201901972/1/R4.Datum uitspraak: 21 september 2022 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
(2014), zoals appellante opmerkt, H=-0,5 als uitgangspunt gebruikt maar daarbij was niet op dezelfde wijze invulling gegeven aan cumulatie, aldus het deskundigenverslag. De Afdeling wijst erop dat uit haar uitspraak van 29 juni 2016 over het vorige bestemmingsplan "Lage Weide" volgt dat de toenmalige geurregeling alleen rekening hield met de geuremissie van de bedrijven waarvoor op grond van de bedrijvenlijst van de VNG-publicatie een richtafstand geldt van 100 m of meer voor het hinderaspect "geur". In de huidige geurregeling wordt dus ook rekening gehouden met de geurrelevante inrichtingen zonder geuronderzoek. De Afdeling concludeert op basis van het deskundigenverslag dat de raad voor deze bedrijven redelijkerwijs heeft kunnen uitgaan van de (hypothetische) emissie als hiervoor beschreven. 21.6. De vastgestelde geurcontour leidt tot een beperking van de totale geurbelasting in de omgeving van het industrieterrein in vergelijking met de situatie waarin deze niet was vastgesteld. De planregeling voor de cumulatieve geurbelasting leidt om die reden niet tot een aantasting van de belangen van omwonenden. De Afdeling begrijpt dat Milieugroep Zuilen een verdere beperking van de cumulatieve geurbelasting wenst, maar zij is gelet op wat hiervoor is overwogen van oordeel dat de raad deugdelijk heeft onderbouwd waarom hij de cumulatieve geurruimte niet verder heeft beperkt door, zoals door Milieugroep Zuilen voorgestaan, voor het bepalen van de referentiesituatie de feitelijk bestaande geuremissie tot uitgangspunt te nemen. Het betoog slaagt niet. 3. Gevolgen geurregeling voor bedrijven 22. [ appellante sub 3], [appellante sub 2] en De Trip betogen dat met de geurregeling van het bestemmingsplan geen redelijk belang is gediend, omdat deze regeling niet geschikt is om de beoogde doelstelling te bereiken. De regeling leidt wel tot beperkingen van de bedrijfsvoering van de op het industrieterrein gevestigde bedrijven. De regeling leidt ook tot een verzwaring van de administratieve lasten. Het doel van de geurregeling is het voorkomen van onaanvaardbare geurhinder in de omgeving van het industrieterrein. Dit doel kan met de vastgestelde toetscontour van H=-1 niet worden verwezenlijkt, omdat het niet mogelijk is om de geuren van zoveel verschillende typen geurbronnen bij elkaar "op te tellen" op een wijze die een objectieve relatie heeft met de daadwerkelijk ervaren geurhinder. [appellante sub 3] en [appellante sub 2] wijzen in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU0773, waarin de Afdeling volgens hen heeft bevestigd dat er geen rekenmethode bestaat voor het bij elkaar optellen van niet-gelijksoortige geurbronnen. Volgens [appellante sub 3] is het cumuleren van geurbronnen alleen zinvol bij een klein aantal bronnen met gelijke of vergelijkbare kenmerken. De situatie op Lage Weide is complex vanwege de omvang van het industrieterrein, het grote aantal geurbronnen en hun onderlinge diversiteit. Naarmate de verscheidenheid aan bronnen groter wordt en de kenmerken en emissiepatronen diverser, neemt de correlatie tussen de totale hoeveelheid aanwezige geur en de verschillende deelbijdragen af. De correlatie tussen de totale hoeveelheid geur op een bepaald moment en de deelbijdragen van het grote aantal geurbronnen op Lage Weide is veel minder duidelijk en mogelijk zelfs compleet afwezig. [appellante sub 3] wijst erop dat de totale hoeveelheid geur die van het industrieterrein afkomt op sommige momenten vrijwel geheel van één bedrijf afkomstig zal zijn en op een ander moment van een ander bedrijf. Het geurzonemodel houdt alleen rekening met de totale emissie op jaarbasis. In het deskundigenverslag wordt bevestigd dat de cumulatie van verschillende soorten geur geen voorspellende waarde heeft voor de daadwerkelijke hinderbeleving, omdat verschillende geuren elkaar kunnen maskeren of versterken. In het kader van de vaststelling van het plan is niet onderzocht of er een verband kan worden gelegd tussen de totale geur (de gecumuleerde geurbelasting) en de hinderlijkheid van de deelbijdragen van de diverse inrichtingen. [appellante sub 3] wijst erop dat er geen wetenschappelijke literatuur bekend is die iets zegt over cumulatie van geuren in relatie tot hinderbeleving en stelt dat er geen (brede) consensus onder experts bestaat over dit onderwerp. Zij vindt het niet juist dat het geurzonemodel dat door één deskundige is ontwikkeld wordt aanvaard, met het argument dat er geen betere methode beschikbaar is. Volgens [appellante sub 2] is niet inzichtelijk gemaakt welke methode is toegepast voor het berekenen van de cumulatieve geurbelasting van verschillende typen geurbronnen. [appellante sub 3] voert aan dat voor zover in dit verband gebruik is gemaakt van de zogeheten "hedonische weegfactor", uit het Rapport geurbelasting, noch uit enig ander aan het plan ten grondslag gelegd stuk, kan worden opgemaakt hoe de relatieve hinderlijkheid van de verschillende typen geurbronnen op het industrieterrein is bepaald. 22.1. In haar uitspraak van 10 augustus 2005 heeft de Afdeling onder verwijzing naar het deskundigenverslag in die zaak overwogen dat een methode om verschillende geuren te cumuleren niet voorhanden is. In de planregeling die nu ter beoordeling staat is een door LBP Sight ontworpen methode opgenomen voor het berekenen van cumulatieve geurbelasting van verschillende typen bronnen. De Afdeling gaat hierna in op de aanvaardbaarheid van de ontworpen methodiek aan de hand van de beroepsgronden die [appellante sub 3], [appellante sub 2] en De Trip daartegen hebben aangevoerd. 22.2. Over de beroepsgronden van de op het bedrijventerrein gevestigde bedrijven, in het bijzonder [appellante sub 2], over de wijze waarop de geuremissie is bepaald van de bedrijven zonder geuronderzoek, wordt verwezen naar 21.5, waarin de Afdeling al heeft geoordeeld dat de raad in redelijkheid heeft mogen uitgaan van de hypothetische emissie van de geurrelevante inrichtingen zonder geuronderzoek. 22.3. [ appellante sub 3], [appellante sub 2] en De Trip voeren verschillende argumenten aan om te betogen dat de wijze waarop de relatieve hinderlijkheid van geur is bepaald niet met zekerheid leidt tot de voorspelde hinderbeleving. In het deskundigenverslag is op dit punt geconcludeerd dat de ervaring van hinderlijkheid van geuren weliswaar verschilt per individu en dus in zoverre subjectief is, maar dat de "hedonische weging" die ten grondslag ligt aan de cumulatie van geuren van vergunningplichtige inrichtingen zoveel mogelijk is geobjectiveerd, overeenkomstig de NVN 2818. In de overwegingen 27 tot en met 27.3 van de uitspraak gaat de Afdeling nader in op het betoog van [appellante sub 3] dat onduidelijk is hoe de hedonische weegfactor van de concrete geurbronnen is bepaald. Deze beroepsgrond van [appellante sub 3] ziet op de deugdelijkheid van de gehanteerde invoergegevens. 22.4. Over de toegepaste methodiek voor het cumuleren van de geuremissie van verschillende geurbronnen en de voorspellende waarde van een dergelijke cumulatieberekening voor de daadwerkelijke hinderbeleving, overweegt de Afdeling als volgt. In het deskundigenverslag staat dat de "Handleiding geur: bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau van industrie en bedrijven (niet agrarisch)" van Agentschap NL van 28 juni 2012 aanknopingspunten biedt, zij het summier, om de cumulatie van geur te betrekken bij het vaststellen van een bestemmingsplan. In de Handleiding wordt opgemerkt dat het rekenen met cumulatie specialistenwerk is waarvoor geen eenduidige regels bestaan. Alhoewel deze passage al ten minste sinds 2012 in de Handleiding geur is opgenomen en de technische stand van zaken sindsdien zodanig is vooruitgegaan dat het rekenen aan cumulatie nu wellicht eenvoudiger is dan in 2012, bestaan volgens de deskundige nog steeds geen uitputtende regels voor het rekenen met cumulatie. Ook in de Nederlands Technische Afspraak (NTA) 9065 "Meten en rekenen geur" is slechts globaal aangegeven dat emissies van verschillende geuren kunnen worden gecumuleerd door een weegfactor toe te passen en dat voor die weegfactor de hedonische waarde van de desbetreffende geur kan worden gebruikt. De stelling van [appellante sub 3], [appellante sub 2] en De Trip dat niet zonder meer kan worden voorspeld wat het effect van de cumulatie van geur is op de hinderbeleving, omdat verschillende geuren elkaar zowel kunnen maskeren als versterken, is volgens het deskundigenverslag juist, maar dit neemt niet weg dat er geen betere methode beschikbaar is om cumulatie van verschillende soorten geur te beoordelen. In zoverre is er volgens de deskundige geen bezwaar om aan te sluiten bij de methode van een hedonisch gewogen geurcontour. 