(2017)worden onder "andere stedelijke voorzieningen" als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, van het Bro, verstaan: accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure. 22.
- Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar overzichtsuitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, verplicht artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro het betrokken bestuursorgaan om in de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling te beschrijven. Deze verplichting geldt voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen en buiten het bestaand stedelijk gebied. Bij deze behoefte gaat het, blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling, niet alleen om de kwantitatieve behoefte. Het kan ook gaan om de kwalitatieve behoefte, zijnde de behoefte aan het specifieke karakter van de voorziene stedelijke ontwikkeling (uitspraak van 11 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3444 (Rozendaal)). 22.
- In de hiervoor genoemde overzichtsuitspraak van 28 juni 2017 heeft de Afdeling onder 6.3 overwogen dat een in een bestemmingsplan voorziene ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Wanneer een bestemmingsplan voorziet in kleinschalige bedrijfsbebouwing, het plandeel met de bedrijfsbestemming beperkt van omvang is en beperkte gebruiksmogelijkheden biedt, voorziet het plan in zoverre niet in een stedelijke ontwikkeling. Daarbij is onder meer als uitgangspunt vermeld dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m² of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m², deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. 22.
- In de hiervoor genoemde overzichtsuitspraak van 28 juni 2017 heeft de Afdeling onder 7 overwogen dat, bij de beantwoording van de vraag of een stedelijke ontwikkeling die een bestemmingsplan mogelijk maakt een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro behelst, in onderlinge samenhang moet worden beoordeeld in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan, voorziet in een functiewijziging en welk planologisch beslag op de ruimte het nieuwe plan mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan (uitspraken van 6 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:915 (Oldenzaal), en van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1064 (Waalre)). 22.
- De Afdeling ziet zich allereerst geplaatst voor de vraag of het plan voor wat betreft de voorziene horeca en evenementen voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. 22.
- In het voorgaande bestemmingsplan "Tongelre buiten de Ring 2005" waren de gronden waar de nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien bestemd voor recreatieve doeleinden. Ingevolge artikel 13.2 van de voorschriften van het voorgaande bestemmingsplan was ter plaatse horeca toegestaan voor zover deze ten dienste staat van en/of ter ondersteuning is van de recreatieve voorziening en voor zover behorende tot de categorie 4a zoals aangegeven in de bij deze voorschriften behorende lijst van horeca-activiteiten, tenzij het een bestaand horecabedrijf betreft dat tot een andere categorie behoort. In de oorspronkelijke situatie was al sprake van 1 gebouw van ongeveer 450 m2 ten behoeve van horeca dat was gesitueerd binnen het bouwvlak en toegestaan op grond van dit bestemmingsplan. Ook was er al een terras aanwezig van ongeveer 308 m
- Dit bestemmingsplan maakte geen evenementen mogelijk. 22.
- De Afdeling is van oordeel dat de in het plan voorziene horeca en evenementen niet als één samenhangend geheel kunnen worden aangemerkt en dat afzonderlijk dient te worden beoordeeld of de horeca en evenementen onder de definitie van stedelijke ontwikkeling in artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, Bro vallen. Er is geen samenhang en verband tussen de voorziene evenementen en horeca. De voorziene evenementen hebben een zodanige omvang dat daarvoor afzonderlijke voorzieningen moeten komen die worden opgebouwd en afgebouwd. In de regeling is daarin voorzien. In de gebouwen die worden opgericht ten behoeve van horeca is beoogd om een restaurant te vestigen die jaar rond open is en een strandpaviljoen ten behoeve van de bezoekers van het natuurbad. 22.
- Ten aanzien van de evenementen is de Afdeling van oordeel dat het plan niet voorziet in een stedelijke ontwikkeling. Hierbij betrekt de Afdeling dat het plan regelt dat evenementen planologisch worden toegelaten op de gronden binnen het plangebied. Het uitgangspunt van het plan is dat 5 evenementen en 11 evenementendagen per kalenderjaar zijn toegestaan. Het bestaande terrein van de IJzeren Man wordt gebruikt maar er vindt geen verharding plaats en er worden geen bouwwerken opgericht ten behoeve van de evenementen. Onder deze omstandigheden zijn de voorziene evenementen naar het oordeel van de Afdeling niet aan te merken als een ontwikkeling waarvoor artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is bedoeld. 22.
