202202749/1/V3. Datum uitspraak: 5 december 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 11 april 2022 in zaak nr. NL21.19384 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 4 augustus 2021 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat de vreemdeling geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft. Ook heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen Nederland binnen 28 dagen te verlaten (hierna: het verwijderingsbesluit). Bij besluit van 15 november 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 11 april 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.G.P. de Boon, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld. Overwegingen Inleiding 1. De vreemdeling heeft de Poolse nationaliteit. Bij besluit van 4 augustus 2021 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat hij geen rechtmatig verblijf heeft als gemeenschapsonderdaan in Nederland, hem opgedragen Nederland binnen 28 dagen te verlaten en hem medegedeeld dat hij kan worden uitgezet als hij dat niet doet. Het gaat in hoger beroep alleen nog om de beoordeling van de termijn van vrijwillig vertrek. Deze uitspraak gaat over de vraag of de door de staatssecretaris gehanteerde vertrektermijn van 28 dagen (vier weken) in overeenstemming is met artikel 30, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn. 1.1. Het wettelijk kader en de relevante overwegingen van het arrest van het Hof van Justitie van 22 juni 2021, F.S., ECLI:EU:C:2021:506 zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Grief van de vreemdeling 2. De vreemdeling voert aan dat de in artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000 genoemde vertrektermijn van vier weken korter is dan de termijn in artikel 30, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn. Daarin is namelijk bepaald dat de vertrektermijn 'minimaal een maand' moet zijn. Dit maakt dat artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000 volgens de vreemdeling in strijd is met de Verblijfsrichtlijn. Daarbij verwijst de vreemdeling naar het arrest F.S. Een termijn van maar vier weken doet afbreuk aan het doel en nuttig effect van de Verblijfsrichtlijn, aldus de vreemdeling. De vreemdeling klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen wezenlijk verschil is tussen een maand en een termijn van vier weken en dat vreemdelingen binnen beide termijnen in staat moeten worden geacht om hun daadwerkelijk en effectief vertrek uit Nederland te kunnen regelen. Beoordeling 2.1. De door de staatssecretaris in het verwijderingsbesluit gehanteerde vertrektermijn van 28 dagen (vier weken), gebaseerd op artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000 is in het algemeen korter dan een maand na kennisgeving als bedoeld in artikel 30, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn. Daarmee verschillen deze termijnen. Uit artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c, van Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden, volgt dat een in het Unierecht vastgelegde termijn van een maand ingaat bij de aanvang van het eerste uur van de eerste dag van de termijn en afloopt aan het einde van het laatste uur van de dag die dezelfde naam of cijferaanduiding heeft als de dag waarop de termijn ingaat (bijvoorbeeld van 2 januari tot en met 2 februari). Dit geldt ook voor de vertrektermijn van een maand als bedoeld in artikel 30, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn. Daarom is een vertrektermijn van vier weken niet gelijk te stellen aan een vertrektermijn van een maand. 2.2. Omdat in artikel 30, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn is bepaald dat, behalve in naar behoren aangetoonde dringende gevallen, de vertrektermijn niet korter dan een maand mag zijn en dit een bindende bepaling is, stelt de Afdeling vast dat dit artikel van de Verblijfsrichtlijn niet correct is omgezet in het nationale recht. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000 in zoverre dus geen juiste implementatie van artikel 30, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn. Wegens strijd met artikel 30, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn moet artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000 daarom buiten toepassing worden gelaten, voor zover daarin voor gemeenschapsonderdanen een vertrektermijn van vier weken is bepaald en geen sprake is van naar behoren aangetoonde dringende gevallen die aanleiding geven tot het verkorten of onthouden van een vertrektermijn. 2.3. Dat betekent dat, gelet op het vorenstaande en nu niet is gesteld of gebleken dat sprake is van omstandigheden die aanleiding geven tot het verkorten of onthouden van de vertrektermijn, de staatssecretaris in het besluit ten onrechte een vertrektermijn van vier weken voor de vreemdeling heeft gehanteerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend. In zoverre slaagt de grief. 3. Omdat artikel 30, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn waarop de vreemdeling een beroep heeft gedaan een voldoende duidelijke en nauwkeurige verplichting oplegt om een vertrektermijn van minimaal een maand te hanteren past de Afdeling dit rechtstreeks toe. De Afdeling zal daarom voor een geval als dit uitgaan van een vertrektermijn van minimaal een maand. Conclusie en slotoverwegingen 4. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd te bespreken. Het beroep is gegrond en het besluit van 15 november 2021 wordt vernietigd, voor zover daarin is bepaald dat de vreemdeling Nederland binnen vier weken moet verlaten. De Afdeling voorziet met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak door het bezwaar tegen het besluit van 4 augustus 2021 alsnog gegrond te verklaren voor wat betreft de onjuiste vertrektermijn, dat besluit te herroepen voor zover de staatssecretaris een vertrektermijn van vier weken heeft gehanteerd, in plaats daarvan een vertrektermijn van een maand te bepalen, en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het gedeeltelijk vernietigde besluit. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Omdat de griffier geen griffierecht heeft geheven, hoeft de staatssecretaris dat niet te vergoeden. 5. De Afdeling benadrukt dat deze uitspraak niet van toepassing is op onderdanen uit derde landen die niet onder de Verblijfsrichtlijn vallen. Verder wijst de Afdeling erop dat het aan de wetgever is om de in deze uitspraak geconstateerde lacune desgewenst in de wetgeving te repareren. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 11 april 2022 in zaak nr. NL21.19384; III. verklaart het beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van 15 november 2021, V-[…], voor zover de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid daarin heeft bepaald dat de vreemdeling Nederland binnen vier weken moet verlaten; V. herroept het besluit, van 4 augustus 2021, V-[…], voor zover de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid daarin een vertrektermijn van vier weken heeft opgenomen; VI. stelt in plaats daarvan de vertrektermijn voor de vreemdeling vast op een maand; VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; VIII. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.818,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Verweij, griffier. w.g. Wissels voorzitter w.g. Verweij griffier Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2022 722 BIJLAGE Verordening nr. 1182/71 (PB 1971 L 124) Artikel 1 Behoudens andersluidende bepalingen, is deze verordening van toepassing op door de Raad en de Commissie krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap of het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie vastgestelde of vast te stellen rechtshandelingen. Artikel 3 1. Wanneer een in uren omschreven termijn ingaat op het ogenblik waarop een gebeurtenis of een handeling plaatsvindt, wordt het uur waarin deze gebeurtenis of handeling plaatsvindt, niet bij de termijn inbegrepen. Wanneer een in dagen, weken, maanden of jaren omschreven termijn ingaat op het ogenblik waarop een gebeurtenis of handeling plaatsvindt, wordt de dag waarop deze gebeurtenis of handeling plaatsvindt, niet bij de termijn inbegrepen. 2. Behoudens het bepaalde in de leden 1 en 4 :
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.