(7)worden aangemerkt als gronden van "beschermingscategorie 2". Deze status rust op het (onbebouwde) westelijke deel van het perceel Recht van ter Leede 40-40a. Dit is tussen partijen niet in geschil. In geschil is of de voorziene ontwikkeling moet worden aangemerkt als "aanpassing" of als "transformatie" als bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid, van de Verordening ruimte. Indien sprake is van "aanpassing", zoals de raad stelt, dan is het plan niet in strijd met artikel 2.2.1, tweede lid, onder b, van de Verordening ruimte. 18.7. Artikel 2.2.1, eerste lid, van de Verordening ruimte maakt onderscheid tussen drie "typen" ontwikkelingen, te weten "inpassing", "aanpassing" en "transformatie". Over dit onderscheid staat in de toelichting bij dit artikel het volgende. "In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: 1. Inpassing. […]; 2. Aanpassing. Dit betreft een gebiedsvreemde ontwikkeling van relatief beperkte omvang, of een (gebiedseigen dan wel gebiedsvreemde) ontwikkeling die niet past bij de schaal en maat van het landschap. Een voorbeeld is een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied of een nieuw landgoed. Omdat in deze gevallen niet aan (alle) richtpunten van de kwaliteitskaart kan worden voldaan, zijn ontwerpoptimalisatie, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief optimaal resultaat. 3. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat er een nieuw landschap ontstaat. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Gelet op de wezenlijke verandering van het gebied is het reëel om aan te nemen dat niet aan alle richtpunten van de kwaliteitskaart kan worden voldaan, maar dat door middel van een nieuw integraal ontwerp er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaat die nog niet is ondervangen in de richtpunten. Het ontwerp kan gepaard gaan met inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen in de omgeving. Gelet op de omvang van de ontwikkeling kunnen dergelijke maatregelen - eenvoudiger dan bij aanpassing - onderdeel uitmaken van hetzelfde plan. Bij transformatie-opgaven is bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding en zal de betrokkenheid van de provincie zich richten op een actieve behartiging van provinciale doelen, een kwalitatief optimaal resultaat inclusief een maatschappelijke tegenprestatie." 18.8. Bij transformatie gaat het volgens de toelichting om "een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat er een nieuw landschap ontstaat" en om "een wezenlijke verandering van het gebied". Het gaat hier om 30 nieuwe woningen en een school(gebouw). Het plangebied grenst aan de kern van Leerbroek. Een deel van het plangebied was al bebouwd. Al met al is dit geen ontwikkeling van zo’n aard en omvang dat een nieuw landschap ontstaat. Omdat geen sprake is van "transformatie" (en evenmin van "inpassing"), is de Afdeling van oordeel dat de voorziene ontwikkeling moet worden aangemerkt als "aanpassing" in de zin van artikel 2.2.1, eerste lid, van de Verordening ruimte. De Afdeling volgt daarom het standpunt van de raad dat artikel 2.2.1, tweede lid, onder b, niet van toepassing is op het plan. Het betoog slaagt niet. 18.9. Het vorenstaande betekent dat het plan getoetst moet worden aan artikel 2.2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening ruimte. De ruimtelijke kwaliteit van het gebied moet per saldo ten minste gelijk blijven door (
- i)zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en door (
- ii)het zo nodig treffen van aanvullende maatregelen als bedoeld in artikel 2.2.1, derde lid. In de plantoelichting staat dat het plan zorgt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. De bestaande verouderde agrarische gebouwen worden gesloopt. Om een optimale ruimtelijke kwaliteitswinst te bereiken wordt de vrijgekomen locatie op een passende wijze ingericht. De karakteristieke bedrijfswoningen blijven behouden en de 30 nieuwe grondgebonden woningen sluiten wat betreft de bouwstijl en maatvoering aan bij de directe omgeving. Ook de basisschool zal aansluiten bij de bebouwing in de directe omgeving omdat de school zal bestaan uit maximaal één bouwlaag met een kap. Het stedenbouwkundig ontwerp is zo opgezet dat de rooilijnen van de woningen de slagenrichting van het landschap volgen. Het plan sluit met deze rechte structuren stedenbouwkundig aan bij de bebouwde kom van Leerbroek. De nieuwbouwwijk zal hierdoor "samensmelten" met de huidige kern en één geheel vormen. Omdat het plangebied een entreefunctie heeft voor de kern Leerbroek is het plan stedenbouwkundig gezien passend. Met het "wegbestemmen" van de agrarische bebouwing wordt ongewenst zwaar verkeer uit de dorpskern Leerbroek weggenomen. Daarnaast wordt verdere veroudering van de agrarische bebouwing en daarmee verpaupering en aantasting van de ruimtelijke kwaliteit voorkomen. Met de verplaatsing van het agrarisch bedrijf uit een locatie tegen de kern van Leerbroek voorziet het plan ook in een verbetering van het woon- en leefklimaat aan het Recht van ter Leede, aldus de plantoelichting. Voor de beoogde ontwikkeling is een beeldkwaliteitsplan opgesteld door Buro Beuk, dat bij de plantoelichting is gevoegd. Hierin wordt de ruimtelijke inpassing van het initiatief beschreven. Ook zijn in het beeldkwaliteitsplan de welstandscriteria voor het plangebied vastgelegd. 