202002507/2/R2. Datum uitspraak: 23 november 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1], wonend te Nuenen, gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten, 2. [appellanten sub 2] en anderen, wonend te Nuenen, gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten (hierna: tezamen: [appellant sub 2] en anderen), 3. [appellanten sub 3], wonend te Nuenen, gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten (hierna: tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]), appellanten, en de raad van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten, verweerder. Procesverloop Bij tussenuitspraak van 29 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2184, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin geconstateerde gebreken in het besluit van 13 februari 2020 te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij het besluit van 17 februari 2022 het bestemmingsplan "Lieshoutseweg 6, Nuenen" gewijzigd en opnieuw vastgesteld. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 3] hebben zienswijzen ingediend. De raad heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten. Overwegingen Inleiding 1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak van 29 september 2021 drie gebreken in het besluit van 13 februari 2020 vastgesteld. In de eerste plaats is onder 5.2 in de tussenuitspraak overwogen dat in het plan aan de gronden ter plaatse van het klim- speel- en educatiebos de bestemmingen "Natuur" en "Horeca" is toegekend. De raad heeft met dit plan willen voorzien in een kleinschalige ontwikkeling, waarbij hij het aantal bezoekers heeft willen maximeren. Naar het oordeel van de Afdeling zijn de artikelen 4.1.1, onder c, en 3.1, onder e, van de planregels ten aanzien van die maximalisatie echter onduidelijk en rechtsonzeker. In de beide planregels ontbreekt een maatstaf om te bepalen wat onder een daggemiddelde moet worden verstaan. Evenmin staat op grond van de planregels vast of het vermelde daggemiddelde voor de gronden met de bestemming "Horeca" en "Natuur" bij elkaar moeten worden opgeteld. Daarmee is niet duidelijk geregeld hoeveel bezoekers er maximaal tegelijk binnen de bestemmingsvlakken "Horeca" en "Natuur" mogen verblijven. Mede als gevolg daarvan is eveneens niet duidelijk hoeveel bezoekers er gedurende de openingstijden van het klim-, speel- en educatiebos per dag in totaal ten hoogste mogen verblijven. Anders dan de raad stelt, is als gevolg van deze leemten de kleinschaligheid niet geborgd in de artikelen 4.1.1, onder c, en 3.1, onder e, van de planregels, noch elders in het plan, bijvoorbeeld in de definities. In de tweede plaats is onder 5.3 in de tussenuitspraak overwogen dat de hiervoor gesignaleerde onduidelijkheid in de planregels over de bezoekersaantallen ook gevolgen heeft voor de onderzoeksrapporten die betrekking hebben op het verkeer, de verkeersveiligheid, het parkeren en het geluid die aan het plan ten grondslag zijn gelegd. Die onderzoeksrapporten geven op het punt van de bezoekersaantallen evenmin een eenduidig beeld. Om inzichtelijk te maken wat de gevolgen zijn van de voorgenomen functies voor het verkeer, de verkeersveiligheid, het parkeren en het geluid dient vast te staan om welke bezoekersaantallen het ten hoogste gaat. De raad dient met inachtneming van hetgeen onder 5.2 is overwogen inzichtelijk te maken dat het beoogde gebruik van de gronden dat met het plan mogelijk wordt gemaakt in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening voor wat betreft het verkeer, de verkeersveiligheid, het parkeren en het geluid. Onder 5.4 is in de tussenuitspraak overwogen dat de Afdeling, gelet op 5.2 en 5.3, aanleiding ziet voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de artikelen 3.1, onder e en 4.1.1, onder c, van de planregels, in strijd is met de rechtszekerheid. Tevens berust het bestreden besluit voor zover daaraan de onderzoeksrapporten naar het verkeer, de verkeersveiligheid, het parkeren en het geluid ten grondslag zijn gelegd, en de raad het standpunt heeft ingenomen dat het plan voor wat betreft het verkeer, de verkeersveiligheid, het parkeren en het geluid in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, niet op een deugdelijke motivering en is het plan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. De Afdeling heeft tenslotte in de tussenuitspraak onder 7.7 overwogen dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat er voor het realiseren van het klim- en educatiebos met avonturenpad geen bomen worden gekapt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is verder gebleken dat ter plaatse van het educatiebos de letterzetter (een kever) is aangetroffen en dat de provincie Noord-Brabant mogelijk in verband daarmee heeft besloten om bomen te kappen. Op grond van artikel 4.5.3, is het kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting, als bedoeld in artikel 4.5.1, toelaatbaar, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de aanwezige natuur- en landschapswaarden. De planregels bieden naar het oordeel van de Afdeling voldoende waarborgen tegen onnodige bomenkap. In de hiervoor besproken rapporten is ook in aanmerking genomen dat het een plan betreft met een beperkte omvang. Daarbij is geen aandacht geschonken aan de bezoekersaantallen. Nu in de bovengenoemde rapporten de beperkte omvang van de ontwikkeling van belang is geacht, is ook voor het antwoord op de vraag of het gebruik als klim- en educatiebos zich verdraagt met artikel 3.15 van het Interim omgevingsverordening (hierna: IOV) van belang dat in de planregels is geborgd dat er een kleinschalige ontwikkeling met een regeling voor bezoekersaantallen komt, zoals hiervoor onder 5 is overwogen. Intensieve recreatie is immers niet mogelijk binnen het Natuur Netwerk Brabant (hierna: NNB). Nu in de rapporten wordt geconcludeerd dat de omvang zich verdraagt met artikel 3.15 van het IOV, berust het bestreden besluit, voor zover daar de onderzoeksrapporten naar het NNB aan ten grondslag zijn gelegd en de raad op basis daarvan tot het standpunt is gekomen dat het plan in overeenstemming is met artikel 3.15 van het IOV, niet op een deugdelijke motivering en is het niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. 2. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad het volgende opgedragen: De raad dient met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 5.2 in de artikelen 3.1, onder e, en 4.1.1, onder c, van de planregels of anderszins in het plan te borgen dat het daadwerkelijk om een kleinschalige ontwikkeling gaat. Daartoe dient de raad duidelijk te regelen hoeveel bezoekers er op enig moment maximaal tegelijk in het klim-, speel- en educatiebos kunnen verblijven op de gronden met de bestemmingen "Horeca" en "Natuur" en hoeveel bezoekers er gedurende de openingstijden maximaal per dag in het klim-, speel- en educatiebos kunnen verblijven. De raad zal het bestreden besluit in zoverre dienen te wijzigen door een passende planregeling voor dit onderdeel vast te stellen. De raad dient voorts met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 5.3 en onder 18 aan de hand van onderzoeksrapporten naar het verkeer, de verkeersveiligheid, het parkeren en het geluid inzichtelijk te maken en te motiveren of, en zo ja, waarom het plan voor wat betreft het verkeer, de verkeersveiligheid, het parkeren en het geluid in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De raad dient ten slotte met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 7.7 en onder 18 aan de hand van een onderzoek naar de gevolgen voor het NNB te motiveren dat het plan zich verdraagt met artikel 3.15 IOV. 3. Gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak zijn de beroepen van [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en [appellant sub 1] tegen het besluit van 13 februari 2020 gegrond. Dit besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de rechtszekerheid en de artikelen 3:46 en 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). 4. In overwegingen 18, 19 en 20 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om met inachtneming van overwegingen 5.2, 5.3 en 7.7 de drie gebreken in het besluit van 13 februari 2020 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Lieshoutseweg 6, Nuenen" te herstellen. 5. Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb luidt: "Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben." 6. De Afdeling stelt vast dat met het besluit van 17 februari 2022 (hierna: het herstelbesluit) niet is tegemoet gekomen aan de beroepen van [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en [appellant sub 1]. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb moeten hun beroepen daarom worden geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 3] hebben naar aanleiding van het herstelbesluit zienswijzen ingediend. De Afdeling volgt de raad niet in zijn standpunt dat de zienswijze van [appellant sub 3], die op 14 juni 2022 is binnengekomen bij de Afdeling, buiten beschouwing moet blijven omdat die buiten de door de Afdeling in een brief van 11 april 2022 vermelde termijn is binnengekomen. In de brief van 11 april 2022 heeft de Afdeling een termijn van 4 weken gesteld voor het indienen van zienswijzen. De in de brief van 11 april 2022 vermelde termijn van 4 weken betreft geen fatale termijn en [appellant sub 3] kon nu het onderzoek nog niet was gesloten ook na die tijd nog stukken indienen. 