- Voor wat betreft de horeca overweegt de Afdeling als volgt. Onder 1 is uiteengezet welke bebouwing op grond van het plan is toegestaan. Met het plan kan het bestaande horecagebouw met 150 m2 worden uitgebreid en een gebouw ten behoeve van horeca met een maximum bebouwd oppervlak van 400 m² worden toegevoegd. Tevens is een nieuw terras mogelijk binnen de aanduiding "terras" met een maximum oppervlakte van 600 m
- In de gebruiksregels van het plan is niet meer geregeld dat ter plaatse horeca is toegestaan voor zover deze ten dienste staat van en/of ter ondersteuning is van de recreatieve voorziening en is derhalve zelfstandige horeca mogelijk gemaakt. Gelet hierop is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. 22.
- De raad heeft de horecafunctie getoetst aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro op basis van het rapport van Rho van 25 februari
- In het geactualiseerde rapport "IJzeren Man ladderonderbouwing" van Rho van 20 september 2021 (hierna: het rapport van Rho van 20 september 2021) en de memo van Rho van 20 september 2021 is het behoefte-onderzoek naar aanleiding van de beroepsgronden geactualiseerd. In hoofdstuk 3 van het rapport van Rho van 25 februari 2016 is ingegaan op de kwalitatieve behoefte aan recreatie en horeca bij stadsstranden. In dat rapport staat dat een bijzonder horeca‐concept in relatie tot een ‘stadsstrand’ uniek is binnen een hoog stedelijke omgeving, maar ook uniek is ten opzichte van het reguliere horeca-aanbod in de directe omgeving. Een ‘beachclub’ is een voorbeeld van een bijzonder horeca‐concept en is gericht op de strandervaring, welke passend is bij de recreatiefunctie van De IJzeren Man. Omdat vergelijkbare concepten vooral voorkomen in het buitengebied heeft een dergelijke voorziening bij De IJzeren Man een relatief groot verzorgingsgebied in Eindhoven, waardoor de effecten op de directe omgeving naar verwachting nihil zijn. Het bestaande restaurant fungeert los van het stadsstrand en de recreatieplas. Het heeft een duidelijke (entree)functie voor het gehele Stadspark De Karpen, het startpunt (aan het water) om het park recreatief te verkennen. Daarmee is het restaurant complementair aan de aanwezige horeca in het stadspark. Geconcludeerd wordt dat consumenten behoefte hebben aan stadsstranden met kwalitatief goede bijbehorende horeca en leisure activiteiten. De locatie De IJzeren Man heeft door de ligging nabij het centrum van de stad en de universiteitscampus, met toegankelijk water, alle kenmerken en kansen om in te kunnen spelen op deze vraag en zo te komen tot een toekomstgerichte en levensvatbare invulling. Daarmee zorgt De IJzeren Man voor een invulling van een uniek horeca segment, complementair aan de bestaande horeca in de stad. Daarbij is een oppervlak voor een beachclub van 400 m² en een restaurant van 600 m² (totaal 1.000 m²) passend. Voor de kwantitatieve behoefte is in 2015/16 een benchmark uitgevoerd. In het rapport van Rho van 25 februari 2016 staat dat de omvang en de spreiding van het horeca‐aanbod in Eindhoven vergelijkbaar is met het gemiddelde. Dit is een indicatie dat in Eindhoven niet direct aanleiding is het horeca‐aanbod sterk te laten groeien. Wel moet er altijd ruimte zijn voor vernieuwing, waardoor inpassing van een bijzonder horeca‐concept op een passende locatie mogelijk is. In het geactualiseerde rapport heeft Rho naar aanleiding van de beroepsgronden het onderzoek naar het horeca-aanbod in Eindhoven geactualiseerd. Daarbij is het aantal horecapunten en de omvang van de horeca vergeleken met het gemiddelde aanbod in kernen van een vergelijkbare omvang (meer dan 175.000 inwoners). De kernen binnen deze inwonersklasse zijn: Almere, Amsterdam, Den Bosch, Eindhoven, Groningen, Rotterdam, Tilburg en Utrecht. De uitschieters in horeca-aanbod, zowel naar boven als naar beneden, zijn uit