← Nederland

ECLI:NL:RVS:2022:3917

202003707/1/R3Datum uitspraak: 21 december 2022 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:

  1. appellant sub 1], wonend te Rosmalen, gemeente ‘s-Hertogenbosch,
  2. [ appellant sub 2], wonend te 's-Hertogenbosch, en anderen,
  3. [ appellant sub 3], wonend te Rosmalen, gemeente ‘s-Hertogenbosch,
  4. [ appellant sub 4], wonend te 's-Hertogenbosch,
  5. [ appellant sub 5], wonend te Boxtel,
  6. [ appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], beiden wonend te Vught (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 6]),
  7. [ appellant sub 7], wonend te Vught, en anderen,
  8. [ appellant sub 8A] en [appellant sub 8B], beiden wonend te Waardenburg, gemeente West Betuwe (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 8]),
  9. [ appellant sub 9] en anderen, allen wonend te Vught,
  10. [ appellant sub 10A] en [appellant sub 10B], beiden wonend te Vught (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 10]),
  11. [ appellant sub 11], wonend te ‘s-Hertogenbosch,
  12. Landgoed Beukenhorst NSW B.V., gevestigd te Vught, en anderen (hierna: Landgoed Beukenhorst en anderen),
  13. Bewonersvereniging Leefbare Binnenstad/Wijkraad Binnenstad (BLB), gevestigd te ’s-Hertogenbosch, (hierna: BLB),
  14. [ appellant sub 14A] en [appellant sub 14B], beiden wonend te Boxtel,
  15. [ appellant sub 15], wonend te Boxtel,
  16. Vereniging van eigenaren [locatie 1] en [locatie 2] te ’s-Hertogenbosch, gevestigd te 's-Hertogenbosch, en anderen (hierna: VvE Koningsweg en anderen),
  17. [ appellant sub 17A] en [appellant sub 17B], beiden wonend te Vught (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 17]),
  18. Buurtvereniging De Vughterpoort, gevestigd te ‘s-Hertogenbosch, en anderen,
  19. [ appellant sub 19], wonend te 's-Hertogenbosch,
  20. [ appellant sub 20] en anderen, allen wonend te Hedel, gemeente Maasdriel,
  21. Vereniging Samen voor Vught, gevestigd te Vught,
  22. [ appellant sub 22A] en [appellant sub 22B], beiden wonend te 's-Hertogenbosch,
  23. Vereniging Spoorzicht, gevestigd te 's-Hertogenbosch,
  24. [ appellant sub 24] en anderen, allen wonend te 's-Hertogenbosch,
  25. [ appellant sub 25], wonend te Vught,
  26. [ appellant sub 26], wonend te Vught,
  27. [ appellant sub 27], wonend te Boxtel,
  28. [ appellant sub 28], wonend te 's-Hertogenbosch,
  29. [ appellante sub 29], gevestigd te Boxtel,
  30. [ appellant sub 30A] en [appellant sub 30B], beiden wonend te Esch, gemeente Boxtel (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 30]),
  31. [ appellant sub 31], wonend te Vught,
  32. [ appellant sub 32], wonend te Zaltbommel, appellanten, en de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 14 mei 2020 heeft de staatssecretaris het tracébesluit "Programma Hoogfrequent Spoorvervoer Meteren - Boxtel" (hierna: het tracébesluit) vastgesteld. Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend. Bij besluit van 7 januari 2022 heeft de staatssecretaris het tracébesluit op onderdelen gewijzigd vastgesteld. Meerdere appellanten hebben naar aanleiding van dit wijzigingsbesluit een zienswijze naar voren gebracht. [appellant sub 32] heeft naar aanleiding van het wijzigingsbesluit van 7 januari 2022 beroep ingesteld. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 en 25 maart 2022, waar een aantal appellanten is verschenen of zich heeft laten vertegenwoordigen. Ook de staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Awb heropend en de staatssecretaris op grond van artikel 8:45 van de Awb verzocht nadere schriftelijke inlichtingen te geven naar aanleiding van een beroepsgrond over externe veiligheid van de appellanten [appellant sub 17], [appellant sub 10] en Vereniging Samen voor Vught. De staatssecretaris heeft de nadere schriftelijke inlichtingen aan de Afdeling toegezonden. De Afdeling heeft [appellant sub 17], [appellant sub 10] en Vereniging Samen voor Vught vervolgens in de gelegenheid gesteld hierop schriftelijk te reageren. Vereniging Samen voor Vught heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft geen van deze partijen verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. De Afdeling heeft vervolgens met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb het onderzoek gesloten. Overwegingen INLEIDING
  33. Het tracébesluit is onderdeel van het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (hierna: PHS). In de toelichting op het tracébesluit staat dat het doel van het PHS is om op de drukste trajecten van het landelijk spoornetwerk te komen tot hoogfrequent spoorvervoer en een toekomstvaste routering van het goederenvervoer met zo intensief mogelijk gebruik van de Betuweroute. Uitgangspunt van het PHS is dat op de drukste trajecten reizigers elke tien minuten moeten kunnen opstappen op een sprinter of intercity. Het tracébesluit bestaat uit twee onderdelen die noodzakelijk zijn voor het PHS, zo staat in de toelichting. Het eerste onderdeel is het realiseren van viersporigheid tussen ’s-Hertogenbosch en Vught en een vrije kruising bij Vught. Hierdoor wordt het treinverkeer op de corridor Amsterdam - Eindhoven ontvlochten van de corridor Tilburg - Nijmegen. Zonder deze capaciteitsuitbreiding is volgens de toelichting geen robuuste dienstregeling mogelijk voor het hoogfrequente reizigersverkeer op de corridor Amsterdam - Eindhoven en in Noord-Brabant. Samenhangend met het realiseren van de viersporigheid tussen ’s-Hertogenbosch en Vught, wordt in Vught het bestaande spoorlichaam met twee sporen vervangen door een verdiept liggende bak met twee sporen. Het tweede onderdeel van het tracébesluit is het realiseren van een nieuwe spoorboog bij Meteren om een extra route voor het goederenvervoer mogelijk te maken. In de huidige situatie maken de goederentreinen richting het zuiden van het land gebruik van de route Dordrecht, Breda, Tilburg en Boxtel: de zogenoemde Brabantroute. De nieuwe spoorboog bij Meteren maakt het mogelijk dat de goederentreinen richting het zuiden van het land in plaats van de Brabantroute gebruikmaken van de bestaande Betuweroute, die speciaal is bedoeld voor goederentreinen, om vervolgens bij Meteren via de nieuwe verbindingsboog richting het zuiden van het land te rijden over de bestaande spoorlijn tussen ’s-Hertogenbosch en Boxtel.
  34. Bij besluit van 7 januari 2022 heeft de staatssecretaris het tracébesluit op onderdelen gewijzigd vastgesteld. Het gaat om een wijziging van de geluidschermen bij de N65 in Vught en om enkele wijzigingen op het gebied van trilling. Dit besluit maakt, gelet op artikel 6:19 van de Awb, van rechtswege onderdeel uit van deze procedure.
  35. Appellanten vrezen allen dat het tracébesluit negatieve effecten heeft voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van het tracégebied. Het gaat daarbij in het bijzonder om geluid- en trillinghinder en de gevolgen voor de veiligheid en de luchtkwaliteit. In het onderstaande zal de Afdeling de door appellanten naar voren gebrachte beroepsgronden zoveel mogelijk per onderwerp gezamenlijk behandelen. Het besluit van 14 mei 2020 en het nadere besluit van 7 januari 2022 worden daarbij gelijktijdig besproken. De onderwerpen worden besproken in de volgende volgorde: - ontvankelijkheid van het beroep van [appellant sub 32] (overweging 4); - procedureel (overwegingen 5 en 6); - nut en noodzaak en alternatieven (overwegingen 7 - 18); - spoorgeluid (overwegingen 19 - 54); - trilling (overwegingen 56 - 95.4); - laagfrequent geluid (overwegingen 96 - 101); - externe veiligheid (overwegingen 102 - 112); - aanpassing aan de overwegen in het kader van de veiligheid (overwegingen 113 en 114); - luchtkwaliteit (overwegingen 115 - 117); - gezondheidseffecten in samenhang beschouwd ook in het licht van de cumulatieve effecten (overweging 119); - stikstof/natuur (overweging 120); - beroepsgronden over hinder en schade tijdens de realisatie (overwegingen 121 - 128); - overige individuele beroepsgronden (overwegingen 129 - 142); - waardevermindering (overweging 144); - het beroep van [appellant sub 6] (overweging 145); - verwijzing zienswijzen (overweging 147); - conclusie (overwegingen 148 - 151). ONTVANKELIJKHEID VAN HET BEROEP VAN [APPELLANT SUB 32]
  36. [appellant sub 32] heeft alleen tegen het besluit van 7 januari 2022, waarbij het tracébesluit van 14 mei 2020 op onderdelen gewijzigd is vastgesteld, beroep ingesteld. Omdat [appellant sub 32] geen beroep heeft ingesteld tegen het tracébesluit van 14 mei 2020, moet er, gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting en de rechtszekerheid van de andere partijen, van worden uitgegaan dat [appellant sub 32] in het besluit van 14 mei 2020 heeft berust. Dat betekent dat [appellant sub 32] tegen het besluit van 7 januari 2022 slechts kan opkomen voor zover dat besluit haar ten opzichte van het besluit van 14 mei 2020 in een nadeliger positie heeft gebracht (vergelijk onder meer de uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:576, overweging 14.1). De Afdeling is van oordeel dat dit niet het geval is. Zoals hiervoor onder 2 is overwogen, bevat het besluit van 7 januari 2022 een wijziging wat betreft de geluidschermen bij de N65 in Vught en enkele wijzigingen op het gebied van trilling. Deze wijzigingen zien niet op de locatie in Zaltbommel waar [appellant sub 32] woont. Het wijzigingsbesluit voorziet, anders dan [appellant sub 32] op de zitting heeft gesteld, niet in een wijziging van de geluidschermen bij het tracé in Zaltbommel. Omdat [appellant sub 32] door het wijzigingsbesluit van 7 januari 2022 niet in een nadeliger positie is gebracht ten opzichte van het besluit van 14 mei 2020, is het beroep van [appellant sub 32] tegen het wijzigingsbesluit van 7 januari 2022 niet-ontvankelijk. PROCEDUREEL
  37. VvE Koningsweg en anderen hebben hun beroepsgrond dat het tracébesluit ten onrechte is ondertekend door de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: de staatssecretaris) in plaats van de minister van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: de minister) op de zitting ingetrokken. De Afdeling zal deze beroepsgrond daarom verder niet inhoudelijk bespreken.
  38. [ appellant sub 10] wijst op de volgens hem grote hoeveelheid aan specialistische informatie die aan het tracébesluit ten grondslag ligt. De omvang en toegankelijkheid van die informatie staat niet in verhouding tot de inzageperiode van zes weken, aldus [appellant sub 10]. In dit verband stelt hij dat de beschikbare informatie onvoldoende toegankelijk en begrijpelijk is gemaakt. 6.
  39. Op zichzelf is het juist dat aan het tracébesluit een groot aantal rapporten, deels over technische onderwerpen, ten grondslag ligt. De opvatting van [appellant sub 10] dat deze informatie voor hem onvoldoende toegankelijk en begrijpelijk zou zijn gemaakt en dat daarmee het tracébesluit onzorgvuldig is voorbereid, deelt de Afdeling niet. Zo bevatten de rapporten samenvattingen en conclusies, is over het tracébesluit een projectwebsite beschikbaar en is ook in de toelichting op het tracébesluit per onderwerp ingegaan op de onderzoeken die aan het besluit ten grondslag liggen. Van een onzorgvuldige voorbereiding van het tracébesluit is in zoverre geen sprake. Daarnaast heeft de Afdeling al eerder overwogen dat ook bij omvangrijke besluiten een termijn van zes weken voor het naar voren brengen van zienswijzen over het ontwerpbesluit en de beroepsgronden over het vastgestelde besluit voldoende is om te kunnen wijzen op essentiële gebreken in het (ontwerp)besluit (vergelijk onder meer de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, overweging 29.2). Het betoog slaagt niet. NUT EN NOODZAAK EN ALTERNATIEVEN
  40. Een groot aantal appellanten heeft beroepsgronden naar voren gebracht over het nut en de noodzaak van het tracébesluit en de mogelijke alternatieven. In het onderstaande zal de Afdeling deze beroepsgronden bespreken. Noodzaak voor een nieuwe verbinding voor goederenvervoer over het spoor
  41. Hiervoor is onder 1 vermeld dat het goederenvervoer richting het zuiden van het land op dit moment gebruik maakt van de zogenoemde Brabantroute. Het tracébesluit voorziet door middel van de nieuwe spoorboog bij Meteren in een extra route voor het goederenvervoer richting het zuiden van het land. In het onderstaande zal de Afdeling ingaan op de betogen die betrekking hebben op de noodzaak van deze extra goederenroute. Daarbij komen ook de vragen aan de orde of de bestaande Betuwe- en Brabantroute nog voldoende mogelijkheden bieden om het goederenvervoer richting het zuiden van het land af te wikkelen en of in plaats van goederenvervoer over het spoor ook kan worden ingezet op het verder faciliteren van goederenvervoer over de weg of ondergronds. Behoefte aan en mogelijkheden voor het benutten van de bestaande Betuwe- en Brabantroute
  42. [ appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 15], [appellant sub 24] en anderen, [appellant sub 4], [appellant sub 19], [appellant sub 31], [appellant sub 17], Landgoed Beukenhorst en anderen en [appellant sub 7] en anderen betwijfelen of, gelet op de coronacrisis en de invloed daarvan op de mobiliteit, nog behoefte bestaat aan de spooraanpassingen waarin het tracébesluit voorziet. Ook BLB, Buurtvereniging De Vughterpoort en anderen en VvE Koningsweg en anderen twijfelen aan deze behoefte. Volgens hen is de verwachting dat het aantal goederentreinen richting het zuiden van het land zal toenemen niet gebaseerd op actuele onderzoeken naar de behoefte aan goederenvervoer over het spoor. Zij en [appellant sub 17] stellen in dit verband dat weliswaar wordt gesteld dat de Nationale Markt- en Capaciteitsanalyse 2017 (hierna: NMCA2017) een doorgaande groei van het goederen- en reizigersvervoer over het spoor laat zien, maar dit onderzoek is volgens hen verouderd. VvE Koningsweg en anderen wijzen hierbij op artikel 12, eerste lid, van de Tracéwet, waaruit volgens hen volgt dat de staatssecretaris zich bij de vaststelling van het tracébesluit slechts mag baseren op gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar. Gelet op de omstandigheid dat de behoefteprognoses dateren van 2017 en het tracébesluit is vastgesteld in 2020, wordt hier volgens hen niet aan voldaan. Ook indien wordt uitgegaan van een toename van het goederenvervoer over het spoor, is volgens verschillende appellanten niet toereikend onderbouwd waarom het tracé Meteren-Boxtel voor goederenvervoer moet worden benut. Enkele van voornoemde appellanten, als ook [appellant sub 10], Vereniging Samen voor Vught, [appellant sub 9] en anderen en [appellanten sub 22] wijzen hierbij op de Betuweroute die volgens hen specifiek is bedoeld voor goederenvervoer over het spoor en volgens hen nog voldoende capaciteit heeft voor een eventuele toename aan goederentreinen. Het beter benutten van de capaciteit van de Betuweroute maakt het benutten van de spoorlijn Meteren-Boxtel voor goederenvervoer volgens hen overbodig. [appellanten sub 22] stellen in dit verband dat de capaciteit van de Betuweroute nog verder zal worden vergroot als gevolg van de aanleg van een derde spoor in Duitsland tussen Emmerich en Oberhausen. Naast de Betuweroute wijzen [appellanten sub 22] ook op de bestaande Brabantroute, die volgens hen vergelijkbaar is met het traject Meteren-Boxtel en eventueel na aanpassing voldoende capaciteit heeft voor een toename aan goederentreinen. Dit geldt volgens hen zeker in de avond en nacht wanneer er minder reizigerstreinen rijden over de Brabantroute. 9.
