bestemd voor onder andere instandhouding en/of bescherming van de waterkering. Ingevolge artikel 31.1, onder a, van de planregels zijn de gronden ter plaatse van de gebiedsaanduiding "vrijwaringszone - dijk 1", naast de voor die gronden aangewezen bestemmingen, tevens aangeduid voor de bescherming, het onderhoud en de instandhouding van de primaire waterkering. Binnen zowel de gronden die aangewezen zijn als "Waterstaat-Waterkering" en de gronden die aangewezen zijn als "vrijwaringszone - dijk 1" mag op grond van respectievelijk artikel 26.2.1 en artikel 31.1, onder b, van de planregels niet worden gebouwd. 58.
- Aan het perceel [locatie 21] was in het voorheen geldende bestemmingsplan "Bedrijventerreinen" al de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" toegekend. De dubbelbestemming lag over het zuidoostelijke hoekje van het perceel en het bedrijfspand. In het voorliggende bestemmingsplan is deze bestemming meer naar het zuiden verschoven en ligt deze eveneens over het zuidoostelijke hoekje van het perceel en het bedrijfspand, maar over een iets kleiner stuk dan in het voorheen geldende plan. Verder kende het voorheen geldende bestemmingsplan ook een gebiedsaanduiding "vrijwaringszone - dijk - 1". Deze gebiedsaanduiding was aan een groot deel van het perceel en het bedrijfspand toegekend. In het voorliggende bestemmingsplan is deze zone eveneens naar het zuiden verschoven en deze ligt nu gedeeltelijk over het perceel en het bedrijfspand. De Afdeling is van oordeel dat de raad met de toekenning van de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" en de gebiedsaanduiding "vrijwaringszone - dijk 1" een zwaarder gewicht heeft mogen toekennen aan het belang van de bescherming van de primaire waterkering en de gronden die deel uitmaken van de beschermingszone van deze waterkering dan aan het belang van [appellant sub 12] en anderen bij onbelemmerde gebruiksmogelijkheden van het perceel [locatie 21]. Voor het oordeel dat de belangen van [appellant sub 12] en anderen onvoldoende bij de besluitvorming zijn betrokken bestaat geen grond. Daartoe overweegt de Afdeling het volgende. Ter zitting is toegelicht dat de zone voor een waterstaatswerk wordt getekend vanaf het nieuwe profiel van de nieuwe dijk. Het gaat hier om vaste zones. Het kan zijn dat binnen die zones al dan niet panden vallen. Die zone is een signaleringszone. Dit betekent dat als men in die zone wil bouwen een vergunningplicht geldt. Verder is ter zitting toegelicht dat alleen de beheerstrook door het waterschap in eigendom wordt verworven en dat het bedrijfspand niet hoeft te worden gesloopt. De Afdeling ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid hiervan. Verder wordt in aanmerking genomen dat de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" en de gebiedsaanduiding "vrijwaringszone - dijk 1" geen gebruiksverbod bevatten en dat met deze bestemming en aanduiding bebouwing niet geheel wordt uitgesloten, maar ingevolge respectievelijk artikel 26.3 en artikel 31.1, onder c, van de planregels met inachtneming van de daarin opgenomen regels mogelijk wordt gemaakt door middel van een afwijkingsbevoegdheid. Daarnaast geldt het overgangsrecht voor bouwwerken in artikel 35.1 van de planregels. Ten aanzien van het eerst ter zitting aangevoerde betoog over het gelijkheidsbeginsel overweegt de Afdeling dat weliswaar niet duidelijk is waarom bij het naburige pand aan de Mildijk 94 een knik zit in de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering", maar dat deze bestemming niet om dat pand is getekend, maar over het pand ligt zoals dat ook het geval is bij het bedrijfspand van [appellant sub 12] en anderen. In die zin is geen sprake van ongelijke behandeling. Wat betreft het betoog van [appellant sub 12] en anderen over de bestemming "Groen" overweegt de Afdeling dat deze bestemming niet op het perceel van [appellant sub 12] en anderen ligt. Deze bestemming ligt strak tegen hun perceel aan, zoals dat ook zo was met de bestemming "Verkeer" uit het voorheen geldende plan. Gelet op het vorenstaande heeft de raad de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering", de gebiedsaanduiding "vrijwaringszone - dijk 1" en de bestemming "Groen" op die wijze in het plan mogen opnemen. Het betoog faalt. Conclusie
- Het beroep is ongegrond.
