(25). Daarnaast is er een behoefte aan 4 openbare parkeerplaatsen vanwege de woningen op de hoek van de Slenkstraat en de Schoutstraat. Op basis van de theoretische parkeervraag komt BonoTraffics op een totale parkeervraag van 101 parkeerplaatsen. Volgens BonoTraffics wordt met de toekomstige parkeercapaciteit in het plangebied voorzien in de parkeervraag, en is daarmee aangetoond dat de leefbaarheid in de omgeving niet significant achteruitgaat. 6.
- De Afdeling stelt vast dat de raad niet de in de Nota Parkeernormen opgenomen normen heeft gehanteerd maar van lagere parkeernormen is uitgegaan. De raad heeft onder verwijzing naar het rapport en de memo’s van BonoTraffics gemotiveerd dat en waarom in dit geval van een lagere parkeernorm kan worden uitgegaan zonder een goede parkeerbalans te verliezen. Daarbij betrekt de raad dat de gemeten parkeerdruk bij de bestaande supermarkt en dagwinkels op het maatgevende moment het aantal te realiseren parkeerplaatsen niet overschrijdt. De raad relateert de resultaten van het onderzoek van BonoTraffics aan de toegelaten winkeloppervlakten en hanteert voor de voorziene supermarkt een parkeernorm van 3,7 en 3,1 voor de dagwinkels, terwijl de minimale parkeernormen volgens CROW-publicatie 381 3,0 respectievelijk 2,7 zijn. In wat PLUS heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat geen gebruik mocht worden gemaakt van de mogelijkheid in de Nota Parkeernormen om van een lagere parkeernorm uit te gaan. Dat er geen sprake zou zijn van dubbelgebruik omdat BonoTraffics bij het berekenen van de parkeervraag onderscheid maakt tussen de verschillende doelgroepen volgt de Afdeling niet. BonoTraffics gebruikt dit onderscheid immers om de totale parkeervraag binnen het gebied te berekenen, voor wat betreft openbare parkeerplaatsen. De raad mocht er naar het oordeel van de Afdeling van uitgaan dat binnen dit gebied sprake is van dubbelgebruik waarbij parkeerplaatsen worden gedeeld door bezoekers van winkels en bewoners. Daarnaast mocht er anders dan in de Nota Parkeernormen als uitgangspunt is opgenomen redelijkerwijs van worden uitgegaan dat niet alle bestaande parkeerplaatsen die door de ontwikkeling verloren gaan gecompenseerd hoeven te worden, maar slechts die parkeerplaatsen die op het maatgevende moment in gebruik zijn. Hierbij betrekt de Afdeling dat de raad belang heeft mogen hechten aan het beperken van onnodige verharding. Ook is in de nadere memo van BonoTraffics beschreven hoe tot het totaal aantal te realiseren parkeerplaatsen is gekomen. PLUS heeft geen concrete en objectieve gegevens overgelegd die doen twijfelen aan de conclusies van de raad die zijn gebaseerd op het door BonoTraffics verrichte onderzoek. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat het bestemmingsplan niet zal leiden tot onaanvaardbare parkeeroverlast. Het betoog slaagt niet. Artikel 7 van de planregels
- PLUS betoogt dat artikel 7 van de planregels onvoldoende duidelijk en daarmee in strijd is met de rechtszekerheid. Door een te algemene verwijzing in artikel 7.3 van de planregels naar het gemeentelijke parkeerbeleid is volgens PLUS, mede in relatie tot artikel 7.2, onduidelijk hoe er wordt omgegaan met de afwijking van de parkeernormen, aanwezigheidspercentages en de compensatie van te vervallen parkeerplaatsen. 7.
- De raad stelt zich op het standpunt dat artikel 7 van de planregels niet onduidelijk is. De raad stelt dat in de planregels inderdaad een dynamische verwijzing is opgenomen naar de beleidsregels met betrekking tot het parkeren en laden en lossen van de gemeente Kampen. In deze beleidsregels, die nu zijn opgenomen in de Nota Parkeernormen, is volgens de raad een uitgebreid stappenplan opgenomen en wordt weergegeven hoe de parkeereis en de parkeernormen worden berekend en toegepast. De uitwerking daarvan voor het bestemmingsplan is terug te vinden in bijlage 3 bij de nota van zienswijzen, het memo van BonoTraffics. 7.