7. De Afdeling stelt vast dat het plan bij het herstelbesluit is gewijzigd. De artikelen 3.1, aanhef en onder e, en 4.1.1, aanhef en onder c, van de planregels zijn gewijzigd en deze luiden als volgt: Artikel 3.1, aanhef en onder e, van de planregels "De voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn bestemd voor klim-, speel en educatiebos met avonturenpad bestaande uit maximaal twee klimparcoursen en één klimparcours in combinatie met een tokkelbaan, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - klim-, speel en educatiebos met avonturenpad' waar per dag tijdens openingstijden maximaal 120 bezoekers, waarvan 50 bezoekers gelijktijdig aanwezig mogen zijn." Artikel 4.1.1, aanhef en onder c, van de planregels "De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor klim-, speel en educatiebos met avonturenpad bestaande uit maximaal twee klimparcoursen en één klimparcours in combinatie met een tokkelbaan, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - klim-, speel en educatiebos met avonturenpad' waar per dag tijdens openingstijden maximaal 120 bezoekers, waarvan 50 bezoekers gelijktijdig aanwezig mogen zijn." Tevens zijn nieuwe paragrafen aan de plantoelichting toegevoegd, zijnde paragraaf 4.13 "Aanpassingen Bestuurlijke lus" en paragraaf 8.5 "Bestuurlijke lus naar aanleiding van tussenuitspraak Raad van State". De paragrafen 6.3.1 "Horeca" en 6.3.2 "Natuur" van de toelichting zijn aangevuld met een uitleg over de juridische borging van de kleinschalige ontwikkeling in artikel 3.1, lid e, en artikel 4.1.1, lid c, van de planregels. Ten slotte zijn bijlagen 9, 10 en 11 aan de plantoelichting toegevoegd betreffende: 9. Herberekening voor de verkeersafswikkeling N615/Moorven/Lieshoutseweg o.b.v. max. bezoekersaantallen klimbos, november 2021. 10. Effectenanalyse NNB klim-, speel en educatiebos, Tritum 13-12-2021. 11. Tussenuitspraak Raad van State. Kleinschaligheid 8. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 3] betogen dat in het plan niet is geborgd dat het om een kleinschalige ontwikkeling gaat, ook niet met de gewijzigde artikelen 3.1, lid e, en 4.1.1, lid c, van de planregels. Het komt erop neer dat in beide artikelen de tekst "een maximaal daggemiddelde van 50 bezoekers" is vervangen door "waar per dag tijdens openingstijden maximaal 120 bezoekers, waarvan 50 bezoekers gelijktijdig aanwezig mogen zijn". Het gewijzigde besluit noemt een maximum van 120 personen en dat is een aanzienlijk groter aantal dan 50. [appellant sub 1] betoogt dat geen sprake meer is van kleinschaligheid nu het maximum per dag is gesteld op 120 personen. Ook betoogt [appellant sub 1] dat ten onrechte niet is onderbouwd hoe deze maximale bezoekersaantallen gehandhaafd zullen worden. Ten slotte betoogt [appellant sub 1] dat het bezoekersaantal alleen is geborgd ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie-, klim-, speel- en educatiebos met avonturenpad". Dit zegt niets over de bezoekersaantallen ter plaatse van de bestemming "Horeca" te weten het restaurant, de multifunctionele horecaruimte en het terras. 8.1. [appellant sub 1] en [appellant sub 3] betogen dat nu de rechtsonzekerheid omtrent de kleinschaligheid van de activiteiten door het gewijzigde besluit is blijven bestaan de onderzoeksrapporten die aan het plan ten grondslag liggen op dit punt ook nog steeds tekort schieten en reeds daarom het gewijzigde besluit niet kunnen dragen. 8.2. In het plan zijn aan de gronden ter plaatse van het klim- speel- en educatiebos de bestemmingen "Natuur" en "Horeca" toegekend. De raad heeft met dit plan willen voorzien in een kleinschalige ontwikkeling in het klim- speel- en educatiebos, waarbij hij het aantal bezoekers heeft willen maximeren. In de tussenuitspraak oordeelde de Afdeling dat de artikelen 4.1.1, onder c, en 3.1, onder e, van de planregels ten aanzien van die maximalisatie onduidelijk en rechtsonzeker waren omdat onduidelijk was hoeveel bezoekers er op enig moment maximaal tegelijk en per dag in het klim-, speel- en educatiebos konden verblijven. De oude regeling liet door deze onduidelijkheid ook een veelvoud van 50 bezoekers op dezelfde dag toe. In de gewijzigde planregels is vastgelegd hoeveel bezoekers er op enig moment maximaal tegelijk en per dag in het gehele klim-, speel- en educatiebos kunnen verblijven, respectievelijk 50 personen en 120 personen. Nu dit maximum in de planregels is vastgelegd, is de regeling niet onduidelijk en rechtsonzeker. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich met dit aantal bezoekers op het standpunt mogen stellen dat het een kleinschalige ontwikkeling betreft. Voor wat betreft het NNB is dit ook nog in aanvulling op de eerdere onderzoeken die in de tussenuitspraak zijn betrokken, toegelicht in de door Tritum uitgevoerde Effectenanalyse NNB klim-, speel en educatiebos van 13 december 2021, die onder bijlage 10 van de plantoelichting is bijgevoegd. De Afdeling acht handhaving van het aantal bezoekers per dag door middel van bijvoorbeeld boekingen vooraf of kaartverkoop niet onmogelijk. De betogen slagen niet. 8.3. Reeds hierom falen ook de betogen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] dat nu de rechtsonzekerheid omtrent de kleinschaligheid door het gewijzigde besluit is blijven bestaan de onderzoeksrapporten op dit punt ook nog steeds tekort schieten. 