  43. Zoals hiervoor onder 1 is overwogen, maakt de in het tracébesluit voorziene nieuwe spoorboog bij Meteren een extra route voor het goederenvervoer mogelijk richting het zuiden van het land. Aan de noodzaak voor deze extra goederenverbinding liggen verschillende redenen ten grondslag die in onder meer paragraaf 1.6 van de toelichting op het tracébesluit en paragraaf 2.2 van de Nota van Antwoord uiteen zijn gezet. Vooropgesteld wordt in de toelichting dat de verschillende spoorlijnen voor het goederenvervoer in Nederland een cruciale schakel vormen in de achterlandverbindingen en daarmee van groot belang zijn voor de Nederlandse economie en de internationale concurrentiepositie. Het bieden van mogelijkheden voor vervoer over niet alleen de weg en het water, maar ook over het spoor, wordt voor het behoud van de concurrentiepositie van Nederland van groot belang geacht. In dit verband wordt gewezen op de Lange Termijn Spooragenda die erop is gericht het goederenvervoer over het spoor in omvang te laten groeien van 42 miljoen ton in 2016 naar 54 tot 61 miljoen ton in 2030, om zo een belangrijke bijdrage te kunnen leveren aan het beperken van het toenemend goederenvervoer over de weg. Hiervoor is een robuust spoornet noodzakelijk. Het tracébesluit draagt hieraan bij, omdat met de verbinding voor goederenvervoer tussen Meteren en Boxtel een extra goederenroute ontstaat van de Rotterdamse haven naar Zuid-Nederland en het Ruhrgebied, waarmee ook in geval van storingen en onderhoud de voor de Nederlandse economie belangrijke verbinding met het Ruhrgebied over het spoor beschikbaar blijft. De staatssecretaris wijst er daarbij op dat goederenvervoer, anders dan reizigersvervoer, geen vaste dienstregeling kent, maar vraaggestuurd is. Door steeds grotere schepen is sprake van steeds grotere pieken en dalen in de vraag naar goederenvervoer. Die pieken en dalen kunnen volgens de staatssecretaris met de extra goederenroute die het tracébesluit mogelijk maakt beter worden opgevangen. Naast het robuuste spoornet is - zoals appellanten ook stellen - in de toelichting op het tracébesluit ook gewezen op de verwachte toename aan goederenvervoer over het spoor vanwege economische groei. Hierbij is gebruik gemaakt van de cijfers uit de NMCA
  44. De Afdeling stelt voorop dat, anders dan VvE Koningsweg en anderen betogen, uit artikel 12, eerste lid, van de Tracéwet niet volgt dat de staatssecretaris zich bij de vaststelling van het tracébesluit niet zou mogen baseren op gegevens en onderzoeken ouder dan twee jaar. Dit artikel bepaalt alleen dat een tracébesluit "in ieder geval" mag worden gebaseerd op gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar, waaruit volgt dat gebruik van dergelijke gegevens geen nadere motivering of rechtvaardiging behoeft. Gebruik van oudere gegevens en onderzoeken is mogelijk indien deze gegevens nog bruikbaar zijn. De Afdeling ziet in de omstandigheid dat gebruik is gemaakt van de NMCA 2017 geen aanleiding om aan het nut en de noodzaak van het tracébesluit te twijfelen. Naast het feit dat het nut en de noodzaak immers niet alleen zijn gebaseerd op de cijfers van de NMCA 2017, geldt bovendien dat uit de toelichting op het tracébesluit volgt dat ook in geval wordt uitgegaan van een lagere economische groei dan waar de NMCA 2017 van uitgaat, nog steeds behoefte bestaat aan de extra spoorverbinding tussen Meteren en Boxtel. Dit hangt samen met het hiervoor onder 1 vermelde doel van het PHS om te komen tot een hoogfrequent spoorvervoer voor reizigers. Om dit mogelijk te maken zal op de Brabantroute, die op dit moment wordt gebruikt als goederenroute richting het zuiden van het land, meer capaciteit beschikbaar moeten komen voor reizigerstreinen. In paragraaf 1.6.3 van de toelichting op het tracébesluit staat dat als gevolg hiervan op de Brabantroute nog slechts ruimte is voor twee in plaats van de huidige vijf goederenpaden. De Afdeling ziet geen aanleiding te twijfelen aan de stelling in de toelichting dat dit ontoereikend is om de goederenstroom richting het zuiden van Nederland, ook bij een lagere economische groei dan volgt uit de NMCA 2017, te kunnen afwikkelen. 9.
  45. Gelet op wat hiervoor is overwogen over de benodigde capaciteit voor extra reizigerstreinen op de Brabantroute, ziet de Afdeling ook geen aanleiding [appellanten sub 22] te volgen in hun betoog dat de Brabantroute reeds voldoende capaciteit biedt om het goederenverkeer richting het zuiden van het land af te wikkelen. Hierbij wijst de Afdeling erop dat voorafgaand aan de vaststelling van het tracébesluit onderzoek is gedaan naar de door [appellanten sub 22] aangedragen mogelijkheid om de Brabantroute aan te passen om op deze route meer ruimte te bieden voor goederenvervoer. In paragraaf 2.4.5 van het milieueffectrapport (hierna: MER) is hierover vermeld dat op de Brabantroute een aanpassing van de infrastructuur nodig is om naast de toename aan reizigerstreinen ook ruimte te blijven bieden voor de huidige vijf goederenpaden. In het MER zijn deze maatregelen afgezet tegen de maatregelen die nodig zijn om het traject Meteren-Boxtel geschikt te maken voor goederenvervoer en is geconcludeerd dat het geschikt maken van de Brabantroute voor meer dan twee goederenpaden 200 tot 300 miljoen euro duurder uitvalt. Naast deze hoge investeringskosten, is in het MER ook gewezen op de omstandigheid dat de nieuwe spoorboog bij Meteren bewerkstelligt dat goederentreinen richting het zuiden van het land in plaats van de Brabantroute vaker gebruik zullen maken van de Betuweroute, die specifiek voor het goederentransport per spoor is gerealiseerd. Ook het kabinetsbeleid is gericht op het meer benutten van de Betuweroute voor goederenvervoer, omdat de Betuweroute als voordeel heeft dat deze spoorlijn niet hoeft te worden gedeeld met personenvervoer, meer flexibiliteit biedt en relatief veilig is vanwege het grotendeels ontbreken van overwegen. Gelet hierop heeft de staatssecretaris toereikend gemotiveerd waarom in het tracébesluit is gekozen voor aanpassingen aan het traject Meteren-Boxtel in plaats van aan de Brabantroute. 9.
  46. Verder ziet de Afdeling geen aanleiding appellanten te volgen in hun opvatting dat het beter benutten van de Betuweroute het geschikt maken van de route Meteren-Boxtel voor goederenvervoer overbodig maakt. Daarbij wijst de Afdeling op de vermelding in de Nota van Antwoord dat het niet mogelijk is het goederenvervoer per trein naar Duitsland in zijn geheel over de Betuweroute te laten lopen, omdat een deel van het voorziene goederenvervoer bestemmingen in Zuidoost-Nederland heeft, zoals Venlo of Geleen, die niet via de Betuweroute bereikbaar zijn. De door [appellanten sub 22] genoemde aanleg van een derde spoor in Duitsland maakt dit niet anders. Om die reden ziet de Afdeling ook geen aanleiding appellanten te volgen in hun betoog dat de Betuweroute in plaats van het tracé Meteren-Boxtel dient te worden benut voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Zoals de staatssecretaris ook stelt in het verweerschrift, is er geen mogelijkheid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen tussen Rotterdam en Zuidoost-Nederland, waarbij alleen van de Betuweroute gebruik gemaakt wordt. 9.
  47. De betogen slagen niet. Andere mogelijkheden voor goederenvervoer, zoals over de weg, het water en ondergronds
  48. [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 15], [appellant sub 24] en anderen, [appellant sub 4] en [appellant sub 17] betogen dat treinen niet schoner zijn dan vrachtvervoer. Zij wijzen daarbij op het energieverbruik en de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen als gevolg van het goederenvervoer over het spoor. Ook wijzen zij, Landgoed Beukenhorst en anderen en [appellant sub 7] en anderen op de hoge kosten die volgens hen zijn verbonden aan het onderhoud van het spoor. De hiermee gepaard gaande hogere transportkosten zijn volgens hen nadelig voor de economische concurrentiepositie van Nederland. Dit geldt volgens Landgoed Beukenhorst en anderen en [appellant sub 7] en anderen ook voor de hoge bouwkosten, zoals de omleidingskosten voor verkeer, ter uitvoering van het tracébesluit. 10.
  49. Hiervoor is onder 9.1 gewezen op de vermelding in de aan het tracébesluit ten grondslag liggende stukken dat het voor de Nederlandse economie en de internationale concurrentiepositie noodzakelijk is dat goederenvervoer via meerdere modaliteiten mogelijk is, dus niet alleen over de weg en het water, maar ook over het spoor. Hieraan ligt ten grondslag dat goede spoorverbindingen essentieel zijn voor onder meer de verbinding tussen de mainport Rotterdam en andere logistieke centra in zowel Nederland als het buitenland. De Afdeling ziet geen aanleiding aan deze noodzaak te twijfelen. Daarbij wijst de Afdeling op de niet onbeperkte capaciteit van het goederenvervoer over de weg en de beperkingen bij goederenvervoer over het water, zoals lage waterstanden en het ontbreken van de mogelijkheid om via het water alle voor het goederenvervoer noodzakelijke gebieden te kunnen bereiken. Om die reden ziet de Afdeling in de stellingen van verscheidene appellanten dat vervoer over het spoor mogelijk niet schoner is dan vrachtvervoer over de weg en dat aan het verder faciliteren van het goederenvervoer over het spoor hoge onderhouds- en bouwkosten zijn verbonden, daargelaten de juistheid daarvan, geen aanleiding aan de noodzaak van dit tracébesluit te twijfelen. Daarbij wijst de Afdeling er bovendien op dat het tracébesluit niet alleen tot doel heeft het goederenvervoer over het spoor te faciliteren, maar ook om de capaciteit van het spoor uit te breiden om hoogfrequent reizigersvervoer te accommoderen. 10.
  50. De betogen slagen niet.
  51. [ appellant sub 27] heeft gewezen op de mogelijkheid om te kiezen voor ondergrondse leidingen in plaats van voor goederenvervoer over het spoor. De Afdeling ziet geen aanleiding de staatssecretaris niet te volgen in zijn opvatting dat ondergrondse leidingen in dit geval geen alternatief vormen voor het goederenvervoer over het tracé Meteren-Boxtel, reeds omdat het aantal ondergrondse leidingen voor vervoer van gevaarlijke stoffen beperkt is en daarnaast via dergelijke leidingen slechts een beperkt deel van het goederentransport kan plaatsvinden, namelijk hoofdzakelijk vloeistoffen en gassen en geen containervervoer, waarvoor het spoor ook in belangrijke mate wordt benut. Het betoog slaagt niet. Alternatieve goederenverbindingen over het spoor in plaats van de nieuwe spoorboog bij Meteren
  52. In voorgaande overwegingen is ingegaan op de noodzaak om naast de Brabant- en Betuweroute een extra route voor goederenvervoer over het spoor richting het zuiden van het land mogelijk te maken. Uitgaande van deze noodzaak, is de vervolgvraag of er naast het tracé Meteren-Boxtel hiervoor nog andere alternatieve tracéliggingen mogelijk zijn. In het onderstaande zal de Afdeling de betogen hierover beoordelen. Daarbij merkt de Afdeling op dat daarbij uitsluitend wordt ingegaan op de alternatieven die hierover in de beroepschriften naar voren zijn gebracht. Aangedragen alternatieve tracéliggingen die pas op de zitting naar voren zijn gebracht, laat de Afdeling op grond van de goede procesorde buiten inhoudelijke bespreking.
  53. [ appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 15], [appellant sub 24] en anderen, [appellant sub 4], [appellant sub 17], Landgoed Beukenhorst en anderen en [appellant sub 7] en anderen betogen dat in internationaal verband afspraken zijn gemaakt over de afwikkeling van het goederenvervoer over het spoor, waaronder over de IJzeren Rijn en de aanleg van een noord- en zuidtak van de Betuweroute. In plaats van de bestaande passagiersspoorlijn tussen Meteren en Boxtel op te waarderen tot goederenverbinding, had volgens hen gekozen moeten worden voor de realisatie van een nieuwe goederenspoorlijn waarover in internationaal verband in het verleden afspraken zijn gemaakt. Voornoemde appellanten, alsmede BLB en Buurtvereniging De Vughterpoort en anderen en VvE Koningsweg en anderen, benadrukken in dit verband dat het noodzakelijk is een goederenspoorlijn buiten stedelijk gebied te situeren om zo negatieve effecten voor het woon- en leefklimaat van omwonenden te voorkomen. Zij wijzen hierbij op de maatschappelijke kosten die volgens hen zijn verbonden aan het faciliteren van goederenvervoer over het spoor door stedelijk gebied, waaronder gezondheidsklachten van omwonenden en de daarmee gepaard gaande kosten voor de maatschappij. 13.
  54. De door appellanten aangedragen alternatieven betreffen geen opwaardering van een bestaande spoorlijn, waarin het tracébesluit voorziet, maar de aanleg van een grotendeels volledig nieuwe spoorlijn voor goederenvervoer, zoals de aanleg van een nieuwe zuidtak van de Betuweroute. Dat met de aanleg van een nieuwe spoorlijn het goederenvervoer mogelijk meer buiten dorpen en steden kan worden afgewikkeld, betekent niet dat de staatssecretaris om die reden in zijn alternatievenonderzoeken dergelijke alternatieven had moeten meenemen. Naast het feit dat de aanleg van een volledig nieuwe spoorlijn wat betreft de realisatiekosten wezenlijk verschilt van de opwaardering van een bestaande spoorlijn, wordt met alleen de aanleg van een nieuwe spoorlijn voor goederenvervoer niet voldaan aan het doel van het project waarvoor dit tracébesluit is vastgesteld. Dit doel is immers niet alleen het verder faciliteren van het goederenvervoer over het spoor, maar ook het geschikt maken van het bestaande spoornetwerk voor intensiever reizigersvervoer. Beide doelstellingen worden in dit project met elkaar gecombineerd, omdat de capaciteitsuitbreiding van het spoor tussen ’s-Hertogenbosch en Vught ten behoeve van het reizigersvervoer ook mogelijkheden biedt om het tracé Meteren-Boxtel intensiever te benutten voor reizigersvervoer. De verschillende opties voor de aanleg van een volledig nieuwe spoorlijn voor het goederenvervoer vormen, gelet op het grote verschil in realisatiekosten en de doelstellingen van dit tracébesluit, in dit geval geen redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven. De betogen slagen niet.
  55. VvE Koningsweg en anderen betogen dat in plaats van het opwaarderen van het tracé Meteren-Boxtel ook had kunnen worden gekozen voor het opwaarderen van de Maaslijn. Ook de Maaslijn is namelijk een bestaande spoorlijn, waarbij volgens hen net als bij het tracé Meteren-Boxtel de werkzaamheden kunnen worden gecombineerd met de werkzaamheden ten behoeve van het reizigersvervoer. Zij wijzen daarbij op de plannen van de provincies Gelderland, Noord-Brabant en Limburg om de Maaslijn te verbeteren voor reizigerstreinen, waarvoor volgens hen al een budget van ruim € 200 miljoen beschikbaar is gesteld. Met de stelling van de staatssecretaris dat het geschikt maken van de Maaslijn voor goederenvervoer aanzienlijk hogere investeringskosten vereist, namelijk € 900 miljoen, kunnen VvE Koningsweg en anderen zich niet verenigen. Door het budget van ruim € 200 miljoen dat al voor de Maaslijn beschikbaar is gesteld samen te voegen met het budget van ruim € 500 miljoen dat voor het tracébesluit Meteren-Boxtel zal worden benut, is volgens hen reeds een budget van ruim € 700 miljoen beschikbaar. De meerkosten die dan nog resteren wegen volgens hen minder zwaar dan de voordelen die het benutten van de Maaslijn voor goederenvoer biedt. 14.