- Artikel 3.1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro luidt: "Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening kan een bestemmingsplan regels bevatten: a. waarvan de uitleg bij de uitoefening van een daarbij aangegeven bevoegdheid, afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels;" Artikel 7 van de planregels luidt: "7.1 Strijdig gebruik Het gebruik of bouwen, bestaand uit de oprichting van een gebouw, de verandering van functie of de uitbreiding van bestaand gebruik, is slechts toegestaan als voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid en/of ruimte voor laden en lossen op eigen terrein, waarbij deze vervolgens in stand wordt gehouden. 7.2 Afwijken van de gebruiksregels Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder artikel 7.1 Strijdig gebruik, wanneer: a. er op een andere wijze wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en/of ruimte voor laden en lossen; b. het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit. 7.3 Voldoende parkeergelegenheid en/of ruimte voor laden en lossen Er is sprake van voldoende parkeergelegenheid en/of ruimte voor laden en lossen, als voldaan wordt aan de normen in de door het bevoegd gezag vastgestelde beleidsregels met betrekking tot het parkeren en laden en lossen, zoals die gelden op het tijdstip van de aanvang van het gebruik, of het tijdstip van indiening van de aanvraag omgevingsvergunning." 7.
- De Afdeling begrijpt het betoog van PLUS zo, dat de formulering van artikel 7 leidt tot strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en artikel 3.1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro, omdat hieruit voortvloeit dat ook bij de verandering van het gebruik in voldoende parkeergelegenheid moet worden voorzien overeenkomstig de in het artikel bedoelde beleidsregels. De Afdeling is van oordeel dat artikel 7.1, in samenhang gelezen met artikel 7.3 van de planregels, in strijd is met artikel 3.1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro voor zover het regelt dat niet alleen bij de oprichting van een gebouw, maar ook bij de verandering van functie of de uitbreiding van bestaand gebruik in voldoende parkeergelegenheid dient te worden voorzien overeenkomstig de door het bevoegd gezag vastgestelde beleidsregels met betrekking tot het parkeren. Anders dan bij het oprichten van bouwwerken, voor welke activiteit in beginsel een omgevingsvergunning dient te worden verleend, is het veranderen van een binnen het bestemmingsplan passende functie of een binnen het bestemmingsplan passende uitbreiding van gebruik in beginsel niet afhankelijk van de uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 3.1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:512, r.o. 12.
- De raad had de uitleg van het begrip "voldoende parkeergelegenheid" in artikel 7.1 en 7.3 van de planregels niet afhankelijk mogen stellen van de bedoelde beleidsregels voor zover het gaat om de verandering van een functie of de uitbreiding van bestaand gebruik. Het betoog slaagt. Beroep van [appellant sub 1] Ontvankelijkheid
- De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant sub 1] geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, gelet op de afstand tussen zijn woning en het plangebied. De raad stelt zich daarom op het standpunt dat het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk is. 8.
- Bij uitspraak van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953 onder 4.3 tot en met 4.8, heeft de Afdeling - tegen de achtergrond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood, ECLI:EU:C:2021:7 - overwogen dat aan degene die bij een besluit geen belanghebbende is, maar die wel een zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpbesluit op basis van de in het nationale omgevingsrecht gegeven mogelijkheid daartoe, in beroep niet zal worden tegengeworpen dat hij geen belanghebbende is. 8.
- De Afdeling stelt vast dat de mogelijkheid is geboden om over het ontwerpbestemmingsplan zienswijzen naar voren te brengen. [appellant sub 1] heeft een zienswijze naar voren gebracht over het ontwerpbestemmingsplan. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de Afdeling daarom aanleiding om het beroep van [appellant sub 1] ontvankelijk te achten. Inhoudelijk
- [appellant sub 1] betoogt dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd dat geen milieueffectrapport (hierna: MER) gemaakt hoeft te worden. [appellant sub 1] betoogt daarnaast dat de raad ten onrechte op basis van het geactualiseerde dpo heeft aangenomen dat er marktruimte is voor een supermarkt. Daarnaast betoogt hij dat de raad het bestemmingsplan ten onrechte niet heeft getoetst aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro en voert de gemeente geen consequent detailhandelsbeleid. [appellant sub 1] betoogt verder dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd waarom een supermarkt op deze locatie ruimtelijk inpasbaar is. Hij wijst daarbij op een beleidsvisie waarin staat dat het dorpse karakter van IJsselmuiden moet worden gekoesterd en bewaard. [appellant sub 1] betoogt dat de supermarkt een aanzuigende werking zal hebben voor autoverkeer, waarvan de bewoners van het centrum veel overlast zullen ondervinden. Tot slot betwijfelt [appellant sub 1] dat het bestemmingsplan economisch uitvoerbaar is. Inzicht in de financiële voorwaarden van de anterieure overeenkomst is volgens [appellant sub 1] nodig, ook met het oog op mogelijk verleende staatssteun.