22.5. De Afdeling overweegt dat uit het deskundigenverslag kan worden afgeleid dat de rekenmethodiek die aan het model ten grondslag ligt gedeeltelijk steunt op bepaalde technische afspraken, zoals de NVN 2818 voor het bepalen van de relatieve hinderlijkheid van een geur en de NTA 9065 voor het verrichten van de cumulatieberekeningen. Het geurmodel als planologisch instrument voor het reguleren van de cumulatieve geurhinder is echter ontwikkeld door LBP Sight in opdracht van de raad en berust in zoverre niet op een "algemeen erkende" technische norm of afspraak. Uit het deskundigenverslag kan worden afgeleid dat de geurregeling leidt tot een beperking van de totale geuremissie ten opzichte van de geuremissie die het gevolg zou zijn bij een maximale invulling van de planologische mogelijkheden voor de gronden van het industrieterrein. Over de ontworpen rekenmethode staat in het deskundigenverslag dat de keuze om niet alle geuren wat betreft de hinder gelijk te behandelen, maar de hedonische waarde als weegfactor toe te passen is ingegeven door het inzicht dat het niet redelijk is om alle geuren in zoverre gelijk te behandelen. Volgens het deskundigenverslag leidt het berekenen van een ongewogen cumulatie niet tot een contour die een betere relatie heeft met de ervaren hinder en zijn er geen andere methoden bekend waarmee het effect van verschillende geuren beter of op meer onderbouwde wijze kan worden meegenomen. De berekende cumulatieve geurcontour dient volgens het deskundigenverslag te worden beschouwd als een referentie waaraan (toekomstige) veranderingen worden getoetst en minder als een getrouwe weergave van de hinder ervaren op basis van de vergunde situatie. In grote lijnen wordt volgens het deskundigenverslag de geurhinder voor omwonenden beperkt ten opzichte van de situatie waarbij deze contour niet zou zijn vastgesteld, terwijl de bestaande rechten van bedrijven worden gerespecteerd. 22.6. Met de geurregeling is beoogd de totale geuremissie van de bedrijven op Lage Weide te begrenzen met het oog op een voor omwonenden aanvaardbaar geurklimaat. In het deskundigenverslag staat weliswaar dat de daartoe gekozen methode om de verschillende soorten geur hedonisch te wegen onzekerheden kent, maar er staat ook dat het niet redelijk is om alle geuren qua hinderlijkheid gelijk te behandelen. Verder staat er in het deskundigenverslag dat er geen andere methoden bekend zijn, waarmee het beoordelen van het effect van verschillende geuren tezamen op de omgeving beter zou kunnen plaatsvinden. De tegenwerping van [appellante sub 3], [appellante sub 2] en De Trip dat de sterkte van het verband tussen de toegepaste methodiek voor het hedonisch wegen van geuren - om deze vervolgens bij elkaar op te kunnen tellen - en de daadwerkelijk ervaren hinder niet is aangetoond, is dus op zichzelf bezien juist. In het deskundigenverslag zijn de onzekerheden van het (nog) niet gevalideerd zijn van de rekenmethodiek uitdrukkelijk onder ogen gezien. De deskundige heeft na onderzoek van de grondslagen van het model echter wel geconcludeerd dat de geurhinder met de berekende cumulatieve geurcontour, die de referentiesituatie vastlegt (de toetscontour), wordt beperkt ten opzichte van de situatie waarin deze zou ontbreken. Omdat niet in geschil is dat een andere, laat staan betere methode beschikbaar is, heeft de raad onder deze omstandigheden naar het oordeel van de Afdeling redelijkerwijs voor deze rekenmethode kunnen kiezen als middel om de totale geuremissie van het bedrijventerrein ten behoeve van omwonenden te begrenzen. De beoordeling van de beroepsgronden tegen bepaalde onderdelen van de geurregeling volgt hierna. 22.7. Over het betoog van De Trip, [appellante sub 2] en [appellante sub 3] dat de geurregeling de bestaande bedrijfsvoering van bedrijven beperkt, overweegt de Afdeling als volgt. Bij het vaststellen van het plan heeft de raad beoogd de vergunde en gemelde geuremissies te respecteren. Het gebruiksverbod van artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder b, van de planregels verbiedt "nieuwe geurrelevante inrichtingen". Blijkens de definitie van dit begrip in artikel 1, lid 1.64, van de planregels heeft dit verbod geen betrekking op de vergunde of gemelde bedrijfssituatie. De Afdeling verwijst in dit verband naar overweging 19 en 19.1 hiervoor. Deze planregeling leidt dus niet tot een beperking van de bestaande (rechtmatige) bedrijfsvoering. Bovendien houdt de geurregeling rekening met de gemelde en vergunde, maar feitelijk niet bestaande emissies. Dit neemt niet weg dat het plan wel leidt tot een beperking van de uitbreidingsmogelijkheden (voor zover niet al gemeld of vergund) ten opzichte van de situatie zonder deze geurregeling, met dien verstande dat niet bij voorbaat vaststaat dat er geen enkele uitbreidingsruimte meer is en dat (alle) geurrelevante bedrijven dus volledig "op slot" zijn gezet. In het algemeen geldt echter dat de raad bij het vaststellen van het plan - in een situatie waarin geen sprake is van een concreet voornemen om uitbreiding - niet behoeft te voorzien in planologische uitbreidingsmogelijkheden als hij deugdelijk onderbouwt dat het bieden van uitbreidingsmogelijkheden vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onwenselijk is. De Afdeling is van oordeel dat de raad in dit geval de noodzaak voor het beperken van de uitbreidingsmogelijkheden met het oog op een aanvaardbaar geurklimaat in de omgeving van het plangebied deugdelijk heeft onderbouwd en dat deze beperking niet onevenredig belastend is voor de bedrijven in verhouding tot het daarmee te dienen doel. Daarbij is van belang dat de toepassing van de geurregeling pas in beeld komt wanneer een bedrijf wil uitbreiden of de bedrijfsvoering anderszins wil wijzigen. De beroepsgronden over de wijze waarop de regeling in de praktijk ten uitvoer wordt gebracht zal de Afdeling hierna beoordelen. Het betoog slaagt niet. 4. Toebedeling geurruimte 23. De Trip en [appellante sub 2] betogen dat niet duidelijk is hoe de eventueel beschikbare geurruimte wordt toebedeeld aan bedrijven die willen uitbreiden en die daartoe een omgevingsvergunning aanvragen voor het afwijken van de regels van het bestemmingsplan. 23.1. De wijze waarop aanvragen om omgevingsvergunning voor nieuwe geurrelevante inrichtingen worden beoordeeld is vastgelegd in artikel 3.6.1 van de planregels. In het bepaalde onder a is vastgelegd dat een omgevingsvergunning voor een nieuwe geurrelevante inrichting kan worden verleend "indien dit niet leidt tot een aantoonbare overschrijding van de aanvaardbare cumulatieve geurbelasting". Voor het overige verwijst deze bepaling naar de Beleidsregels geur. Daarin is onder meer vastgelegd welke gegevens moeten worden overgelegd bij de aanvraag (artikel 3, derde lid). In artikel 4, eerste lid, is bepaald dat de vergunning alleen wordt verleend indien daarmee geen aantoonbare overschrijding van de aanvaardbare cumulatieve geurbelasting, zoals bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van de beleidsregels, plaatsvindt. Deze bepaling van de beleidsregels verwijst naar de geurcontour die is gevoegd als bijlage III.b bij de Beleidsregels geur. In de Beleidsregels geur en de bijbehorende bijlagen zijn de gehanteerde invoergegevens opgenomen. 