18.10. De Afdeling overweegt dat het plan weliswaar leidt tot meer bebouwing in het plangebied, aangezien het westelijke deel nu onbebouwd is, maar daar staat tegenover dat de bestaande agrarische bebouwing op het oostelijke deel van het plangebied wordt gesloopt. Op het punt van het beeldkwaliteitsplan heeft de raad toegelicht dat de daarin opgenomen woningen zijn opgenomen als referentie en dat het niet de bedoeling is dat daarin opgenomen gebouwen "worden gekopieerd". De Afdeling ziet in wat [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de beoogde ontwikkeling leidt tot een achteruitgang van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Bij dit oordeel is van belang dat de raad bij het vaststellen van het plan een beoordeling moet verrichten van de gevolgen van het plan voor de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied en dat hij daarbij beoordelingsruimte heeft. De omstandigheid dat enige discussie mogelijk is over de waardering van de gevolgen van de ontwikkeling voor de ruimtelijke kwaliteit, geeft geen aanleiding om het standpunt van de raad niet te volgen. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het plan niet in strijd is met artikel 2.2.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Verordening ruimte. Het betoog slaagt niet. Verordening ruimte: weidevogelgebied 19. [appellant sub 1] betoogt verder dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 2.2.1, vijfde lid, onder b, van de Verordening ruimte. Het westelijke deel van het perceel Recht van ter Leede 40-40a is in de verordening aangewezen als weidevogelgebied. De ontwikkeling van het gebied voor een school en woningen leidt tot een aantasting van het weidevogelgebied, aldus [appellant sub 1]. 19.1. Het standpunt van de raad is dat geen sprake is van een "significante aantasting" van het weidevogelgebied, omdat het plangebied feitelijk niet de functie heeft van (belangrijk) weidevogelgebied. De raad verwijst ter onderbouwing hiervan naar het verrichte ecologische onderzoek. De resultaten daarvan zijn vastgelegd in het rapport "Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan Recht van ter Leede 40a te Leerbroek" van Blom Ecologie B.V. van 3 december 2019, als bijlage opgenomen bij de plantoelichting (hierna: Rapport flora en fauna). 19.2. In het rapport Flora en fauna wordt onderkend dat (een deel van) het plangebied - door de provincie - is aangewezen als een belangrijk weidevogelgebied. Vervolgens wordt geconcludeerd dat de beoogde ontwikkellocatie geen deel uitmaakt van voor weidevogels relevant gebied. Het gebied wordt, voor zover bekend, gebruikt als algemeen leefgebied en heeft geen bijzondere waarde voor weidevogels, aldus het rapport. In het kader van de beroepsprocedure heeft de raad nog een aanvullend ecologisch onderzoek laten verrichten. De resultaten hiervan zijn vastgelegd in de notitie "Weidevogelgebied en inrichting Ontwikkeling Leerbroek" van Blom Ecologie van 17 december 2021. Hierin wordt geconcludeerd dat het plangebied door overmatige verstoringen niet geschikt is en nooit geschikt is geweest als belangrijk weidevogelgebied. De realisatie van de woonwijk en basisschool leidt dus niet tot aantasting van wezenlijke kenmerken en waarden van het weidevogelgebied. 19.3. De Afdeling is van oordeel dat de omstandigheid dat het plan voorziet in de bouw van een school en woningen op een nu onbebouwd weiland dat in de verordening is aangewezen als weidevogelgebied, een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van dat weidevogelgebied oplevert. Het gebied wordt door de voorziene ontwikkeling in de toekomst permanent ongeschikt als leefgebied voor weidevogels. De Afdeling volgt dus niet de door de raad voorgestane lezing van de aan de orde zijnde bepaling dat er geen sprake is van een aantasting, omdat de gronden feitelijk ongeschikt zijn als leefgebied voor weidevogels. Dat betoog had voor de gemeente aanleiding kunnen zijn om provinciale staten te verzoeken de provinciale verordening op dit punt aan te passen. Dit betekent dat het plan getoetst moet worden aan de beleidsregel "Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland 2013, vastgesteld door gedeputeerde staten van Zuid-Holland bij besluit van 21 mei 2013. Dit is niet gebeurd. Gelet hierop is het plan in strijd met artikel 2.2.1, vijfde lid, onder b, van de Verordening ruimte. Het