- De raad stelt zich op het standpunt dat de beroepsgronden die [appellant sub 1] aanvoert niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, gelet op het relativiteitsvereiste zoals neergelegd in artikel 8:69a van de Awb. 10.
- De Afdeling stelt vast dat de afstand tussen de woning van [appellant sub 1] en het plangebied 550 meter bedraagt, en dat [appellant sub 1] vanaf zijn perceel geen zicht heeft op het plangebied. De raad heeft op de zitting toegelicht dat [appellant sub 1] in een uitbreidingswijk van IJsselmuiden woont en zijn woning niet is gelegen langs één van de ontsluitingswegen van en naar het plangebied. Ook bevinden zich in de directe omgeving van de woning van [appellant sub 1] geen supermarkten, aldus de raad. 10.
- [appellant sub 1] voert aan dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd dat er geen MER gemaakt hoeft te worden. [appellant sub 1] beroept zich in dat verband op artikel 7.2 van de Wet milieubeheer, in samenhang gelezen met artikel 2, eerste lid, van het Besluit milieueffectrapportage. Zoals blijkt uit r.o. 10.82 - 10.87 van de overzichtsuitspraak over het relativiteitsvereiste van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, strekt de in de voornoemde bepalingen neergelegde verplichting tot het opstellen van een MER tot bescherming van onder meer het belang bij het behoud van een goed woon- en leefklimaat. Gelet op wat hiervoor onder 10.1 is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat het plangebied geen invloed heeft op het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1] en de voorziene planologische ontwikkelingen geen gevolgen zullen hebben voor zijn woon- en leefklimaat. De Afdeling is van oordeel dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan vernietiging van het bestemmingsplan vanwege deze beroepsgrond en ziet af van een inhoudelijke beoordeling hiervan. 10.
- Verder begrijpt de Afdeling het betoog van [appellant sub 1] aldus dat de raad zijns inziens in strijd handelt met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro en onvoldoende motiveert waarom hij afwijkt van de beleidsuitgangspunten uit de detailhandelsstructuurvisie. De Afdeling overweegt, onder verwijzing naar r.o. 10.24 van de voornoemde overzichtsuitspraak van 11 november 2020, dat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro mede strekt tot bescherming van het belang van een omwonende, dat is gelegen in het behoud van een goed woon- en leefklimaat en in verband daarmee het niet onnodig bebouwen van nabij de woning van appellant gelegen gronden in het plangebied, die voorheen grotendeels niet voor bebouwing waren bestemd. Omdat het plangebied niet tot de directe woon- en leefomgeving van [appellant sub 1] behoort, strekt ook deze bepaling niet tot bescherming van zijn belang. Het relativiteitsvereiste staat ook in dit geval in de weg aan vernietiging van het bestemmingsplan vanwege deze beroepsgrond en de Afdeling ziet af van een inhoudelijke beoordeling hiervan. 10.
- Voor zover [appellant sub 1] vreest dat het plan leidt tot overlast voor bewoners van het centrum overweegt de Afdeling onder verwijzing naar r.o. 10.10-10.13 van de voornoemde overzichtsuitspraak van 11 november 2020, het volgende. [appellant sub 1] beroept zich in dit geval op de bescherming van het woon- en leefklimaat van de omwonenden in het plangebied. [appellant sub 1] kan zich echter niet beroepen op de bescherming van de woon- en leefomgeving van anderen. Slechts voor zover de norm van een goede ruimtelijke ordening strekt tot bescherming van zijn eigen belangen kan hij zich hierop beroepen. De Afdeling is dan ook van oordeel dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan vernietiging van het bestemmingsplan vanwege deze beroepsgrond en ziet daarom af van een inhoudelijke beoordeling hiervan. 10.
- [appellant sub 1] heeft ook aangevoerd dat de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan onvoldoende is onderbouwd. Een plan moet gelet op artikel 3.1 van de Wro uitvoerbaar zijn. Onder verwijzing naar r.o. 10.31 van de voornoemde overzichtsuitspraak van 11 november 2020 overweegt de Afdeling dat deze bepaling strekt tot de bescherming van het woon- en leefklimaat van een persoon. Zoals de Afdeling heeft geoordeeld maakt het plangebied geen deel uit van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1]. Ook het verbod op staatssteun zoals neergelegd in artikel 108, derde lid, van het VWEU strekt niet tot bescherming van de belangen van [appellant sub 1]. De Afdeling verwijst in dit kader naar r.o. 11.4 van de voornoemde overzichtsuitspraak, waarin is overwogen dat deze bepaling strekt tot de bescherming van de belangen van concurrenten en personen die worden onderworpen aan een heffing die integrerend deel uitmaakt van een steunmaatregel. Ook in dit geval is de Afdeling van oordeel dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan vernietiging van het bestemmingsplan vanwege deze beroepsgrond en ziet daarom af van een inhoudelijke beoordeling hiervan.
- Over de gestelde strijdigheid met de Gebiedsvisie IJsselmuiden overweegt de Afdeling het volgende. In paragraaf 2.3.2 van de plantoelichting heeft de raad beschreven welke beleidsuitgangspunten uit de Gebiedsvisie IJsselmuiden van belang zijn voor het plangebied, dat in het deelgebied Zandruggen ligt. Als specifieke kwaliteit binnen deze zone zijn onder meer benoemd het informele, dorpse karakter door de kleinschalige maat, schaal en korrel van de bebouwing en de onverwachte groene ruimtes en (groente)tuintjes. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant sub 1] onvoldoende onderbouwd dat de raad in strijd handelt met de beleidsuitgangspunten die in de Gebiedsvisie IJsselmuiden zijn neergelegd. Daarbij betrekt de Afdeling dat de raad in paragraaf 2.2.
- van de plantoelichting erkent dat "het informele, dorpse karakter en de dorpse menging van functies hoog wordt gewaardeerd. De bereikbaarheid en ruimtelijke kwaliteit van het […] winkelcentrum vragen om aandacht". Daarbij wordt de supermarkt als laag en eenvoudig volume ingepast, zo stelt de plantoelichting. [appellant sub 1] heeft niet onderbouwd waarom hij zich niet met deze overwegingen van de raad kan verenigen of waarom deze onjuist zijn. Dat de raad het versterken van de fietsverbinding tussen de Burgemeester van Engelenweg en het Markeresplein als dragende overweging zou hebben betrokken bij de beoordeling van de locatie voor de supermarkt is de Afdeling niet gebleken. Dit doet niets af aan de rechtmatigheid van het bestemmingsplan. Het betoog slaagt niet. Conclusie
- Gelet op wat hiervoor onder 4.3 en 7.3 is overwogen, is de conclusie dat de raad het besluit tot het vaststellen van het bestemmingsplan in strijd met artikel 3:2 van de Awb en artikel 3.1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro heeft genomen. Op grond van artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling de raad opdragen om binnen 20 weken na verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van wat is overwogen onder 4.3 en 7.3 het gebrek te herstellen door: - artikel 3.1 van de planregels zo aan te passen dat de verrichte onderzoeken aansluiten bij de maximale planologische mogelijkheden, ofwel alsnog onderzoeken aan het plan ten grondslag te leggen die de maximale planologische mogelijkheden uit artikel 3.1 van de planregels tot uitgangspunt nemen; en - artikel 7.3 van de planregels zo aan te passen dat deze niet langer in strijd is met artikel 3.1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro. De raad moet de Afdeling, PLUS en Bouwcombinatie IJsselmuiden schriftelijk meedelen op welke wijze de gebreken in het bestreden besluit zijn hersteld en een eventueel gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend maken.
- In de einduitspraak wordt beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht aan PLUS.
- Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond. Voor zijn beroep is deze uitspraak de einduitspraak en daarmee is voor hem een einde gekomen aan deze procedure.
- De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden aan [appellant sub 1]. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: Einduitspraak I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] ongegrond. Tussenuitspraak II. draagt de raad van de gemeente Kampen op om: - binnen 20 weken na verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van wat in rechtsoverweging 4.3, 7.3 en 12 is overwogen de gebreken in het besluit van 28 januari 2021 dat strekt tot vaststelling van het bestemmingsplan "Slenke Es", te herstellen; - de Afdeling, PLUS en Bouwcombinatie IJsselmuiden de uitkomst mee te delen en het eventuele nieuwe besluit toe te sturen en op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen. Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, mr. dr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. drs. W. den Ouden, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J.M.A. Wolvers-Poppelaars, griffier. w.g. Hoekstra voorzitter w.g. Wolvers-Poppelaars griffier Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2022 780-997