202101312/1/R3.Datum uitspraak: 31 augustus 2022 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
(2018). In het hydrologisch onderzoek is vermeld dat de uitvoer van dit model geen exacte waarde geeft, maar dat het een indicatie geeft waar toe- of afname van landbouwschade verwacht kan worden. De gebieden waarvoor het effect van het ontwerp op de functie landbouw is getoetst, zijn de gebieden buiten het projectgebied, waar een verandering van de grondwaterstand optreedt als gevolg van het ontwerp. In het hydrologisch onderzoek is geconcludeerd dat geen toe- of afname van de totale landbouwschade wordt verwacht op de percelen rondom het deelgebied "Muggenbeet". Voor de deelgebieden "Verbinding Wieden-Vollenhovermeer" en "Duinweg Leeuwte" is in het hydrologisch onderzoek berekend dat ten oosten van de Weg van Twee Nijenhuizen een toename van landbouwschade is te verwachten. Om de effecten van het ontwerp van het toekomstige watersysteem op bebouwing in kaart te brengen, is de bebouwing binnen de 5 cm vernattingszone geselecteerd en is bekeken of deze een GHG van minder dan 0,8 m -mv (maaiveld) heeft. Wanneer dit het geval is, is er kans op toenemende grondwateroverlast als gevolg van een stijgend grondwaterniveau. Uit de effectenanalyse op bebouwing is in het hydrologisch onderzoek geconcludeerd dat er drie locaties in deelgebied Muggenbeet zijn waar risico is op toenemende grondwateroverlast. Dit betreffen twee locaties langs de Duinigermeerweg en de locatie Jonenpad. Wat betreft de deelgebieden "Verbinding Wieden-Vollenhovermeer" en "Duinweg Leeuwte" staat in het hydrologisch onderzoek dat er op één locatie langs de Weg van Twee Nijenhuizen risico is op toenemende grondwateroverlast. In alle gevallen voldoet de ontwateringsdiepte niet aan de gewenste diepte van 0,8 m -mv. Of daadwerkelijk grondwateroverlast zal optreden is volgens het hydrologisch onderzoek nog onzeker. Daarvoor dienen eerst het erf en de drempelhoogte te worden ingemeten. Ook kan een bouwkundige opname meer inzicht geven. In het hydrologisch onderzoek is dit niet verder uitgewerkt. Wel zijn in het hydrologisch onderzoek mogelijkheden voor mitigerende maatregelen verkend. 18.
- De Afdeling overweegt dat in het hydrologisch onderzoek uitvoerig is toegelicht hoe de lokale grondwatermodellen zijn ontwikkeld. In de overwegingen hiervoor is dit samengevat weergegeven. Ook blijkt uit het hydrologisch onderzoek dat Arcadis de gebruikte grondwatermodellen heeft gevalideerd en heeft geconcludeerd dat deze betrouwbaar zijn. Op de zitting hebben provinciale staten herhaald dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de uitkomsten van de gebruikte grondwatermodellen over de waterhuishoudkundige referentiesituatie. De Afdeling is van oordeel dat provinciale staten zich terecht op dit standpunt stellen. Over het ontbreken van een nulmeting staat in de memo van Arcadis van 24 mei 2022, die op de zitting is overgelegd door provinciale staten, dat de bestaande waterhuishoudkundige situatie met langjarige meetreeksen in kaart is gebracht, waarbij gebruik is gemaakt van het bestaande meetnet. In aanvulling daarop zijn meer metingen verricht door peilbuizen te plaatsen op aanvullende meetpunten waar mogelijk effecten zijn te verwachten van het ontwerp van het toekomstige watersysteem. Provinciale staten stellen dat er op deze manier een nulmeting is gedaan die gefaseerd tot stand is gekomen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de bestaande waterhuishoudkundige situatie op deze manier niet goed in beeld is gebracht. Voor zover [appellante sub 2] en anderen hebben betoogd dat voor de validatie van de modellen peilbuizen zijn geplaatst die slechts 1 jaar hebben gemeten, terwijl het gebruikelijk is om dit over een langere periode te doen, overweegt de Afdeling dat in het hydrologisch onderzoek gedetailleerd is beschreven dat dit is ondervangen. Ook is de manier beschreven waarop dit is ondervangen, namelijk met tijdreeksverlengingen. [appellante sub 2] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze methode niet voldoet. Het betoog slaagt niet. 18.
- Voor zover [appellante sub 2] en anderen betogen dat bij het in kaart brengen van de effecten van het ontwerp van het toekomstige watersysteem geen rekening is gehouden met een verbreding van het Ettenlandsch Kanaal met 25 m, overweegt de Afdeling dat dit betoog feitelijke grondslag mist. Op bladzijde 18 van het hydrologisch onderzoek staat dat hiermee rekening is gehouden. Het betoog slaagt niet. 18.
- Over het betoog dat bij het in kaart brengen van de effecten van een stijging van de grondwaterstand slechts is bekeken wat de gevolgen zijn van een streefpeil op de GHG en GLG in en rond de drie deelgebieden, staat in de memo van Arcadis van 24 mei 2022 dat dit een gebruikelijke werkwijze is. Provinciale staten wijzen er terecht op dat in paragraaf 5.4.2 van de toelichting bij het peilbesluit is ingegaan op de consequenties van extreme weersomstandigheden. Daarin staat dat de nieuwe natuurgebieden geen wateroverlastnorm kennen, zodat daar in extreme situaties meer water kan worden geborgd. Provinciale staten stellen dat de capaciteit van de boezem voor waterberging toeneemt, wat positief is voor het omliggende gebied. In wat [appellante sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het hydrologisch onderzoek op dit punt gebrekkig is. Het betoog slaagt niet. 18.
- Voor zover [appellante sub 2] en anderen zich op de zitting op het standpunt hebben gesteld dat in de toekomst moeilijk kan worden aangetoond dat er een causaal verband bestaat tussen gestegen grondwaterstanden en eventuele landbouwschade, overweegt de Afdeling dat de Waterwijzer Landbouw is toegepast als instrument om een indicatie te geven van mogelijke landbouwschade. Zoals hiervoor in 18.4 is vermeld, heeft dit geleid tot de conclusie dat geen toe- of afname van de totale landbouwschade wordt verwacht op de percelen rondom het deelgebied "Muggenbeet". Voor de deelgebieden "Verbinding Wieden-Vollenhovermeer" en "Duinweg Leeuwte" is in het hydrologisch onderzoek berekend dat ten oosten van de Weg van Twee Nijenhuizen een toename van landbouwschade is te verwachten. In het hydrologisch onderzoek en in de memo van Arcadis van 24 mei 2022 staat dat de Waterwijzer Landbouw slechts een indicatie geeft voor het optreden van natschade. Daarnaast blijft monitoring erg belangrijk om de daadwerkelijke schade in kaart te brengen. Provinciale staten hebben er op de zitting op gewezen dat in paragraaf 7.1 van de toelichting van het peilbesluit is vastgelegd hoe de monitoring zal plaatsvinden. In de betreffende paragraaf staat dat er verschillende peilbuizen zijn opgenomen in het monitoringsnetwerk voor het meten van effecten op landbouw, erven en gebouwen en dat er op enkele locaties extra peilbuizen zijn geplaatst. Verder is vermeld dat de peilbuizen elke 6 maanden worden uitgelezen om de kwaliteit van de meetgegevens te borgen. Bij het uitlezen wordt een handreiking uitgevoerd om de loggermetingen te kunnen valideren, zo staat in de toelichting van het peilbesluit. Daarbij is ook vermeld dat de peilbuizen na uitvoering van het project vijf jaar lang worden gemonitord, waarna de monitoring geëvalueerd zal worden. In de toelichting van het peilbesluit staat dat alle monitoringsgegevens inzichtelijk worden gemaakt in de digitale wateratlas van de provincie. Dit is door provinciale staten ook op deze manier toegelicht op de zitting. De Afdeling is van oordeel dat [appellante sub 2] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat de in de Waterwijzer Landbouw gehanteerde gegevens een onjuiste indicatie geven van de te verwachten natschade. Ook bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de monitoring die na de uitvoering van het project zal plaatsvinden ondeugdelijk is. De enkele stelling van [appellante sub 2] en anderen dat er meer peilbuizen moeten worden geplaatst, is hiervoor onvoldoende. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat provinciale staten op de zitting hebben toegelicht dat het niet nodig is om op elke risicovolle plek te meten, omdat met het bestaande meetnet een gebiedsdekkend beeld kan worden verkregen. In wat [appellante sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit onjuist is. Het betoog slaagt niet. 18.
- Wat betreft de situatie van [appellante sub 1], die een boerderij met erf heeft aan de [locatie 1], is op de zitting vast komen te staan dat [appellante sub 1] met de provincie overeenstemming heeft bereikt over de beëindiging van zijn bedrijfsactiviteiten. Het gaat hem er in beroep alleen nog om dat niet een zodanige grondwateroverlast zal optreden dat hij zijn boerderij en erf niet langer kan gebruiken voor woondoeleinden. Hierover overweegt de Afdeling dat niet in geschil is dat er een risico is van toenemende wateroverlast op de gronden van [appellante sub 1]. Zoals hiervoor in 18.4 staat beschreven, is gelet op het hydrologisch onderzoek nog niet zeker of daadwerkelijk grondwateroverlast zal optreden. De conclusie in het hydrologisch onderzoek is echter dat er bij het optreden van grondwateroverlast mitigerende maatregelen kunnen worden genomen, zoals bijvoorbeeld het plaatsen van een ringdrain. Provinciale staten hebben ook toegezegd dat de noodzakelijke mitigerende maatregelen worden genomen bij het optreden van grondwateroverlast. In wat [appellante sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat desondanks moet worden gevreesd voor onaanvaardbare wateroverlast. Het betoog slaagt niet. Toename stikstofgevoeligheid van de omgeving?
- [ appellante sub 2] en anderen betogen dat hun bedrijven door het PIP ingesloten komen te liggen in natuurgebied en dat door het PIP de stikstofgevoeligheid van de omgeving toeneemt, waardoor deze bedrijven vanuit agrarisch oogpunt minder aantrekkelijk worden, omdat er geen groei- en ontwikkelingsmogelijkheden meer zijn. 19.
- Provinciale staten stellen dat "De Wieden" al op 25 november 2013 is aangewezen als Natura 2000-gebied. In het aanwijzingsbesluit zijn de instandhoudingsdoelstellingen genoemd voor Natura 2000-gebied "De Wieden". Volgens provinciale staten stellen [appellante sub 2] en anderen op zichzelf terecht dat het PIP tot gevolg kan hebben dat stikstofgevoelige habitats dichterbij de agrarische bedrijven van [appellante sub 2] en anderen komen te liggen, en dat dit ook nadelige gevolgen kan hebben in gevallen waarin agrariërs hun bedrijfsvoering willen wijzigen. Provinciale staten hebben toegelicht dat zij dit onder ogen hebben gezien, maar dat zij het natuurbelang, dat wil zeggen, het belang bij het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen in het aanwijzingsbesluit van 25 november 2013, hebben laten prevaleren boven de bedrijfsbelangen van [appellante sub 2] en anderen bij de mogelijkheid tot wijziging van hun agrarische onderneming. In dat verband hebben provinciale staten nog gewezen op hun gebondenheid om uitvoering te geven aan het aanwijzingsbesluit en het beheerplan. De Afdeling ziet in wat [appellante sub 2] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten in zoverre geen evenwichtige belangenafweging hebben gemaakt. Daarbij is van belang dat het ook zonder de uitvoering van de maatregelen in het PIP/beheerplan al zo is dat de gevolgen van een project voor locaties die potentieel leefgebied zijn of de potentie hebben om de verbeter- of hersteldoeleinden te realiseren beoordeeld moeten worden. Verder is van belang dat er ten tijde van het nemen van het besluit tot vaststelling van het PIP geen concrete initiatieven waren voor uitbreiding of wijziging van de agrarische bedrijven van [appellante sub 2] en anderen die ook kenbaar zijn gemaakt aan provinciale staten en waarmee in de belangenafweging rekening kon worden gehouden. Het betoog slaagt niet. Conclusie
