(2012)van de Wageningen University & Research. De Afdeling overweegt, mede gelet op het deskundigenbericht, dat in het rapport van 25 januari 2017 niet inzichtelijk is gemaakt op welke inhoudelijke inzichten dit laatstgenoemde percentage is gebaseerd. Ook de raad heeft niet inzichtelijk gemaakt waar dit getal op is gebaseerd. Verder heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt dat rekening is gehouden met wisselteelt op de bollengronden of dat rekening is gehouden met de mogelijkheid dat natuurgrasvelden op het beoogde sportcomplex bemest zullen worden, al dan niet met kunstmest, en dat daarbij ammoniakemissies kunnen optreden. Voorts is niet gebleken dat rekening is gehouden met de stikstofemissie veroorzakende activiteiten op de drie bestaande sportcomplexen die in de periode dat het nieuwe complex wordt gebouwd, nog plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld onderhoud van de velden met (kunst)mest. Tijdens de aanlegfase blijven de bestaande drie bestaande sportcomplexen immers nog in gebruik. De stikstofnotitie geeft daarom in zoverre een incompleet beeld van de te verwachten stikstofemissies als gevolg van dit plan. Daarmee is niet de zekerheid verkregen dat het plan geen negatieve gevolgen heeft voor het Natura 2000-gebied. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb en artikel 2.8 van de Wnb voorbereid en genomen. Het betoog slaagt. 18.
- De raad heeft met het oog op de in het deskundigenbericht genoemde gebreken in het onderzoek naar de stikstofemissies en -deposities een nieuw stikstofonderzoek laten uitvoeren door IDDS. De resultaten zijn neergelegd in een notitie van 6 december
- De Afdeling zal aan de hand van dit rapport en de daartegen in de nadere stukken en ter zitting ingebrachte betogen beoordelen of dit gebrek kan worden gepasseerd. De Afdeling overweegt dat in de notitie van 6 december 2021 niet is ingegaan op de effecten van wisselteelt en evenmin op de gevolgen van het bemesten van de bestaande en nieuwe sportvelden. Evenmin geeft de notitie er blijk van dat er rekening mee is gehouden dat de nieuwe velden dichter bij het Natura 2000-gebied komen te liggen of dat effecten van de verschillende soorten bemesting op de verschillende locaties van de voormalige en nieuwe voetbalvelden in onderlinge samenhang zijn beoordeeld. De stelling van de raad ter zitting dat hoe dan ook de effecten van stikstof zullen afnemen omdat het aantal velden zal afnemen van acht naar vijf, vindt geen steun in de overgelegde stukken en is ook overigens niet onderbouwd. Verder heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt waarom in het onderzoek voor de emissie van de bestaande clubgebouwen is gerekend met een emissiehoogte van één meter en niet met de hoogte van de schoorstenen en rookafvoerkanalen, welke veelal op daken van gebouwen gesitueerd zijn. Gelet op de hierboven geconstateerde gebreken in beide stikstofnotities zal de raad opnieuw onderzoek moeten doen naar de gevolgen van stikstof en, als daaruit blijkt dat significante negatieve effecten op het Natura 2000-gebied niet kunnen worden uitgesloten, een nieuwe passende beoordeling moeten maken. Om die reden hoeft de vraag of de raad de oplegnotitie van 11 september 2020 had mogen gebruiken als aanvulling op de passende beoordeling geen bespreking. Wnb-vergunning
- Voor zover [appellant sub 1] en anderen betogen dat vanwege de lopende procedure over de intrekking van de Wnb-vergunning onzekerheid bestaat over de uitvoerbaarheid van het plan, overweegt de Afdeling, onder verwijzing naar haar uitspraak van 30 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2318, dat de Wnb in de artikelen 2.7, eerste lid, en 2.8 een afzonderlijk toetsingskader bevat voor plannen die significante gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Daarnaast is op grond van artikel 2.7, tweede lid, een natuurvergunning vereist voor projecten die significante gevolgen kunnen hebben. De bepalingen in de Wnb over de bescherming van Natura 2000-gebieden verschillen op dit punt van de bepalingen over de bescherming van soorten. Voor soorten is niet een afzonderlijk toetsingskader voorzien dat van toepassing is bij de vaststelling van een plan. Omdat voor Natura 2000-gebieden wel is voorzien in een afzonderlijk toetsingskader voor plannen hoeft bij plannen niet te worden ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan in relatie tot een mogelijk vereiste natuurvergunning. De Afdeling heeft hiervoor in deze uitspraak reeds beoordeeld of het plan in overeenstemming is met de Wnb. Het betoog slaagt niet. Onduidelijkheden planregels
- LTO Noord betoogt dat in artikel 4.1, onder a, van de planregels is bepaald dat beweiden is toegestaan, maar dat in artikel 4.3, onder a, is bepaald dat beweiden door dieren niet is toegestaan, terwijl paardenbakken wel weer zijn toegestaan. Volgens haar zijn de regels daarom tegenstrijdig en daardoor rechtsonzeker. 20.