- Het college en de raad hoeven geen proceskosten te vergoeden. Het beroep van Historische Buitenplaats Frissestyn Inleiding
- Historische Buitenplaats Frissestyn is statutair gevestigd in Herwijnen en houdt kantoor aan de Waaldijk 145 in Herwijnen. Het kantoor ligt op ongeveer 80 m van de dijk ter hoogte van dijkvak 7f. De dijk wordt hier versterkt met een langsconstructie. Het beroep van Historische Buitenplaats Frissestyn is gericht tegen het goedkeuringsbesluit. Calamiteitenpad en duidelijkheid stukken
- Historische Buitenplaats Frissestyn betoogt dat onduidelijk is of dijkvak 7f alleen dient als een calamiteitenpad of dat dit openbaar toegankelijk zal zijn. Zij wil bevestigd hebben dat dit dijkvak niet openbaar toegankelijk zal zijn en niet anders kan worden gebruikt dan alleen als een calamiteitenpad, voorzien van grasbetontegels. Volgens haar zijn het projectplan en de onderliggende stukken behorende bij het projectplan van slechte kwaliteit. Zij wijst in dat verband erop dat de grijze lijn op de plankaart onduidelijk is. Verder zijn in de dwarsprofielen behorende bij dit dijkvak op de kruin een fietser en een auto geprojecteerd. In andere dwarsprofielen waar een openbare weg is voorzien, is volgens haar ook een fietser en auto ingetekend. Verder is volgens Historische Buitenplaats Frissestyn de functie van de kleur van de kruin niet benoemd in de legenda van de dwarsprofielen. Historische Buitenplaats Frissestyn wijst er verder op dat de authenticiteit, compleetheid en beschikbaarheid van de stukken niet te controleren is. Volgens haar had gebruik kunnen worden gemaakt van de "Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten 2012" (hierna: standaard STRI2012) en de landelijke voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Zij wijst er verder op dat haar verzoek om terbeschikkingstelling van de bronbestanden is geweigerd. 62.
- In paragraaf 4.3.6 van het projectplan is vermeld dat als er geen weg op de kruin is gesitueerd een calamiteitenpad wordt aangelegd voor onderhoud en inspecties. Dit gebeurt ter plaatse van de drie omdijkingen, te weten dijkvak 4a, 7f, en 7k. Het college heeft toegelicht dat de nieuwe dijk in dijkvak 7f een groene dijk is en ook zal blijven. De afspraken die de rechtsvoorganger van het waterschap in de jaren ’80 heeft gemaakt om de groene omdijking niet openbaar toegankelijk te laten zijn, zullen ook na deze dijkversterking gerespecteerd worden. Er wordt volgens het college dan ook voorzien in een calamiteitenpad met grasbetontegels. Het college heeft dit nogmaals ter zitting bevestigd. De Afdeling ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van wat het college hierover naar voren heeft gebracht. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat volgens de legenda behorende bij de kaartatlas dijkvak 7f zal worden voorzien van een calamiteitenpad. Aan dit dijkvak is volgens de legenda verder geen (rij)weg toegekend. Dat op de dwarsprofielen behorende bij het dijkvak 7f een auto en fietser op de kruin van de dijk zijn ingetekend en de functie van de kleur van de kruin niet is benoemd, maakt dit niet anders. Daarover heeft het college toegelicht dat de auto en fietser abusievelijk zijn ingetekend en dat dit niet betekent dat er op dit dijkvak gefietst en gereden kan worden. Ook is in het bestemmingsplan "Dijkversterking Gorinchem-Waardenburg" van de gemeente West Betuwe dat ter uitvoering van het projectplan is vastgesteld, aan dit dijkvak geen verkeersbestemming toegekend. Gelet op het vorenstaande is het projectplan in zoverre niet onduidelijk. Verder ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding te twijfelen aan de authenticiteit, compleetheid en beschikbaarheid van de stukken behorende bij het projectplan. Daarover heeft het college toegelicht dat het ruimtebeslag in het projectplan vastligt en dat daar niet zomaar van afgeweken kan worden. Alle kaarten en onderliggende stukken kunnen verder digitaal worden geraadpleegd. Ook kunnen deze stukken als PDF-bestanden worden opgeslagen. Over het betoog van Historische Buitenplaats Frissestyn over de "Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten 2012" (hierna: standaard STRI2012) en de landelijke voorziening ruimtelijkeplannen.nl overweegt de Afdeling als volgt. Op grond van artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) worden een visie, plan, besluit en verordening als bedoeld in artikel 1.2.1, eerste lid, in voorkomend geval met de daarbij behorende toelichting of onderbouwing elektronisch vastgesteld. Van een zodanig elektronisch document wordt tevens een papieren versie gemaakt. Ingevolge artikel 1.2.1, tweede lid, van het Bro is er een landelijke voorziening waar de visies, plannen, besluiten en verordeningen, bedoeld in het eerste lid, raadpleegbaar zijn. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder a, van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012 vinden de vormgeving, inrichting en elektronische beschikbaarstelling van een visie, plan, besluit of verordening als bedoeld in artikel 1.2.1, eerste lid, van het besluit en de elektronische beschikbaarstelling van de informatie, bedoeld in artikel 1.2.1, derde lid, een ontwerpbesluit als bedoeld in artikel 1.2.1a van het besluit en een mededeling als bedoeld in artikel 6.14, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, plaats overeenkomstig de standaarden IMRO2012, IMROPT2012, SVBP2012 en STRI
- Een projectplan wordt in artikel 1.2.1, eerste lid, van het Bro niet genoemd. De vormgeving, inrichting en elektronische beschikbaarstelling hoefden dan ook niet plaats te vinden conform de standaard STRI2012 noch raadpleegbaar te zijn op de landelijke voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Dat het verzoek van Historische Buitenplaats Frissestyn om terbeschikkingstelling van de bronbestanden is geweigerd, betekent op zichzelf niet dat het projectplan rechtsonzeker is. Gelet op het vorenstaande heeft het college in zoverre terecht geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het projectplan te onthouden. Het betoog faalt. Geprojecteerde bocht
- Historische Buitenplaats Frissestyn kan zich niet verenigen met de geprojecteerde bocht bij de overgang van dijkvak 7e naar 7f. Volgens haar is onduidelijk wat de noodzaak is van die bocht. Zij geeft aan het vermoeden te hebben dat deze geprojecteerde bocht het begin is van een gewone weg of openstelling. 63.
- De geprojecteerde bocht bij de overgang van dijkvak 7e naar 7f ligt op gronden van het waterschap. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat niet mocht worden voorzien in deze bocht. Daartoe overweegt de Afdeling dat het college ter zitting heeft toegelicht dat deze bocht geen opmaat naar een weg is, zoals Historische Buitenplaats Frissestyn vreest, maar als calamiteitenpad is bestemd. Zoals hiervoor is overwogen volgt dit ook uit de legenda behorende bij de kaartatlas. De bocht is volgens het college nodig opdat de beheerweg van twee kanten kan worden gebruikt. Dit volgt ook uit paragraaf 4.3.6 van het projectplan. Hierin is vermeld dat beheerafritten worden aangelegd om de beheerstroken te ontsluiten vanaf de kruin en soms via een wegaansluiting of perceelsontsluiting. Er wordt bij voorkeur tweezijdig ontsloten omdat onderhoudsmaterieel doorgaans niet kan keren op de beheerstrook. Gelet op het vorenstaande heeft het college in zoverre terecht geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het projectplan te onthouden. Het betoog faalt. Beheerafrit
- Historische Buitenplaats Frissestyn kan zich niet verenigen met de groene pijl die is aangeduid als beheerafrit vlak bij de overgang van dijkvak 7e naar 7f. Zij vreest ervoor dat ter plaatse van die aanduiding een fysieke afrit komt. Zij wenst hier geen enkele voorziening zoals, maar niet beperkt tot, een afrit. 64.