  56. In reactie op het aangedragen alternatief over de Maaslijn stelt de staatssecretaris voorop dat, anders dan VvE Koningsweg en anderen veronderstellen, niet op voorhand kan worden geconcludeerd dat het benutten van de Maaslijn voor goederenvervoer aanmerkelijke voordelen biedt in vergelijking met het tracé Meteren-Boxtel. Daarbij wijst de staatssecretaris erop dat net als langs het tracé Meteren-Boxtel, ook langs de Maaslijn stedelijke bevolkingsconcentraties zijn gelegen, zoals Nijmegen, Venray en Venlo. Daarnaast stelt de staatssecretaris dat aan het geschikt maken van de Maaslijn voor goederenvervoer wel degelijk aanzienlijk hogere kosten zijn verbonden. De verwachte investeringskosten bedragen volgens de staatssecretaris ruim € 900 miljoen, omdat de Maaslijn op dit moment uitsluitend nog bestaat uit een enkele spoorlijn. Daarbij is het volgens de staatssecretaris niet mogelijk het budget van ruim € 500 miljoen dat beschikbaar is voor het tracé Meteren-Boxtel volledig te benutten voor de benodigde aanpassingen aan de Maaslijn. Dit budget wordt namelijk ook ingezet voor de aanpassingen aan het tracé Meteren-Boxtel ten behoeve van het reizigersvervoer, zoals de viersporigheid tussen ’s-Hertogenbosch en Vught en de vrije kruising bij Vught, welke aanpassingen ook zonder dat dit tracé als extra goederenroute wordt benut, moeten worden uitgevoerd. Daarnaast is het budget van ruim € 200 miljoen dat reeds voor de Maaslijn beschikbaar is gesteld volgens de staatssecretaris nodig voor aanpassingen ten behoeve van het reizigersvervoer en kan ook dit budget dus voor een groot deel niet worden ingezet voor de aanpassingen die nodig zijn om de Maaslijn geschikt te maken voor grootschalig goederenvervoer. De Afdeling ziet geen aanleiding aan deze toelichting van de staatssecretaris te twijfelen. Gelet op het grote verschil in investeringskosten in combinatie met de omstandigheid dat ook de Maaslijn is gelegen langs stedelijke bevolkingsconcentraties, heeft de staatssecretaris toereikend gemotiveerd waarom de Maaslijn geen geschikter alternatief vormt voor het tracé Meteren-Boxtel. Het betoog slaagt niet. Betogen over de keuzes binnen het tracé Meteren-Boxtel Lengte van de verdiepte ligging in Vught
  57. Zoals hiervoor onder 1 is overwogen, wordt in Vught het bestaande spoorlichaam met twee sporen vervangen door een verdiept liggende bak met twee sporen. Het gaat om de verdiepte ligging van de spoorbaan Utrecht-Eindhoven. In artikel 3, tweede lid, van het tracébesluit is bepaald dat de verdiepte ligging start bij ongeveer km 50.7 en loopt tot ongeveer km 53.
  58. [appellant sub 17] kan zich niet verenigen met dit startpunt van de verdiepte ligging. Hij wenst dat de verdiepte ligging al start bij de Postweg in Vught, zodat de verdiepte ligging ook langs zijn woning wordt gerealiseerd. Hij acht dit noodzakelijk om de negatieve gevolgen van het geluid en de toename aan trillingen ten gevolge van het goederenvervoer op het traject Meteren-Boxtel te verminderen. 15.
  59. Voorafgaand aan het MER is de "Variantennota PHS Meteren - Boxtel" opgesteld (hierna: de variantennota). In deze variantennota zijn tien varianten voor de verdiepte ligging in Vught onderzocht. Deze varianten onderscheiden zich van elkaar door de lengte van de verdiepte ligging. Het gaat om de varianten V1 tot en met V5, waarbij voor ieder van deze vijf varianten ook een plusvariant is onderzocht. Bij de plusvariant is sprake van een langere verdiepte ligging aan de noordzijde, waarbij de verdiepte ligging - overeenkomstig de wens van [appellant sub 17] - al begint voor de Loonsebaan in plaats van er na. In het tracébesluit is er niet voor gekozen de verdiepte ligging overeenkomstig de plusvariant al te laten starten voor de Loonsebaan. De reden daarvoor is dat uit de effectvergelijking van de verschillende varianten is gebleken dat de plusvariant vanuit financiële haalbaarheid en milieu weinig of geen toegevoegde waarde heeft. Zo is wat betreft geluid, waar [appellant sub 17] op wijst, het aantal geluidgehinderden bij de verschillende varianten nauwelijks onderscheidend. Het verschil tussen de varianten komt tot uiting in de aanwezigheid van geluidschermen, die bij een verkorte verdiepte ligging meer nodig zijn dan bij een langere verdiepte ligging. Ook op het gebied van trilling geldt dat het in alle varianten mogelijk is om maatregelen te treffen om de effecten terug te brengen. De financiële omvang van de maatregelen verschilt wel per variant. Daarmee is ook het thema trilling niet onderscheidend op de effecten, maar wel wat betreft de kosten. Deze kosten hebben voor de staatssecretaris de reden gevormd om niet voor de plusvariant te kiezen. Het verschil in kosten tussen de gekozen V3-variant en de V3+variant bedraagt blijkens de variantennota ongeveer 60 miljoen euro. De Afdeling acht deze keuze op zichzelf beschouwd toereikend gemotiveerd. Daarbij wijst de Afdeling erop dat in deze uitspraak vanaf overweging 19 en verder de gevolgen van de gekozen variant op het gebied van onder meer spoorgeluid en trilling zullen worden beoordeeld. Het betoog slaagt niet. Viersporigheid tussen ’s-Hertogenbosch en Vught
  60. [appellant sub 17] wijst ook op het ruimtebeslag van het tracé als gevolg van de realisatie van de viersporigheid tussen ’s-Hertogenbosch en Vught. Hij wijst erop dat als gevolg van deze verbreding de afstand tussen de nabijgelegen woningen en het tracé wordt verkleind. Dit gaat volgens hem ten koste van het woongenot. Volgens [appellant sub 17] kan van deze verbreding worden afgezien. 16.
  61. In de Nota van Antwoord stelt de staatssecretaris dat de realisatie van een vierde spoor tussen ’s-Hertogenbosch en Vught nodig is ten behoeve van het reizigersvervoer. In onder meer paragraaf 1.5.3 van de toelichting op het tracébesluit is dit nader uiteengezet. Daar is erop gewezen dat ten zuiden van het station ’s-Hertogenbosch in de huidige situatie sprake is van de samenloop van twee reizigerscorridors: Amsterdam-Eindhoven en Nijmegen-Tilburg. Omdat er op dit traject maar drie sporen beschikbaar zijn en er sprake is van een gelijkvloerse kruising van beide corridors, leidt dit in relatie tot het toekomstig gewenste hoogfrequente reizigersvervoer tot knelpunten, zo staat in de toelichting. Met de aanleg van het vierde spoor hebben beide corridors op het traject ’s-Hertogenbosch-Vught een eigen spoor (2x2 sporen) en kunnen beide corridors, mede als gevolg van de ook in het tracébesluit opgenomen ongelijkvloerse kruising bij de aansluiting Vught, volledig worden ontvlochten. Hiermee vormt dit tracé geen capaciteitsknelpunt meer voor het realiseren van het hoogfrequente reizigersvervoer, neemt de robuustheid van het spoorsysteem toe en wordt de kans op vertraging kleiner, aldus de staatssecretaris. [appellant sub 17] heeft deze noodzaak als zodanig niet weersproken. De Afdeling ziet om die reden geen aanleiding te twijfelen aan de stelling van de staatssecretaris dat het noodzakelijk is dat de viersporigheid tussen ’s-Hertogenbosch en Vught wordt gerealiseerd. Ook op dit punt wijst de Afdeling er daarbij op dat de gevolgen van deze wijziging van het spoortracé op onder meer het gebied van geluid en trilling in deze uitspraak bij overweging 19 en verder zullen worden beoordeeld. Het betoog slaagt niet. Omvang van het project in relatie tot de spooraanpassingen bij Tilburg
  62. [appellant sub 28] twijfelt op zichzelf niet aan de noodzaak van de aanpassingen waarin dit tracébesluit voorziet, maar betoogt dat voordat de in het tracébesluit voorziene aanpassingen in Vught worden gerealiseerd eerst de spoorweginfrastructuur in en om Tilburg moet worden aangepast. Ook het spoortracé bij Tilburg bevat volgens [appellant sub 28] een knelpunt bij onder meer het Wilhelminakanaal, welk knelpunt nijpender wordt bij een frequentieverhoging van de IC-treinen. Door eerst de spoorweginfrastructuur in en om Tilburg aan te passen, bestaat de mogelijkheid om tijdens de aanleg van het verdiepte spoor in Vught het treinverkeer door Vught volledig te staken en om te leiden via Tilburg, aldus [appellant sub 28]. Dit voorkomt volgens [appellant sub 28] dat in de bouwfase een tijdelijke spoorbaan in Vught moet worden gerealiseerd, waarmee de overlast voor omwonenden in Vught tijdens de bouwwerkzaamheden als ook verstoringen en uitloop van werkzaamheden kunnen worden beperkt. Doelmatigheid van de investeringen vereist dat het spoortracé bij Tilburg eerder is aangepast en beschikbaar is dan de verdiepte ligging in Vught, aldus [appellant sub 28]. 17.
  63. In de Nota van Antwoord staat dat het gedurende enkele jaren buiten dienst stellen van het traject door Vught om de verdiepte ligging te realiseren weliswaar voorkomt dat tijdens de bouwfase in Vught een tijdelijke spoorbaan moet worden gerealiseerd, maar dat de gevolgen hiervan voor het logistieke systeem zodanig zijn dat dit geen mogelijkheid is. Daarbij is vermeld dat in de ingekomen zienswijzen is voorgesteld om de intercitytreinen om te laten rijden via Tilburg, maar dat de huidige infrastructuur in Tilburg dit op een dergelijke schaal niet mogelijk maakt. Zo zouden perrons en sporen moeten worden uitgebreid en zou vanwege de langere reistijd ook extra materieel moeten worden ingezet. Daarnaast zal dan nog een oplossing moeten worden gezocht voor de stoptreinen tussen ’s-Hertogenbosch en Eindhoven. Ook zal Vught gedurende de uitvoeringsperiode dan niet kunnen beschikken over een station. Deze omstandigheden maken dat het buiten dienst stellen van het traject door Vught en het omleiden van de treinen via Tilburg in de Nota van Antwoord niet wordt gezien als een reëel alternatief. De Afdeling ziet geen aanleiding de staatssecretaris op dit punt hierin niet te volgen. Daarbij wijst de Afdeling erop dat de staatssecretaris in het verweerschrift onderkent dat het realiseren van de verdiepte ligging in Vught ingrijpend zal zijn en voor overlast zal zorgen, maar dat deze verdiepte ligging - mede op verzoek van de provincie Noord-Brabant en de gemeente Vught - zal worden gerealiseerd om onder meer de geluidoverlast van de treinen te verminderen en de verkeersveiligheid te verbeteren, doordat vanwege de verdiepte ligging meerdere extra gelijkvloerse kruisingen kunnen worden opgeheven. Van de werkzaamheden ten behoeve van deze verdiepte ligging zal [appellant sub 28] geen gevolgen ondervinden voor zijn woon- en leefklimaat gelet op de ligging van zijn woning buiten Vught. Dat het spoor in Tilburg volgens [appellant sub 28] ook knelpunten bevat die moeten worden opgelost, valt buiten de omvang van dit tracébesluit. De betogen slagen niet. Nut en noodzaak in relatie tot de omgevingshinder
  64. Verscheidene appellanten wijzen erop dat aan de keuze voor dit tracébesluit naast het verder faciliteren van het goederen- en reizigersvervoer ook als doelstelling ten grondslag ligt om de omgevingshinder van goederenvervoer over het spoor in zijn totaliteit bezien te beperken. Betwijfeld wordt of deze doelstelling in dit geval behaald wordt. [appellant sub 17] en Vereniging Samen voor Vught wijzen in dit verband op het verschil tussen het aantal geluidgehinderden dat is vermeld in het MER en de aanvulling op het MER. Volgens hen is de beperking van de omgevingshinder gelet op deze verschillen mogelijk beperkter dan waarvan wordt uitgegaan. BLB en VvE Koningsweg en anderen wijzen in dit verband ook op plannen voor nieuwe woningbouwprojecten in de omgeving van het tracé, zoals op het voormalige EPK-terrein in ’s-Hertogenbosch. Dit zal er volgens hen toe leiden dat het aantal gehinderden langs het tracé Meteren-Boxtel verder zal toenemen. Uit de dossierstukken blijkt volgens hen niet dat daarmee rekening is gehouden. 18.
  65. De spreiding en afname van hinder is, blijkens onder meer het verweerschrift, een van de doelstellingen van dit tracébesluit. De Afdeling volgt appellanten niet in hun opvatting dat daarvan in dit geval geen sprake is. In de toelichting op het tracébesluit is in dit verband vermeld dat het tracébesluit enerzijds leidt tot meer goederenvervoer in de woongebieden langs het traject Meteren-Boxtel, maar anderzijds ook tot gevolg heeft dat het aantal goederentreinen op de Brabantroute afneemt. Zowel op het gebied van geluid als op het gebied van trilling en externe veiligheid leidt dit volgens de toelichting per saldo tot een afname van hinder. Zo neemt wat betreft geluid het aantal blootgestelden, (ernstig) gehinderden en slaapverstoorden in de plansituatie in totaal af met ongeveer 14% ten opzichte van de referentiesituatie. Het is op zichzelf juist dat daarbij een discrepantie bestaat tussen het aantal geluidgehinderden dat is vermeld in het MER en de aanvulling op het MER, maar dat is in het verweerschrift verklaard aan de hand van een berekeningsverschil in de woningbezetting. Ook wanneer met de juiste woningbezetting wordt gerekend, blijkt uit de tabel die is opgenomen in het verweerschrift dat het aantal geluidgehinderden per saldo afneemt met 14%. De juistheid van deze tabel is als zodanig niet bestreden. Het verschil in de totale afname van het aantal gehinderden wordt verklaard door de omstandigheid dat het aantal woningen binnen 150 m aan weerszijden van de spoorbaan langs het traject via de Brabantroute aanzienlijk hoger is, namelijk ruim 29.000, dan langs het tracé Meteren-Boxtel, namelijk ongeveer 7.
  66. De omstandigheid dat langs het tracé Meteren-Boxtel nog nieuwe woningen zullen worden gebouwd, zoals op het genoemde EPK-terrein, doet aan dit verschil niet af. De betogen slagen niet. 18.
  67. De omstandigheid dat per saldo sprake is van een spreiding en afname van hinder binnen het spoornet, betekent op zichzelf niet dat op individueel woningniveau langs het tracé Meteren-Boxtel geen sprake kan zijn van een toename aan hinder ten opzichte van de referentiesituatie. Om die reden liggen aan het tracébesluit verschillende onderzoeken op het gebied van onder meer geluid, trilling en externe veiligheid ten grondslag waarin nader op deze effecten voor de woningen langs het tracé Meteren-Boxtel is ingegaan. De betogen hierover worden in het onderstaande vanaf overweging 19 en verder beoordeeld. SPOORGELUID Wettelijk kader en onderzoeksresultaten
  68. In hoofdstuk 11 van de Wet milieubeheer is het wettelijk kader opgenomen voor de beoordeling van de geluidhinder ten gevolge van spoorwegen. Voor spoorwegen die zijn opgenomen op de geluidplafondkaart als bedoeld in de Regeling geluidplafondkaart milieubeheer, zoals in dit geval, wordt het geluid beheerst door middel van geluidproductieplafonds. Dit volgt uit titel 11.3 van de Wet milieubeheer. Het geluidproductieplafond is de toegestane geluidproductie op een referentiepunt. Referentiepunten zijn denkbeeldige punten die zich bevinden aan weerszijden van de spoorweg. De posities van referentiepunten liggen vast in het geluidregister, net als de waarde van het geluidproductieplafond op elk referentiepunt.
  69. Bij de invoering van de geluidproductieplafonds in de Wet milieubeheer zijn ook de geluidproductieplafonds vastgesteld langs het spoortracé Meteren-Boxtel. In artikel 11.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer is voor spoorwegen een voorkeurswaarde opgenomen van 55 dB en een maximale waarde van 70 dB.
  70. Bij een wijziging van de spoorweg dient op grond van artikel 11.30, tweede lid, van de Wet milieubeheer te worden beoordeeld of de geluidbelasting vanwege de gewijzigde spoorweg niet hoger is dan de geluidbelasting die de betrokken geluidsgevoelige objecten vanwege de spoorweg ondervinden bij volledige benutting van de geldende geluidproductieplafonds. Dit betekent dat bij een wijziging van een spoorweg wordt uitgegaan van de hoogte van de geldende geluidproductieplafonds. De geldende geluidproductieplafonds die in het verleden zijn vastgesteld, staan in dit tracébesluit tot wijziging van het spoortracé als zodanig niet ter beoordeling. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:342, overweging 38.4, kan de Afdeling in de procedure over de wijziging van het spoortracé dan ook niet oordelen over de vraag of de geldende geluidproductieplafonds destijds, met toepassing van artikel 11.30, vierde lid, van de Wet milieubeheer mochten worden vastgesteld op een hogere waarde dan de voorkeurswaarde van 55 dB. Uit artikel 11.30, tweede lid, van de Wet milieubeheer volgt ook geen verplichting om geluidproductieplafonds bij een wijziging van het spoortracé te verlagen naar de voorkeurswaarde. Wanneer bij een wijziging van het spoortracé de geldende geluidproductieplafonds bij volledige benutting daarvan niet worden overschreden, hoeft op grond van artikel 11.30, tweede lid, van de Wet milieubeheer geen onderzoek te worden gedaan naar geluidbeperkende maatregelen (vergelijk onder meer overweging 38.5 van de voornoemde uitspraak van 10 februari 2016).
  71. VvE Koningsweg en anderen stellen ter discussie of in ’s-Hertogenbosch en Vught, waar de spoorweg wordt verbreed en ook een nieuwe vrije kruising wordt gerealiseerd, sprake is van een wijziging van het spoor als bedoeld in artikel 11.30, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Volgens hen is met de aanleg van een nieuw vierde spoor en een nieuw aan te leggen vrije kruising sprake van een nieuw aan te leggen spoorweg waarop artikel 11.30, eerste lid, van de Wet milieubeheer van toepassing is en op grond waarvan moet worden getoetst aan de voorkeurswaarde. 22.
  72. Het betoog van VvE Koningsweg deelt de Afdeling niet. Zoals de Afdeling onder meer heeft overwogen in haar uitspraak van 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:163, overweging 60.4, ziet artikel 11.30, eerste lid, van de Wet milieubeheer op de aanleg van een geheel nieuwe weg of spoorweg. In dit geval gaan de nieuwe vrije kruising en het nieuwe vierde spoor deel uitmaken van een bestaande spoorweg. De Afdeling wijst hierbij ook op de toelichting van de staatssecretaris in het verweerschrift dat waar het vierde spoor en de vrije kruising worden gerealiseerd sprake is van een bestaande situatie waarvoor al geluidproductieplafonds zijn vastgesteld. De staatssecretaris heeft dan ook terecht toepassing gegeven aan artikel 11.30, tweede lid, van de Wet milieubeheer.
  73. In de rapporten "TB achtergrondrapport Geluid deelgebied Meteren" (hierna: het geluidrapport deelgebied Meteren) en "TB rapport - Geluid ’s-Hertogenbosch - Vught" (hierna: het geluidrapport deelgebied ’s-Hertogenbosch-Vught) is voor de deelgebieden 1 (bij Meteren) en 3 (tussen ’s-Hertogenbosch en Vught) berekend dat de tracéaanpassingen die in deze twee deelgebieden plaatsvinden in combinatie met de in het tracébesluit opgenomen geluidbeperkende maatregelen niet leiden tot een overschrijding van de geldende geluidproductieplafonds. Verder is berekend dat voor de tussenliggende delen op het tracé Meteren-Boxtel waar geen fysieke aanpassingen aan het spoor plaatsvinden, maar waar als het gevolg van de nieuwe spoorboog bij Meteren wel meer goederentreinen rijden, de geldende geluidproductieplafonds op de referentiepunten langs dit spoortracé nergens worden overschreden. Dit zijn de deelgebieden 2 (tussen Meteren en ’s-Hertogenbosch) en 4 (tussen Vught en Boxtel). Verlaging van de geluidproductieplafonds en aanvullende geluidbeperkende maatregelen
  74. Op basis van voorgaande overweging kan worden geconcludeerd dat met de in het tracébesluit opgenomen geluidbeperkende maatregelen bij geen van de geluidgevoelige objecten langs het tracé de geluidbelasting die wordt ondervonden bij volledige benutting van de geldende geluidproductieplafonds wordt overschreden. Uit wat hiervoor onder 21 is overwogen, volgt dat in een dergelijke situatie op grond van artikel 11.30, tweede lid, van de Wet milieubeheer geen onderzoek hoeft te worden gedaan naar verdere geluidbeperkende maatregelen. Ook volgt uit de Wet milieubeheer in een dergelijke situatie geen verplichting de geldende geluidproductieplafonds te verlagen. Hiermee kunnen appellanten zich niet verenigen.
  75. [ appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 27], BLB, Buurtvereniging De Vughterpoort en anderen, [appellant sub 15], [appellant sub 8], [appellanten sub 14], [appellant sub 24] en anderen, [appellant sub 19], [appellant sub 26], [appellant sub 25], [appellant sub 4], [appellant sub 31], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 17], Landgoed Beukenhorst en anderen, [appellant sub 7] en anderen, [appellant sub 9] en anderen, Vereniging Samen voor Vught, Vereniging Spoorzicht en VvE Koningsweg en anderen vrezen dat het toegestane spoorgeluid leidt tot een ernstige aantasting van de gezondheid van de bewoners nabij het spoor. Een groot deel van hen wijst er daarbij op dat de in de Wet milieubeheer voor spoorgeluid toegestane geluidwaarden hoger zijn dan de in de "Environmental Noise Guidelines for the European Region" van 10 oktober 2018, van de Regional Office for Europe van de World Health Organization (hierna: aanbevelingen van de WHO) voor spoorgeluid sterk aanbevolen geluidwaarden van 54 dB Lden en 44 dB Lnight. Spoorgeluid boven deze normen wordt volgens hen geassocieerd met negatieve gezondheidseffecten, waaronder slaapverstoring en hartziekten. Dit wordt volgens hen bevestigd in het rapport van het RIVM "Motie Schonis en de WHO-richtlijnen voor omgevingsgeluid

(2018); Het doel heiligt de middelen", nummer 2019-0227 van 5 juni 2020 (hierna: het RIVM-rapport). Zij wijzen er daarbij op dat in artikel 11.2 van de Wet milieubeheer de geluidnormen voor spoorverkeer hoger zijn dan voor wegverkeer. Het gaat om een verschil van 5 dB, ook wel de zogenoemde railbonus. Uit het RIVM-rapport volgt volgens hen dat er geen grond meer is om voor spoorverkeer een soepelere norm te hanteren dan voor wegverkeer, omdat - anders dan bij de vaststelling van de geluidnormen werd aangenomen - spoorgeluid niet minder hinderlijk is dan weggeluid. Enkelen van hen achten het noodzakelijk om overeenkomstig de aanbevelingen van de WHO voor spoorgeluid een nachtnorm in te voeren van maximaal 44 dB Lnight. Appellanten wijzen hierbij ook op het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: Commissie m.e.r.), waarin volgens hen wordt geconcludeerd dat in het tracébesluit mogelijk sprake is van een onderschatting van de effecten van geluid op de gezondheid en waarin onder meer wordt geadviseerd onderzoek te doen naar aanvullende geluidmaatregelen. Appellanten benadrukken in dit verband dat in de huidige situatie de geluidproductieplafonds niet volledig worden benut als gevolg van de steeds stiller wordende passagierstreinen. Zij kunnen zich er gelet op wat hiervoor over de aanbevelingen van de WHO en het RIVM-rapport is vermeld, niet mee verenigen dat de Wet milieubeheer het toestaat dat bij een wijziging van het spoortracé de geldende geluidproductieplafonds opnieuw volledig kunnen worden benut, waarmee het aantal geluidgehinderden toeneemt ten opzichte van de huidige situatie zonder dat geluidbeperkende maatregelen zijn vereist. Een groot deel van de appellanten betoogt dan ook dat meer geluidbeperkende maatregelen moeten worden getroffen en dat de geluidproductieplafonds moeten worden verlaagd overeenkomstig de aanbevelingen van de WHO en het RIVM-rapport, dan wel overeenkomstig de huidige geluidbelasting op basis van de huidige spoorintensiteit. Enkele appellanten wijzen hierbij niet alleen op locatiegebonden geluidbeperkende maatregelen, zoals geluidschermen en raildempers, maar ook op geluidbeperkende maatregelen voor het gehele tracé, zoals rijden met een lagere snelheid en het uitsluiten van goederenvervoer in de nacht. Ook wordt gewezen op de memo "PHS Meteren-Boxtel - Aanvullende verkennende onderzoeken geluid" van 5 maart 2019, waarin de mogelijkheden voor aanvullende geluidbeperkende maatregelen zijn onderzocht. Deze maatregelen hadden volgens appellanten in ieder geval in het tracébesluit moeten worden opgenomen. VvE Koningsweg en anderen betogen in dit verband onder verwijzing naar een in hun opdracht opgestelde notitie van Peutz dat in de doelmatigheidsafweging voor de geluidbeperkende maatregelen is gerekend met te hoge kosten. De stelling van de staatssecretaris dat nog onderzoeken lopen voor mogelijke verdergaande geluidbeperkende maatregelen, biedt volgens verscheidene appellanten onvoldoende zekerheid. Een groot deel van de appellanten betoogt in dit verband dat de staatssecretaris weliswaar stelt dat het tracé Meteren-Boxtel op grond van de Uitvoeringsverordening (EU) 2019/774 van de Europese Commissie van 16 mei 2019 zal worden aangewezen als stillere route en dat de geluidwinst die met de stillere treinen wordt bereikt zal worden verwerkt in een verlaging van de geluidproductieplafonds, maar hierover bestaat volgens appellanten onzekerheid. Zo is volgens hen onzeker of de aanwijzing als stillere route daadwerkelijk zal plaatsvinden en of de hierdoor ontstane geluidruimte zal leiden tot een verlaging van de geluidproductieplafonds in plaats van het opvullen van deze geluidruimte met een verhoging van de capaciteit van het aantal goederentreinen. Daarnaast wordt volgens verscheidene appellanten het effect van de toekomstige aanwijzing van het tracé als stillere route overschat, omdat remsystemen van goederentreinen niet altijd daadwerkelijk stiller zijn, hierop niet kan worden gehandhaafd en bovendien niet alleen de remsystemen geluidhinder veroorzaken, waardoor goederentreinen nooit volledig geluidloos zullen zijn. Verscheidene appellanten doen in het kader van het vorenstaande een beroep op het evenredigheidsbeginsel, neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb en het zorgvuldigheidsbeginsel. Ook wordt door onder meer [appellant sub 27] in dit verband een beroep gedaan op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). 25.
  1. De zorgen bij omwonenden over de hoogte van het spoorgeluid na de uitvoering van het tracébesluit heeft ertoe geleid dat de staatssecretaris bij brief van 31 mei 2018 (IENW/BSK-2018/99722) aan de provincie Noord-Brabant en de bestuurders van de gemeenten langs het tracé heeft aangekondigd de mogelijkheden te onderzoeken voor het treffen van extra geluidbeperkende maatregelen. In de brief van 28 maart 2019 (IENW/BSK-2019/20019) heeft de staatssecretaris in vervolg hierop benadrukt dat de geluidbeperkende maatregelen die zullen worden opgenomen in het tracébesluit tot gevolg hebben dat omwonenden beschermd worden tegen geluidoverlast conform de wettelijke eisen uit de Wet milieubeheer. De mogelijkheden om langzamer te rijden in de nacht en/of het aantal treinen in de nacht te verminderen, zijn volgens de staatssecretaris op basis van de huidige regelgeving niet juridisch afdwingbaar en moeten bovendien nog verder worden onderzocht op het effect daarvan. Deze maatregelen zijn daarom niet in dit tracébesluit meegenomen. Verder geeft de staatssecretaris in de brief van 28 maart 2019 aan dat een bedrag van maximaal 3,5 miljoen euro beschikbaar wordt gesteld als medefinanciering van initiatieven van gemeenten of andere overheden voor extra hinderbeperkende maatregelen. Hiervan is door enkele overheden gebruik gemaakt. Deze maatregelen zijn geen onderdeel van het tracébesluit. Tot slot wijst de staatssecretaris in de brief van 28 maart 2019 op de op dat moment nog vast te stellen Europese verordening over de zogenoemde Quieter Routes waar alleen goederentreinen mogen rijden die zijn voorzien van een stiller remsysteem. Deze verordening (EU 2019/774) is op 16 mei 2019 vastgesteld en verplicht de lidstaten stillere routes aan te wijzen wanneer het gemiddeld aantal goederentreinen per dag tijdens de nacht meer dan twaalf bedraagt. De staatssecretaris stelt in de brief van 28 maart 2019 dat het traject Meteren-Boxtel, na de uitvoering van het tracébesluit, voldoet aan de voorwaarden voor een Quieter Route en na uitvoering van het tracébesluit als zodanig zal worden aangewezen. Uit de memo "PHS Meteren-Boxtel - Aanvullende verkennende onderzoeken geluid" van 5 maart 2019 blijkt volgens de staatssecretaris dat na een aanwijzing van het tracé als Quieter Route het aantal ernstig geluidgehinderden en slaapverstoorden ongeveer gelijk blijft aan de huidige situatie. Met het effect van de aanwijzing als Quieter Route is in de onderzoeken die aan het tracébesluit ten grondslag liggen geen rekening gehouden. In de brief van 28 maart 2019 zegt de staatssecretaris toe om, nadat het regime van de Quieter Route van toepassing is op het tracé Meteren-Boxtel, de geluidproductieplafonds op de referentiepunten langs dit traject overeenkomstig te verlagen om te voorkomen dat het geluidniveau nadien kan stijgen zonder dat geluidbeperkende maatregelen nodig zijn. De staatssecretaris ziet, gelet op de omstandigheid dat wordt voldaan aan de wettelijke eisen uit de Wet milieubeheer, geen aanleiding om verdere geluidbeperkende maatregelen in het tracébesluit te treffen. 25.
  2. De Afdeling stelt voorop dat het standpunt van de staatssecretaris, zoals hiervoor onder 21 en 24 is overwogen, in overeenstemming is met artikel 11.30, tweede lid, van de Wet milieubeheer, omdat wanneer een geluidgevoelig object na de tracéwijziging geen hogere geluidbelasting vanwege de spoorweg ondervindt dan bij volledige benutting van de geldende geluidproductieplafonds, op grond van dit artikel geen verplichting bestaat meer geluidbeperkende maatregelen te treffen dan die in het tracébesluit zijn opgenomen (vergelijk onder meer ABRvS 26 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1141, overweging 47.3). Ook is hiervoor, onder verwijzing naar eerdere uitspraken van de Afdeling, overwogen dat wanneer wordt voldaan aan artikel 11.30, tweede lid, van de Wet milieubeheer geen wettelijke verplichting bestaat de geldende geluidproductieplafonds te verlagen. Hierbij verwijst de Afdeling ook naar artikel 11.28, derde lid, van de Wet milieubeheer waarin is bepaald dat een geluidproductieplafond niet op verzoek wordt verlaagd indien het gewijzigde productieplafond naar redelijke verwachting binnen een periode van minder dan tien jaar volledig zou worden benut. 25.
  3. De hiervoor onder 25 weergegeven betogen van appellanten komen erop neer dat het wettelijk kader zoals dat is neergelegd in de Wet milieubeheer, waaronder in de artikelen 11.28, derde lid, en 11.30, tweede lid, van de Wet milieubeheer, op grond waarvan het is toegestaan de geldende geluidproductieplafonds bij een wijziging van het tracé volledig te benutten en waaruit geen verplichting voortvloeit deze geluidproductieplafonds te verlagen, ter discussie wordt gesteld. Ook stellen appellanten de in artikel 11.2 van de Wet milieubeheer opgenomen geluidwaarden ter discussie. De betogen van appellanten komen erop neer dat zij wensen dat de artikelen in de Wet milieubeheer worden aangepast opdat de staatssecretaris bij een wijziging van een spoorweg verplicht is de waarden van de geldende geluidproductieplafonds dusdanig naar beneden bij te stellen, dan wel zodanige geluidbeperkende maatregelen te treffen, dat wordt voldaan aan de in de WHO-aanbevelingen vermelde geluidwaarden voor spoorgeluid, dan wel dat de huidige feitelijk ondervonden geluidbelasting niet wordt verhoogd. 25.
  4. De Afdeling wijst erop dat de Wet milieubeheer een zogenoemde wet in formele zin betreft, vastgesteld door de Staten-Generaal in overeenstemming met de grondwettelijke wetgevingsprocedure. Voor de beoordeling van geluid van spoorwegen die zijn aangegeven op de geluidplafondkaart heeft de wetgever in deze wet voorzien in een specifiek wettelijk kader, waaraan de staatssecretaris het tracébesluit heeft getoetst. Een wijziging van dit wettelijk kader is voorbehouden aan de wetgever. De wetgeving zoals die voor spoorgeluid in de Wet milieubeheer is neergelegd berust immers op een uitdrukkelijk gemaakte afweging van de wetgever, waarbij naast de belangen van omwonenden bijvoorbeeld ook de belangen van partijen die gebruik maken van het spoor zijn meegewogen. In deze afweging kan de rechter niet treden. Artikel 94 van de Grondwet biedt de rechter wel de mogelijkheid wettelijke voorschriften te toetsen aan een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, maar de WHO-aanbevelingen zijn, zoals de Afdeling al eerder heeft overwogen in onder meer haar uitspraak van 30 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3147, overweging 35.1, algemeen van aard en hebben geen dwingende status. De aanbevelingen van de WHO zijn dan ook niet aan te merken als ieder verbindende verdragsbepalingen in de zin van artikel 94 van de Grondwet en kunnen dan ook geen aanleiding vormen voor het oordeel dat de staatssecretaris met terzijde stelling van het bepaalde in de Wet milieubeheer de voor spoorgeluid aanbevolen geluidwaarden van 54 dB Lden en 44 dB Lnight had moeten hanteren. Ook uit artikel 8 van het EVRM, dat wel een ieder verbindend internationaal recht betreft, vloeit een dergelijke verplichting niet voort. Daarbij verwijst de Afdeling onder meer naar haar uitspraak van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:105, overweging 226.2, waarin is overwogen dat volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens het EVRM geen uitdrukkelijk recht op een schone en stille omgeving toekent, maar dat artikel 8 in het geding kan zijn indien de overlast van dien aard is dat die de betrokkene in ernstige mate in zijn gezondheid treft of hem belet in zijn woongenot en zijn privé- of gezinsleven. Voor het oordeel dat het huidige wettelijke kader voor spoorgeluid in de Wet milieubeheer tot gevolg heeft dat omwonenden in ernstige mate in hun gezondheid worden getroffen en worden belet in hun woongenot en privé- of gezinsleven ziet de Afdeling op basis van de aanbevelingen van de WHO en het RIVM-rapport geen aanleiding. Zoals hiervoor is overwogen zijn de door de WHO vermelde geluidwaarden uitsluitend aanbevelingen. Dat geldt ook voor het RIVM-rapport dat in algemene zin ingaat op de achtergronden van de WHO-aanbevelingen en het Nederlandse beleid en beziet welke mogelijkheden er zijn om het beleid te verbeteren. Voor railverkeer worden in het RIVM-rapport aanbevelingen gedaan, waaronder een heroverweging van het doelmatigheidscriterium, omdat de Blootstelling Respons (BR)-relaties voor geluid vanwege railverkeer substantieel zijn gewijzigd, en een heroverweging van een norm voor nachtelijke blootstelling aan geluid vanwege railverkeer, maar ook dit zijn uitsluitend aanbevelingen. Hieruit kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden afgeleid dat het huidige wettelijke kader voor spoorgeluid dat is neergelegd in de Wet milieubeheer in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Ook het evenredigheidsbeginsel en andere algemene rechtsbeginselen, zoals het voorzorgsbeginsel, waarop verscheidene appellanten een beroep doen, geven - daargelaten de vraag welke ruimte bestaat om de aan de orde zijnde bepalingen uit de Wet milieubeheer aan dergelijke beginselen te toetsen - geen mogelijkheid te oordelen dat de staatssecretaris gehouden was het bepaalde in de Wet milieubeheer over spoorgeluid in deze zaak terzijde te stellen. Daarbij benadrukt de Afdeling dat het in dit geval gaat om regelgeving over omgevingsgeluid, waaraan naast gezondheidskundige overwegingen - waarop de WHO-aanbevelingen vooral zijn gebaseerd - ook afwegingen van economische en planologische aard ten grondslag liggen. Dit maakt bijvoorbeeld ook dat, zoals ook in het RIVM-rapport staat, de WHO-advieswaarden en de Nederlandse normen niet één op één vergelijkbaar zijn. De vraag of, en zo ja hoe, de in de Wet milieubeheer opgenomen geluidwaarden en regels over de beoordeling voor spoorgeluid aanpassing behoeven, vergt dan ook een afweging van de wetgever. De Afdeling verwijst hierbij ook naar de brief van de staatssecretaris van 5 juni 2020 (IENW/BSK-2020/96463), waarin de staatssecretaris erop wijst dat eventuele wetswijzigingen ingrijpend kunnen zijn voor nieuwe infrastructuur- en woningbouwprojecten alsmede voor bestaande situaties en dat daarom een zorgvuldige, kwantitatieve uitwerking van concrete beleidsopties voor alle betrokken sectoren noodzakelijk is om verantwoorde en proportionele beleidsmatige conclusies te kunnen verbinden aan de WHO-aanbevelingen en de analyse van het RIVM. Dit zijn bij uitstek afwegingen die de wetgever moet maken en waar zowel de staatssecretaris bij het nemen van een tracébesluit als de rechter bij de toetsing van een dergelijk besluit niet in kunnen treden. Van de staatssecretaris kan niet worden verlangd dat bij het nemen van het tracébesluit op de nog te maken keuzes van de wetgever vooruit wordt gelopen. 25.
  5. De Afdeling concludeert gelet op wat hiervoor is overwogen dat de staatssecretaris voor het beoordelen van het spoorgeluid terecht het toetsingskader dat hiervoor in de Wet milieubeheer is opgenomen, heeft gehanteerd. De betogen over de WHO-aanbevelingen en het RIVM-rapport geven op zichzelf beschouwd geen aanleiding voor het oordeel dat meer geluidbeperkende maatregelen moeten worden getroffen dan waar de Wet milieubeheer toe verplicht. Om die reden ziet de Afdeling ook geen aanleiding in te gaan op de betogen over de mogelijke effecten van de toekomstige aanwijzing van het tracé Meteren-Boxtel als Quieter Route. Deze aanwijzing is niet van invloed op de rechtmatigheid van dit tracébesluit. Betogen over de aanwijzing van dit tracé als Quieter Route en de handhaving daarvan, zal de Afdeling daarom niet inhoudelijk bespreken. 25.
  6. In het onderstaande zal de Afdeling ingaan op het spoorgeluid in het licht van het hiervoor in de Wet milieubeheer opgenomen toetsingskader. De Afdeling zal daarbij allereerst ingaan op de betogen van appellanten over het akoestisch onderzoek als zodanig, waarbij de betogen aan bod komen over de juistheid van de gemaakte geluidberekeningen. Daarna komen de individuele betogen over spoorgeluid aan de orde. Daarbij zal niet meer worden ingegaan op de algemene betogen van verschillende appellanten over de gezondheidseffecten van spoorgeluid in het licht van onder meer de WHO-aanbevelingen en het RIVM-rapport. Deze aspecten geven zoals hiervoor onder 25.4 en 25.5 is overwogen op zichzelf geen aanleiding van de staatssecretaris te vereisen meer geluidbeperkende maatregelen te treffen dan die in het tracébesluit zijn opgenomen. Hierbij merkt de Afdeling op dat zich uitzonderlijke locatiespecifieke omstandigheden voordoen, zoals cumulatie, die maken dat ondanks dat wordt voldaan aan het wettelijk kader voor spoorgeluid uit de Wet milieubeheer toch aanvullende hinderbeperkende maatregelen dienen te worden getroffen. Dit komt in deze uitspraak onder 119 en verder bij het aspect cumulatie aan de orde. Het akoestisch onderzoek
  7. Zoals hiervoor onder 23 is overwogen, is ten behoeve van het tracébesluit berekend of de geluidbelasting die de nabij het tracé gelegen geluidgevoelige objecten na de uitvoering van het tracébesluit ondervinden, de geldende geluidproductieplafonds overschrijdt. Over de gemaakte geluidberekeningen zijn betogen naar voren gebracht die hieronder voor verschillende appellanten gezamenlijk worden besproken. Betogen die specifiek zien op de individuele situatie van een appellant worden hieronder onder 34 en verder besproken. Is rekening gehouden met alle relevante geluidseffecten?
  8. Een groot deel van de hiervoor onder 25 vermelde appellanten is van mening dat in de geluidberekeningen onvoldoende rekening is gehouden met piekgeluiden van goederentreinen, zoals piepende/tikkende/bonkende treinwielen op de rails, de geluiden van wissels, schuurgeluiden in bochten en de geluiden van elektrische scheidingslassen (hierna: ES-lassen). 27.
  9. Wat betreft de piekgeluiden wijst de Afdeling erop dat in artikel 11.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer is bepaald dat de geluidbelasting wordt berekend in de dosismaat Lden. Lden is het gewogen jaargemiddelde van het equivalente geluidniveau met een toeslag van 5 dB voor de avondperiode en een toeslag van 10 dB voor de nachtperiode. Piekgeluid wordt hierbij niet afzonderlijk beschouwd. Wel wordt gelet op de toeslagen voor de avond- en nachtperiode rekening gehouden met de omstandigheid dat spoorgeluid in de avond en nacht als hinderlijker wordt ervaren. De wijze van geluidberekening van spoorgeluid in de dosismaat Lden berust op een uitdrukkelijke keuze van de wetgever, waarin de Afdeling - zoals hiervoor onder 25.4 is overwogen - in dit geval niet kan treden. 27.
  10. Voor de verdere wijze waarop de geluidberekening wordt uitgevoerd, is in artikel 11.33, zevende lid, van de Wet milieubeheer bepaald dat de minister hierover nadere regels stelt. Deze nadere regels zijn opgenomen in het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (hierna: RMG 2012). In het RMG 2012 wordt het door appellanten genoemde booggeluid, het geluid van ES-lassen en het geluid van wissels niet meegenomen bij het berekenen van de geluidproductie van het spoor op de referentiepunten langs het spoor. Artikel 3:4 van de Awb, dat een bestuursorgaan verplicht de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af te wegen, kan de staatssecretaris er desondanks toe verplichten dat hij bij de vaststelling van een tracébesluit beoordeelt of redelijkerwijs maatregelen kunnen worden getroffen om de toename van geluidhinder te beperken die het gevolg is van specifieke voor de geluidbelasting bepalende omstandigheden die niet in het RMG 2012 zijn meegenomen. Het booggeluid van treinen is naar het oordeel van de Afdeling een dergelijke omstandigheid. In onder meer de brief van de staatssecretaris aan de Tweede Kamer van 28 november 2016 (Kamerstukken II 2016-2017, 29 984, nr. 694) wordt booggeluid namelijk omschreven als een reëel probleem dat tot hinder en klachten leidt. In de brief is vermeld dat ProRail nader onderzoek doet naar booggeluid en de mogelijke oplossingen, zoals het plaatsen van zogeheten spoorstaaf conditioneringssystemen (SSCS) en aanpassing van het rijdend materieel. In de toelichting op het tracébesluit is om die reden ook ingegaan op booggeluid. Vermeld is dat booggeluid mogelijk kan ontstaan wanneer een trein rijdt door een bocht met een boogstraal kleiner dan 500 m. Alle boogstralen in het tracébesluit hebben volgens de staatssecretaris een boogstraal ruimer dan 500 m met uitzondering van de bogen in Vught richting Tilburg. Deze bogen in Vught kunnen dan ook mogelijk een bron zijn voor booggeluid. Het is volgens de staatssecretaris niet op voorhand duidelijk of een boogstraal kleiner dan 500 m hinderlijk booggeluid zal veroorzaken, zijnde het piepen van de wielen van de trein in de bocht. Dit kan pas in de praktijk na de realisatie en ingebruikname van het spoor worden beoordeeld, aldus de staatssecretaris. Om die reden is in artikel 22, derde lid, onder b, van het tracébesluit bepaald dat indien uit monitoring blijkt dat in de tijdelijke en/of in de eindsituatie bij de bogen in Vught richting Tilburg (km 18.8 en 19.0) sprake is van hinder als gevolg van booggeluid, de toepassing van een spoorstaaf conditioneringssysteem (SSCS), wielrailconditionering (WRC) of een gelijkwaardige oplossing wordt onderzocht en indien noodzakelijk wordt toegepast. Op de zitting heeft de staatssecretaris hierover toegezegd dat wanneer het piepende booggeluid wordt waargenomen, de genoemde maatregelen ook daadwerkelijk zullen worden getroffen. Er zal volgens de staatssecretaris daarbij geen nadere normering ten aanzien van de hoogte van het piepende geluid worden toegepast dan wel een nadere afweging worden gemaakt over de noodzakelijkheid van de maatregelen. Als het piepende booggeluid zich voordoet is dat volgens de staatssecretaris voldoende om te spreken van onevenredig te achten hinder, waarna tot het treffen van de maatregelen zal worden overgegaan. Gelet op deze uitdrukkelijke toezegging van de staatssecretaris is de Afdeling op basis van wat is aangevoerd van oordeel dat de staatssecretaris in dit geval in het tracébesluit voldoende met het aspect booggeluid rekening heeft gehouden. Ook de ES-lassen zijn niet apart beschouwd in het RMG
  11. De reden hiervoor is volgens de Nota van Antwoord dat het geluid van ES-lassen geacht wordt op te gaan in het gemiddelde geluidniveau. Doordat dit geluid daarmee wegvalt tegen het achtergrondgeluid, behoeft dat niet nog op zichzelf te worden beschouwd. Wel kan door het gebruik van het spoor, als gevolg van slijtage of verminderde spoorligging, op een ES-las extra geluidhinder ontstaan, maar dat wordt volgens de staatssecretaris voorkomen doordat er regelmatig inspecties plaatsvinden aan het spoor en doordat, wanneer het spoor niet aan de daaraan gestelde onderhoudseisen voldoet, maatregelen worden getroffen. De staatssecretaris mag bij de geluidberekening uitgaan van een spoorbaan die aan standaardkwaliteitseisen voldoet en regulier wordt onderhouden. De Afdeling ziet, gelet hierop, geen reden om te oordelen dat het geluid van de ES-lassen een bijzondere omstandigheid vormt waar de staatssecretaris in zijn geluidberekening rekening mee had moeten houden. Hetzelfde geldt naar het oordeel van de Afdeling voor het geluid van wissels. Niet gebleken is dat het geluid daarvan niet zou opgaan in het gemiddelde geluidniveau op een wijze zoals hiervoor is uiteengezet voor de ES-lassen. 27.
  12. De betogen slagen niet.
  13. VvE Koningsweg en anderen wijzen in hun beroepschrift naast het voornoemde booggeluid ook op een hoogteverschil in het spoor nabij een van hun woningen. [appellant sub 17] wijst in de bijlage bij zijn beroepschrift op een vergelijkbare omstandigheid. Hij stelt dat bij de verdiepte ligging in Vught de treinen extra vermogen moeten generen om uit de tunnelbak omhoog te komen. Met dit verhoogde geluidseffect is volgens [appellant sub 17] geen rekening gehouden. 28.
  14. In de Nota van Antwoord is vermeld dat in het RMG 2012 geen toeslag is opgenomen vanwege treinen die een helling oprijden, zoals treinen vanuit een tunnelbak. De hellingshoek is op het spoor over het algemeen, zoals ook in dit geval, dusdanig beperkt dat hiervan geen geluidtoename wordt verwacht, aldus de staatssecretaris. Op de zitting heeft staatssecretaris hierover toegelicht dat op het spoor geen steile hellingshoeken worden gerealiseerd, om te voorkomen dat een trein de helling niet zou kunnen overbruggen. Dit geldt ook voor het spoor in de tunnelbak in Vught. De Afdeling ziet geen aanleiding deze toelichting van de staatssecretaris niet te volgen. De betogen slagen niet. Aantal treinen, verhouding stil en lawaaiig materieel en de rijsnelheid
  15. Verscheidene appellanten hebben ook betogen naar voren gebracht over de in de geluidrapporten gehanteerde uitgangspunten voor het aantal treinen en het type treinen (stil of lawaaiig materieel) en de rijsnelheid van de treinen. Deze betogen hebben betrekking op de representativiteit van de gemaakte geluidberekeningen, welke betogen in het onderstaande zullen worden beoordeeld. Daarbij stelt de Afdeling voorafgaand aan de bespreking van deze betogen voorop dat wanneer na de uitvoering van het tracébesluit meer of andere type treinen over het tracé gaan rijden en/of met een andere rijsnelheid dan waar in de geluidrapporten van is uitgegaan, de geluidproductieplafonds een waarborg vormen tegen onaanvaardbare geluidhinder. Ter hoogte van de woningen van de appellanten langs het tracé gelden immers geluidproductieplafonds waaraan de spoorweggebruiker dient te voldoen. Wanneer als gevolg van andere hoeveelheden en/of type treinen en/of een andere rijsnelheid meer geluidhinder ontstaat dan waarvan in de geluidrapporten is uitgegaan, betekent dit dat er minder treinen kunnen rijden. De geluidproductieplafonds worden dan immers eerder bereikt. In dit verband overweegt de Afdeling tevens dat zij de visie van verscheidene appellanten dat onduidelijk is hoe wordt gecontroleerd en gehandhaafd of bij ingebruikname van het tracé aan de geluidproductieplafonds wordt voldaan, niet deelt. In artikel 11.20 en verder van de Wet milieubeheer zijn regels opgenomen over de naleving van de geluidproductieplafonds. Op grond van deze artikelen is ProRail als beheerder van het spoornet verplicht om bij de minister jaarlijks verslag te doen van de mate waarin wordt voldaan aan de geluidproductieplafonds. Hierbij wordt uitgegaan van het werkelijke aantal gerealiseerde treinbewegingen per materieelsoort dat in het jaar daarvoor van het spoor gebruik heeft gemaakt. Op grond van artikel 11.22, tweede lid, van de Wet milieubeheer wordt het nalevingsverslag voor een ieder langs elektronische weg beschikbaar gesteld. De stelling van enkele appellanten dat van hen niet kan worden verlangd zelf te controleren of aan de geluidproductieplafonds wordt voldaan, deelt de Afdeling dan ook niet. - Aantal treinen
  16. [ appellant sub 27], [appellant sub 10], [appellant sub 17], Vereniging Samen voor Vught en Vereniging Spoorzicht twijfelen aan de in de geluidrapporten gehanteerde prognoses voor het verwachte aantal goederentreinen. Zo twijfelen [appellant sub 10], [appellant sub 17] en Vereniging Samen voor Vught of in de gehanteerde prognoses rekening is gehouden met de omstandigheid dat de capaciteit van de Betuweroute op het grenspunt bij Emmerich in Duitsland is beperkt tot ongeveer 190 treinen en dat een volledige benutting van deze capaciteit tot gevolg zal hebben dat meer goederentreinen van de nieuwe spoorboog bij Meteren gebruik zullen maken om alsnog Duitsland te kunnen bereiken. Vereniging Spoorzicht betoogt dat het aantal treinen had moeten worden gebaseerd op de volledige capaciteit van de goederenpaden die in de projectsituatie op het tracé Meteren-Boxtel beschikbaar zijn. Volgens Vereniging Spoorzicht is de toekomstige benutting van de goederenpaden namelijk onvoorspelbaar, onder meer omdat geraamde prognoses vaak worden overschreden. Het is niet ondenkbaar dat de volledige capaciteit van de goederenpaden zal worden benut en daar had in onder meer de geluidonderzoeken daarom ook van uit moeten worden gegaan, aldus Vereniging Spoorzicht. 30.
  17. In de geluidrapporten die aan het tracébesluit ten grondslag liggen staat dat voor het aantal treinen in de projectsituatie is uitgegaan van de prognoses voor het goederenvervoer voor het jaar 2040 in het hoge economische scenario. In het verweerschrift is gesteld dat in deze prognoses rekening is gehouden met de omstandigheid dat omstreeks 2040 de capaciteit van de Betuweroute van ongeveer 190 treinen op het grenspunt bij Emmerich volledig zal zijn benut en dat dan het aantal goederentreinen boven deze maximumcapaciteit zal worden afgewikkeld via de nieuwe spoorboog bij Meteren. Dat deze extra goederentreinen over tracé Meteren-Boxtel in de gehanteerde prognoses zijn verwerkt, blijkt ook uit de figuren die zijn weergegeven in paragraaf 1.6.4 van de toelichting op het tracébesluit. Deze figuren laten zien dat voor het aantal goederentreinen in 2040 bij het hoge economische scenario is uitgegaan van een volledige benutting van de capaciteit van de Betuweroute bij de grensovergang bij Emmerich van ongeveer 190 treinen. De Afdeling deelt daarom niet de twijfel van [appellant sub 10], [appellant sub 17] en Vereniging Samen voor Vught dat in de voor de geluidonderzoeken gehanteerde vervoersprognoses met deze maximale capaciteit geen rekening is gehouden. 30.
  18. Verder overweegt de Afdeling dat, anders dan Vereniging Spoorzicht betoogt, niet is vereist dat in de geluidrapporten wordt uitgegaan van een theoretische maximale benutting van alle beschikbare goederenpaden op het tracé Meteren-Boxtel. Daarbij wijst de Afdeling op de toelichting van de staatssecretaris dat het goederenvervoer anders dan het reizigersvervoer niet volgens een vaste dienstregeling rijdt, maar vraaggestuurd is. Een goederentrein rijdt alleen op het moment dat er een concrete marktvraag is, wat betekent dat in de praktijk niet alle goederenpaden worden gebruikt, aldus de staatssecretaris. De Afdeling acht dit aannemelijk en ziet om die reden geen aanleiding voor het oordeel dat in onder meer de geluidonderzoeken had moeten worden uitgegaan van een maximale benutting van alle beschikbare goederenpaden op het tracé Meteren-Boxtel, omdat dit een te grote afwijking geeft van de werkelijke situatie (vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:342, overwegingen 13.1 en 13.2). Omdat de intensiteit van het goederenvervoer is gebaseerd op de marktvraag, heeft de staatssecretaris voor het verwachte aantal goederentreinen kunnen aansluiten bij de prognoses voor het goederenvervoer die zijn gebaseerd op de economische groeiscenario’s. Gelet op de omstandigheid dat de staatssecretaris aansluiting heeft gezocht bij het hoge economische groeiscenario uit de meest recente versie van de Nationale Markt- en Capaciteitsanalyse die ten tijde van de vaststelling van het tracébesluit beschikbaar was, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat niet is uitgegaan van de redelijkerwijs maximaal te verwachten aantallen goederentreinen op het tracé. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de geluidrapporten die aan het tracébesluit ten grondslag liggen, zijn gebaseerd op een representatieve invulling van de maximale capaciteitsmogelijkheden van het spoortracé. Hierbij tekent de Afdeling nog aan dat, zoals hiervoor onder 29 is overwogen, bij het rijden van meer treinen dan waar in de geluidrapporten van is uitgegaan, de geluidproductieplafonds een waarborg bieden. Die mogen immers niet worden overschreden zodat daar een beperking voor de hoeveelheid treinen uit voortvloeit. De betogen slagen niet. - Verhouding stil en lawaaiig materieel
  19. In de geluidrapporten is ook vermeld dat bij het goederenmaterieel is uitgegaan van de inzet van 80% stil goederenmaterieel. Volgens verschillende appellanten is onduidelijk wat moet worden verstaan onder stil goederenmaterieel en met welke gegevens in dit verband is gerekend. Vereniging Spoorzicht heeft hierbij naar voren gebracht dat onduidelijk is wat de geluidwinst is van stil goederenmaterieel ter hoogte van de wijk De Vughterpoort, waar de goederenwagons niet remmen, maar met een constante snelheid rijden. Daarnaast twijfelt een groot deel van de appellanten aan de juistheid van het in de geluidrapporten gehanteerde percentage van 80% voor het aandeel stil goederenmaterieel. Zij wijzen daarbij onder meer op het rapport "Onderzoek aandeel stille goederenwagens; basisjaar 2018 en prognose 2025, 2030, 2040" van Panteia (hierna: het rapport van Panteia) en eigen stukken van de staatssecretaris, waaruit volgens hen blijkt dat dit percentage tot op heden nog ruimschoots niet is behaald. 31.
  20. Wanneer in de geluidonderzoeken wordt gerekend met stil goederenmaterieel gaat het om goederenmaterieel vallend onder categorie 11 van het RMG
  21. Dit zijn goederentreinen die zijn uitgevoerd met een geluidreducerend remsysteem op de wielen. In reactie op de vraag van Vereniging Spoorzicht over de effecten hiervan, heeft de staatssecretaris toegelicht dat dit niet alleen leidt tot een vermindering van de geluidproductie tijdens het remmen van de trein, maar ook tijdens het rijden van de trein. Door het andere remsysteem zijn de wielen van de trein namelijk minder aan slijtage onderhevig wat ook een positief effect heeft op de geluidproductie tijdens het rijden. 31.
  22. Met deze geluidreducerende effecten van het stil goederenmaterieel is in de geluidberekeningen rekening gehouden voor 80% van de goederentreinen die in de projectsituatie op het tracé Meteren-Boxtel rijden. Over de vraag of dit een realistisch percentage is, stelt de Afdeling voorop dat de enkele omstandigheid dat in de huidige situatie op het Nederlandse spoornet nog geen sprake is van de inzet van 80% stil goederenmaterieel niet betekent dat een dergelijk percentage in de geluidberekeningen niet had mogen worden gehanteerd. De geluidberekeningen zijn immers verricht voor de projectsituatie na de uitvoering van het tracébesluit. Dit is naar verwachting in
  23. Op dat moment zal volgens de staatssecretaris op basis van de huidige beleidsinitiatieven die zijn gericht op een instroom en/of vervanging van het bestaand materieel door moderner of aangepast materieel met een lagere geluidemissie, 80% van het goederenmaterieel op het tracé Meteren-Boxtel bestaan uit stil goederenmaterieel. Dit wordt volgens de staatssecretaris nog versterkt door de inmiddels op 16 mei 2019 vastgestelde verordening (EU 2019/774) over de Quieter Routes. Op grond van deze verordening zijn onder meer de Brabant- en Betuweroute reeds aangewezen als stille spoorgoederenroutes waar het vanaf december 2024 niet langer is toegestaan met lawaaiig goederenmaterieel te rijden. Dit werkt ook door in het aandeel stil goederenmaterieel op het Nederlandse spoornet. Zo blijkt uit het rapport van Panteia dat op grond hiervan wordt verwacht dat reeds in 2025 het aandeel stil goederenmaterieel in Nederland ruim 90% zal bedragen. De Afdeling ziet gelet hierop geen aanleiding appellanten te volgen in hun opvatting dat het in de geluidonderzoeken gehanteerde percentage van 80% voor het aandeel stil goederenmaterieel een overschatting vormt van de werkelijke situatie na realisatie van het tracébesluit. Hierbij tekent de Afdeling bovendien nog aan dat, zoals hiervoor onder 29 is overwogen, de geluidproductieplafonds ook op dit punt een waarborg vormen tegen onaanvaardbare geluidhinder (vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:342, overweging 38.2). Het betoog slaagt niet. - Rijsnelheid
  24. Buurtvereniging De Vughterpoort stelt dat onvoldoende rekening is gehouden met de hogere snelheid van de treinen die de wijk De Vughterpoort zullen passeren. Ook [appellant sub 17] stelt dat wat betreft de snelheid mogelijk de verkeerde geluidsprofielen zijn gehanteerd en dat na de invoering van het European Rail Traffic Management System (hierna: ERTMS) op het traject Meteren-Boxtel mogelijk harder zal worden gereden, waar in de geluidberekeningen geen rekening mee is gehouden. 32.
  25. De wijk De Vughterpoort en de woning van de Koning bevinden zich langs het tracédeel ’s-Hertogenbosch-Vught. Op de zitting heeft de staatssecretaris toegelicht dat op delen van dit traject de maximum rijsnelheid thans is beperkt tot 80 km/uur. Vanwege de hiervoor onder 16.1 besproken ontvlechting van de corridors Amsterdam-Eindhoven en Nijmegen-Tilburg wordt de toekomstige rijsnelheid voor goederentreinen op dit tracédeel hoger. In de geluidrapporten is voor het spoortraject tussen ’s-Hertogenbosch en Vught uitgegaan van een rijsnelheid van 95 km/uur voor de goederentreinen en 130 km/uur voor de reizigerstreinen, met uitzondering van het station ’s-Hertogenbosch en de aansluiting Tilburg waar is uitgegaan van een snelheidsbeperking tot 80 km/uur. Er is in het geluidrapport voor het tracédeel ’s-Hertogenbosch-Vught dus reeds uitgegaan van een verhoging van de rijsnelheid van de treinen. Niet is gebleken dat de gehanteerde rijsnelheden desondanks niet representatief zijn. Dat de toekomstige invoering van ERTMS op de rijsnelheid van invloed zal zijn, zoals [appellant sub 17] stelt, wordt door de staatssecretaris ontkend en dit is ook niet anderszins gebleken. Ook wat betreft de rijsnelheid ziet de Afdeling dan ook geen aanknopingspunten om aan de representativiteit van de gemaakte geluidberekeningen te twijfelen. Daarbij tekent de Afdeling eveneens aan dat de invloed van de rijsnelheid op de geluidproductie wordt begrensd door de geluidproductieplafonds, aan welke plafonds de spoorweggebruiker dient te voldoen. De betogen slagen niet. Geluidberekeningen versus geluidmetingen
  26. [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 15], [appellant sub 24] en anderen, [appellant sub 4] en [appellant sub 17] betogen dat geluidberekeningen ten onrechte gaan voor geluidmetingen. [appellant sub 15] stelt in dit verband dat geluidmetingen in het veld meer inzicht geven in bijvoorbeeld de piekgeluiden van de passerende treinen. 33.
  27. Zoals hiervoor onder 27.2 is overwogen, volgt uit artikel 11.33, zevende lid, van de Wet milieubeheer dat het akoestisch onderzoek en de geluidberekeningen dienen te worden uitgevoerd met toepassing van het RMG
  28. Hieruit volgt dat de geluidbelasting wordt berekend en niet gemeten. Hierbij wijst de Afdeling ook op haar vaste jurisprudentie (vergelijk onder meer de uitspraak van 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:503, overweging 14.1) dat het ten behoeve van een tracébesluit vaststellen van de geluidbelasting door middel van een geluidmeting niet mogelijk is, omdat de daarbij te betrekken toekomstige situatie uit de aard der zaak alleen kan worden beoordeeld aan de hand van een rekenmodel en dat de staatssecretaris dan wel minister bij de vaststelling van een tracébesluit daarom mag afzien van het verrichten van geluidmetingen. De betogen slagen niet. Overige individuele betogen over spoorgeluid
  29. In het onderstaande zal de Afdeling ingaan op de individuele betogen van enkele appellanten over het spoorgeluid die niet hiervoor bij de gezamenlijke beroepsgronden aan de orde zijn gekomen. Zoals de Afdeling hiervoor onder 25.6 heeft opgemerkt, komen hierbij niet meer de betogen van verschillende appellanten aan de orde dat bij hun woning meer geluidbeperkende maatregelen hadden moeten worden getroffen vanwege de gezondheidseffecten van spoorgeluid in het licht van onder meer de WHO-aanbevelingen en het RIVM-rapport. Verder wijst de Afdeling erop dat in het onderstaande niet zal worden ingegaan op het onderwerp cumulatie, zoals cumulatie met andere geluidbronnen. Dit onderwerp komt hieronder onder 119 en verder aan de orde. Overige individuele geluidbetogen van bewoners in en nabij de deelgebieden waar aanpassingen aan het spoor plaatsvinden
  30. Zoals hiervoor onder 23 is overwogen, kan het tracé Meteren-Boxtel worden opgedeeld in vier deelgebieden. In het eerste deelgebied bij Meteren en in het derde deelgebied tussen ’s-Hertogenbosch en Vught vinden in dit tracébesluit aanpassingen aan het spoor plaats. Voor deze twee deelgebieden zijn de geluidrapporten deelgebied Meteren en deelgebied ’s-Hertogenbosch-Vught opgesteld. In het onderstaande gaat de Afdeling in op de individuele betogen over spoorgeluid van bewoners waarvan de woningen zijn onderzocht in een van deze twee geluidrapporten. - Buurtvereniging De Vughterpoort en anderen, Vereniging Spoorzicht en VvE Koningsweg en anderen De Vughterpoort
  31. Buurtvereniging De Vughterpoort en anderen en Vereniging Spoorzicht komen op voor de belangen van de bewoners van de wijk De Vughterpoort in ’s-Hertogenbosch. Ook enkele appellanten van de groep VvE Koningsweg en anderen wonen in deze wijk.
  32. Buurtvereniging De Vughterpoort en anderen betogen dat bij de aanleg van een derde spoor ter hoogte van de wijk De Vughterpoort in 1998 destijds in overleg met de bewoners voor een deel van de wijk is gekozen voor een lagere geluidswal dan elders in de wijk. Dit heeft bij de invoering van de geluidproductieplafonds tot gevolg gehad dat ter hoogte van de lagere geluidswal een hoger geluidproductieplafond is vastgesteld in vergelijking met een ander deel van de wijk, aldus Buurtvereniging De Vughterpoort en anderen. Zij achten het onredelijk dat zij op basis van een keuze uit het verleden gebonden zijn aan dit hogere geluidproductieplafond met als gevolg dat zij in dit tracébesluit geen recht hebben op aanvullende geluidbeperkende maatregelen. Buurtvereniging De Vughterpoort en anderen wijzen in dit verband ook op het tracébesluit Sporen in Den Bosch uit
  33. Reeds in het kader van dit tracébesluit hadden volgens hen de geluidproductieplafonds ter hoogte van hun woningen naar beneden moeten worden bijgesteld. 37.
  34. Zoals hiervoor onder 21 is overwogen, kan de Afdeling in een procedure over een nieuw tracébesluit niet oordelen over geluidproductieplafonds die bij een eerder besluit zijn vastgesteld, omdat dat eerdere besluit in de procedure over het nieuwe tracébesluit niet ter beoordeling staat. De staatssecretaris is bij de vaststelling van het tracébesluit terecht van deze geluidproductieplafonds uitgegaan. De Afdeling ziet daarom geen reden om in deze uitspraak in te gaan op de aanleg van het derde spoor tussen ’s-Hertogenbosch en Vught in 1998 en de realisatie van het tracébesluit Sporen in Den Bosch uit 2011 en de keuzes terzake die toen zijn gemaakt. De betogen slagen niet.
  35. Buurtvereniging De Vughterpoort en anderen wijzen er verder op dat bij de aanleg van de randweg ’s-Hertogenbosch - Vught in 2011 tussen de randweg en het spoor een geluidsmuur is geplaatst. Deze geluidsmuur zorgt volgens hen voor weerkaatsing van het geluid van de treinen richting de achtergevels van de woningen aan de Willem van Oranjelaan. Zij stellen dat in de geluidberekeningen met deze weerkaatsing ten onrechte geen rekening is gehouden en wensen dat ter hoogte van hun wijk wordt voorzien in aanvullende geluidbeperkende maatregelen. Ook Vereniging Spoorzicht en VvE Koningsweg en anderen wensen dat ter hoogte van de wijk De Vughterpoort geluidbeperkende maatregelen worden getroffen. Volgens Vereniging Spoorzicht lijkt hun wijk in de geluidonderzoeken een zogenoemde blinde vlek te zijn, waarvoor maatregelen ten onrechte achterwege zijn gelaten. 38.
  36. De opvatting van onder meer Vereniging Spoorzicht dat de wijk De Vughterpoort in de geluidonderzoeken een zogenoemde blinde vlek is, deelt de Afdeling niet. In het geluidrapport deelgebied ’s-Hertogenbosch-Vught is voor de woningen in deze wijk de geluidbelasting op de gevel berekend voor de huidige situatie bij volledige benutting van de voor het tracébesluit geldende geluidproductieplafonds en voor de projectsituatie na de uitvoering van het tracébesluit. Uit bijlage D bij dit geluidrapport blijkt dat bij alle woningen in de wijk De Vughterpoort het spoorgeluid op de gevel in de projectsituatie lager is dan of gelijk is aan de huidige situatie bij volledige benutting van de voor het tracébesluit geldende geluidproductieplafonds. De Afdeling volgt Buurtvereniging De Vughterpoort en anderen evenmin in hun opvatting dat bij de in bijlage D vermelde geluidwaarden op woningniveau mogelijk geen rekening zou zijn gehouden met de reflectie van het spoorgeluid ten gevolge van de geluidsmuur bij de randweg ’s-Hertogenbosch-Vught. Bij het berekenen van de geluidbelasting op woningniveau dient overeenkomstig het RMG 2012 rekening te worden gehouden met omgevingsobjecten die van invloed zijn op de geluidbelasting door afscherming of reflectie, waaronder ook de geluidsmuur bij de randweg langs de wijk De Vughterpoort en de geluidreflectie daarvan. In het verweerschrift en op de zitting is door de staatssecretaris bevestigd dat deze geluidreflectie, omdat het gaat om de berekening van de geluidwaarde op woningniveau, in de in bijlage D bij het geluidrapport vermelde geluidwaarden is verwerkt. Omdat in het geluidrapport staat dat het onderzoek overeenkomstig het RMG 2012 is verricht, ziet de Afdeling geen aanleiding hieraan te twijfelen. Daarbij merkt de Afdeling op dat de onduidelijkheid bij Buurtvereniging De Vughterpoort over de vraag of rekening is gehouden met reflecties van de geluidsmuur mogelijk is ontstaan door de vermelding van de staatssecretaris dat met omgevingsobjecten die geen onderdeel zijn van het spoor geen rekening wordt gehouden wanneer het gaat om een berekening van de geluidbelasting op de referentiepunten langs het spoor. Wanneer het gaat om een berekening van de geluidbelasting op woningniveau, zoals in bijlage D bij het geluidrapport deelgebied ’s-Hertogenbosch-Vught is weergegeven, worden alle omgevingsobjecten die van invloed zijn op de geluidbelasting op de gevel van de woningen vanwege afscherming of reflectie meegenomen. 38.
  37. Omdat uit bijlage D bij het geluidrapport ’s-Hertogenbosch-Vught blijkt dat bij alle woningen in de wijk De Vughterpoort het spoorgeluid op de gevel in de projectsituatie lager is dan of gelijk is aan het spoorgeluid op de gevel bij volledige benutting van de voor het tracébesluit geldende geluidproductieplafonds, was de staatssecretaris niet gehouden in het tracébesluit voor de woningen in deze wijk aanvullende geluidbeperkende maatregelen te treffen. 38.
  38. De betogen slagen niet. Overige woningen van VvE Koningsweg en anderen
  39. Tot de groep VvE Koningsweg en anderen behoren niet alleen bewoners van de wijk De Vughterpoort, maar ook bewoners van de [locatie 1]-[locatie 2] en het [locatie 3] in ’s-Hertogenbosch alsmede bewoners van de [locatie 4] en [locatie 5] en de [locatie 6] in Vught. De betogen die voor deze bewoners naar voren gebracht, zijn hiervoor onder 19 tot en met 33 in het algemene deel over spoorgeluid besproken. Daar wordt, zoals hiervoor onder 34 is vermeld, in dit deel van de uitspraak bij de individuele betogen over spoorgeluid niet opnieuw op ingegaan. Hierbij merkt de Afdeling ten overvloede nog op dat uit het geluidrapport deelgebied ’s-Hertogenbosch-Vught blijkt dat ook bij de voormelde woningen van VvE Koningsweg en anderen na de uitvoering van het tracébesluit sprake zal zijn van een lagere geluidbelasting op de gevel vanwege het spoor dan in de huidige situatie bij volledige benutting van de voor het tracébesluit geldende geluidproductieplafonds. Zo gaat het om verlagingen van 47 dB naar 45 dB aan de [locatie 1]-[locatie 2], van 57 dB naar 56 dB aan het [locatie 3], van 64 dB naar respectievelijk 61 dB en 62 dB aan de [locatie 4] en [locatie 5] en van 70 dB naar 64 dB aan de [locatie 6]. - [ appellant sub 9] en anderen
  40. [ appellant sub 9] en anderen wonen aan de [locatie 7], [locatie 8] en [locatie 9] in Vught. Hun betogen over het booggeluid zijn hiervoor onder 27.2 inhoudelijk beoordeeld. [appellant sub 9] en anderen wijzen naast het booggeluid ook op de lengte van de raildempers nabij hun woningen. In bijlage D bij het tracébesluit is bepaald waar de raildempers worden gerealiseerd. Aan de noordzijde van Vught eindigen de raildempers bij ongeveer km 51,
  41. Dit is aan de westzijde van de woningen van [appellant sub 9] en anderen. [appellant sub 9] en anderen wensen dat de raildempers langs hun woningen worden doorgetrokken tot aan de spoorwegovergang richting Tilburg. Zij stellen in dit verband dat in de memo "PHS Meteren-Boxtel - Aanvullende verkennende onderzoeken geluid" van 5 maart 2019 is vermeld dat voor de woning aan de [locatie 7] het noodzakelijk is de raildempers toe te passen op het dichtstbij gelegen spoor richting Tilburg. Het doortrekken van de raildempers in combinatie met een verhoging van het geluidscherm, is volgens [appellant sub 9] en anderen noodzakelijk om de geluidbelasting bij hun woningen vanwege het spoor te beperken tot 60 dB. 40.
  42. Uit bijlage D bij het geluidrapport deelgebied ’s-Hertogenbosch-Vught blijkt ook dat bij de woningen aan de [locatie 7], [locatie 8] en [locatie 9] de geluidbelasting op de gevel vanwege het spoor in de projectsituatie lager is dan in de huidige situatie bij volledige benutting van de voor het tracébesluit geldende geluidproductieplafonds. Zo is de geluidbelasting vanwege het spoor op de gevel van de woningen aan de [locatie 7], [locatie 8] en [locatie 9] in de huidige situatie bij volledige benutting van de voor het tracébesluit geldende geluidproductieplafonds respectievelijk 72, 70 en 69 dB. In de projectsituatie is deze geluidbelasting berekend op respectievelijk 64 dB, 61 dB en 60 dB. Dit wordt onder meer veroorzaakt door een bestaande onderschrijding van de geluidproductieplafonds. Ook voor de woningen van [appellant sub 9] en anderen geldt daarom dat de staatssecretaris niet was gehouden in het tracébesluit aanvullende geluidbeperkende maatregelen te treffen, zoals de door [appellant sub 9] en anderen gewenste verlenging van de raildempers ter hoogte van hun woningen. 40.
  43. Uit de memo "PHS Meteren-Boxtel - Aanvullende verkennende onderzoeken geluid" van 5 maart 2019 waar [appellant sub 9] en anderen naar verwijzen, kan evenmin een dergelijke verplichting worden afgeleid. In deze memo wordt ingegaan op de mogelijkheden voor het treffen van bovenwettelijke geluidbeperkende maatregelen, waaronder de mogelijkheid om aan de noordzijde van Vught de geluidbelasting vanwege het spoor op de gevel van geluidgevoelige objecten terug te brengen tot 60 dB. Voor de woning aan de [locatie 7] wordt in de memo in dit verband gesproken over een verlenging van de raildempers. Zoals hiervoor onder 25.1 is overwogen, heeft de staatssecretaris niet voor het treffen van deze bovenwettelijke geluidbeperkende maatregel gekozen, maar in plaats daarvan onder meer een bedrag beschikbaar gesteld als medefinanciering van initiatieven van gemeenten of andere overheden voor extra hinderbeperkende maatregelen. In het verweerschrift vermeldt de staatssecretaris dat deze financiële middelen voor de gemeente Vught aanleiding hebben gevormd om voor het gebied Vught-Noord aanvullende geluidbeperkende maatregelen te onderzoeken, waarbij onder meer een verhoging van de geluidschermmaatregelen ter hoogte van de Aert Heymlaan aan de orde is. Dit zijn bovenwettelijke geluidbeperkende maatregelen die op eigen initiatief van de gemeente Vught worden gerealiseerd. De staatssecretaris was op grond van de Wet milieubeheer niet gehouden deze maatregelen te treffen. Deze maatregelen maken geen onderdeel uit van het tracébesluit en liggen in deze procedure daarom niet ter beoordeling voor. 40.