betoog slaagt. Verkeersveiligheid 20. Wat [appellant sub 1] heeft aangevoerd over de verkeersveiligheid komt er in wezen op neer dat de (fysieke) omstandigheden in en rond het plangebied zo zijn dat de verkeersveiligheid ter plaatse niet kan worden geborgd. Het gaat haar in het bijzonder om de gevolgen van de school. [appellant sub 1] voert ook aan dat de verkeersveiligheid beter wordt gediend door een school op de oude locatie dan in het plangebied. De Afdeling heeft hiervoor in 10-10.1 een vergelijkbaar betoog van [appellante sub 2] besproken. De Afdeling ziet in wat [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding om anders te oordelen over de verkeersveiligheid in de omgeving van de voorziene school dan zij heeft gedaan bij het beroep van [appellante sub 2]. Het betoog slaagt niet. Overige beroepsgronden 21. Wat [appellant sub 1] voor het overige heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het plan niet strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht is vastgesteld. Opdracht 22. In artikel 8:51d van de Awb is bepaald dat de Afdeling het bestuursorgaan kan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen. 23. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling een tussenuitspraak doen en de raad opdragen om alsnog binnen 20 weken na de verzending van deze tussenuitspraak de geconstateerde gebreken in het besluit van 8 juli 2021 te herstellen. De raad dient met inachtneming van wat in 19.3 is overwogen het plan te toetsen aan de beleidsregel "Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland 2013" en nader te onderbouwen dat het plan daaraan voldoet. De raad kan er ook voor kiezen en andere planregeling vast te stellen. De raad dient de Afdeling en de andere partijen mee te delen op welke wijze het gebrek is hersteld en hij moet het eventuele nieuwe besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendmaken en meedelen. Bij de voorbereiding van het nieuwe besluit hoeft afdeling 3.4 van de Awb niet opnieuw te worden toegepast. Proceskosten 24. In de einduitspraak zal worden geoordeeld over de vergoeding van de proceskosten van [appellant sub 1]. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep van [appellante sub 2] ongegrond; II. draagt naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 1], de raad van de gemeente Vijfheerenlanden op om binnen 20 weken na verzending van deze uitspraak: - met inachtneming van overweging 23 het daarin omschreven gebrek in het besluit van 8 juli 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Ontwikkeling Leerbroek" te herstellen, en - de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mee te delen en de eventuele wijziging van het bestreden besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen. Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Milosavljević, griffier. w.g. Uylenburg voorzitter w.g. Milosavljević griffier Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2022 739. BIJLAGE Wet geurhinder en veehouderij Artikel 4 1. De afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object bedraagt: a. ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en b. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. […]. Artikel 6 […]; 3. Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere afstand van toepassing is dan de afstand, genoemd in artikel 4, eerste lid, met dien verstande dat deze: a. ten minste 50 meter bedraagt indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en b. ten minste 25 meter bedraagt indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. […]. Activiteitenbesluit milieubeheer Artikel 3.46 1. Het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen vindt plaats op ten minste: a. 100 meter afstand tot een geurgevoelig object dat binnen de bebouwde kom is gelegen, of b. 50 meter afstand tot een geurgevoelig object dat buiten de bebouwde kom is gelegen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen, indien de plaats waar deze bedrijfsstoffen zijn opgeslagen, is gelegen binnen een van de afstanden genoemd in dat lid, het opslaan reeds voor 1 januari 2013 plaatsvond en verplaatsing van de opgeslagen bedrijfsstoffen redelijkerwijs niet kan worden gevergd. 3. Indien het tweede lid van toepassing is: a .treft degene die de inrichting drijft maatregelen of voorzieningen die geurhinder voorkomen of tot een aanvaardbaar risico beperken, en b. geeft degene die de inrichting drijft op verzoek van het bevoegd gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij daartoe heeft getroffen of zal treffen. […]; 5. In afwijking van het eerste lid vindt het opslaan van kuilvoer plaats op ten minste 25 meter afstand tot een geurgevoelig object. […]. Artikel 3.51 1. Een mestbassin is gelegen op een afstand van ten minste 100 meter van een geurgevoelig object. […]; 3. In afwijking van het eerste en tweede lid bedragen de afstanden, genoemd in die leden 50 meter onderscheidenlijk 25 meter, indien de gezamenlijke oppervlakte van de in de inrichting aanwezige bassins minder bedraagt dan 350 vierkante meter. […]. Geurverordening gemeente Vijfheerenlanden (Geldend van 12-01-2021 t/m 22-10-2021) Artikel 2: Aanwijzing gebieden 1. Het gebied als bedoeld in artikel 6, lid 1 van de Wet is het gebied zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart 1 (bijlage 1: andere geurnorm). 