de vergelijking gelaten. Uit de vergelijking blijkt dat Eindhoven in de huidige situatie iets minder horecavestigingen heeft dan gemiddeld. Op basis van het gemiddelde in de andere kernen wordt een grotere omvang van de horeca verwacht. Momenteel heeft Eindhoven 235.707 inwoners (CBS, 1 januari 2021). Op basis van de provinciale bevolkingsprognose (actualisering 2020) worden in 2031 267.570 inwoners verwacht. Rekening houdend met deze bevolkingstoename ontstaat er een grotere behoefte aan horeca. Per 1.000 inwoners zijn er gemiddeld ongeveer 3,3 horecavestigingen en is er ongeveer 321 m2 wvo horeca beschikbaar. Op basis van het huidige gemiddelde aanbod in de vergelijkbare kernen wordt in 2031 een groter horeca-aanbod verwacht dan het huidige horeca-aanbod in Eindhoven, zowel in aantal vestigingen als omvang, aldus het geactualiseerde rapport. Ook wordt het gebruik van het recreatiegebied verbreed door het aantrekken van nieuwe doelgroepen. Op grond van de rapporten komt de raad tot de slotsom dat er op termijn voldoende marktruimte is voor de horeca in het plan en daarmee het risico dat ten gevolge van de uitbreiding bestaand aanbod zal verdwijnen zeer klein is. De vrees voor een ruimtelijk onaanvaardbare leegstand is ongegrond, aldus de raad. 22.
- In hetgeen de vereniging en anderen hebben aangevoerd omtrent het unieke horeca-concept, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad het rapport van Rho van 25 februari 2016, ook in het licht van hetgeen in het rapport en de memo van Rho van 20 september 2021 naar aanleiding van de beroepsgronden is vermeld, niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. De vereniging en anderen stellen dat het bijzondere en unieke horeca-concept als een beachclub die wordt ondergebracht in een van de horecagebouwen die wordt uitgevoerd als een strandpaviljoen van 400 m2 planologisch niet is vastgelegd in het plan en daarom in het behoefte-onderzoek en bij de effecten rekening moest worden gehouden met gewone en reguliere horeca. Dit is niet gebeurd. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het bijzondere van het concept is ingegeven door de locatie aan het stadsstrand en water en daarom vanuit kwalitatief oogpunt een goede toevoeging voor horeca in de stad vormt. De locatie is vastgelegd in het plan. Voorts zal in het gebouw nabij het stadsstrand en water horeca aanbod in categorie 1a komen. In het andere gebouw komt horeca in categorie 1b, zijnde een restaurant. 22.
- De Afdeling ziet ook geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet op de uitgevoerde onderzoeken heeft mogen baseren omdat in het geactualiseerde onderzoek de kwantitatieve behoefte aan horeca niet juist is berekend. In het actuele rapport bepaalt Rho de behoefte aan horeca op basis van een vergelijking met het aanbod in andere vergelijkbare kernen (van meer dan 175.000 inwoners) van Den Bosch, Groningen, Rotterdam, Tilburg en Utrecht. De steden Amsterdam en Almere zijn niet meegenomen vanwege de grote toeristische functie van Amsterdam en omdat Almere een satellietstad is van Amsterdam. BSP stelt dat de aanname van Rho dat er behoefte is aan extra horeca omdat er gemiddeld een kleiner aantal vestigingen is, onjuist is. BSP gaat in haar onderzoek evenwel uit van andere uitgangspunten en steden. Naar het oordeel van de Afdeling hebben de vereniging en anderen niet aannemelijk gemaakt dat dat Rho niet van de steden en uitgangspunten kon uitgaan die ten grondslag zijn gelegd aan het rapport van Rho. 22.
- De Afdeling ziet evenmin grond voor het oordeel dat de raad zich niet op de uitgevoerde onderzoeken heeft mogen baseren omdat de kwalitatieve behoefte niet is gekwantificeerd. Naar het oordeel van de Afdeling behoefde de kwalitatieve behoefte niet te worden gekwantificeerd om ten grondslag te worden gelegd aan de behoefte-onderzoeken. 22.