23.2. Uit het voorgaande volgt dat aanvragen voor activiteiten die leiden tot een toename van de geuremissie worden getoetst aan de Beleidsregels geur. Afgezien wellicht van de mogelijkheid van "intern salderen" die wordt beschreven in paragraaf 3.2.2 van het deskundigenverslag, is het niet mogelijk om vooraf, dus zonder het verrichten van een concrete berekening, vast te stellen of en hoeveel geurruimte beschikbaar is voor een gewenste uitbreiding. In dit verband verwijst de Afdeling naar de toelichting bij de Beleidsregels geur. Daarin staat dat bij de beoordeling of geen aantoonbare overschrijding van de aanvaardbare cumulatieve geurbelasting optreedt, wordt getoetst aan de geurcontour, waarbuiten de cumulatieve geurbelasting vanwege de in het plangebied gevestigde bedrijven niet meer mag bedragen dan H=-1 (lichte hinder) als 98-percentiel. Uit de definitie van aanvaardbare cumulatieve geurbelasting volgt dat geen overschrijding van de aanvaardbare cumulatieve geurbelasting optreedt, wanneer de cumulatieve geurbelasting buiten deze contour niet meer bedraagt dan H=-1 (lichte hinder) als 98-percentiel of wanneer de cumulatieve geurbelasting buiten deze contour ter plaatse van een geurgevoelig object niet meer bedraagt dan H=-1 (lichte hinder) als 98 percentiel. Dit betekent dat ruimte aanwezig is voor nieuwe geurrelevante inrichtingen, zolang de cumulatieve geurbelasting ter plaatse van een geurgevoelig object buiten het plangebied niet meer bedraagt dan H=-1 (lichte hinder) als 98 percentiel, aldus de toelichting. De Afdeling overweegt dat de enige manier om erachter te komen of een gewenste uitbreiding vergund kan worden het maken van een concrete berekening is. Het gehanteerde geurmodel is niet algemeen beschikbaar gesteld, maar gespecialiseerde bureaus beschikken over de gebruikte software (Geomilieu). Aangezien de (initiële) invoergegevens bekend zijn, is het mogelijk om, voordat een formele aanvraag wordt gedaan, een "voorberekening" te maken om enige duidelijkheid te verkrijgen over de mogelijkheid dat de beoogde uitbreiding wordt vergund. Nadat besloten is op een aanvraag om omgevingsvergunning is het voor de aanvrager en eventuele derden mogelijk om aan de hand van de gehanteerde invoergegevens de berekening die ten grondslag ligt aan het besluit te verifiëren. In zoverre ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de wijze waarop geurruimte wordt toebedeeld onduidelijk is of dat met deze regeling praktisch bezien niet gewerkt kan worden. De Afdeling onderschrijft wel het bezwaar van appellanten dat de regeling niet transparant is vanwege het ontbreken van een "geur(ruimte)boekhouding", die telkens wordt geactualiseerd nadat een relevante wijziging van de geuremissie heeft plaatsgevonden. Een verleende omgevingsvergunning leidt er in wezen toe dat de vanaf dat moment relevante invoergegevens wijzigen. De Afdeling verwijst in dit verband ook naar de toelichting bij de Beleidsregels geur: "met de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.6.1, onder b, van de planregels kan deze contour wijzigen, omdat het geurzonemodel hiermee wordt geactualiseerd. Dit is locatieafhankelijk. Zo zal de toevoeging van een geurrelevante inrichting in het meest zuidelijke deel van het plangebied, de contour aldaar waarschijnlijk laten vergroten en in het noorden van het plangebied niet. De contour kan daarnaast wijzigen door wijziging of intrekking van een vergunning van een geurrelevante inrichting". Omwille van de duidelijkheid wijst de Afdeling erop dat het hiervoor weergegeven deel van de toelichting bij de Beleidsregels geur ziet op de gevolgen voor de feitelijke contour voor de cumulatieve geurbelastingen en niet op de toetscontour die in het plan is vastgelegd als "norm" voor de maximaal toegelaten cumulatieve geurbelasting en die niet overschreden mag worden. De Afdeling stelt vast dat de gebruikers van gronden op het industrieterrein alleen beschikken over de initiële invoergegevens, die dus representatief zijn voor de geursituatie ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan. Dit wordt bevestigd in paragaaf 3.2.2 van het deskundigenverslag. Als gevolg hiervan is de geurregeling in strijd met de rechtszekerheid. Het betoog slaagt. 5. Onjuiste weergave geurcontour op verbeelding 24. Over het betoog van Milieugroep Zuilen dat de "toetscontour" die is weergegeven op de kaart die gevoegd is als bijlage bij de planregels en de Beleidsregels geur, niet overeenkomt met de in het Rapport geurbelasting berekende contour, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft toegelicht dat de geurregeling van het bestemmingsplan dient ter bescherming van het woon- en leefklimaat in de omgeving van het industrieterrein. De geurregeling heeft niet tot doel de bescherming van het verblijfsklimaat op het industrieterrein zelf. Om deze reden zijn de in het Rapport geurbelasting berekenende deelcontouren, voor zover deze binnen de begrenzing van het industrieterrein vallen, doorgetrokken tot de buitenste grens van het industrieterrein. Gelet op de ligging van de verschillende deelcontouren is dit vooral gebeurd aan de zuid(west)zijde van het plangebied en niet in het noorden, aan de zijde van de woonwijk Zuilen. Dit standpunt van de raad is naar het oordeel van de Afdeling juist. Dit volgt uit de kaarten bij het Rapport geurbelasting, waarop de berekende deelcontouren en de "toetscontour" zijn weergegeven. Het vergroten of "doortrekken" van de berekende deelcontouren voor zover die gelegen zijn op het industrieterrein, tot de buitengrens, heeft geen gevolgen voor het woon- en leefklimaat in Zuilen. Het betoog slaagt niet. 6. [ appellant sub 4] 25. [ appellant sub 4] betoogt dat de cumulatieve geurhinder vanwege het industrieterrein niet aanvaardbaar is. Voor de onderbouwing van zijn betoog heeft [appellant sub 4] aangesloten bij het beroep van Milieugroep Zuilen. De Afdeling heeft hiervoor geoordeeld over het beroep van Milieugroep Zuilen tegen de geurregeling. Daaruit volgt dat ook het betoog van [appellant sub 4] niet slaagt. 7. Onjuistheden Rapport geurbelasting 26. [ appellante sub 3], De Trip en [appellante sub 2] betogen dat aan het Rapport geurbelasting een groot aantal onjuiste uitgangspunten ten grondslag ligt. Zij hebben onder meer aangevoerd dat niet inzichtelijk is gemaakt hoe de hedonisch gewogen geurbelasting van de verschillende (typen) geurbronnen is bepaald. Verder hebben [appellante sub 3] en [appellante sub 2] gesteld dat bepaalde emissies niet of niet deugdelijk zijn ingevoerd in het geur(verspreidings)model. Daarnaast is ook de modellering van de omgeving gebrekkig. De bestaande geurbelasting in de omgeving is volgens [appellante sub 3] en [appellante sub 2] daarom groter dan in het Rapport geurbelasting is berekend en dat leidt tot beperkingen van de bestaande rechtmatige bedrijfsvoering. Hedonische weegfactor 27. [ appellante sub 3] en De Trip betogen dat niet inzichtelijk is hoe de gehanteerde hedonische weegfactoren zijn bepaald. In tabel 2.1 van het Rapport geurbelasting zijn de weegfactoren vermeld. Daarbij wordt de indruk gewekt dat deze waarden afkomstig zijn uit de onderscheiden geuronderzoeken. Dit is veelal echter niet het geval, aangezien niet in alle genoemde geuronderzoeken hedonische weegfactoren worden vermeld, aldus [appellante sub 3] en De Trip. 27.1. In tabel 2.1 van het Rapport geurbelasting zijn de gehanteerde hedonische weegfactoren weergegeven voor de bedrijven die beschikken over een geuronderzoek. Deze tabel is hieronder overgenomen. 27.2. De raad heeft toegelicht dat bij de geurrelevante inrichtingen, waarvoor een geurrapport beschikbaar was, een hedonische weegfactor is gehanteerd die is gebaseerd op de vaststelling van de hedonische waarde in de betreffende geuronderzoeken. Bij het ontbreken van de hedonische waarde in het desbetreffende onderzoek, onder meer bij [appellante sub 3], is de hedonische weegfactor vastgesteld op het niveau van het hedonisch ongewogen acceptabel geurhinderniveau behorende bij de vergunning van het bedrijf dan wel op basis van de hedonische waarde uit geuronderzoeken van gelijksoortige inrichtingen of activiteiten, aldus de raad. 27.3. De Afdeling is van oordeel dat onduidelijk is hoe de in tabel 2.1 van het Rapport geurbelasting weergegeven weegfactoren zijn vastgesteld. In het kader van het deskundigenonderzoek is de raad verzocht om dit nader toe te lichten. In reactie hierop heeft de raad bevestigd dat het Rapport geurbelasting geen onderbouwing bevat van de gehanteerde weegfactoren. Voor het niet motiveren van de wijze waarop de weegfactoren zijn vastgesteld heeft de raad onder meer aangevoerd dat hij heeft beoogd een balans te vinden tussen een leesbaar rapport en een uitgebreide verantwoording van de gemaakte keuzes. Ook heeft hij gewezen op de complexiteit van de geurregeling. In deze omstandigheden kan echter geen rechtvaardiging zijn gelegen voor het niet motiveren van de gehanteerde invoergegevens. Het betoog slaagt. Beroepsgronden [appellante sub 3] 28. Volgens [appellante sub 3] is onduidelijk waarom voor de geurbron van haar eigen inrichting wordt uitgegaan van een hedonische weegfactor van 1,4, terwijl voor een ander bedrijf op het industrieterrein - Agrifirm - is gerekend met een factor 2,5. Beide bedrijven produceren diervoeder. Daar komt volgens [appellante sub 3] bij dat uit de verrichte berekening volgt dat voor haar inrichting feitelijk is gerekend met een factor 2,7 en niet 1,4 zoals vermeld in tabel 2.1 van het Rapport geurbelasting. 28.1. Volgens de raad is in tabel 2.1 van het Rapport geurbelasting per abuis een hedonische weegfactor van 1,4 voor [appellante sub 3] opgenomen. Dit moet 2,5 zijn, dus hetzelfde getal als voor Agrifirm. In de praktijk is echter, zoals [appellante sub 3] ook heeft gesteld, gerekend met een factor 2,7. De raad stelt dat hij een nieuwe berekening heeft gemaakt met de juiste weegfactor (namelijk 2,5) en dat dit niet leidt tot een wezenlijk andere ligging van de geurcontour. 