2. Het gebied als bedoeld in artikel 6, lid 2 van de Wet wordt aangewezen het gehele grondgebied van de gemeente Vijfheerenlanden. 3. Het gebied als bedoeld in artikel 6, lid 3 van de Wet wordt aangewezen het gehele grondgebied van de gemeente Vijfheerenlanden. Artikel 4: Andere afstanden geurgevoelige objecten In afwijking van artikel 4, lid 1 van de Wet bedraagt de minimale afstand van een veehouderij tot een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 3 van deze verordening: 1. Binnen de bebouwde kom 50 meter; 2. Buiten de bebouwde kom 25 meter. Verordening Ruimte 2014 van de provincie Zuid-Holland (zoals gewijzigd bij besluit van 14 november 2018) Artikel 1.1 Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: bestaand stads- en dorpsgebied: bestaand stedelijk gebied als bedoeld in artikel 1.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening; ruimtelijke kwaliteit: kwaliteit van een gebied die bepaald wordt door de mate waarin sprake is van gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde; stedelijke ontwikkeling: stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening; Artikel 2.1.1 Stedelijke ontwikkelingen Lid 1 Stedelijke ontwikkelingen Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Artikel 2.2.1 Ruimtelijke kwaliteit Lid 1 Ruimtelijke kwaliteit bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: i. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: i. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid. Lid 2 Uitzonderingen vanwege beschermingscategorieën a. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op ‘Kaart 7 Beschermingscategorieën ruimtelijke kwaliteit’, kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder b en c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voorts wordt voldaan aan de onder b en c gestelde voorwaarden. b. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermings-categorie 2, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op ‘Kaart 7 Beschermingscategorieën ruimtelijke kwaliteit’, kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voorts wordt voldaan aan de onder c gestelde voorwaarden. Lid 3 Aanvullende ruimtelijke maatregelen a. De aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit (een combinatie van): i. duurzame sanering van leegstaande bebouwing, kassen en/of boom- en sierteelt; ii. wegnemen van verharding, iii. toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen; iv. andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert. b. De onder a genoemde maatregelen worden in beginsel getroffen binnen hetzelfde plangebied als de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden gemotiveerd dat dat niet mogelijk is. In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen elders in de motivering inzake ruimtelijke kwaliteit worden betrokken. c. In afwijking van sub b kan het bevoegd gezag in plaats van het treffen van ruimtelijke maatregelen een (gedeeltelijke) financiële compensatie verlangen door middel van een storting in een kwaliteitsfonds, dat is ingesteld op basis van de door Provinciale Staten vastgestelde regeling voor kwaliteitsfondsen, mits de daadwerkelijke uitvoering van de compenserende ruimtelijke kwaliteitsmaatregelen afdoende is verzekerd. Lid 4 Beeldkwaliteitsparagraaf Een bestemmingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt als bedoeld in het eerste lid bevat een beeldkwaliteitsparagraaf, waarin het effect van deze ontwikkeling op de bestaande kenmerken en waarden wordt beschreven en waaruit blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft, voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling: a. waarbij de richtpunten van de kwaliteitskaart in het geding zijn, of b. die is gelegen op gronden binnen een beschermingscategorie als bedoeld in het tweede lid, onder a en b. Lid 5 Afstemming op specifieke regels a. Voor zover in deze verordening specifieke regels zijn opgenomen ten behoeve van bepaalde typen ruimtelijke ontwikkelingen gaan die specifieke regels voor, tenzij het bepaalde in dit artikel zich daartegen niet verzet; b. Voor zover een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid een significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden rond de stad, of karakteristieke landschapselementen, is het provinciale compensatiebeleid van toepassing zoals vastgelegd in de beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland