202101727/1/V
- Datum uitspraak: 8 februari 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 17 februari 2021 in zaak nr. 20/197 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 23 december 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om opheffing van het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod afgewezen. Bij tussenuitspraak van 24 september 2020 heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om een aan dat besluit klevend gebrek te herstellen. Bij besluit van 3 november 2020 heeft de staatssecretaris een aanvullend besluit genomen. Bij uitspraak van 17 februari 2021 heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. Z.M. Alaca, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld. Overwegingen
- Wat de vreemdeling in de eerste en tweede grief aanvoert over de opheffing van het inreisverbod, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
- De vreemdeling klaagt in zijn derde grief terecht dat de rechtbank ten onrechte niet heeft bepaald dat de staatssecretaris het voor het beroep betaalde griffierecht en de proceskosten moet vergoeden. Nu de rechtbank bij tussenuitspraak een motiveringsgebrek aan het besluit van 23 december 2019 heeft geconstateerd en de staatssecretaris de gelegenheid heeft gegeven dat gebrek te herstellen, heeft de vreemdeling moeten procederen om een deugdelijke motivering te krijgen. In dat geval heeft hij ook recht op vergoeding van de proceskosten en vergoeding van het griffierecht. De grief slaagt.
- Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover deze niet inhoudt dat de staatssecretaris de proceskosten en het voor het beroep betaalde griffierecht vergoedt. De uitspraak van de rechtbank wordt voor het overige bevestigd. De Afdeling zal bepalen dat de staatssecretaris aan de vreemdeling alsnog de proceskosten en het griffierecht vergoedt. De staatssecretaris moet ook de in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 17 februari 2021 in zaak nr. 20/197, voor zover deze niet inhoudt dat de staatssecretaris de proceskosten en het voor het beroep betaalde griffierecht vergoedt; III. bevestigt die uitspraak voor het overige; IV. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.415,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; V. gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdeling het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 178,00 vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier. w.g. Van Gastel lid van de enkelvoudige kamer w.g. Tibold griffier Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2022 802-992
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.