- Ter zitting is toegelicht dat de groene pijl aangeeft dat een onderhoudsvoertuig vanaf het calamiteitenpad naar beneden naar de beheerstrook kan rijden voor inspectie van en onderhoud aan de dijk. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding hieraan te twijfelen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, zoals hiervoor al is overwogen, dijkvak 7f wordt voorzien van alleen een calamiteitenpad en niet van een (rij)weg. Voor zover Historische Buitenplaats Frissestyn ter zitting heeft gesteld dat in een projectplan de richting naar een beheerstrook niet behoort te worden geregeld, overweegt de Afdeling dat artikel 5.4, tweede lid, van de Waterwet zich hier niet tegen verzet. Gelet op het vorenstaande heeft het college in zoverre terecht geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het projectplan te onthouden. Het betoog faalt. Afrastering en toegangshekken
- Historische Buitenplaats Frissestyn wenst dat de voorheen aanwezige afrastering en toegangshekken worden teruggeplaatst. Zij wijst erop dat deze zijn verwijderd vanwege werkzaamheden als gevolg waarvan recreanten over de dijk wandelden, ondanks de ter plaatse aanwezige borden met het opschrift "Verboden toegang". 65.
- De Afdeling stelt voorop dat dit een kwestie van uitvoering betreft. Het college heeft toegelicht dat de afrasteringen en toegangshekken na afronding van de werkzaamheden worden teruggeplaatst. Na de afronding van de werkzaamheden en het realiseren van de benodigde, gesloten graszode zal de dijkbeheerder met Historische Buitenplaats Frissestyn het definitieve afrasterplan en het beheer van dit dijkvak bespreken. Gelet op het vorenstaande heeft het college in zoverre terecht geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het projectplan te onthouden. Het betoog faalt. Conclusie
- Het beroep is ongegrond.
- Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Het beroep van [appellant sub 16A] en [appellant sub 16B] Inleiding
- [ appellant sub 16A] en [appellant sub 16B] wonen aan de [locatie 22] in Herwijnen. Hun woning ligt op ongeveer 20 m afstand van de dijk aan de achterzijde van dijkvak 8a in Herwijnen. De dijk zal hier buitenwaarts worden versterkt. [appellant sub 16A] en [appellant sub 16B] hebben beroep ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit. Verandering van de toegangsweg vanaf de dijk
- [ appellant sub 16A] en [appellant sub 16B] betogen dat bij de vaststelling van het projectplan onvoldoende rekening is gehouden met hun belangen. Zij voeren hierover aan dat in het projectplan is voorzien in een verandering van de toegangsweg vanaf de dijk naar hun woning. De voorziene gezamenlijke op- en afrit voor de percelen [locatie 22] en [locatie 23] zal leiden tot een ernstige aantasting van hun privacy vanwege verkeer dat langs hun huis rijdt en vanwege de koplampen die naar binnen schijnen bij het gebruik van de afrit. Verder voeren [appellant sub 16A] en [appellant sub 16B] aan dat een gedeelde op- en afrit tot een waardevermindering van hun woning zal leiden. Zij wijzen ook op de alternatieve mogelijkheid om de aansluiting op de dijk van [locatie 23] te combineren met die van [locatie 24], waardoor de verkeersveiligheid en hun privacy niet zullen worden aangetast. 69.
- In de huidige situatie worden de naast elkaar gelegen woningen op de percelen [locatie 22] en [locatie 23] ontsloten via een zogenoemde onderweg met twee aansluitingen op de dijk. Deze onderweg loopt onderaan de dijk over gronden die in eigendom zijn van het waterschap. In de voorziene situatie verdwijnt de onderweg en zal er één aansluitingsweg vanaf de dijk richting beide woningen komen. Die weg splitst zich onderaan de dijk naar beide woningen. 69.
