(2012)zijn de onnauwkeurigheden van diverse factoren niet of onvoldoende bekend. De omvang van de onzekerheid in, het totaal of delen van, een geuronderzoek zijn daardoor zelden te bepalen. Uit praktische overwegingen wordt een factor 2 toegepast voor de onzekerheid van een geuronderzoek, en ook bij (het deelresultaat van) veelgebruikte geuronderzoeksmethoden, dit in afwachting van de resultaten van nader onderzoek, praktijkmetingen, ringtests, enz. als voorbeeld bij opmerking 3 dat ter bepaling van de emissie van een constante bron een meting in drievoud als voldoende nauwkeurig geldt en dat door het uitvoeren van meer metingen deze nauwkeurigheid kan worden verhoogd. […] De praktisch gekozen factor 2 is vooralsnog ook van toepassing verklaard op de onzekerheid in het deelresultaat uit de volgende onderzoeksmethoden: - geurconcentratiemetingen; - hedonische waarde bepaling; - snuffelploegmeting; - geuremissiemeting. […] OPMERKING 3 De onzekerheid in een meetmethode kan door de uitvoering en omvang van een onderzoek worden gestuurd. Bijvoorbeeld: ter bepaling van de emissie van een constante bron geldt een meting in drievoud als voldoende nauwkeurig. Door het uitvoeren van meer metingen kan deze nauwkeurigheid worden verhoogd." 8.
- In de notitie van Witteveen+Bos staat dat bij de meting in de inrichting sprake is geweest van een van de meetnorm afwijkend meetvlak, alsmede van kortstondige fluctuaties in het debiet. Over het meetvlak wordt in de notitie opgemerkt dat weliswaar extra traversepunten worden gemeten, maar dat geen kwantificering van de uiteindelijke nauwkeurigheid is vermeld. Over de fluctuaties wordt in de notitie opgemerkt dat deelmetingen met een fluctuerend karakter op grond van paragraaf 6.4.3 van de NTA 9065:2012 langer dan één uur moeten worden uitgevoerd. 8.
- Het college heeft zich in zijn schriftelijke uiteenzetting op het standpunt gesteld dat op grond van de NTA 9065:2012 bij een geuremissiemeting kan worden volstaan met één meting die uit drie deelmetingen bestaat. In reactie op de notitie van Witteveen+Bos heeft het college in zijn schriftelijke uiteenzetting toegelicht dat de debietfluctuatie in de inrichting bestaat uit een kortstondige ‘puf’ van enkele seconden die zich elke drie minuten herhaalt en verder in tijd niet fluctueert. Gelet daarop is geen sprake van een continue fluctuatie als bedoeld in paragraaf 6.4.3 van de NTA 9065:2012 en kan met deelmetingen van een half uur worden volstaan, aldus het college. Verder heeft het college toegelicht dat het afwijkende meetvlak afdoende is ondervangen door het debiet vast te stellen op meer traversepunten dan de norm voorschrijft en dat de meetonzekerheid daarmee voldoende wordt beperkt en wordt voldaan aan de NTA 9065:
- 8.
- Anders dan [appellante] betoogt, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat uit de NTA 9065:2012 niet blijkt dat een geuremissiemeting dient te bestaan uit drie metingen, die elk uit drie deelmetingen bestaan, om een factor 2 te kunnen toepassen voor de meetonzekerheid. Gelet op de door het college gegeven toelichting is ook in wat [appellante] onder verwijzing naar de notitie van Witteveen+Bos heeft aangevoerd over het meetvlak en de debietfluctuaties geen grond gelegen voor het oordeel dat de geuremissiemeting in de inrichting niet overeenkomstig de NTA 9065:2012 heeft plaatsgevonden. Het betoog slaagt niet.
- [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college, door te verwijzen naar de uitspraak van de Afdeling van 10 oktober 2018, deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het in dit geval een factor 2 voor de meetonzekerheid heeft toegepast. [appellante] voert aan dat de rechtbank is afgeweken van de NTA 9065:2012, terwijl een wetenschappelijke of beleidsmatige onderbouwing daarvoor ontbreekt. [appellante] verwijst naar de notitie van Witteveen+Bos. Daarin staat dat de in het geurrapport bepaalde hedonisch gewogen geuremissie van de inrichting feitelijk het resultaat is van een combinatie van twee in de NTA 9065:2012 vermelde onderzoeksmethoden, te weten een geuremissiemeting enerzijds en een bepaling van de hedonische waarde anderzijds. Omdat deze NTA aan elk van deze onderzoeksmethoden afzonderlijk een factor 2 toekent, is de berekende meetonzekerheid van het samenstel van deze onderzoeksmethoden, zoals ook vermeld in het geurrapport, een factor 2,8, aldus de notitie van Witteveen+Bos. De notitie van Witteveen+Bos vermeldt dat de NTA 9065:2012 niet uitsluit dat een grotere onnauwkeurigheidsfactor wordt toegepast dan een factor 2 en dat uit deze NTA niet kan worden afgeleid dat in een geval als hier aan de orde de toepassing van een factor 2,8 onwenselijk zou zijn. [appellante] benadrukt dat uit paragraaf 9.2.3 van de NTA 9065:2012 blijkt dat om praktische redenen voor een factor 2 is gekozen, omdat de onnauwkeurigheden van diverse factoren niet of onvoldoende bekend waren op basis van het kennisniveau in
- Dat nu, los van voormelde berekende meetonzekerheid, de toepassing van een grotere onnauwkeurigheidsfactor dan een factor 2 is gerechtvaardigd, volgt volgens [appellante] uit de door haar overgelegde notitie van Olfasense. In die notitie staat dat in 2019 in het kader van de herziening van de NTA 9065 een uitgebreide analyse van de meetonzekerheid is uitgevoerd die aan het licht heeft gebracht dat bij geuronderzoek als verricht in de inrichting moet worden uitgegaan van een feitelijke meetonzekerheid met een factor 2,
- Uit de concept-NTA 9065:2020 blijkt dat het aantal metingen had moeten worden verhoogd en dat de resultaten door verschillende geurpanels hadden moeten worden geanalyseerd om een factor 2 als een reële meetonzekerheid aan te kunnen merken, aldus de notitie van Olfasense. Volgens [appellante] kan aannemelijk worden geacht dat het college ten tijde van het besluit van 7 januari 2020 al bekend was met de aan de concept-NTA 9065:2020 ten grondslag liggende onderzoeksresultaten uit 2019, omdat medewerkers van OZOB en OMWB in de klankbordgroep van de concept-NTA 9065:2020 zitten. 9.
- De bij besluit van 5 juli 2019 aan [appellante] opgelegde last is niet het resultaat van een voortgezette besluitvorming naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 10 oktober
- Uit die uitspraak volgt dat de Afdeling voor haar daarin gegeven oordeel over de toepasselijkheid van een factor 2 bepalend heeft geacht wat de STAB toen over die factor heeft toegelicht en dat die toelichting toen niet door het college is weersproken. In het STAB-advies heeft de STAB geconcludeerd dat een factor 2,8 vooralsnog niet moet worden toegepast bij het handhaven van een hedonisch gewogen geuremissienorm. Inmiddels heeft in 2019 echter een uitgebreide analyse van de meetonzekerheid bij geurconcentratiemetingen plaatsgevonden. Ter zitting van de Afdeling heeft het college toegelicht dat bij de heroverweging in bezwaar geen rekening is gehouden met dat in 2019 verrichte onderzoek waarvan de resultaten in 2019 bekend waren, omdat in de commissie onder wier verantwoordelijkheid de concept-NTA 9065:2020 is opgesteld nog over dat onderzoek werd gediscussieerd en dat concept toen nog niet als NTA was vastgesteld. Dat de concept-NTA 9065:2020 ten tijde van het besluit op bezwaar nog niet was vastgesteld, laat naar het oordeel van de Afdeling onverlet dat het college ten tijde van belang moet worden geacht op de hoogte te zijn geweest van inzichten over de meetonzekerheid bij geurconcentratiemetingen die nieuw zijn ten opzichte van het STAB-advies. Gelet daarop heeft het college voor de toepassing van een factor 2 niet kunnen volstaan met een verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 10 oktober
- De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat de STAB op 23 februari 2017 heeft geconcludeerd dat een factor 2,8 vooralsnog niet moet worden toegepast en dat het college de juistheid van de notitie van Witteveen+Bos en de notitie van Olfasense, voor zover hiervoor onder 9 weergegeven, niet heeft weersproken. Ook neemt de Afdeling in aanmerking dat het college in het besluit op bezwaar van 7 januari 2020 het commissieadvies heeft onderschreven en overgenomen waarin staat dat het college technisch moet motiveren dat een factor 2 realistisch is voor het toegepaste geuronderzoek of dat het een onderzoeksmethodiek moet toepassen waarvan vaststaat dat die een factor 2 meetonzekerheid heeft. Gelet op het hiervoor overwogene heeft het college zich in het besluit van 7 januari 2020 ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat [appellante] op 26 maart 2019 voorschrift 5.2.1 heeft overtreden. Het betoog slaagt. Gronden over de invordering
- [appellante] betoogt dat de rechtbank haar beroep tegen het invorderingsbesluit van 10 februari 2020 ten onrechte ongegrond heeft verklaard, omdat de rechtbank haar beroep tegen de last ten onrechte ongegrond heeft verklaard. 10.
- Gelet op wat hiervoor onder 9.1 is overwogen over de ondeugdelijke motivering van het besluit van 7 januari 2020 slaagt het betoog. Slotsom
- Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen de besluit van het college van 7 januari 2020 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt door een motiveringsgebrek voor vernietiging in aanmerking. Omdat het college met inachtneming van deze uitspraak opnieuw dient te beslissen op het bezwaar van [appellante] tegen het besluit van 5 juli 2019, ziet de Afdeling aanleiding om de beslissing op het beroep tegen het invorderingsbesluit van 10 februari 2020, met toepassing van artikel 5:39, tweede lid, van de Awb, naar het college te verwijzen ter behandeling als bezwaar.
- Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de nieuw te nemen besluiten alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
- Het college moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 28 augustus 2020 in zaken nrs. 20/640 en 20/641; III. verklaart het tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 7 januari 2020, kenmerk C2250782/4629038, ingestelde beroep gegrond; IV. vernietigt dat besluit van 7 januari 2020; V. verwijst het beroep van [appellante A] en Ferm-O-Feed B.V. tegen het besluit van 10 februari 2020, kenmerk Z.160911/D.556015, naar het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant ter behandeling als bezwaar; VI. bepaalt dat tegen het opnieuw te nemen besluit op bezwaar tegen het besluit van 5 juli 2019, kenmerk Z.136200/D.473360, en het te nemen besluit op bezwaar tegen het besluit van 10 februari 2020, kenmerk Z.160911/D.556015, alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld; VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellante A] en Ferm-O-Feed B.V. in verband met de behandeling van de beroepen en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.415,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; VIII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [appellante A] en Ferm-O-Feed B.V. het door hen voor de behandeling van de beroepen en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 886,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. A. ten Veen, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier. w.g. Minderhoud voorzitter w.g. Robben griffier Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2022 610