- Het beroep van [appellante sub 2] en anderen is ongegrond. Het beroep van [appellante sub 1]
- [ appellante sub 1] heeft in aanvulling op het beroep dat hij met [appellante sub 2] en anderen heeft ingediend ook beroep op persoonlijke titel ingediend. Dit beroep bevat geen andere gronden dan de gronden die hiervoor zijn besproken. Omdat hiervoor is geconcludeerd dat de betogen van [appellante sub 2] en anderen niet slagen, geldt dit ook voor de gelijkluidende betogen die [appellante sub 1] op persoonlijke titel naar voren heeft gebracht.
- Het beroep van [appellante sub 1] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 3]
- [ appellant sub 3] exploiteert een melkveehouderij aan de [locatie 2] te Blokzijl in deelgebied "Muggenbeet". Hij kan zich niet verenigen met het PIP in verband met de nadelige effecten daarvan op zijn bedrijfsvoering. Bedrijfsbeëindiging
- [ appellant sub 3] betoogt dat hij door de vaststelling van het PIP zijn bedrijf moet beëindigen en mogelijk schade zal lijden die niet wordt vergoed. Deze gevolgen staan volgens [appellant sub 3] niet in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. 24.
- De Afdeling stelt voorop dat een goede ruimtelijke ordening met zich brengt dat bij de vaststelling van een inpassingsplan voor nieuwe natuurontwikkeling niet uitsluitend wordt gekeken naar de belangen die zijn gediend met de realisatie van de natuurontwikkeling. Een goede ruimtelijke ordening vereist dat ook de belangen van daardoor benadeelden, zoals het melkveebedrijf van [appellant sub 3], in de belangenafweging worden betrokken. Vaststaat dat provinciale staten hebben onderkend dat de natuurontwikkeling negatieve gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering van [appellant sub 3]. Dat [appellant sub 3] door realisatie van de natuurontwikkeling niet langer een melkveebedrijf kan exploiteren, betekent echter niet dat reeds daarom de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen. Dat er op het moment van de planvaststelling nog geen overeenstemming was bereikt over de wijze waarop de negatieve gevolgen voor de bedrijfsvoering kunnen worden weggenomen, betekent niet dat provinciale staten niet konden overgaan tot de vaststelling van het PIP. Daarbij is van belang dat de natuurontwikkeling, indien [appellant sub 3] er niet voor kiest dit zelf te realiseren, alleen mogelijk zal zijn door minnelijke verwerving, dan wel onteigening van de benodigde gronden. Hierbij is minnelijke verwerving, gelet op het bepaalde in artikel 17 van de Onteigeningswet, het uitgangspunt. Indien toch tot onteigening wordt overgegaan, zal [appellant sub 3] ingevolge het bepaalde in artikel 40 van de Onteigeningswet volledig schadeloos moeten worden gesteld. Bij deze schadeloosstelling wordt ook rekening gehouden met eventuele waardevermindering van resterende gronden die niet nodig zijn voor de realisatie van de gebiedsontwikkeling. Ook eventuele inkomstenderving is bij de schadeloosstelling inbegrepen. Hiermee zijn de belangen van [appellant sub 3] afdoende gewaarborgd (vergelijk overweging 83.2 van de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1072). Het betoog slaagt niet. Hydrologie
- [ appellant sub 3] vreest voor wateroverlast bij zijn woning aan de [locatie 2]. 25.
- Wat betreft de situatie van [appellant sub 3] die een woning met erf heeft aan de [locatie 2], is op de zitting vast komen te staan dat [appellant sub 3] met de provincie overeenstemming heeft bereikt over de beëindiging van zijn bedrijfsactiviteiten. Het gaat hem er in beroep alleen nog om dat niet een zodanige grondwateroverlast zal optreden dat hij zijn woning en erf niet langer kan gebruiken voor woondoeleinden. Hierover overweegt de Afdeling dat niet in geschil is dat er een risico is van toenemende wateroverlast op de gronden van [appellant sub 3]. Zoals hiervoor in 18.4 staat beschreven, is, gelet op het hydrologisch onderzoek nog niet zeker of daadwerkelijk grondwateroverlast zal optreden. De conclusie in het hydrologisch onderzoek is echter dat er bij het optreden van grondwateroverlast mitigerende maatregelen kunnen worden genomen. In het hydrologisch onderzoek is beschreven aan welke maatregelen kan worden gedacht. Provinciale staten hebben toegezegd dat de noodzakelijke maatregelen ook zullen worden genomen. In wat [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat desondanks moet worden gevreesd voor onaanvaardbare wateroverlast. Het betoog slaagt niet. Muggenoverlast
- [ appellant sub 3] betoogt dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar muggenoverlast, veroorzaakt door stilstaand water. Door de stijging van het (grond)waterpeil in de directe omgeving van [appellant sub 3] zal er steeds meer stilstaand water zijn waardoor muggen worden aangetrokken. [appellant sub 3] vreest dat de leefbaarheid van de omgeving ernstig zal worden aangetast door muggenoverlast. [appellant sub 3] stelt dat hiermee in het PIP onvoldoende rekening is gehouden. 26.
- In paragraaf 6.5 van het inrichtingsplan, opgenomen als bijlage 1 bij de plantoelichting, staat dat bij drie woningen in deelgebied Muggenbeet mitigerende maatregelen kunnen worden genomen om de effecten van vernatting op te heffen. De maatregelen die worden uitgevoerd betreffen: - het herprofileren van afvoerende watergangen rondom woningen; - het aanleggen van ringdrainage onder de erven en rondom de woningen; - het aansluiten van de afvoerende watergang op het polderpeil (eventueel via bestaande gemalen). 26.
- Provinciale staten stellen dat muggenoverlast zal worden voorkomen, zodat [appellant sub 3] ter plaatse kan blijven wonen. Zij stellen met verwijzing naar paragraaf 6.5 van het inrichtingsplan dat mitigerende maatregelen kunnen en zullen worden genomen om dit effect van vernatting bij de woning van [appellant sub 3] op te heffen. Hierbij wordt gedacht aan de aanleg van een droge zone rondom de woning van [appellant sub 3]. De Afdeling ziet in wat [appellant sub 3] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat een dergelijke mitigerende maatregel ontoereikend zal zijn om de door hem gevreesde overlast te voorkomen. Het betoog slaagt niet. Toename stikstofgevoeligheid van de omgeving?
- Voor de afdoening van het betoog van [appellant sub 3] dat door het PIP de stikstofgevoeligheid van de omgeving toeneemt, waardoor de aantrekkelijkheid van het gebied voor de agrarische sector afneemt, verwijst de Afdeling naar wat hiervoor in 19.1 is overwogen. Het betoog slaagt niet. Conclusie
- Het beroep van [appellant sub 3] is ongegrond. Proceskosten
- Provinciale staten en het algemeen bestuur van het waterschap hoeven geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart de beroepen ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. J.M.L. Niederer, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Priem, griffier. w.g. Knolvoorzitter w.g. Priem griffier Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2022 646