28.2. In het deskundigenverslag wordt bevestigd dat in het geval van [appellante sub 3] gerekend is met een weegfactor van 2,7 in plaats van 2,5. Ook wordt in het deskundigenverslag het standpunt van de raad bevestigd dat als de juiste weegfactor was ingevoerd in het rekenmodel, dit niet had geleid tot een wezenlijk andere contour. 28.3. De Afdeling overweegt dat deze conclusie van de deskundige in beginsel ertoe zou leiden dat de Afdeling in zoverre geen gebrek aanneemt, dan wel dat zij het gebrek passeert met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. De onjuiste invoer wat betreft de hedonische weegfactor van [appellante sub 3] heeft immers geen wezenlijke gevolgen voor de ligging van de feitelijke, dat wil zeggen de berekende, contour. Echter, zoals hierna zal blijken, bevat het Rapport geurbelasting een niet gering aantal omissies wat betreft de invoergegevens, waarbij de raad zich steeds op het standpunt stelt dat een juiste invoer "niet leidt tot een wezenlijk andere ligging van de contour". Gelet op het aantal omissies is de Afdeling van oordeel dat het besluit wat betreft de gehanteerde invoergegevens onzorgvuldig tot stand is gekomen. Het betoog slaagt. 29. [appellante sub 3] heeft aangevoerd dat voor haar eigen inrichting ten onrechte is gerekend met een emissiedebiet onder "normaalcondities" (Nm³/
- h)terwijl in het geurrapport van de inrichting staat dat de emissie 75.000 m³/h bedraagt onder "bedrijfscondities". De werkelijke emissie is daarom groter dan waarvan in het onderzoek is uitgegaan, aldus [appellante sub 3]. 29.1. In het deskundigenverslag wordt bevestigd dat de uitstoot van [appellante sub 3] is onderschat met 16 procent, omdat gerekend is met het debiet onder "normaal condities" in plaats van onder "bedrijfsomstandigheden". Het effect van deze onderschatting op de berekende contour kan volgens het deskundigenverslag alleen blijken door een herberekening. Naar aanleiding van het gesprek met de deskundige heeft de raad de contour opnieuw berekend met een emissie van 75.000 m³/s, dus onder bedrijfsomstandigheden. Volgens de deskundige volgt uit een vergelijking dat deze omissie niet leidt tot een wezenlijk andere ligging van de contour. De Afdeling ziet gelet op wat zij hiervoor in 28.3 heeft overwogen geen aanleiding om voorbij te gaan aan deze omissie. Het betoog slaagt. 30. Volgens [appellante sub 3] is in het onderzoek ten onrechte geen rekening gehouden met "rookgasreductie" voor haar inrichting. Het gaat hier weliswaar primair om een energiebesparende maatregel, maar deze maatregel heeft tot gevolg dat de temperatuur van de uitstoot afneemt. Doordat de rookgastemperatuur afneemt is sprake van minder pluimstijging en daalt de geur geconcentreerder neer in de omgeving. De optie van rookgasreductie is voor [appellante sub 3] dan ook een "worst-case situatie". 30.1. In het deskundigenverslag staat dat uit het bronnenoverzicht blijkt dat het effect van verminderde pluimstijging juist wel is meegenomen in het onderzoek. Wat niet is meegenomen is een eventuele geurreductie van de maatregel, dat wil zeggen dat daadwerkelijk de hoeveelheid geur wordt verminderd. Het effect hiervan is echter niet bekend zodat op goede gronden hiermee geen rekening is gehouden. Dat is niet in het nadeel van [appellante sub 3], omdat daardoor in feite een iets te grote geuremissie is gemodelleerd, aldus het deskundigenverslag. De Afdeling volgt hier het standpunt van de deskundige. Het betoog slaagt niet. 31. Over de stelling van [appellante sub 3] dat in het geuronderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met een geurbron bij de op het bedrijventerrein gevestigde bierbrouwerij "Oproer", staat in het deskundigenverslag het volgende. Het is juist dat deze bron niet is opgenomen in het Rapport geurbelasting, terwijl deze bron wel is vermeld in het geurrapport van de desbetreffende inrichting. Uit het Rapport geurbelasting kan worden afgeleid dat een andere bron verreweg de belangrijkste bron is. Deze andere bron is de oorzaak van meer dan 90 procent van de emissie van de brouwerij. Wat er zij van de vraag of deze omissie leidt tot een wezenlijk andere berekende geurcontour, ziet de Afdeling gelet op wat zij hiervoor in 28.3 heeft overwogen geen aanleiding om voorbij te gaan aan deze omissie. Het betoog slaagt. 32. Volgens [appellante sub 3] is voor de inrichting van AVR gerekend met een onjuiste afgastemperatuur van 50 graden. Dit had 12 graden moeten zijn, aldus [appellante sub 3]. 32.1. Het is volgens de raad juist dat voor AVR ten onrechte is gerekend met de standaardwaarde van 50 graden. Dit had 12 graden moeten zijn, gelet op het geurrapport van deze inrichting. Wat er zij van de vraag of dit verschil resulteert in een wezenlijk andere ligging van de berekende geurcontour, ziet de Afdeling gelet op wat zij hiervoor in 28.3 heeft overwogen geen aanleiding om voorbij te gaan aan deze omissie. Het betoog slaagt. 33. [appellante sub 3] betoogt dat het verrichte onderzoek niet-representatief is, omdat de raad bij het modelleren van de situatie in bepaalde gevallen verschillende bronnen van één inrichting heeft samengevoegd tot één bron. Dit is onder meer gebeurd voor het bedrijf "Sita", aldus [appellante sub 3]. 33.1. De raad heeft toegelicht dat uit praktische overwegingen bepaalde vereenvoudigingen zijn doorgevoerd bij het modelleren van de situatie, omdat het gaat om een groot bedrijventerrein, met een groot aantal (invoer)parameters. Om die reden zijn deelbronnen van een inrichting in de regel samengevoegd tot één bron. Omdat het gaat om deelbronnen die in betrekkelijke nabijheid van elkaar liggen, leidt deze vereenvoudiging niet tot een afwijkende uitkomst, aldus de raad. 33.2. In het deskundigenverslag staat dat de raad heeft toegelicht dat de modelvereenvoudiging vooral een praktische reden had, omdat vermindering van het aantal bronnen leidt tot vermindering van de rekentijd. Op zich is dit juist maar vermindering van de rekentijd is alleen noodzakelijk als sprake is van onpraktisch lange rekentijden. Gelet op het grote aantal ingevoerde bronnen en het relatief geringe aantal bronnen dat door vereenvoudiging is gereduceerd, is het volgens de deskundige niet waarschijnlijk dat de toegepaste vereenvoudiging een aanzienlijke verkorting van de rekentijd tot gevolg heeft. Bovendien heeft de raad alsnog een herberekening kunnen uitvoeren waarin alle bronnen wel apart zijn ingevoerd. Daarom heeft het volgens de deskundige de voorkeur om aan te sluiten bij de in de onderscheidenlijke geuronderzoeken aangegeven bronnen. Dit is ook het uitgangspunt van de Beleidsregels geur. Daarin staat dat "van alle geurrelevante inrichtingen waarvoor geurberekeningen of geurmetingen beschikbaar waren, de geurbronnen in het geurzonemodel zijn ingevoerd." Dit neemt volgens het deskundigenverslag niet weg dat op basis van "expert judgement" kan worden ingeschat dat de vereenvoudiging acceptabel is. Het samenvoegen van geurbronnen heeft plaatsgevonden bij de bronnen bij Sita en overigens ook bij [appellante sub 2]. Het samenvoegen van bronnen leidt wel tot een "locatiefout". Immers de werkelijke bronnen liggen niet op de locatie van de fictief samengevoegde bron. Deze fout is echter klein als de afstand van de bronnen tot de omgeving relatief groot is zoals hier het geval. Volledige zekerheid bestaat echter pas na herberekening, aldus het deskundigenverslag. 33.3. Uit het deskundigenadvies volgt dat de door de raad gehanteerde vereenvoudiging uit praktische overwegingen niet noodzakelijk is, terwijl het samenvoegen van geurbronnen kan leiden tot een onjuiste modellering van de situatie. De Afdeling ziet gelet op wat zij hiervoor in 28.3 heeft overwogen geen aanleiding om voorbij te gaan aan deze omissie. Het betoog slaagt. 