- De Afdeling ziet evenmin grond voor het oordeel dat de raad bij de kwantitatieve behoefte niet de groeiende bevolking in aanmerking heeft mogen nemen. BSP stelt dat Rho daarbij in aanmerking heeft genomen dat een grote woningbouwlocatie goed past als horecalocatie maar dat er nabij De IJzeren Man relatief weinig grote woningbouwlocaties zijn. Rho heeft bij de behoefte inderdaad de bevolkingstoename in aanmerking genomen, maar deze is niet uitsluitend gekoppeld aan de nabij gelegen woonwijk. In de rapporten van Rho is ook de ligging nabij het centrum van de stad en de universiteitscampus betrokken bij de behoefte. 22.
- Ten aanzien van het betoog van de vereniging en anderen dat er overaanbod zal ontstaan, verwijst de Afdeling naar haar overzichtsuitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, onder 9.9, waarin is overwogen dat de enkele omstandigheid dat een ruimtelijke ontwikkeling zal leiden tot een overaanbod in een bepaalde branche niet betekent dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. 22.
- De Afdeling ziet ook geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet meer op de uitgevoerde onderzoeken heeft mogen baseren, omdat daarin geen rekening is gehouden met de gevolgen van de coronacrisis voor de horecasector. De raad heeft zich in dit verband op het standpunt mogen stellen dat het bestemmingsplan voor een langere periode wordt gemaakt en dat geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend aan de naar verwachting tijdelijke gevolgen van de coronacrisis. 22.
- Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad de behoefte aan de horeca voldoende heeft gemotiveerd en dat geen sprake is van strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Het betoog slaagt niet. Behoeftetoets evenementen buiten de ladder
- Dat de in het plan mogelijk gemaakte evenementen niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling kunnen worden aangemerkt, neemt niet weg dat aan de eisen van artikel 3.1.6, eerste lid, van het Bro moet worden voldaan. De behoefte aan de mogelijk gemaakte ontwikkelingen dient met het oog op de uitvoerbaarheid van het plan te zijn onderbouwd in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Zoals de Afdeling in haar hiervoor genoemde overzichtsuitspraak van 28 juni 2017 in overweging 4.1 heeft overwogen, beoordeelt de bestuursrechter, in aanmerking genomen deze onderbouwing, of de mogelijk gemaakte ontwikkeling zodanig is, dat aanleiding bestaat voor het oordeel dat het betrokken bestuursorgaan er van heeft mogen uitgaan dat behoefte zal bestaan aan de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt. 23.
- De raad heeft de behoefte aan evenementen onderzocht en in kaart gebracht en daarover het volgende vermeld. Al jaren worden vijf ééndaagse B-evenementen (dance, house, hiphop etc.) per jaar met tussen de 4.000 en 7.000 bezoekers georganiseerd. De verwachting is dat deze evenementen ook de komende jaren worden georganiseerd. Verder worden er enkele meerdaagse evenementen mogelijk gemaakt waar ook behoefte aan is. Ook heeft Rho toegelicht dat Eindhoven al jarenlang in de top 5 van Evenementensteden in Nederland staat. Samen met de vier andere grote steden Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht is Eindhoven verantwoordelijk voor 22,8% van het totale evenementenaanbod in Nederland. De publieke belangstelling voor Eindhovense evenementen groeit zowel regionaal, nationaal als internationaal. Zoals te verwachten is de kalender vooral in het voor- en najaar van 2022 vol met evenementen. Rekening houdend met een grote bevolkingstoename voor Eindhoven en de hierboven genoemde trend en ontwikkelingen in Eindhoven is de verwachting dat de behoefte aan evenementen groeit. Er wordt door de gemeente beleidsmatig een onderscheid gemaakt in A-, B- en C- evenementen (Gastvrij en veilig, 2017). Er worden normaal gesproken jaarlijks ongeveer 400 evenementen in de A-categorie, 30-40 in de B-categorie en dan nog een aantal evenementen in de C-categorie georganiseerd. Eindhoven heeft voor de 20 evenementengebieden profielen opgesteld. Op slechts een deel van de evenemententerreinen zijn mogelijkheden voor B- en C-evenementen. De IJzeren Man is opgenomen als evenementenlocatie in Stadspark De Karpen en hier zijn ook B -en C-evenementen mogelijk. Er is veel vraag naar evenementenlocaties vergelijkbaar met het profiel van De Karpen. Ten slotte is in het Rho-rapport vermeld dat de bestaande evenementen niet kunnen worden verplaatst naar andere locaties omdat die normaal gesproken ook bezet zijn. Het gaat bovendien veelal om terreinen die een andere functie hebben en waar af en toe een evenement wordt georganiseerd. 23.