8.4. In de tussenuitspraak is de regeling voor het klim-, speel- en educatiebos beoordeeld en de opdracht in de tussenuitspraak was daar ook op gericht. De Afdeling constateerde hierboven dat dit gebrek in zoverre is hersteld. Daarmee heeft de raad in zoverre voldaan aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht. 8.5. Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 3] argumenten aanvoeren die geen betrekking hebben op de regeling voor het klim-, speel- en educatiebos maar zien op de horeca, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 1] en [appellant sub 3] hiermee het geschil uitbreiden met een nieuwe, niet eerder aangedragen beroepsgrond. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting alsmede de rechtszekerheid van de andere partij, kan in het licht van de goede procesorde niet worden aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren gebracht hadden kunnen worden. Dit betekent dat deze beroepsgrond buiten inhoudelijke bespreking blijft. Natuur 9. Voor zover [appellant sub 3] argumenten aanvoert omtrent de externe werking van het NNB en de begrenzing van het NNB, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 3] hiermee het geschil heeft uitgebreid met nieuwe, niet eerder aangedragen beroepsgronden. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting alsmede de rechtszekerheid van de andere partij, kan in het licht van de goede procesorde niet worden aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren gebracht hadden kunnen worden. Dit betekent dat deze beroepsgrond buiten inhoudelijke bespreking blijft. 10. Voor zover [appellant sub 3] argumenten aanvoert dat het plan niet uitvoerbaar is voor wat betreft het aanbrengen van de halfverharding op een deel van de Moorven, overweegt de Afdeling het volgende. In overweging 12.2 van de tussenuitspraak is reeds overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat het plan op dit punt niet uitvoerbaar is. Niet kan worden aanvaard dat, behoudens het geval dat een wijziging in het besluit of een verandering van omstandigheden daartoe aanleiding geeft, in een beroep tegen een nieuw besluit dat is genomen na de vernietiging van een eerder besluit of in een zienswijze tegen een nadere motivering na toepassing van artikel 8:51d van de Awb, een appellant nieuwe argumenten kan aanvoeren ten einde te bewerkstellingen dat de rechter terugkomt van een in de eerdere uitspraak als definitief bedoelde verwerping van een beroepsgrond. Een andere opvatting zou op onaanvaardbare wijze afbreuk doen aan de rechtszekerheid van andere partijen in een procedure als deze. Nu het besluit op dit punt niet is gewijzigd, faalt het betoog van [appellant sub 3]. Verkeer 11. [appellant sub 1] betoogt dat volgens de plantoelichting de verkeersbewegingen voor een minimale stijging van de verkeersbewegingen tussen de 1,1 en 1,4 % zouden zorgen. Zij stelt dat er bij de berekening van de verkeersbewegingen van wordt uitgegaan dat de verkeersbewegingen ten behoeve van het bestemmingsplan gelijk over de dag verspreid zijn. Dit is echter zeer onaannemelijk. De meeste bezoekers zullen of in de ochtend of in de middag arriveren en aan het eind van de ochtend of eind van de middag weer vertrekken. Het verkeer kan dan wel degelijk voor knelpunten zorgen. Dit wordt niet inzichtelijk gemaakt in de cijfers. 11.1. [appellant sub 1] betoogt verder dat niet duidelijk is of de maatregelen aan de Moorven voor wat betreft de verharding tot en met de inrit en de inrichting van de inrit voldoende zijn om opstoppingen als gevolg van afslaand verkeer vanaf de N615 naar de Moorven te voorkomen omdat er bij de berekening van de verkeersbewegingen geen rekening is gehouden met piekmomenten. 11.2. [appellant sub 1] betoogt dat er in het plan ten onrechte geen aandacht is voor mogelijk sluipverkeer dat via de Moorven vertrekt indien de wachttijden om de N615 op te draaien te lang worden. Er zijn geen maatregelen voorzien die dit voorkomen. 11.3. [appellant sub 1] betwist niet dat de Lieshoutseweg (=N615) het extra verkeer van en naar het plangebied kan verwerken. De verkeersintensiteit op de N615 bedraagt zo’n 9.000 motorvoertuigbewegingen (mvt) per dag en 6.230 mvt op een weekenddag. Het restaurant en het klim- speel- en educatiebos met avonturenpad heeft haar bezoekerspiek in het weekend en in vakantieperioden, terwijl de aantallen bezoekers op doordeweekse dagen zeer gering zijn. Voor het aantal verkeersbewegingen is van 100 verkeerbewegingen (50 auto’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.