(2020)(Bijlage 1). Indien de nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met die wijziging. 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor het vergroten van een woning." Artikel 14.1.3 van de planregels luidt als volgt: "Ter plaatse van de aanduiding 'Overige zone - voorwaardelijke verplichting 3' geldt - in afwijking van de daar geldende bestemming(
- en)- dat het gebruik volgens de bestemming(
- en)alleen is toegestaan op voorwaarde dat het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein zoals weergegeven Bijlage 3 is aangelegd en vervolgens in stand wordt gehouden. Indien niet aan deze verplichting wordt voldaan is het als zodanig gebruiken van de gronden behorende bij die parkeerplaats(en), waarvoor een verplichte inrichting is voorgeschreven in strijd met deze bestemming." 12.1. Anders dan [appellante] in de zienswijze betoogt volgt uit artikel 13.2 van de planregels voldoende duidelijk wat er onder "een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling" verstaan wordt. Hierin wordt, in tegenstelling tot de eerdere planregel, voorbeelden genoemd en er wordt nu een duidelijk verband gelegd met de voor die ontwikkeling vereiste omgevingsvergunning. Gelezen samen met artikel 14.1.3 van de planregels, waarin is bepaald dat die ontwikkeling alleen is toegestaan als er voldoende parkeerplaatsen zijn, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij ook dit gebrek met het herstelbesluit heeft hersteld. Conclusie herstelbesluit 13. Het beroep tegen het besluit van 25 mei 2022 is ongegrond. De raad moet de proceskosten van [appellante] vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep tegen het besluit van 7 juli 2021 gegrond; II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Barneveld van 7 juli 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Oostbroek I"; III. verklaart het beroep tegen het besluit van 25 mei 2022 ongegrond; IV. veroordeelt de raad van de gemeente Barneveld tot vergoeding van bij [appellante] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.277,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; V. gelast dat de raad van de gemeente Barneveld aan [appellante] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 360,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. E.J. Daalder en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier. w.g. Van Altena voorzitter w.g. Annen griffier Uitgesproken in het openbaar op 9 november 2022 BIJLAGE Besluit externe veiligheid transportroutes Artikel 7 In de toelichting bij een bestemmingsplan en in de ruimtelijke onderbouwing van een omgevingsvergunning wordt, voor zover het gebied waarop dat plan of die vergunning betrekking heeft binnen het invloedsgebied ligt van een weg, spoorweg of binnenwater waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval ingegaan op: a. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en b. voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Artikel 8 1 Indien een bestemmingsplan of omgevingsvergunning betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 meter van een transportroute, wordt in de toelichting bij dat plan onderscheidenlijk in de ruimtelijke onderbouwing van die vergunning tevens ingegaan op: a. 1°. de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan of besluit wordt vastgesteld, rekening houdend met de in dat gebied reeds aanwezige personen en de personen die in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan of de geldende bestemmingsplannen of een omgevingsvergunning redelijkerwijs te verwachten zijn, en 2°. de als gevolg van het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan of die vergunning betrekking heeft; b. het groepsrisico op het tijdstip waarop het plan of de vergunning wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat plan of besluit toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de oriëntatiewaarde; c. de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die bij de voorbereiding van het plan of de vergunning zijn overwogen en de in dat plan of die vergunning opgenomen maatregelen, waaronder de stedenbouwkundige opzet en voorzieningen met betrekking tot de inrichting van de openbare ruimte, en d. de mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan. 2 Het eerste lid kan buiten toepassing blijven indien bij de vaststelling van het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt aangetoond dat: a. het groepsrisico, gelet op de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, of b. 1°. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, met niet meer dan tien procent toeneemt, en 2°. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, niet wordt overschreden. 3 Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, bevat de toelichting bij het besluit de onderbouwing daarvan. 4 Het groepsrisico wordt berekend volgens bij regeling van Onze Minister gestelde regels. Artikel 9 Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan of omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7, stelt het bevoegd gezag het bestuur van de veiligheidsregio in wiens regio het gebied ligt waarop dat plan of die vergunning betrekking heeft, in de gelegenheid advies uit te brengen over de in de artikel 7 en, voor zover van toepassing, artikel 8 genoemde onderwerpen. Handleiding Risicoanalyse Transport Paragraaf 5.1.2 Overige gevaarlijke stoffen In de risicoberekening worden uitsluitend de transporten in bulk (tankwagens, ketelwagens, tankcontainers, vaste scheepstanks, etc.) van brandbare en/of toxische tot vloeistof verdichte gassen en brandbare en/of toxische vloeistoffen beschouwd. Vervoer van ontplofbare stoffen en radioactieve stoffen wordt op dit moment in de berekeningen niet meegenomen. Achtergronddocument RBM II Paragraaf 4.1 De te beschouwen modaliteiten in RBM II zijn Spoor, Vaarweg en Weg. Elke modaliteit heeft specifieke eigenschappen en zijn afzonderlijk in te voeren in RBM II. De stoffen zijn bij de modaliteit spoor in andere categorieën ingedeeld dan bij de modaliteiten vaarweg en weg. Deze indeling wordt in dit hoofdstuk per modaliteit apart genoemd. De risicoberekening beperkt zich tot het bulkvervoer van stoffen. Het vervoer van stukgoed (drums, vaten, gasflessen etc.), wordt niet beschouwd. Bij een ongeval met stukgoed zijn de afstanden tot waarop dodelijke effecten kunnen optreden klein. Het vervoer van stukgoed draagt daarom niet bij aan het risico op grotere afstand. Explosieven en radioactieve stoffen worden eveneens niet beschouwd. Van deze stofcategorieën wordt aangenomen dat de frequentie hiervan zo laag is dat de bijdrage aan het risico te verwaarlozen is. De eigenschappen van de modaliteiten worden in dit hoofdstuk verder toegelicht.