202200609/1/A3. Datum uitspraak: 19 oktober 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Tilburg, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 december 2021 in zaak nr. 20/10162 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Tilburg. Procesverloop Bij besluit van 14 juli 2020 heeft het college ambtshalve in de basisregistratie Personen (hierna: brp) het gegeven van vertrek van [appellant] uit Nederland opgenomen. Bij besluit van 28 oktober 2020 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 16 december 2021 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 oktober 2022, waar het college, vertegenwoordigd door M.F.M. van Gansen, is verschenen. Overwegingen 1. [appellant] stond in de brp ingeschreven op het adres [locatie] in Tilburg. Naar aanleiding van de inschrijving van een nieuw gezin bestaande uit vijf personen op dit adres is het college een onderzoek gestart naar de verblijfplaats van [appellant]. 2. Op 2 april 2020 is de woning bezocht door twee toezichthouders. Zij hebben vastgesteld dat de woning vier slaapkamers heeft. Twee slaapkamers waren in gebruik als slaapkamer voor de ouders en grootouders, één kamer werd nog verbouwd tot slaapkamer voor het kind en één kamer was een rommelkamer. Van de verschillende kamers zijn foto’s gemaakt. Verder heeft de huurster tijdens het huisbezoek verklaard dat [appellant] niet in de woning woont. In het verslag van het huisbezoek is in zoverre tevens vermeld dat er volgens de toezichthouders ook geen plek voor [appellant] was in de woning. Op 12 juni 2020 heeft de man van de huurster verklaard dat [appellant] wel in de woning woont. Maar deze verklaring heeft hij later weer ingetrokken. Daarbij heeft hij verklaard dat [appellant] na het huisbezoek een bed zonder matras in de woning heeft gezet en dat [appellant] aan hem heeft gevraagd om te zeggen dat hij daar slaapt. 3. Naar aanleiding van het huisbezoek is [appellant] bij brief van 7 mei 2020 in de gelegenheid gesteld om binnen vijf werkdagen alsnog aangifte te doen van zijn verhuizing. Daarbij is [appellant] er op gewezen dat in het geval niet kan worden vastgesteld waar hij woont, dit kan leiden tot uitschrijving uit de brp wat verstrekkende gevolgen voor hem kan hebben. Op 2 juni 2020 heeft het college [appellant] telefonisch gesproken. Hij gaf aan dat hij woonde op het adres [locatie]. Gevraagd is om dit met stukken te onderbouwen. Van die gelegenheid heeft [appellant] geen gebruik gemaakt. 4. Het college heeft op basis van het voorgaande geconcludeerd dat [appellant] niet op het adres van inschrijving woonde. Verder is vastgesteld dat hij geen aangifte heeft gedaan van een ander woonadres en ook is geen ander woonadres bekend geworden. Daarom heeft het college op grond van artikel 2.22 van de Wet basisregistratie personen (hierna: Wet brp) ambtshalve het gegeven van vertrek van [appellant] uit Nederland opgenomen in de brp. In het besluit op bezwaar heeft het college dit besluit gehandhaafd. 5. In artikel 2.22 van de Wet brp is bepaald wanneer het college iemand ambtshalve moet uitschrijven als ingezetene uit de brp. Er zijn drie voorwaarden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.