(2012)’. De hieruit voortvloeiende norm is 2,2 parkeerplaatsen per twee-onder-een-kapwoning en 2,3 parkeerplaatsen per vrijstaande woning. Uitgaande van de in het verkeer- en parkeeronderzoek genoemde aantallen van 12 twee-onder-een-kapwoningen en 21 vrijstaande woningen geldt een parkeerbehoefte van 75 parkeerplaatsen. Verder staat in de plantoelichting dat per woning een parkeernorm van 0,3 parkeerplaatsen voor bezoekers geldt. Uitgaande van 33 woningen (12 twee-onder-een-kapwoningen en 21 vrijstaande woningen) moeten er minimaal 10 parkeerplaatsen in de openbare ruimte worden gerealiseerd. Omdat het kavelplan voorziet in 22 openbare parkeerplaatsen, waarbij rekening is gehouden met loopafstanden, kan het plan in voldoende parkeerplaatsen voor bezoekers voorzien. Verder staat in de plantoelichting dat in het verkeer- en parkeeronderzoek is uitgegaan van twee-onder-een-kapwoningen in plaats van rijwoningen in het noordoostelijk deelgebied. Het wijzigen van het woningtype ter plaatse heeft vanuit verkeerskundig oogpunt geen relevante gevolgen. Verder voorziet het plan in artikel 10.1 van de planregels in een voorwaardelijke verplichting tot het realiseren van voldoende parkeerplaatsen. Volgens de plantoelichting vormen de aspecten verkeer en parkeren dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. [appellant sub 1A] heeft niet toegelicht waarom het parkeeronderzoek in zoverre te kort schiet. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de raad het parkeeronderzoek niet aan het besluit tot vaststelling van het plan ten grondslag heeft mogen leggen. In wat [appellant sub 1A] heeft betoogd bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het plan niet in voldoende parkeergelegenheid voorziet. Het betoog slaagt niet. Bestemming "Groen"
- [appellant sub 1A] betoogt dat de planregels op verschillende manieren uitgelegd kunnen worden en daarom niet handhaafbaar zijn. [appellant sub 1A] voert daartoe aan dat het plan ten onrechte voorziet in de mogelijkheid om ter plaatse van de bestemming "Groen" kunstwerken, speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen en verkeer- en parkeervoorzieningen te realiseren. Volgens [appellant sub 1A] zet dit omwonenden op het verkeerde been, omdat in het spraakgebruik met "groen" landschappelijk schoon wordt bedoeld. [appellant sub 1A] meent dat de bestaande groenstructuur behouden moet blijven en dat de woningen organisch om het groen geprojecteerd moeten worden. 20.
- De raad stelt dat de functies die binnen de bestemming "Groen" zijn toegestaan passend zijn binnen de bestemming. Volgens de raad zijn de bouwmogelijkheden zeer beperkt en zijn enkel bij de functies passende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Verharding van de gronden met de bestemming "Groen" is, met uitzondering van voet- en fietspaden, niet toegestaan. 20.
- De Afdeling stelt vast dat het plangebied onder meer voorziet in gronden waaraan de bestemming "Groen" is toegekend. Uit artikel 3.1 van de planregels blijkt dat de voor "Groen" aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, kunstwerken, kunstobjecten, nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen en verkeersvoorzieningen. Uit artikel 3.2.1 van de planregels blijkt dat op de voor "Groen" aangewezen gronden uitsluitend in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.1 van de planregels mag worden gebouwd. Op of in deze gronden mogen op grond van artikel 3.2.2 van de planregels geen gebouwen worden gebouwd. Uit artikel 3.2.3 van de planregels blijkt welke bouwregels er voor bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden. Naar het oordeel van de Afdeling biedt het plan daarmee voldoende rechtszekerheid voor omwonenden en andere belanghebbenden en zijn de planregels voldoende handhaafbaar. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in zoverre toereikend gemotiveerd dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het betoog slaagt niet. Woon- en leefklimaat
- [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] betogen dat het plan leidt tot een onevenredige aantasting van hun woon- en leefklimaat. [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] voeren aan dat hun vrije uitzicht onevenredig wordt aangetast. Verder voert [appellant sub 1A] aan dat het plan leidt tot schaduwhinder. [appellant sub 2] voert aan dat het plan zal leiden tot stankoverlast en ongedierte als gevolg van het stilstaande water en natte gras in de voorziene wadi. Volgens [appellant sub 2] kan de afwatering van het plangebied ook op en naar bestaande sloten plaatsvinden. 21.
- De raad stelt dat geen sprake zal zijn van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1A] en [appellant sub 2]. Volgens de raad is, mede gelet op de stedenbouwkundige opzet van het plan en de afstand tot de te realiseren woningen, geen sprake van een onaanvaardbare beperking van het uitzicht vanaf de percelen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 2]. Bovendien bestaat er volgens de raad geen blijvend recht op vrij uitzicht. Verder stelt de raad dat geen sprake is van onevenredige schaduwwerking als gevolg van de in het plan voorziene bouwmogelijkheden. Daarnaast stelt de raad dat geen sprake zal zijn van stankoverlast en ongedierte als gevolg van stilstaand water in de voorziene wadi, omdat de wadi zo zal worden ontworpen dat het achtergebleven water binnen afzienbare tijd de grond in is getrokken en vervolgens vertraagd wordt afgevoerd. 21.
- De Afdeling acht het aannemelijk dat het uitzicht van [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] met de in het plan voorziene ontwikkeling in enige mate zal verslechteren. De kortste afstand van de woningen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] tot de binnen het plangebied voorziene bouwvlakken bedraagt ongeveer 30 m. De maximale bouwhoogte van de in het plangebied voorziene woningen bedraagt 10 m. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad de gevolgen van het plan voor het uitzicht van [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] niet onevenredig hoeven achten. Hierbij heeft de raad de ligging van de voorziene bouwvlakken ten opzichte van hun woningen mogen betrekken en in aanmerking mogen nemen dat de maximale bouwhoogtes die in de planregels zijn opgenomen aansluiten bij de bestaande omliggende bebouwing. De raad heeft daarbij ook belang mogen hechten aan de omstandigheid dat er in de ruimtelijke ordening geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht. Ten aanzien van de vrees van [appellant sub 1A] voor de gevolgen van schaduwwerking van de in het plan voorziene bouwmogelijkheden, overweegt de Afdeling dat de raad heeft toegelicht dat het plan, gelet op de afstand tot en de hoogte van de voorziene woningen, ter plaatse van de woning van [appellant sub 1A] niet of nauwelijks tot schaduwhinder zal leiden. In wat [appellant sub 1A] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten om aan de juistheid van dit standpunt van de raad te twijfelen. Gelet daarop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat sprake zal zijn van schaduwhinder van enige betekenis voor het perceel van [appellant sub 1A]. Wat betreft de door [appellant sub 2] gevreesde overlast als gevolg van de realisering van een wadi in het plangebied, overweegt de Afdeling dat, gelet op het summiere betoog op dit punt, er geen aanleiding bestaat om te veronderstellen dat de vrees van [appellant sub 2] gegrond is. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat de raad heeft toegelicht dat de wadi zo zal worden ontworpen dat hier maximaal 10 cm water in kan blijven staan. Bij het bereiken van deze waterstand stroomt het overtollige water over in een kolk richting het oosten. Voor de resterende 10 cm water wordt in de wadi een drainage op ongeveer 40 cm diepte aangelegd. Deze drainage zorgt ervoor dat het achtergebleven water binnen afzienbare tijd de grond in is getrokken en vervolgens vertraagd wordt afgevoerd. Ook neemt de Afdeling hierbij in aanmerking dat de woning van [appellant sub 1A] op een afstand van ongeveer 90 m van de voorziene wadi is gelegen. Gelet op het voorgaande acht de Afdeling door de raad voldoende gemotiveerd dat de gevolgen van het plan voor het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] niet onevenredig zijn in verhouding tot het met plan te dienen doel van het voorzien in de behoefte aan de woningen. De betogen slagen niet. Conclusie en proceskosten
- Gelet op het voorgaande is het beroep van de stichting en [appellant sub 1A], voor zover dit is ingediend door de stichting, niet-ontvankelijk. De beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] zijn ongegrond.
- De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep van de Stichting Omgevingsrecht en [appellant sub 1A], voor zover dit is ingediend door de Stichting Omgevingsrecht, niet-ontvankelijk; II. verklaart het beroep van de Stichting Omgevingsrecht en [appellant sub 1A], voor zover ingediend door [appellant sub 1A], en het beroep van [appellant sub 2] ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. J.H. van Breda, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, griffier. w.g. Uylenburg voorzitter w.g. Plambeck griffier Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2022 159-964 BIJLAGE Algemene wet bestuursrecht Artikel 1:2
- Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
- Ten aanzien van bestuursorganen worden de hun toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd.
- Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. Artikel 3:11
- Het bestuursorgaan legt het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage, met uitzondering van stukken waarvoor bij wettelijk voorschrift mededeling op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze is voorgeschreven. […] Artikel 6:13 Geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld. Artikel 8:1 Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. Artikel 8:69a De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Besluit ruimtelijke ordening Artikel 1.1.1
- In dit besluit en de hierop berustende bepalingen wordt verstaan onder: […] i. stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen; Artikel 3.1.1
- Het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan pleegt daarbij overleg met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Artikel 3:6 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
- Gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister kunnen bepalen dat onder bepaalde omstandigheden of in bepaalde gevallen geen overleg is vereist met de diensten van provincie onderscheidenlijk Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening. Artikel 3.1.1a Bij de vaststelling van een bestemmingsplan kan in ieder geval gebruik worden gemaakt van gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar. Artikel 3.1.6
- Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd: a. een verantwoording van de in het plan gemaakte keuze van bestemmingen; b. een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding; c. de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 bedoelde overleg; d. de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek; e. een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken; f. de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan.
- De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
- Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.
- Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
- Voor zover bij de voorbereiding van het bestemmingsplan geen milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer wordt opgesteld, waarin de hierna volgende onderdelen zijn beschreven, worden in de toelichting ten minste neergelegd: a. een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden; b. voor zover nodig een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met overige waarden van de in het plan begrepen gronden en de verhouding tot het aangrenzende gebied; c. een beschrijving van de wijze waarop krachtens hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer vastgestelde milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Verdrag van Aarhus Artikel 3 […]
- Elke Partij voorziet in passende erkenning van en steun aan verenigingen, organisaties of groepen die milieubescherming bevorderen en waarborgt dat haar nationale rechtsstelsel strookt met deze verplichting. […] Artikel 6 […]
- Het betrokken publiek wordt, bij openbare bekendmaking of, indien van toepassing, individueel, vroegtijdig in een milieu-besluitvormingsprocedure, en op adequate, tijdige en doeltreffende wijze, geïnformeerd over onder meer: a. de voorgestelde activiteit en de aanvraag waarover een besluit zal worden genomen; b. de aard van mogelijke besluiten of het ontwerp-besluit; c. de voor de besluitvorming verantwoordelijke overheidsinstantie; d. de beoogde procedure, met inbegrip van, in de gevallen waarin deze informatie kan worden verstrekt: i. de aanvang van de procedure; ii. de mogelijkheden voor inspraak van het publiek; iii. de tijd en plaats van een beoogde openbare hoorzitting; iv. een aanduiding van de overheidsinstantie waarvan relevante informatie kan worden verkregen en waarbij de relevante informatie voor het publiek ter inzage is gelegd; v. een aanduiding van de betreffende overheidsinstantie of enig ander officieel lichaam waarbij opmerki.ngen of vragen kunnen worden ingediend en van het tijdschema voor het doorgeven van opmerkingen of vragen; en vi. een aanduiding van welke voor de voorgestelde activiteit relevante milieu-informatie beschikbaar is; en e. het feit dat de activiteit voorwerp is van een nationale of grensoverschrijdende milieu-effectrapportage.
- De inspraakprocedures omvatten redelijke termijnen voor de verschillende fasen, die voldoende tijd laten voor het informeren van het publiek in overeenstemming met het voorgaande tweede lid en voor het publiek om zich gedurende de milieu-besluitvorming doeltreffend voor te bereiden en deel te nemen.
- Elke Partij voorziet in vroegtijdige inspraak, wanneer alle opties open zijn en doeltreffende inspraak kan plaatsvinden.
- Elke Partij zou, indien van toepassing, potentiële aanvragers aan dienen te moedigen het betrokken publiek te identificeren, discussies aan te gaan en informatie te verstrekken betreffende de doelstellingen van hun aanvraag alvorens een vergunning aan te vragen.
- Elke Partij stelt aan de bevoegde overheidsinstanties de eis dat zij het betrokken publiek voor inzage toegang verschaffen, op verzoek wanneer het nationale recht dit vereist, kosteloos en zodra deze beschikbaar wordt, tot alle informatie die relevant is voor de in dit artikel bedoelde besluitvorming die beschikbaar is ten tijde van de inspraakprocedure, onverminderd het recht van Partijen te weigeren bepaalde informatie bekend te maken in overeenstemming met het derde en vierde lid van artikel
- De relevante informatie omvat ten minste, en onverminderd de bepalingen van artikel 4: a. een beschrijving van het terrein en de fysieke en technische kenmerken van de voorgestelde activiteit, met inbegrip van een prognose van de verwachte residuen en emissies; b. een beschrijving van de belangrijke effecten van de voorgestelde activiteit op het milieu; c. een beschrijving van de beoogde maatregelen om de effecten, met inbegrip van emissies, te voorkomen en/of te verminderen; d. een niet-technische samenvatting van het voorgaande; e. een schets van de voornaamste door de aanvrager bestudeerde alternatieven; en f. in overeenstemming met de nationale wetgeving, de voornaamste aan de overheidsinstantie uitgebrachte rapporten en adviezen op het tijdstip waarop het betrokken publiek dient te worden geïnformeerd in overeenstemming met het voorgaande tweede lid.
- Inspraakprocedures bieden het publiek de mogelijkheid schriftelijk of, indien van toepassing, tijdens een hoorzitting of onderzoek met de verzoeker, alle opmerkingen, informatie, analyses of meningen naar voren te brengen die het relevant acht voor de voorgestelde activiteit.
- Elke Partij waarborgt dat in het besluit naar behoren rekening wordt gehouden met het resultaat van de inspraak.
- Elke Partij waarborgt dat, wanneer het besluit is genomen door de overheidsinstantie, het publiek terstond over het besluit wordt ingelicht in overeenstemming met de toepasselijke procedures. Elke Partij maakt de tekst van het besluit toegankelijk voor het publiek tezamen met de redenen en overwegingen waarop het besluit is gebaseerd. […] Wet natuurbescherming Artikel 1.11
- Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.
- De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
- Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. Artikel 2.8
- Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.
- In afwijking van het eerste lid hoeft geen passende beoordeling te worden gemaakt, ingeval het plan of het project een herhaling of voortzetting is van een ander plan, onderscheidenlijk project, of deel uitmaakt van een ander plan, voor zover voor dat andere plan of project een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van dat plan of project.
- Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
- In afwijking van het derde lid kan, ondanks het feit dat uit de passende beoordeling de vereiste zekerheid niet is verkregen, het plan worden vastgesteld, onderscheidenlijk de vergunning worden verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er zijn geen alternatieve oplossingen; b. het plan, onderscheidenlijk het project, bedoeld in het eerste lid, is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en c. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.