- De raad heeft erkend dat artikel 4.1 en artikel 4.3 zich niet met elkaar verhouden. Reeds hierom is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en is het in strijd met artikel 3:2 van de Awb voorbereid en genomen. Het betoog slaagt. De raad heeft de Afdeling verzocht op dit punt zelf te voorzien. De Afdeling ziet daarvoor geen aanleiding gelet op de overige gebreken in het plan en de gevolgen daarvan. Landschappelijke inpasbaarheid en water
- LTO Noord betoogt dat de combinatie van bouwregels in artikel 6.2.2 het mogelijk maakt dat een reclame- of aanwijsbord ten behoeve van het voetbalcomplex van drie meter hoog en over een groot oppervlak mogelijk is. Die is niet meegewogen in de landschappelijke aanvaardbaarheid van het complex. [appellante sub 2] en anderen betogen dat ten onrechte het plan niet voorziet in compensatie van het verlies aan watergangen en duinrellen. Ook is geen rekening gehouden met het wateraanvoerplan dat is opgesteld in samenspraak met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en de provincie. Dit wateraanvoerplan biedt volgens hen zowel bescherming tegen ontwikkelingen in het bollenconcentratiegebied als bescherming voor het Natura 2000-gebied. 21.
- De Afdeling stelt vast dat de betreffende planregelingen niet zijn gewijzigd ten opzichte van de regeling in het vernietigde plan. LTO Noord en [appellante sub 2] en anderen hebben de beroepsgrond niet aangevoerd tegen het besluit dat de Afdeling bij besluit van 11 september 2019 heeft vernietigd. LTO Noord en [appellante sub 2] en anderen hebben hun beroepsgronden hiermee dan ook uitgebreid met nieuwe, niet eerder aangedragen beroepsgronden. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Awb, alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan niet worden aanvaard dat nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. Deze beroepsgrond blijft daarom buiten bespreking. Financiële uitvoerbaarheid
- [appellante sub 2] en anderen betogen dat onzeker is of het plan financieel uitvoerbaar is. Zij betogen dat de kosten hoger zijn dan in 2016 toen het vorige plan werd vastgesteld en dat er een financiële bijdrage voor het voetbalcomplex nodig is vanuit een ander bouwproject, Delversduin. 22.
- De raad stelt dat hij als opdrachtgever voor de ontwikkeling een toereikend investeringskrediet beschikbaar heeft gesteld voor de kosten van het voetbalcomplex en de ontwikkeling van de vrijkomende locaties. De kostenraming is in december 2019 herijkt en het beschikbare investeringskrediet is als toereikend beoordeeld voor de realisatie van het hele project. Er is geen financiële bijdrage door de ontwikkelaar van het project Delversduin nodig om de noodzakelijke kosten te dekken, aldus de raad. 22.
- De Afdeling overweegt dat in het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financiële uitvoerbaarheid is begrepen, slechts kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat de financiële aspecten van het plan aan de uitvoerbaarheid ervan in de weg staan. 22.
- In paragraaf 6.2 van de plantoelichting is vermeld dat de verantwoordelijkheid en het risico van de exploitatie volledig bij de gemeente ligt. Ook eventuele planschade is voor rekening van de gemeente en is meegewogen. [appellante sub 2] en anderen hebben onvoldoende overtuigend bestreden dat de kosten in december 2019 zijn herijkt, zoals de raad heeft gesteld. Verder wijst de raad er op dat de bijdrage van de ontwikkelaar van Delversduin in de begroting die de raad op 15 december 2016 heeft vastgesteld, "pro memorie" is gelaten en dus niet is meegenomen in de financiering. Nu de gemeente zelf het risico en de kosten volledig draagt, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het plan financieel niet uitvoerbaar is. Dit betoog slaagt niet. Slotconclusie
- De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 2.8, derde lid, van de Wnb en artikel 26b, eerste en tweede lid, van de PRV.
- De raad moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart de beroepen gegrond; II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Bergen (Noord-Holland) van 29 september 2020 waarbij het bestemmingsplan "Voetbalcomplex Egmond aan Den Hoef en vrijkomende locaties" is vastgesteld; III. veroordeelt de raad van de gemeente Bergen (Noord-Holland) tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van: € 1.897,50 aan [appellant sub 1] en anderen, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; € 1.897,50 aan [appellante sub 2], [vennoot 1] en [vennoot 2], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; IV. gelast dat de raad van de gemeente Bergen (Noord-Holland) aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van: - € 178,00 aan [appellant sub 1] en anderen, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; - € 354,00 aan [appellante sub 2], [vennoot 1] en [vennoot 2], met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, - € 354,00 aan LTO Noord. Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. J.M. Willems, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, griffier. w.g. Ten Veen voorzitter w.g. Van Helvoort griffier Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2022 361 BIJLAGE Regels provinciale verordening Artikel 5a luidt: "
- Een bestemmingsplan kan uitsluitend voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als deze ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken." Artikel 26b van de verordening luidt: "
- Een bestemmingsplan bevat uitsluitend bestemmingen of regels die voorzien in nieuwe bollenteeltbedrijven voor permanente bollenteelt, de uitbreiding van een bestaand bollenteeltbedrijf alsmede het mogelijk maken van grondbewerkingen als bezanden, omzetten en opspuiten ten behoeve van permanente bollenteelt, in bollenconcentratiegebied, zoals aangegeven op kaart 7 en op de digitale verbeelding ervan.
- Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op bollenconcentratiegebied maakt de vestiging van een nieuw bollenteeltbedrijf voor permanente bollenteelt of de uitbreiding van een bestaand bollenteeltbedrijf in dit gebied niet onmogelijk." Regels van de Verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken van de gemeente Bergen Artikel 1 luidt: "De verordening verstaat onder: a. inspraak: het betrekken van ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid; b. inspraakprocedure: de wijze waarop de inspraak gestalte wordt gegeven; c. beleidsvoornemens: het voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid." Artikel 2 luidt: "
- Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid.
- Inspraak wordt altijd verleend indien de wet daartoe verplicht. [...]" Planregels Artikel 3.3.2 van de planregels luidt: "a. het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de voor bollenteelt is alleen toegestaan als ter plaatse van de aanduiding 'specifieke aanduiding van groen - windhaag' een windhaag met een hoogte van 2,5 meter die een driftreductie van 75% oplevert, is gerealiseerd en in stand wordt gehouden; b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - windhaag' is geen menselijk verblijf toegestaan en het gebied dient via een gaashekwerk of gelijkwaardige voorziening voor het algemene publiek ontoegankelijk te zijn. Een uitzondering op het menselijk verblijf geldt voor onderhoud of overige werkzaamheden binnen het gebied, indien er op die momenten binnen 50 meter afstand geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast of als personen gebruik maken van daartoe geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen; c. het bepaalde onder a en b is niet van toepassing indien is aangetoond dat op de aan het plangebied grenzende gronden een afschermende voorziening is getroffen en in stand wordt gehouden die gezondheidsrisico's als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ten behoeve van de bollenteelt voorkomt." Artikel 4.1 luidt: "De voor "Agrarisch - Weidegrond" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het beweiden door dieren; [...]" Artikel 4.3 luidt: "Met betrekking tot het gebruik geldt dat het niet is toegestaan om: a. de gronden te bemesten en te beweiden; [...]" Artikel 6.2.1, onder d, van de planregels luidt: "Ter plaatse van de functieaanduiding "specifieke vorm van sport - clubgebouw" mag de bebouwing hoger dan 2,5 meter boven maaiveld gesloten te dient worden uitgevoerd en zonder aanzuigopeningen voor ventilatievoorzieningen. In artikel 6.4.5 is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waaruit volgt dat als ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van sport - tribune uitgesloten" hoger dan 2,5 meter boven maaiveld wordt gebouwd, een tribune alleen in gebruik mag worden genomen als er sprake is van a. een gesloten tribune of b. een rapport is overgelegd waaruit volgt dat geen gezondheidsrisico's optreden ten gevolge van blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen." Artikel 6.2.
- luidt: "a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag binnen het bouwvlak niet meer dan 2 m bedragen en buiten het bouwvlak niet meer dan 1 m bedragen; b. de hoogte van lichtmasten uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - sportveld met verlichting', ballenvangers en vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 15 m; c. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m; d. de oppervlakte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde mag maximaal 15 m2 bedragen; e. reclame-uitingen mogen niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg en routes rondom het sportpark; met uitzondering van één uiting om de aanwezigheid van het voetbalcomplex aan te duiden." Artikel 6.3.1 luidt: "Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.2.2 ten behoeve van hogere bouwwerken, met dien verstande dat: a. de bouwwerken noodzakelijk dienen te zijn in verband met de bestemming van de gronden; b. afwijking niet leidt tot onevenredige aantasting van de ter plaatse aanwezige ruimtelijke kwaliteit, zoals verwoord in het beeldkwaliteitplan 'Voetbalcomplex Egmonderstraatweg, Egmond aan den Hoef', d.d. 1 november 2016." Artikel 6.4.2 luidt: "a. Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de voor 'Sport' aangewezen gronden conform deze regels is alleen toegestaan als ter plaatse van de aanduiding 'specifieke aanduiding van groen - windhaag' een dubbele windhaag die per haag een driftreductie van 75% oplevert - of een houtwal of een constructie met een vergelijkbare filtrerende werking - met een hoogte van 2,5 m, is gerealiseerd en in stand wordt gehouden. b. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - windhaag' is geen menselijk verblijf toegestaan en het gebied dient via een gaashekwerk of gelijkwaardige voorziening voor het algemene publiek ontoegankelijk te zijn. Een uitzondering op het menselijk verblijf geldt voor onderhoud of overige werkzaamheden binnen het gebied, indien er op die momenten binnen 50 meter afstand geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast of als personen gebruik maken van daartoe geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen." Artikel 19.1 luidt: "Het bevoegd gezag kan - tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds afwijking mogelijk is - bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor: a. afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%; b. overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen ten hoogste 3 m bedragen en het bouwvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot. De omgevingsvergunning wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken." Artikel 20.1 luidt: "Burgemeester en wethouders kunnen de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot."