202106874/1/V
- Datum uitspraak: 17 augustus 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 20 oktober 2021 in zaak nr. NL21.14040 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 28 augustus 2021 heeft de staatssecretaris een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd. Bij uitspraak van 20 oktober 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F. Boone, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen
- Wat in grief 1 is aangevoerd leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
- De vreemdeling klaagt in grief 2 terecht dat de rechtbank ten onrechte bij de berekening van de proceskostenvergoeding de vóór 1 januari 2021 geldende puntwaarde heeft gehanteerd. De grief slaagt.
- Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover deze inhoudt dat de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.050,
- De uitspraak moet worden bevestigd voor het overige. De Afdeling bepaalt dat de staatssecretaris aan de vreemdeling de in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten vergoedt tot een bedrag van € 1.518,00, zijnde twee maal de nu geldende puntwaarde van € 759,
- De staatssecretaris moet ook de in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 20 oktober 2021 in zaak nr. NL21.14040, voor zover de rechtbank de staatssecretaris heeft veroordeeld tot vergoeding van de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.050,00; III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige; IV. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.277,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Baldinger, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, griffier. w.g. Baldinger lid van de enkelvoudige kamer w.g. Vonk griffier Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2022 345
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.