- Ingeval het plan, onderscheidenlijk het project, bedoeld in het eerste lid, significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied, geldt, in afwijking van het vierde lid, onderdeel b, de voorwaarde dat het plan, onderscheidenlijk het project nodig is vanwege: a. argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten, of b. andere dwingende redenen van openbaar belang, na advies van de Europese Commissie.
- Een advies van de Europese Commissie als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, wordt door Onze Minister gevraagd. Het bestuursorgaan, onderscheidenlijk gedeputeerde staten doen daartoe een verzoek aan Onze Minister.
- Compenserende maatregelen als bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, maken onderdeel uit van het plan. De verplichting om compenserende maatregelen te treffen maakt onderdeel uit van de vergunning voor het project, bedoeld in het eerste lid, tenzij die verplichting volgt uit het programma, bedoeld in artikel 1.13a, tweede lid. Het bestuursorgaan dat het plan vaststelt meldt, onderscheidenlijk gedeputeerde staten melden de compenserende maatregelen aan Onze Minister, die de Europese Commissie van de maatregelen op de hoogte stelt.
- Ingeval een compenserende maatregel voorziet in de ontwikkeling of verbetering van leefgebieden voor vogels, natuurlijke habitats of habitats voor soorten buiten een Natura 2000-gebied, draagt Onze Minister ervoor zorg dat deze leefgebieden of habitats een Natura 2000-gebied, of een onderdeel van een Natura 2000-gebied worden. Bestemmingsplan "Tubbergen, Weleveld-Reutummerweg" Artikel 3 Groen 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen; b. speelvoorzieningen; c. kunstwerken; d. kunstobjecten; e. nutsvoorzieningen; f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, ten behoeve van afvoer, (tijdelijke)berging en infiltratie van (hemel)water; g. voet- en fietspaden; h. parkeervoorzieningen; i. verkeersvoorzieningen. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Algemeen Op de voor 'Groen' bestemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd voor zover dit in overeenstemming is met het bepaalde in lid 3.
- 3.2.2 Gebouwen Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. 3.2.3 Bouwwerken, geen gebouw zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag ten hoogste 2 m bedragen; b. de bouwhoogte van kunstwerken of speeltoestellen mag ten hoogste 5 m bedragen; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 2 m bedragen. Artikel 10 Overige regels 10.1 Parkeren 10.1.1 Specifieke parkeerregels bouwen en gebruik Bij de uitoefening van de bevoegdheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of voor het gebruik van en gebouw dan wel het wijzigen van het gebruik van een onbebouwd terrein geldt de regel dat de inrichting van de bij het bouwplan behorende en daartoe bestemde gronden zodanig moet plaatsvinden dat er voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van het parkeren of stallen van voertuigen wordt gerealiseerd. 10.1.2 Gemeentelijk parkeerbeleid Voor lid 10.1.1 geldt dat voldoende betekent dat wordt voldaan aan de normen in de beleidsregels die zijn neergelegd in de 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' en dat indien deze beleidsregel gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging. 10.1.3 Afmetingen parkeerplaatsen De in lid 10.1.2 bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan als de afmetingen voor parkeren in de lengterichting van de weg en voor parkeren in de dwarsrichting van de weg voldoen aan de afmetingen die zijn neergelegd in bijlage V van de 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' en dat indien deze beleidsregels gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging. 10.1.4 Afwijken Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van: a. het bepaalde in lid 10.1.
- Het bevoegd gezag neemt hierbij, conform het beleid als bedoeld in lid 10.1.2, in overweging of er op andere wijze in de benodigde parkeer- of stallingruimte, wordt voorzien, zoals omschreven in het de 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' en dat indien deze beleidsregel gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging; b. de afmetingen in lid 10.1.3 indien de feitelijke inrichting daartoe aanleiding geeft. 10.1.5 Voorwaarden afwijken De in lid 10.1.4 genoemde omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: • de openbare ruimte; • het woon- en leefklimaat;de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. 10.1.6 Specifieke gebruiksregel Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de bestemming zonder de aanleg en instandhouding van de gerealiseerde voorzieningen als bedoeld in dit artikel.