← Nederland

ECLI:NL:RVS:2022:1928

202203445/1/V

  1. Datum uitspraak: 7 juli 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 3 juni 2022 in zaak nr. NL22.9420 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 21 mei 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 3 juni 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. K. Ramdhan, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen
  2. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris in strijd met artikel 22, tweede lid, van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren heeft gehandeld door in dit geval tijdens de overbrenging handboeien te gebruiken. De vreemdeling betoogt in zijn eerste grief terecht dat de rechtbank hiermee een gebrek heeft geconstateerd in de direct aan de bewaring voorafgaande staandehouding, ophouding en overbrenging, waarin zij aanleiding had moeten zien de staatssecretaris in de proceskosten te veroordelen. Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 3 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:
  3. Grief 1 slaagt.
  4. Wat de vreemdeling in grief 2 heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
  5. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover de rechtbank heeft nagelaten de staatssecretaris tot vergoeding van de bij de vreemdeling opgekomen proceskosten te veroordelen en wordt voor het overige bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 3 juni 2022 in zaak nr. NL22.9420, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van de bij de vreemdeling opgekomen proceskosten te veroordelen; III. bevestigt die uitspraak voor het overige; IV. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.656,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier. w.g. Meijer lid van de enkelvoudige kamer w.g. Annen griffier Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2022 765-962

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.