- In de nota van antwoord is vermeld dat het vanuit een oogpunt van verkeersveiligheid de voorkeur heeft om opritten van verschillende woningen te combineren, waardoor het aantal aansluitingen op de dijk zo laag mogelijk wordt gehouden en dat de situatie ter hoogte van [locatie 22] en [locatie 23] het combineren van opritten mogelijk maakt. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de gezamenlijke oprit niet zal leiden tot meer hinder voor [appellant sub 16A] en [appellant sub 16B]. Volgens het college verandert er weinig. Het heeft er daarbij op gewezen dat het de bedoeling van de huidige onderweg is dat de bewoners van beide adressen de twee aansluitingen op de dijk in beide richtingen kunnen gebruiken. Ook in de nieuwe situatie zal sprake zijn van een gedeelde oprit, maar nu met één aansluiting op de dijk. Aangezien het splitsingspunt van de voorziene oprit verder van de woning van [appellant sub 16A] en [appellant sub 16B] af zal liggen dan de huidige onderweg, die ook door de bewoners van [locatie 23] kan worden gebruikt, ziet het college in de nieuwe situatie eerder een verbetering van de privacy van [appellant sub 16A] en [appellant sub 16B]. Het door [appellant sub 16A] en [appellant sub 16B] aangedragen alternatief om de aansluiting van [locatie 23] op de dijk te combineren met die van [locatie 24] is volgens het college geen verbetering. Een gedeelde oprit voor deze woningen wordt vanuit ruimtelijk oogpunt minder wenselijk geacht, omdat deze woningen verder uit elkaar liggen dan de woningen op [locatie 22] en [locatie 23]. Verder heeft het college in aanmerking genomen dat er een zekere aanloop nodig is om te voorkomen dat de oprit van [locatie 23] te steil wordt. Omdat die lengte alleen kan worden gerealiseerd door de oprit van [locatie 23] halverwege de oprit van [locatie 24] aan te laten haken en daardoor een verkeerskundig onwenselijk situatie ontstaat, is hier ook om deze reden niet voor gekozen, aldus het college. 69.
- De Afdeling ziet in wat [appellant sub 16A] en [appellant sub 16B] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de voorziene toegangsweg naar hun perceel zal leiden tot een onevenredige aantasting van hun woongenot. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de bewoners van [locatie 22] en [locatie 23] in de huidige situatie in beide richtingen gebruik kunnen maken van de bestaande onderweg die langs de twee woningen loopt. Dat zij de onderweg feitelijk door het plaatsen van vuilnisbakken hebben opgeknipt en de bewoners van [locatie 22] en [locatie 23] in de praktijk ieder een afzonderlijke aansluiting op de dijk gebruiken, maakt dat niet anders. Gelet op de gebruiksmogelijkheden van de bestaande onderweg, waarbij verkeer voor [locatie 23] dus ook langs de woning van [appellant sub 16A] en [appellant sub 16B] kan rijden en zelfs dichterbij dan in de toekomstige situatie, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de voorziene verandering van de oprit niet tot verlies van privacy of een toename van hinder zal leiden ten opzichte van de huidige situatie. Over de gestelde waardevermindering van de woning door de voorziene toegangsweg naar het perceel overweegt de Afdeling in het licht van wat hiervoor is overwogen dat [appellant sub 16A] en [appellant sub 16B] niet aannemelijk hebben gemaakt dat daarvan sprake zal zijn. Dat laat echter onverlet dat zij, als zij menen door de uitvoering van het projectplan schade te lijden, de mogelijkheid hebben om een verzoek om schadevergoeding in te dienen. Het projectplan bevat daarvoor een regeling in paragraaf 8.
- Verder heeft het college naar het oordeel van de Afdeling voldoende gemotiveerd dat het door [appellant sub 16A] en [appellant sub 16B] aangedragen alternatief, om de perceelontsluitingen van [locatie 23] en 23 te combineren, vanuit ruimtelijk en verkeerskundig oogpunt onwenselijk is. Gelet op wat hiervoor is overwogen bestaat geen grond voor het oordeel dat de belangen van [appellant sub 16A] en [appellant sub 16B] onvoldoende in de besluitvorming zijn betrokken en dat het college om die reden