34. Volgens [appellante sub 3] is in het gehanteerde geurmodel ten onrechte geen rekening gehouden met de zogeheten "gebouwinvloed" op de verspreiding van geur. In het model is uitgegaan van de situatie zonder bebouwing. Dit resulteert volgens [appellante sub 3] in een onderschatting van de geurhinder. Bij het beoordelen van de aanvraag om (milieu)omgevingsvergunning wordt, in overeenstemming met het van toepassing zijnde model voor het berekenen van de verspreiding van emissies in de lucht (NNM), wel rekening gehouden met de effecten van bebouwing op de verspreiding van geur, aldus [appellante sub 3]. Voor alle bedrijven op Lage Weide die geurrapporten hebben aangeleverd bij hun milieuvergunningaanvraag is het proces van het juist modelleren doorlopen en de vergunningen zijn verleend op basis van de verspreiding van geur, inclusief de gebouwinvloed van het gemodelleerde gebouw. In het geurzonemodel zijn de gebouwen vervolgens uit de modellering verdwenen. Het argument van de raad dat het zo ingewikkeld is om een gebouw te modelleren, gaat voor bedrijven als [appellante sub 3] dus niet op. De keuze om geen gebouwinvloed in de berekeningen mee te nemen is verder niet onderbouwd, terwijl deze keuze volgens de deskundige van [appellante sub 3] van grote invloed is op de rekenresultaten en in strijd met het NNM. Nu met de gebouwinvloed wel rekening is gehouden in het kader van haar milieuvergunning, is hiermee afgeweken van het uitgangspunt in het plan dat wordt aangesloten bij bestaande rechten, aldus [appellante sub 3]. 34.1. Volgens de raad is in het NNM niet vastgelegd dat standaard rekening moet worden gehouden met de gebouwinvloed. Dit moet per concreet geval worden bezien. Vanwege de afstand tot de woningen in de omgeving van Lage Weide is in dit geval besloten het geurzonemodel niet met gebouwinvloed uit te voeren. De stelling van [appellante sub 3] dat de uitkomst van de cumulatieve berekening hierdoor wordt onderschat, is onjuist. Dit wordt volgens de raad bevestigd door de uitkomsten van een proefberekening die is uitgevoerd met gebouwinvloed voor het perceel van [appellante sub 3]. 34.2. In het deskundigenverslag staat dat in het NNM rekening kan worden gehouden met gebouwinvloed, maar dat slechts één gebouw aan een emissiepunt kan worden gekoppeld en dat dit een belangrijke beperking is van het NNM. In de gebouwde omgeving staan namelijk doorgaans meer gebouwen. In de Handreiking van het NNM staat beschreven hoe omgegaan moet worden met niet-rechthoekige gebouwen. Het goed meenemen van gebouwinvloed is geen triviale zaak en kent veel beperkingen. In sommige gevallen kan hieraan deels worden tegemoetgekomen met een zogeheten "gebouwomhullende" contour. Dit fictieve gebouw bestaat uit meerdere gebouwen en dient gebruikt te worden wanneer meerdere gebouwen dicht bij elkaar staan en van invloed zijn op de verspreidingsberekening. Wanneer meerdere dominante gebouwen de bron significant beïnvloeden is het NNM-model niet bruikbaar. In het geval van Lage Weide is ervoor gekozen geen gebouwinvloed in rekening te brengen. Hoewel deze keuze niet is onderbouwd of gemotiveerd is de keuze op zich goed te verdedigen vanwege de complexe situatie en de reële mogelijkheid dat hierdoor meer problemen worden gecreëerd dan opgelost, aldus het deskundigenverslag. 34.3. De Afdeling stelt vast dat uit het deskundigenverslag kan worden opgemaakt dat de deskundige zich kan vinden in de keuze van de raad om geen rekening te houden met gebouwinvloed bij het modelleren van de situatie op Lage Weide. De deskundige onderschrijft het standpunt van de raad dat het meenemen van gebouwinvloed in een complexe situatie als bij bedrijventerrein Lage Weide, waarbij meerdere gebouwen de geurverspreiding kunnen beïnvloeden, ongewenst is. Dit ligt volgens de deskundige in lijn met wat hierover in de Handreiking van het NNM wordt opgemerkt. Het enkel in rekening brengen van een dominant gebouw, zoals het bedrijfsgebouw van [appellante sub 3], stuit volgens het deskundigenverslag ook op bezwaren omdat dit al is meegerekend in de bepaling van de ruwheidslengte. 34.4. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de verrichte modellering onjuist is vanwege het niet daarin betrekken van de gebouwinvloed. Het betoog slaagt niet. Beroepsgronden [appellante sub 2] 35. Voor zover [appellante sub 2] erover klaagt dat ten onrechte is aangesloten bij een fictieve waarde voor de hedonische weegfactor van F=0,5 als onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om een waarde af te leiden, overweegt de Afdeling als volgt. In artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregels geur is vastgelegd dat "indien voor een geuremissie de hedonische waarde niet of onvoldoende bekend is, de hedonisch gecorrigeerde geuremissie berekend wordt met de fictieve waarde voor de hedonische weegfactor F van 0,5". Deze bepaling is bedoeld (als vangnet) voor de situatie dat een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan en de wegingsfactor van de toe te voegen geurbron onbekend is. In dat geval schrijven de Beleidsregels geur dus voor dat wordt gerekend met F=0,5. De "hoofdregel" van artikel 3, derde lid, is echter dat de aanvrager bij de aanvraag de relevante brongegevens moet overleggen, waaronder de te hanteren hedonische weegfactor. De Afdeling wijst er verder op dat in het deskundigenverslag staat dat niet is gebleken dat de waarde van F=0,5 daadwerkelijk is gehanteerd door de raad bij het berekenen van de geurcontour, aangezien de gehanteerde weegfactoren afkomstig zijn uit de geuronderzoeken van de betrokken inrichtingen dan wel op een andere wijze door de raad zijn vastgesteld. Het betoog slaagt niet. Overigens heeft de Afdeling hiervoor wel geoordeeld dat de raad niet deugdelijk heeft onderbouwd hoe de in tabel 2.1 van het Rapport geurbelasting vermelde weegfactoren tot stand zijn gekomen. 36. [ appellante sub 2] betoogt dat bij het berekenen van de geuremissie van haar inrichting ten onrechte een korting is toegepast van 50 procent op de geuremissie van de activiteiten "opslag van drijfvuil en zeefzand". 36.1. De raad heeft toegelicht dat de berekening van de geuremissie van [appellante sub 2] gebaseerd is op de gegevens uit de twee geurrapporten die zijn genoemd in tabel 2.1 van het Rapport geurbelasting, met dien verstande dat bepaalde waarden zijn aangepast. Alleen voor de geuremissie van de activiteit "opslag van drijfvuil" is een korting toegepast van 50 procent, omdat sprake is van binnenopslag. Dit is volgens de raad een realistische reductiefactor. Daarnaast is de bronsterkte gecorrigeerd met de hedonische weegfactor op basis van de in het Rapport geurbelasting opgenomen hedonische waarden. Anders dan [appellante sub 2] heeft gesteld is volgens de raad geen reductie toegepast voor de geuremissie van de activiteit "opslag van sorteerzeefzand". 36.2. De Afdeling overweegt dat in het deskundigenverslag het standpunt van de raad wordt bevestigd dat de reductie alleen is toegepast voor de activiteit "opslag van drijfvuil". De deskundige acht een reductie van 50 procent evenwel onjuist, aangezien bij [appellante sub 2] geen sprake is van een (volledig) inpandige situatie. De Afdeling volgt deze conclusie van de deskundige. Het betoog slaagt. IV. Tussenconclusie geurregeling 37. Uit de hiervoor verrichte beoordeling van de onderscheiden onderdelen van de geurregeling volgt dat deze vanwege de daarin geconstateerde gebreken niet in stand kan blijven. De beroepen van [appellante sub 3], [appellante sub 2] en De Trip zijn gegrond. [appellante sub 2] en De Trip hebben ook beroepsgronden aangevoerd tegen andere besluitonderdelen en die zullen hierna in onderdeel C van de uitspraak worden besproken. Onderdeel C: overige beroepsonderdelen I. Uitbreiding bouwmogelijkheden Sophialaan 5 (Milieugroep Zuilen en [appellant sub 4]) 38. Milieugroep Zuilen en [appellant sub 4] kunnen zich niet verenigen met de verhoging van de maximale bouwhoogte van 30 m voor het perceel Sophialaan 5. Voor dit perceel gold voorheen een maximale bouwhoogte van 24 m. De bouwhoogte van maximaal 24 m geldt voor nagenoeg het gehele noordelijke deel van het bedrijventerrein. Volgens Milieugroep Zuilen en [appellant sub 4] leidt de afwijkende bouwhoogte van 30 m voor de Sophialaan 5 tot een aantasting van de beeldkwaliteit van de omgeving en tot ernstige schaduwhinder in Zuilen. 38.1. Volgens de raad is de maximaal toegelaten bouwhoogte voor het perceel Sophialaan 5 verhoogd van 24 m naar 30 m om een door de gebruiker van het perceel gewenste bedrijfsuitbreiding te faciliteren. Voor het deel van het perceel dat binnen een afstand van 50 m ligt tot het Amsterdam-Rijnkanaal geldt nog wel de "oude" bouwhoogte van ten hoogste 24 m. De afstand tussen de gronden waarop een bouwhoogte van 30 m is toegelaten tot de woonwijk Zuilen bedraagt minimaal ongeveer 200 m. Van belang is volgens de raad ook dat de bomen aan weerszijden van het Amsterdam-Rijnkanaal ongeveer 24 m hoog zijn. Als gevolg daarvan is de (toekomstige) hogere bedrijfsbebouwing beperkt zichtbaar vanuit Zuilen. De gevolgen voor de bezonningssituatie in Zuilen zijn volgens de raad niet ernstig. Uit het verrichte onderzoek volgt namelijk dat alleen in de wintermaanden schaduwwerking optreedt. 38.2. Het perceel Sophialaan 5 ligt in het noordoostelijke deel van het industrieterrein. De gronden zijn bestemd als "Bedrijventerrein", met de aanduidingen "bedrijf tot en met categorie 4.1", "bouwvlak" en "maximum bouwhoogte (
- m)= 30". Het perceel ligt op een afstand van ongeveer 200 m ten zuiden van Zuilen. 38.3. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een bouwhoogte van 30 m voor het perceel Sophialaan 5 niet leidt tot een ernstige aantasting van de beeldkwaliteit van de omgeving. Het gaat hier om een geringe verhoging van de maximale bouwhoogte met 6 m voor een klein deel van het bedrijventerrein. Het betoog slaagt niet. 38.4. De raad heeft onderzoek laten verrichten naar de gevolgen van de verhoging van de bouwhoogte voor het perceel Sophialaan 5 voor de bezonningssituatie in de omgeving. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in het rapport "Bezonningsstudie Lage Weide" van april 2018. Uit de daarin opgenomen bezonningsdiagrammen kan het volgende worden opgemaakt. In de lente-, zomer- en herfstmaanden heeft het plan geen gevolgen voor de bezonningssituatie in Zuilen. De bezonningssituatie wordt alleen minder gunstig in de winterperiode (22 december, in de middag rond 16.00 uur). In de bestaande situatie blijft de schaduwwerking beperkt tot het deel van Zuilen in de directe nabijheid van het Amsterdam-Rijnkanaal. De schaduwwerking neemt in de door het plan voorziene situatie toe richting het noorden, zodat dus een groter deel van Zuilen schaduwwerking zal ondervinden. De Afdeling volgt het standpunt van de raad dat de nadelige gevolgen van het plan voor de bezonningssituatie in Zuilen niet ernstig zijn. Het betoog slaagt niet. II. Externe veiligheid: afwijkingsbevoegdheid voor risicovolle inrichtingen (Milieugroep Zuilen en [appellant sub 4]) 39. Milieugroep Zuilen en [appellant sub 4] bestrijden de afwijkingsbevoegdheid van artikel 3, lid 3.6.3, van de planregels. Met toepassing hiervan kan het college van burgemeester en wethouders nieuwe risicovolle inrichtingen toelaten op het industrieterrein. Volgens Milieugroep Zuilen is het niet duidelijk welke eisen daarvoor gelden. In het bijzonder is onduidelijk of als voorwaarde geldt dat voldaan moet worden aan de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico. Nieuwe inrichtingen die niet voldoen aan de oriëntatiewaarde, zijn volgens Milieugroep Zuilen vanuit veiligheidsoogpunt ongewenst. Ook heeft de veiligheidsregio geen advies uitgebracht over de gevolgen van het plan voor het groepsrisico, althans hiervan is niet gebleken. Dit had wel gemoeten, gelet op artikel 13, derde lid, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi), aldus Milieugroep Zuilen. 39.1. Het plan sluit volgens de raad niet uit dat met toepassing van de afwijkingsbevoegdheid omgevingsvergunning wordt verleend voor een nieuwe risicovolle inrichting, terwijl niet wordt voldaan aan de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico. Dit is niet in strijd met de systematiek van het Bevi, omdat van de oriëntatiewaarde gemotiveerd mag worden afgeweken. De veiligheidsregio heeft voor de vaststelling van het bestemmingsplan een advies uitgebracht, zoals bedoeld in artikel 13, derde lid, van het Bevi, aldus de raad. 39.2. Blijkens artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder c, van de planregels zijn op gronden met de bestemming "Bedrijventerrein", Bevi-inrichtingen, behoudens bestaande ter plaatse van de aanduiding "veiligheidszone - bevi", niet toegestaan. Lid 3.6.3 luidt: "Het college van burgemeester en wethouders kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.5, onder c, ten behoeve van het vestigen van Bevi-inrichtingen, mits: per geval van de betreffende Bevi-inrichting de 10-6-contour voor het plaatsgebonden risico of, indien van toepassing, de afstand zoals bedoeld in artikel 5, derde lid, van het Bevi, gelezen in samenhang met artikel 2,eerste lid, van de Regeling externe veiligheid inrichtingen, is gelegen: 1. binnen het bouwperceel van de Bevi-inrichting, of 2. buiten het bouwperceel van de Bevi-inrichting uitsluitend op gronden met de bestemming "Groen", "Verkeer", "Verkeer - Verblijfsgebied" of "Water" en gelegen binnen het grondgebied van gemeente Utrecht, en in de omgevingsvergunning voor het afwijken: 1. het groepsrisico wordt verantwoord en als aanvaardbaar wordt beschouwd; 2. cumulatieve effecten zijn beschreven en als aanvaardbaar worden beschouwd, en 3. domino-effecten zijn beschreven en als aanvaardbaar worden beschouwd. 39.3. De raad heeft onderzoek laten verrichten naar de gevolgen van risicovolle inrichtingen op het industrieterrein voor de externe veiligheidssituatie in de omgeving. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in het rapport "Toetsing plaatsgebonden risico en verantwoording groepsrisico bestemmingsplan Lage Weide" van 29 juni 2017 (hierna: rapport Externe veiligheid). In dit rapport wordt een verantwoording gegeven van de mogelijkheid om na het toepassen van de afwijkingsbevoegdheid nieuwe risicovolle inrichtingen toe te staan op het industrieterrein. Over het groepsrisico blijkt uit dit rapport dat het gemeentebeleid in beginsel voorschrijft dat voldaan dient te worden aan de oriëntatiewaarde (uit het Bevi) voor het groepsrisico, maar dat het in bijzondere gevallen mogelijk is om hiervan af te wijken. Per geval dient te worden beoordeeld of afwijking van de oriëntatiewaarde aanvaardbaar is. Volgens het rapport Externe veiligheid is in gemeentelijk beleid vastgelegd dat hiermee terughoudend wordt omgegaan. 39.4. Op grond van artikel 13 van het Bevi dient het bevoegd gezag bij het nemen van een ruimtelijk besluit - een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning - dat voorziet in (beperkt) kwetsbare objecten binnen de invloedsfeer van een risicovolle inrichting, een verantwoording te geven van het groepsrisico. Het groepsrisico dient te worden vergeleken met de in artikel 13, eerste lid, onder b, opgenomen (oriëntatie)waarde. 39.5. De veronderstelling van Milieugroep Zuilen dat niet is uitgesloten dat met toepassing van de afwijkingsbevoegdheid nieuwe risicovolle inrichtingen worden toegelaten die niet voldoen aan de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico is naar het oordeel van de Afdeling juist. De raad heeft echter terecht gesteld dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico een richtwaarde is. Het bevoegd gezag moet zich zoveel mogelijk aan deze waarde houden, maar dat laat onverlet dat van de oriëntatiewaarde gemotiveerd mag worden afgeweken. De Afdeling wijst in dit verband ook op hetgeen hierover is overwogen over het rapport Externe veiligheid. Het betoog slaagt niet. 39.6. In artikel 13, derde lid, van het Bevi is vastgelegd dat de raad, alvorens hij een bestemmingsplan vaststelt het bestuur van de veiligheidsregio waarin het gebied ligt waarop het bestemmingsplan betrekking heeft, in de gelegenheid stelt om in verband met het groepsrisico advies uit te brengen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied van de inrichting. Bij brief van 12 september 2012 heeft de veiligheidsregio advies uitgebracht over de gevolgen van het plan voor het groepsrisico. Het betoog van Milieugroep Zuilen dat het plan niet in overeenstemming is met artikel 13, derde lid, van het Bevi, mist daarom feitelijke grondslag. III. Aanduiding "spoorweg" ([appellant sub 4]) 40. [appellant sub 4] betoogt dat niet duidelijk is waarom in het plan voorzien is in de mogelijkheid om gronden met de bestemmingen "Bedrijventerrein", "Groen" en "Verkeer" te gebruiken voor goederenrailverkeer. 40.1. De Afdeling stelt voorop dat alleen de gronden met de genoemde bestemmingen waaraan ook de aanduiding "spoorweg" is toegekend, zijn aangewezen voor goederenrailverkeer. In de plantoelichting staat dat met het oog op het aspect "multimodaliteit" ook voorzieningen voor goederenrailverkeer nadrukkelijk zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding "spoorweg". Het gaat hier vooral om gronden nabij de havens, waar al het stamspoor aanwezig is. Het betoog slaagt niet. IV. Wet natuurbescherming ([appellante sub 2]) 41. [appellante sub 2] betoogt dat aan het rapport "Natuurtoets Lage Weide" van 28 januari 2014 van bureau Waardenburg (hierna: Natuurtoets), onjuiste uitgangspunten ten grondslag zijn gelegd, in het bijzonder over de gevolgen van het plan voor de stikstofdepositie op beschermde natuurgebieden. In het rapport wordt geconcludeerd dat het plan leidt tot een geringe toename van de stikstofdepositie op gevoelige habitattypen. Significant negatieve effecten kunnen daarom bij voorbaat worden uitgesloten. Deze conclusie berust volgens [appellante sub 2] op onjuiste uitgangspunten over de bebouwingsmogelijkheden in het plangebied en is daarom onjuist. Het plan had passend beoordeeld moeten worden, aldus [appellante sub 2]. 41.1. Artikel 8:69a van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept." 41.2. De bepalingen in de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) over de beoordeling van plannen die gevolgen kunnen hebben voor beschermde natuurgebieden strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. [appellante sub 2] is belanghebbende bij het bestreden besluit vanwege de gevolgen van het plan voor de gebruiksmogelijkheden van haar gronden op het industrieterrein. Dit is een bedrijfseconomisch belang, dat alleen onder het beschermingsbereik van de bepalingen van de Wnb valt, als blijkt dat dit belang verweven is met het algemene belang dat gemoeid is met de bescherming van de natuurwaarden van de betrokken Natura 2000-gebieden. Hiervan is in dit geval niet gebleken. Gelet hierop kan het betoog van [appellante sub 2] vanwege het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De Afdeling ziet daarom af van een inhoudelijke bespreking van dit betoog. V. Milieueffectrapportage (Milieugroep Zuilen) 42. Milieugroep Zuilen betoogt dat vanwege de verruiming van de bouwmogelijkheden voor het perceel Sophialaan 5 een milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) gemaakt had moeten worden. Voor het vorige plan uit 2016 is weliswaar een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling verricht, maar hierin werd nog uitgegaan van een bouwhoogte van 24 m voor het perceel Sophialaan 5, aldus Milieugroep Zuilen. 42.1. Aan het plan is de m.e.r.-beoordeling ten grondslag gelegd die is verricht voor het vorige bestemmingsplan, dat in 2016 is vernietigd door de Afdeling. Dit betreft de "M.e.r-beoordelingsnotitie bestemmingsplan Lage Weide" van juni 2014. Hierin wordt geconcludeerd dat het plan niet leidt tot belangrijke negatieve milieugevolgen, zodat een m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk is. 42.2. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een betrekkelijk geringe verruiming van de bouwmogelijkheden voor het perceel Sophialaan 5 niet tot gevolg heeft dat de conclusies uit de m.e.r.-beoordelingsnotitie van juni 2014 zijn achterhaald. Het betoog slaagt niet. 43. [appellante sub 2] betoogt dat het plan passend beoordeeld had moeten worden en dat daarom gelet op artikel 7.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer, ook een m.e.r. had moeten worden verricht. 43.1. Met betrekking tot het beroep op artikel 7.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer overweegt de Afdeling als volgt. Zoals hiervoor is overwogen, strekken de bepalingen uit de Wnb kennelijk niet ter bescherming van de belangen van [appellante sub 2]. De Afdeling is van oordeel dat een redelijke toepassing van het relativiteitsvereiste als vervat in artikel 8:69a van de Awb, met zich brengt dat belanghebbenden die zich niet kunnen beroepen op de normen van de Wnb omdat die normen kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen, zich evenmin op die normen kunnen beroepen ten behoeve van het betoog dat een plan-MER diende te worden gemaakt. De Afdeling verwijst in dit verband naar haar uitspraak van 16 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2722. Dit betekent dat dit betoog vanwege artikel 8:69a van de Awb niet kan leiden tot vernietiging van het plan. De Afdeling zal dit betoog daarom niet inhoudelijk bespreken. VI. Beroep van [appellante sub 2] voor het overige 44. [appellante sub 2] betoogt dat artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder e, van de planregels leidt tot ernstige beperkingen van de gebruiksmogelijkheden van haar gronden. Op grond van deze bepaling zijn nieuwe m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten op haar perceel niet toegestaan. Volgens [appellante sub 2] zijn veel van de door haar bestaande activiteiten m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Als gevolg van de verbodsbepaling is voor iedere wijziging van de bestaande bedrijfsvoering een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk, hetgeen onnodig beperkend is. Van belang is dat Lage Weide het enige bedrijventerrein is in de gemeente waar zware industriële activiteiten (zwaartecategorie 5) zijn toegestaan. Het verbod dient volgens [appellante sub 2] geen ruimtelijk relevant belang en is alleen in de planregels opgenomen om te voorkomen dat voor het bestemmingsplan een plan-MER verricht had moeten worden. 44.1. Voor gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" geldt ingevolge artikel 3, lid 3.5, onder e, van de planregels dat: "oprichting, uitbreiding en wijziging van inrichtingen en/of installaties als bedoeld in bijlage C of D van het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.), zoals geldend ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan, waarbij de betreffende drempelwaarde genoemd in kolom 2 van de betreffende onderdelen worden overschreden, niet zijn toegestaan". 44.2. Voor zover [appellante sub 2] vreest dat deze bepaling afbreuk doet aan het bestaande legale gebruik van haar gronden is die vrees naar het oordeel van de Afdeling ongegrond. De bepaling heeft blijkens de redactie ervan geen betrekking op (het voortzetten van) de ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan al bestaande activiteiten. 44.3. Het bestemmingsplan "Lage Weide" uit 2014 kende eenzelfde bepaling als nu aan de orde, met dien verstande dat daarin het zinsdeel "zoals geldend ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan" niet was opgenomen. [appellante sub 2] heeft in beroep tegen het bestemmingsplan uit 2014 eveneens betoogd dat dit gebruiksverbod niet ruimtelijk relevant is en leidt tot een ernstige beperking van de gebruiksmogelijkheden van haar gronden. De Afdeling heeft in overweging 5.31 van de uitspraak van 29 juni 2016 geoordeeld dat de planregel ruimtelijk relevant is en dat de raad in redelijkheid een dergelijke gebruiksregel in het plan heeft kunnen opnemen om de milieubelasting vanwege de activiteiten op het industrieterrein te beperken. In het verlengde hiervan heeft de Afdeling als volgt overwogen: "Wel is de Afdeling van oordeel dat het voorschrift, zoals het nu is geformuleerd, onvoldoende rechtszeker is. Hiertoe acht de Afdeling van belang dat het mogelijk is dat gedurende de planperiode een wijziging wordt aangebracht in de bijlagen bij het Besluit m.e.r.. Door de directe koppeling in de planregels met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. kan dat met zich brengen dat de planologische mogelijkheden van gronden in het plangebied gedurende de planperiode worden gewijzigd of beperkt. Dit had kunnen worden voorkomen door in de planregel duidelijk te maken van welke drempelwaarden moet worden uitgegaan, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de drempelwaarden uit de bijlagen bij het Besluit m.e.r. zoals die op een bepaalde datum golden. Daarin voorziet het plan echter niet. Het betoog van [appellante sub 2] dat artikel 3, lid 3.5, onder e, van de planregels rechtsonzeker is, slaagt in zoverre. In reactie op dit oordeel van de Afdeling heeft de raad het "peilmoment" opgenomen in de verbodsbepaling. Daarmee is het in de uitspraak van 29 juni 2016 geconstateerde gebrek hersteld. In wat [appellante sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om nu anders te oordelen over artikel 3, lid 3.5, onder e, van de planregels dan zij heeft gedaan in haar uitspraak van 29 juni 2016. Het betoog slaagt niet. 45. [appellante sub 2] betoogt dat het plan onvoldoende mogelijkheden biedt voor het uitbreiden van bedrijfsgebouwen. De bestaande brutovloeroppervlakte (hierna: bvo) aan gebouwen mag met slechts 10 procent worden vergroot. Het plan kent weliswaar een afwijkingsbevoegdheid waarmee 170.000 m² bvo extra mogelijk is voor het gehele industrieterrein, maar een deel van deze uitbreidingsruimte was ten tijde van de vaststelling van het bestemmingplan mogelijk al vergund, aldus [appellante sub 2]. 45.1. Volgens de raad is bij recht voorzien in de mogelijkheid de bestaande oppervlakte van gebouwen met 10 procent te vergroten. Verwacht wordt dat dit voor de meeste bedrijven voldoende zal zijn. Voor het faciliteren van meer ingrijpende ontwikkelingen is de afwijkingsbevoegdheid opgenomen in het plan, aldus de raad. 45.2. Artikel 3, lid 3.2.1 van de planregels luidt: "a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd; […]; c. het bebouwingspercentage ter plaatse van de aanduiding "maximum bebouwingspercentage" mag niet worden overschreden, met inachtneming van het bepaalde genoemd onder e; d. de bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding "maximum bouwhoogte" mag niet worden overschreden, met inachtneming van het bepaalde genoemd onder e; e. het bestaande aantal vierkante meters brutovloeroppervlak mag van de op het bouwperceel aanwezige gebouwen met maximaal 10 procent worden vergroot met inachtneming van het bepaalde genoemd onder c. en d; […]; h. het realiseren van een gebouw ter plaatse van bestaand bij het betreffende bedrijf behorende bedrijfsoppervlak aan buitenopslag en/of - productie, wordt niet aangemerkt als een toevoeging van bruto vloeroppervlak zoals genoemd onder sub e, mits: 1. het gebouw uitsluitend bedoeld is voor het overbouwen van de buitenopslag in 1 bouwlaag; […]; 3. voldaan wordt aan sub c en d. […]. Lid 3.4.4 luidt: "a. Het college van burgemeester en wethouders kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.1, onder e. voor het toestaan van extra bvo, onder de volgende voorwaarden: 1. er in totaal voor het hele plangebied niet meer dan 170.000 m² bvo mag worden toegevoegd; […]; 4. de op de verbeelding aangegeven "maximum bebouwingspercentage" en "maximum bouwhoogte" niet wordt overschreden; b. De in sub a genoemde extra bvo wordt gereserveerd op volgorde van binnenkomst van een ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning. Na onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning wordt de extra bvo als definitief toegevoegd beschouwd. Bij een onherroepelijke weigering van de omgevingsvergunning vervalt de reservering." 45.3. In de plantoelichting staat dat de benutting van de bouwmogelijkheden uit de voorheen geldende bestemmingsplannen (4 keer zoveel bvo als nu aanwezig) zou leiden tot een onaanvaardbaar effect op de bereikbaarheid van Lage Weide. Die effecten zouden zo groot zijn dat de effecten ver buiten Lage Weide nog merkbaar zouden zijn. Daarom is, om de behoefte aan uitbreiding objectief te bepalen, berekend hoeveel extra vierkante meters bvo de afgelopen tien jaar op het industrieterrein is bijgebouwd. Op dit moment is ongeveer 2.500.000 m² bvo aanwezig. Hiervan is de afgelopen 10 jaar ongeveer 170.000 m² bvo bijgebouwd. Dit is afgerond een toename van 7 procent. Met de regeling die 10 procent uitbreidingsmogelijkheid per bedrijf biedt, is eenzelfde uitbreiding mogelijk, wat, gezien het huidige economische klimaat, ruim voldoende zou zijn. De regeling biedt echter geen ruimte aan nieuwvestiging van bedrijven en aan het incidenteel vergroten van een bedrijf met meer dan 10 procent, terwijl beide uitbreidingen voor een gezond functioneren van Lage Weide wel wenselijk zijn. Daarom biedt de bestemmingsregeling de mogelijkheid om via een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid nog 170.000 m² extra bvo toe te staan. Met de bij recht toegestane 10 procent uitbreidingsruimte per bedrijf kunnen de bedrijven dus de komende 10 jaar nog meer groeien dan de afgelopen 10 jaar het geval is geweest, namelijk 17 procent voor het gehele bedrijventerrein (2,5 keer zoveel), aldus de plantoelichting. In de plantoelichting staat verder dat Royal HaskoningDHV de effecten in beeld heeft gebracht van de uitbreidingsmogelijkheden voor bedrijfsbebouwing voor het aspect verkeer (autobereikbaarheid). De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in het rapport "Rapportage Bestemmingsplan Lage Weide, Verkeersonderzoek BP Lage Weide" van 7 november 2017. De verkeersaantrekkende werking van de "plansituatie" is in beeld gebracht door het verschil te nemen van de plansituatie minus de autonome plansituatie in 2017 of 2027. Hierbij zijn de effecten van een toevoeging van 10 procent, 16,8 procent (170.000 m² bvo extra) en 20 procent uitbreiding van het bvo beschouwd. Uit de resultaten van de onderzoeken blijkt dat het toestaan van meer dan 16,8 procent uitbreidingsruimte aantoonbaar negatieve gevolgen zal hebben voor de verkeersafwikkeling rond Lage Weide. Een uitbreidingsmogelijkheid van meer dan 16,8 procent is niet aanvaardbaar, gelet op de negatieve gevolgen voor de bereikbaarheid van Lage Weide, aldus de plantoelichting. 45.4. De Afdeling heeft in overweging 5.13 van de uitspraak uit 2016 geoordeeld dat de raad in redelijkheid heeft kunnen volstaan met een uitbreidingsmogelijkheid bij recht van 10 procent van de bestaande bvo. Het betoog van De [appellante sub 2] geeft geen aanleiding voor een andersluidend oordeel, gelet ook op de hiervoor weergegeven verantwoording van deze keuze. 45.5. Over de uitbreidingsmogelijkheden na het toepassen van de afwijkingsbevoegdheid heeft de Afdeling in haar uitspraak van 29 juni 2016 overwogen dat de raad niet deugdelijk heeft onderbouwd dat bij een uitbreiding van het bvo met meer dan de 170.000 m² sprake zal zijn van een onaanvaardbare verkeerssituatie in de omgeving. De raad heeft deze maximale uitbreidingsruimte nu aanvullend gemotiveerd en daarbij in het bijzonder gewezen op het rapport van Royal HaskoningDHV. [appellante sub 2] heeft deze aanvullende onderbouwing niet inhoudelijk bestreden. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad grotere uitbreidingsmogelijkheden had moeten bieden na de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid. Het betoog slaagt niet. 45.6. [ appellante sub 2] heeft nog aangevoerd dat niet duidelijk is hoeveel uitbreidingsruimte er nog over was ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan, omdat na de vaststelling en vernietiging van het vorige bestemmingsplan diverse omgevingsvergunningen zijn verleend. De Afdeling overweegt dat de 170.000 m² bvo aan uitbreidingsruimte na afwijking beschikbaar is vanaf het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. De omgevingsvergunningen die daarvoor zijn verleend op grond van het vorige bestemmingsplan zijn in zoverre niet van belang. 46. [appellante sub 2] betoogt dat de redactie van artikel 3, lid 3.2.1, onder h, onder 1, van de planregels ondeugdelijk is, omdat niet duidelijk is dat deze bepaling ook betrekking heeft op gebouwen voor buitenproductie. 46.1. In het vaststellingsrapport staat dat er op Lage Weide bedrijfssituaties zijn waarop op onbebouwd terrein opslag of productieactiviteiten plaatsvinden. De planregels zijn naar aanleiding van de beroepen zodanig aangepast dat het uitsluitend overkappen van onbebouwde terreinen geen extra bvo met zich brengt. Het bvo ziet namelijk uitsluitend op gebouwen. Een gebouw is een overdekt, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten, voor mensen toegankelijk bouwwerk. Een overkapping is veelal niet met wanden omsloten. Ingeval men een overkapping met een of meer wanden wil omsluiten, geldt wel de regeling uit het bestemmingsplan voor de maximale toename van het bvo. In dat geval is er namelijk sprake van een gebouw, aldus het vaststellingsrapport. 46.2. De raad heeft op de zitting toegelicht dat de redactie van artikel 3, lid 3.2.1, onder h, onder 1, van de planregels tot verwarring kan zorgen omdat daarin alleen gesproken wordt van "buitenopslag". Om misverstanden te voorkomen is het beter als dit wordt gewijzigd naar "buitenopslag en/of - productie", aldus de raad. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat deze bepaling is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het betoog slaagt. 47. In de enkele stelling van [appellante sub 2] dat haar niet duidelijk is of alle wijzigingen voor haar gronden die worden genoemd in het vaststellingsrapport ook zijn verwerkt op de verbeelding, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre onzorgvuldig is voorbereid. Het betoog slaagt niet. 48. [ appellante sub 2] betoogt dat de bouwhoogte van ten hoogste 15 m voor haar perceel Isotopenweg 29 leidt tot een ernstige beperking van de uitbreidingsmogelijkheden voor het perceel, gelet ook op de omstandigheid dat ter plaatse betrekkelijk zware bedrijvigheid is toegelaten (tot en met milieucategorie 4.2). 48.1. De Afdeling overweegt dat de bouwhoogte van maximaal 15 m geldt voor een klein deel van de gronden van [appellante sub 2]. Voor het overgrote deel van haar gronden geldt een maximale bouwhoogte van 45 m. De bouwhoogte van 15 m heeft te maken met de ligging van de desbetreffende gronden langs de spoorweg (bestemming "Verkeer - Railverkeer"). Uit de verbeelding blijkt dat voor alle gronden langs de spoorweg, dat wil zeggen ten noorden en ten zuiden van en parallel aan het spoor, een maximale bouwhoogte van 15 m geldt. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat [appellante sub 2] ernstig wordt benadeeld door een maximale bouwhoogte van 15 m voor een gering deel van haar gronden. Het betoog sla