- In hetgeen de vereniging en anderen hebben aangevoerd omtrent de evenementen, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad, ook in het licht van hetgeen in de planstukken en in het rapport van Rho van 20 september 2021 naar aanleiding van de beroepsgronden is vermeld, niet deugdelijk heeft onderbouwd dat er behoefte is aan evenementen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad gemotiveerd uiteengezet dat de locatie van De IJzeren Man geschikt is en ook nodig is en blijft naast andere locaties voor evenementen. Voor wat betreft het betoog dat er onvoldoende rekening is gehouden met de sterke negatieve effecten op het verkeer en het geluid verwijst de Afdeling naar hetgeen daarover hiervoor is overwogen. 23.
- Gelet op wat hiervoor is overwogen, ziet de Afdeling in hetgeen de vereniging en anderen hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat er behoefte zal bestaan aan de door het plan mogelijk gemaakte evenementen. Het betoog slaagt niet. Flora en fauna
- De vereniging en anderen hebben de beroepsgrond over de negatieve gevolgen van het plan voor de flora en fauna ter zitting ingetrokken. De Afdeling bespreekt deze beroepsgrond daarom niet. Stikstof
- De vereniging en anderen betogen dat de berekening van de stikstofdepositie als gevolg van het plan op de omliggende Natura 2000-gebieden niet juist is. 25.
- De raad stelt zich op het standpunt dat het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan vernietiging van het besluit op grond van dit betoog. 25.
- Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt. 25.
- De bepalingen in de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb) over de beoordeling van plannen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied zijn daarin opgenomen ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1412, volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb bedoelt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Uit de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.52, volgt dat bij de beantwoording van de vraag of een dergelijke verwevenheid kan worden aangenomen, onder meer rekening moet worden gehouden met de situering van de woning van de betrokkene, al dan niet tussen overige bebouwing, met de afstand tussen de woning van betrokkene en het natuurgebied, met wat aanwezig is in het gebied tussen de woning en het Natura 2000-gebied en met het al dan niet bestaande, geheel of gedeeltelijke directe zicht vanuit de woning op het gebied. Indien het Natura 2000-gebied deel uitmaakt van de woon- en leefomgeving van betrokkene, is in beginsel sprake van verwevenheid als hiervoor bedoeld. 25.
- De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden "Strabrechtse heide en Beuven" en "Leenderbos, Groote Heide & De Plateau" liggen op een afstand van ongeveer 5 kilometer tot de woningen van de vereniging en anderen. Gelet op deze aanzienlijke afstand maken deze Natura 2000-gebieden geen deel uit van hun woon- en leefomgeving en bestaat er geen verwevenheid tussen het individuele belang van de vereniging en anderen bij het behoud van een goede kwaliteit van hun woon- en leefomgeving en de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen. Gelet op artikel 8:69a van de Awb betekent dit dat zij zich niet op die norm kunnen beroepen. Omdat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan een vernietiging van het bestreden besluit vanwege deze beroepsgrond, zal de Afdeling het betoog over de onjuiste berekening van de stikstofdepositie op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet inhoudelijk beoordelen. Economische/financiële uitvoerbaarheid
- De vereniging en anderen betogen dat niet is onderbouwd dat het plan financieel uitvoerbaar is. Zij voeren in dat verband aan dat de omstandigheid dat de gemeente met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst heeft gesloten de raad niet ontslaat van de verplichting de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan in de plantoelichting op te nemen. 26.
- Bij een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog over de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder de financieel-economische uitvoerbaarheid, alleen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit als de raad redelijkerwijs had moeten inzien dat het plan om financieel-economische of andere redenen op voorhand niet uitvoerbaar is. 26.
- De gemeente heeft een anterieure overeenkomst gesloten met een ontwikkelaar die betrokken is bij het plan, De IJzeren Man Recreatie Eindhoven B.V.. De vereniging en anderen hebben niet concreet onderbouwd waarom volgens hen de horecabestemming niet zal worden verwezenlijkt en evenementen niet zullen plaatsvinden zeker nu die al sinds jaar en dag plaatsvinden op deze locatie. De vereniging en anderen hebben verder niet aannemelijk gemaakt dat geen concrete kandidaat voor de exploitatie van de horeca zal worden gevonden, ook omdat op deze locatie al sinds geruime tijd een horecavoorziening wordt geëxploiteerd. Gelet op wat hiervoor is overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat er in zoverre geen redenen zijn waarom het plan niet uitvoerbaar is. Het betoog slaagt niet. Herhalen en inlassen zienswijzen
- Voor zover in beroep voor het overige is volstaan met een herhaling van de zienswijzen, overweegt de Afdeling dat de raad in de zienswijzennota die bij het bestreden besluit behoort, uitgebreid is ingegaan op elk onderdeel van de zienswijzen en deze steeds gemotiveerd heeft weerlegd. In het beroepschrift noch ter zitting zijn redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Het betoog faalt. Conclusie
- Artikel 8:51d van de Awb luidt: "Indien de bestuursrechter in hoogste aanleg uitspraak doet, kan hij het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.
- Met het oog op een spoedige beëindiging van het geschil zal de Afdeling de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb opdragen om binnen de hierna te noemen termijn de onder 4.5, 11.3, 12.5 en 12.11, 12.13 geconstateerde gebreken te herstellen. Daarbij hoeft geen toepassing te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. De raad dient daartoe alsnog: - met inachtneming van de overweging onder 4.5 alsnog in het plan deugdelijk vast te leggen waar en in welke omvang de bestaande terrassen zijn toegestaan; - met inachtneming van de overweging onder 11.3 artikel 1.38 van de planregels te wijzigen en alsnog deugdelijk vast te leggen wat onder het begrip "evenementen" wordt verstaan; - met inachtneming van de overwegingen onder 12.5 en 12.11 alsnog deugdelijk te berekenen wat de parkeerbehoefte voor de toegestane horeca is en aannemelijk te maken dat het parkeeraanbod volstaat om te voorzien in die opnieuw berekende parkeerbehoefte; - met inachtneming van de overweging onder 12.13 alsnog deugdelijk de behoefte aan fietsparkeerplaatsen te berekenen en aannemelijk te maken dat in die opnieuw berekende behoefte kan worden voorzien; De raad dient de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mee te delen en een gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen. Het door de raad eventueel te nemen gewijzigde of nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.
- In de einduitspraak wordt beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: draagt de raad van de gemeente Eindhoven op: - om binnen 26 weken na de verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming van wat is overwogen onder 4.5, 11.3, 12.5, 12.11 en 12.13 de daar omschreven gebreken in het besluit van de raad van de gemeente Eindhoven van 16 september 2020 te herstellen en; - de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. J.M.L. Niederer, en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, griffier. w.g. Daalder voorzitter w.g. Ouwehand |griffier Uitgesproken in het openbaar op 9 november 2022 615-224 BIJLAGE Algemene wet bestuursrecht Artikel 8:69a De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Regels uit het bestemmingsplan "Tongelre buiten de Ring (IJzeren Man)" Artikel 1.38 Evenementen een evenement zoals bedoeld in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Artikel 1.70 Nota Parkeernormen Actualisatie Nota Parkeernormen 2019 zoals vastgesteld op 24 september 2019, gepubliceerd en in werking getreden op 2 oktober
- Artikel 1.88 Terrassen Plek van de horecagelegenheid, in de buitenlucht, op een verhard gedeelte van het terrein, dat zit- en/of stagelegenheid biedt en waar tegen betaling dranken of spijzen voor directe consumptie zijn te nuttigen. Artikel 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor `Gemengd´ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. recreatieve voorzieningen ten behoeve van dagrecreatie; b. één horecabedrijf, zoals genoemd in de `Lijst van horeca-activiteiten´(Bijlage 4) behorende tot maximaal categorie 1a en 1b, waarbij binnen deze categorieën zaalverhuur tot maximaal 200 personen is toegelaten; c. terrassen met dien verstande dat bestaande terrassen zijn toegelaten en dat nieuwe terrassen uitsluitend zijn toegestaan binnen de aanduiding 'terras' met een maximum oppervlakte van 600 m2; d. één bedrijfswoning, uitsluitend ter plaatse van de functieaanduiding 'wonen'; e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; f. groen- en speelvoorzieningen g. evenementen met inachtname van het bepaalde in 3.3.
- met daarbij behorende: h. wegen en paden; i. erven en terreinen; j. parkeervoorzieningen k. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Artikel 3.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. Er zijn maximaal vier hoofdgebouwen toegelaten binnen de bestemming; (…) d. Er mogen maximaal twee gebouwen voor horeca aanwezig zijn, met dien verstande dat:
- één gebouw ten behoeve van horeca ter plaatse van het bouwvlak met een maximum bebouwd oppervlak van 600m2 en een maximum bouwhoogte zoals is aangeduid op de verbeelding;
- één gebouw ten behoeve van horeca ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding-1' met een maximum bebouwd oppervlak van 400 m² en een maximum bouwhoogte van 5 meter, waarbij maximaal 10% van de oppervlakte van het gebouw ook mag worden gebouwd binnen de bestemming 'Water'; (…) e. met dien verstande dat voldaan moet worden aan de voorwaardelijke verplichtingen, zoals opgenomen in artikel 3.2.
- Artikel 3.3.2 Evenementen Voor evenementen gelden de volgende regels: a. per kalenderjaar zijn maximaal 5 evenementen toegelaten; b. het maximale aantal bezoekers bedraagt 7.000 per evenement; c. evenementen zijn toegestaan op zondag tot en met donderdag tussen 7.00 uur in de ochtend en 23.00 uur in de avond en op vrijdag, zaterdag en op dagen voorafgaand aan een feestdag tussen 7.00 uur in de ochtend en 24.00 uur in de avond; d. de geluidbelasting bij evenementen mag niet meer bedragen dan 45 dB(A) op de gevels van de dichtstbijgelegen woningen of andere geluidgevoelige objecten; e. de geluidbelasting bij evenementen mag niet meer bedragen dan 59 dB(C) op de gevels van de dichtstbijgelegen woningen of andere geluidgevoelige objecten; f. in afwijking van het bepaalde onder d mag de geluidbelasting bij maximaal 2 evenementen per jaar niet meer bedragen dan 70 dB(A) op de gevels van de dichtsbijgelegen woningen of andere geluidgevoelige objecten. g. in afwijking van het bepaalde onder e mag de geluidbelasting bij maximaal 2 evenementen niet meer bedragen dan 85 dB(C) op de gevels van de dichtstbijgelegen woningen of andere geluidgevoelige objecten; h. de (geluid) overlastgevende werkzaamheden bij de op- en afbouw, dienen zoveel als mogelijk te worden ingepland en uitgevoerd tussen 10.00 uur 's ochtends en 15.00 uur 's middags. i. als er op- en afbouwwerkzaamheden op een zondag nodig zijn dan dienen die pas vanaf 10.00 uur plaats te vinden. j. de duur van een evenement bedraagt maximaal 1 dag exclusief op- en afbouwen; k. in afwijking van het bepaalde onder punt j bedraagt de duur van een evenement maximaal 3 dagen bij maximaal 3 evenementen per jaar, waarbij wordt voldaan aan de geluidbelasting volgens het bepaalde in sub d en sub e. (geluidbelasting 45 dB(A) en 59 dB(C)). l. het opbouwen van een evenement maximaal 4 dagen duren en het afbouwen van een evenement mag maximaal 4 dagen duren. Artikel 3.3.3 Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in lid 3.1 wordt in ieder geval gerekend:
- Het gebruik of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van evenementen anders dan expliciet toegestaan in artikel 3.1, onder f; (…) Artikel 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor "Natuur" aangewezen gronden zijn bestemd voor: (…) b. recreatief medegebruik, inclusief evenementen die zijn toegelaten op grond van artikel 3.1 en 3.3.2 met dien verstande dat een podium voor evenementen niet is toegelaten. Artikel 8.1 Parkeereis a. Bij de afgifte van een omgevingsvergunning wordt het aantal te realiseren parkeerplaatsen bepaald conform de Nota Parkeernormen. b. In afwijking van het bepaalde onder a, mag getoetst worden aan nieuwe dan wel gewijzigde parkeernormen, als deze in werking zijn getreden en leiden tot een lagere parkeernorm. Artikel 8.2 Afwijken van parkeereis Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.1 indien: a. uit een parkeeronderzoek blijkt dat meer of minder parkeerplaatsen noodzakelijk zijn; b. het voldoen aan de in lid 8.1 genoemde parkeernormen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit of voor zover op andere wijze in de nodige parkeerplaatsen wordt voorzien