  44. De betogen slagen niet. - [ appellant sub 25]
  45. [ appellant sub 25] woont aan de [locatie 10] in Vught. Hij wenst dat ter hoogte van zijn woning wordt voorzien in een hoger geluidscherm. Het argument dat hij hiervoor aandraagt ziet op de gezondheidseffecten van spoorgeluid, die hiervoor onder 25 en verder reeds aan de orde zijn gesteld. De overige individuele geluidbetogen van [appellant sub 25] zal de Afdeling hieronder bespreken.
  46. [ appellant sub 25] wijst erop dat de hoogte van het bestaande geluidscherm bij zijn woning 2 m bedraagt. Dit geluidscherm wordt in het tracébesluit niet verhoogd, terwijl in het tracébesluit voor andere delen van Vught-Noord, waar de woningen volgens hem zijn gesitueerd op grotere afstand van het spoor, wel wordt voorzien in hogere geluidschermen. Hij vraagt zich gelet hierop af of bij de geluidberekeningen is uitgegaan van de juiste informatie. Hij stelt in dit verband ook dat het bestaande geluidscherm langs zijn woning reeds enkele tientallen jaren oud is en gelet daarop mogelijk niet meer voldoende geluidafscherming biedt. [appellant sub 25] betoogt daarnaast dat een hoger geluidscherm niet alleen de geluidhinder bij zijn woning vermindert, maar ook het zicht op de treinen ontneemt. Met dit belang is volgens hem ten onrechte geen rekening gehouden. 42.
  47. Uit bijlage F bij het geluidrapport deelgebied ’s-Hertogenbosch-Vught blijkt dat ook bij de woning van [appellant sub 25] aan de [locatie 10] in Vught de geluidbelasting van 58 dB in de projectsituatie lager is dan de geluidbelasting van 62 dB in de huidige situatie bij volledige benutting van de voor het tracébesluit geldende geluidproductieplafonds. Uit bijlage D bij het tracébesluit blijkt dat hierbij is uitgegaan van een handhaving van het bestaande geluidscherm van 2 m langs de Willem III-Laan dat niet wordt verhoogd. Anders dan [appellant sub 25] betoogt, ziet de Afdeling geen aanleiding aan de juistheid van de in het geluidrapport voor zijn woning vermelde geluidwaarden te twijfelen. [appellant sub 25] wijst ter onderbouwing van zijn twijfel weliswaar op een verschil in hoogte tussen het geluidscherm bij zijn woning en elders in Vught-Noord, maar dit verschil in schermhoogte wordt volgens de staatssecretaris verklaard door de omstandigheid dat bij de woningen aan de Willem III-Laan - waar [appellant sub 25] woont - een derde woonlaag ontbreekt, terwijl op andere locaties langs het spoor in Vught-Noord wel sprake is van een derde woonlaag. Doordat de geluidbelasting bij de woningen aan de Willem III-Laan wordt gemeten op een lagere gevelhoogte, kan op deze locatie, ondanks de relatief korte afstand van de woningen tot het spoor, volgens de staatssecretaris worden volstaan met een lager geluidscherm. De Afdeling ziet geen aanleiding deze toelichting van de staatssecretaris niet te volgen. Ook ziet de Afdeling geen aanleiding te twijfelen aan de stelling van de staatssecretaris dat het bestaande geluidscherm langs de woningen aan de Willem III-Laan wat betreft isolatie en absorptie nog voldoende geluidafscherming biedt. [appellant sub 25] heeft op de zitting uitsluitend gesteld dat dit bestaande geluidscherm enkele tientallen jaren oud is en daardoor mogelijk niet meer aan de eisen voldoet, maar heeft dit niet verder onderbouwd. Bij het voorgaande tekent de Afdeling aan dat het bestaande geluidscherm langs de Willem III-Laan weliswaar niet wordt vervangen en verhoogd, maar dat er als geluidbeperkende maatregel wel raildempers worden gerealiseerd ter hoogte van de Willem III-Laan. Mede als gevolg hiervan wordt het spoorgeluid in de projectsituatie op de gevel van de woning van [appellant sub 25] verlaagd naar 58 dB. Deze geluidwaarde is blijkens het geluidrapport namelijk de geluidbelasting inclusief de in het tracébesluit opgenomen geluidbeperkende maatregelen. 42.
  48. Gelet op de omstandigheid dat het spoorgeluid op de gevel van de woning van [appellant sub 25] in de projectsituatie lager is dan bij volledige benutting van de voor het tracébesluit geldende geluidproductieplafonds, was de staatssecretaris op grond van de Wet milieubeheer voor deze woning niet verplicht in het tracébesluit verdere geluidbeperkende maatregelen te treffen. Het door [appellant sub 25] genoemde aspect over het verder ontnemen van het uitzicht op het spoor is hierin geen mee te wegen belang. Dit belang kan wel een rol spelen bij de belangenafweging op grond van artikel 3:4 van de Awb en de vraag of gelet daarop aanvullende maatregelen waren vereist. Daarvoor ziet de Afdeling in dit geval echter geen aanleiding. Uit de Gebiedsvisie spoorzone Vught, waar de staatssecretaris in dit verband naar verwijst, blijkt dat de raad van de gemeente Vught met het oog op het behoud van de ruimtelijke kwaliteit langs het spoor hoge geluidschermen zo veel mogelijk wenst te voorkomen. Om die reden staat in deze Gebiedsvisie dat de voorkeur wordt gegeven aan bronmaatregelen als te treffen geluidsmaatregel en dat geluidschermen pas aan de orde zijn wanneer bronmaatregelen niet toereikend zijn. In dit geval is een ophoging van het geluidscherm niet vereist voor een reductie van de geluidbelasting op de gevel van de woning van [appellant sub 25]. Om die reden heeft de staatssecretaris, in acht genomen de wens van de gemeente Vught om de door haar voorgestane ruimtelijke kwaliteit langs het spoor zo veel mogelijk te behouden en in acht genomen de omstandigheid dat naar het oordeel van de staatssecretaris langs de Willem III-Laan al veel groen aanwezig is dat het zicht op de treinverkeer deels ontneemt, geen aanleiding gezien het bestaande geluidscherm langs de Willem III-Laan verder op te hogen. De Afdeling acht deze afweging van belangen niet onevenredig. 42.
  49. De betogen slagen niet.
  50. [ appellant sub 25] heeft in zijn beroepschrift ook gewezen op een verzoek dat hij in het kader van dit tracébesluit heeft ingediend op grond van de Wet openbaarheid van bestuur. Op dit verzoek heeft de minister op 13 juli 2020 een besluit genomen. Dit besluit ligt in deze procedure niet ter toetsing voor en dit laat de Afdeling in deze uitspraak daarom verder buiten inhoudelijke bespreking. - [ appellant sub 26]
  51. [ appellant sub 26] woont aan de [locatie 11] in Vught. Uit bijlage F bij het geluidrapport deelgebied ’s-Hertogenbosch-Vught blijkt dat het spoorgeluid op de gevel van zijn woning bij volledige benutting van de voor het tracébesluit geldende geluidproductieplafonds 71 dB bedraagt. Na uitvoering van het tracébesluit inclusief de daarin opgenomen geluidbeperkende maatregelen wordt deze geluidbelasting verlaagd naar 61 dB. De juistheid van deze geluidwaarden worden door [appellant sub 26] niet bestreden. Hij wijst wat betreft het spoorgeluid en zijn wens om de geluidschermen ter hoogte van zijn woning te verhogen op de gezondheidseffecten van het spoorgeluid. Die betogen zijn hiervoor onder 25 en verder reeds aan de orde gesteld.
  52. [ appellant sub 26] betoogt daarnaast evenals [appellant sub 25] dat een hoger geluidscherm ter hoogte van zijn woning noodzakelijk is om het zicht op het spoor te ontnemen. De Afdeling ziet op dit punt geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan hiervoor onder 42.2 ten aanzien van [appellant sub 25] daarover is overwogen. Daarbij wijst de Afdeling erop dat ook bij [appellant sub 26] het bestaande groen aan de achterzijde van zijn woning het zicht op het spoor reeds grotendeels ontneemt. Het betoog slaagt niet. - [ appellant sub 19]
  53. [ appellant sub 19] woont aan de [locatie 12] in ’s-Hertogenbosch. Uit bijlage D bij het geluidrapport deelgebied ’s-Hertogenbosch-Vught blijkt dat het spoorgeluid op de gevel van de woning van [appellant sub 19] 60 dB bedraagt bij volledige benutting van de voor het tracébesluit geldende geluidproductieplafonds en 58 dB in de projectsituatie na uitvoering van het tracébesluit. [appellant sub 19] stelt de juistheid van deze berekende geluidwaarden ter discussie. Zo stelt hij dat in het akoestisch onderzoek ervan is uitgegaan dat de kantoren aan de Magistratenlaan in ’s-Hertogenbosch het spoorgeluid ter hoogte van zijn woning tegenhouden. Volgens hem is deze aanname onjuist, omdat de kantoren geen aaneengesloten blok vormen. De kantoren leiden volgens [appellant sub 19] juist tot een versterking van het spoorgeluid op de gevel van zijn woning. Hij betoogt in dit verband ook dat de gevel van het appartementencomplex waarin hij woont veelal uit glas en aluminium bestaat. Dit geeft volgens hem een ander geluidseffect dan regulier metselwerk. 46.
  54. De Afdeling volgt [appellant sub 19] niet in zijn opvatting dat er bij de berekening van de geluidbelasting op de gevel van zijn woning van zou zijn uitgegaan dat de kantoren aan de Magistratenlaan een aangesloten blok vormen die het geluid richting zijn woning aan de achterliggende Spiegeltuin zouden tegenhouden. Naast het feit dat dit niet blijkt uit de in bijlage B bij het geluidrapport weergegeven situering van de gebouwen waar in het akoestisch rekenmodel rekening mee is gehouden, wordt de stelling van [appellant sub 19] ook weersproken in zowel de Nota van Antwoord als in het verweerschrift. Daarin wordt onderkend dat hoewel de spoorwegzijde ter hoogte van de woning van [appellant sub 19] voornamelijk uit kantoren bestaat, het spoorgeluid toch de tussenliggende straten, zoals de Spiegeltuin, binnendringt. De hierdoor ontstane geluidbelasting vanwege het spoor op de gevel van de woning van [appellant sub 19] is berekend op 58 dB in de projectsituatie, waarmee de geluidbelasting die wordt ondervonden bij volledige benutting van de voor het tracébesluit geldende geluidproductieplafonds niet wordt overschreden. In de verwijzing van [appellant sub 19] naar de voor zijn woning gebruikte bouwmaterialen en de geluidseffecten daarvan ziet de Afdeling geen aanleiding te twijfelen aan de conclusie van de staatssecretaris dat het spoorgeluid op de gevel van de woning van [appellant sub 19] in de projectsituatie lager is dan de geluidbelasting die wordt ondervonden bij volledige benutting van de voor het tracébesluit geldende geluidproductieplafonds. Uit de bijlage C bij het geluidrapport deelgebied ’s-Hertogenbosch-Vught blijkt namelijk dat ter hoogte van de Spiegeltuin reeds op de referentiepunten langs het spoor de ter plaatse geldende geluidproductieplafonds worden onderschreden. Omdat de nabij de woning van [appellant sub 19] geldende geluidproductieplafonds op de referentiepunten langs het spoor in de projectsituatie niet volledig worden benut, is ook de geluidbelasting vanwege het spoor op de gevel van de woning van [appellant sub 19] in de projectsituatie lager dan de geluidbelasting die zou worden ondervonden wanneer de geluidproductieplafonds op de referentiepunten langs het spoor wel volledig zouden worden benut. Zoals hiervoor onder 21 is overwogen, is de staatssecretaris in dat geval op grond van de Wet milieubeheer dan niet gehouden om ten behoeve van de woning van [appellant sub 19] in dit tracébesluit aanvullende geluidbeperkende maatregelen te treffen. De staatssecretaris heeft daarom kunnen afzien van de realisatie van het door [appellant sub 19] gewenste geluidscherm vanaf het station ’s-Hertogenbosch richting het zuiden. De betogen slagen niet. Overige individuele geluidbetogen van bewoners buiten de deelgebieden waar fysieke aanpassingen aan het spoor plaatsvinden - [ appellant sub 20] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 1] en [appellanten sub 22]
  55. [ appellant sub 20] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 1] en [appellanten sub 22] zijn eigenaar van woningen en gronden gelegen in het dorp Hedel. Hedel ligt in deelgebied 2 tussen Meteren en ’s-Hertogenbosch waar geen fysieke aanpassingen aan het spoor plaatsvinden. Voor dit deelgebied is, anders dan voor de deelgebieden 1 (Meteren) en 3 (’s-Hertogenbosch-Vught) waar wel fysieke aanpassingen aan het spoor plaatsvinden, geen geluidrapport opgesteld waarin de geluidbelasting is berekend op woningniveau. Dit is volgens [appellant sub 20] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 1] en [appellanten sub 22] ten onrechte achterwege gelaten. Zij betogen dat omdat geen inzicht is gegeven in de berekende geluidbelasting op woningniveau en per referentiepunt, niet is na te gaan of de streefwaarde dan wel maximale waarde wordt overschreden en welke maatregelen op grond daarvan moeten worden getroffen. 47.
  56. De omstandigheid dat voor deelgebied 2 geen afzonderlijk geluidrapport is opgesteld, betekent niet dat voor dit deelgebied geen akoestisch onderzoek is uitgevoerd. Dat is verricht in het kader van het MER, waarin is beoordeeld of de toename van het aantal goederentreinen op het tracé past binnen de op de referentiepunten langs het tracé geldende geluidproductieplafonds. Dit is per referentiepunt nader inzichtelijk gemaakt in bijlage 16 bij het MER Deelrapport Geluid. De stelling dat geen inzicht is gegeven in de berekende geluidbelasting per referentiepunt, deelt de Afdeling daarom niet. Uit bijlage 16 bij het MER Deelrapport Geluid blijkt dat de geluidproductieplafonds op de referentiepunten langs het spoor bij het dorp Hedel ook in de projectsituatie worden onderschreden. Om die reden heeft de staatssecretaris op grond van artikel 11.30, tweede lid, van de Wet milieubeheer mogen afzien van het verrichten van nader onderzoek naar de geluidbelasting vanwege het spoor op de gevels van de geluidgevoelige objecten in het dorp Hedel. Het betoog slaagt niet.
  57. [appellant sub 20] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 1] en [appellanten sub 22] wijzen ook op het Meerjarenprogramma geluidsanering (hierna: MJPG). Dit is een programma dat zijn grondslag vindt in afdeling 11.3.6 van de Wet milieubeheer. Voor zogenoemde saneringsobjecten als bedoeld in artikel 11.57 van de Wet milieubeheer en waarbij wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 11.56, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer, dit zijn objecten met een hoge geluidbelasting vanwege het spoor, bestaat de verplichting een saneringsplan vast te stellen. Dit plan heeft tot doel om de geluidbelasting vanwege de spoorweg bij volledige benutting van de geluidproductieplafonds op de gevel van het saneringsobject te beperken tot de saneringsstreefwaarde van 65 dB. Dit is bepaald in artikel 11.59 van de Wet milieubeheer. Ten tijde van de vaststelling van het tracébesluit was voor de gemeente Maasdriel, waartoe Hedel behoort, een saneringsplan in voorbereiding dat na de vaststelling van het tracébesluit op 12 juli 2021 is vastgesteld. De geluidmaatregelen die worden getroffen in het kader van het MJPG zijn in het MER beschouwd als onderdeel van de autonome ontwikkelingen, zo wordt ook bevestigd in het verweerschrift. [appellant sub 20] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 1] en [appellanten sub 22] kunnen zich er niet mee verenigen dat in het geluidonderzoek dat ten behoeve van het MER is verricht met de geluidmaatregelen die onderdeel zijn van het MJPG, zoals een geluidscherm ter hoogte van de Drielseweg en de Maasdijk in Hedel, als autonome ontwikkeling rekening is gehouden. Ten tijde van de vaststelling van het tracébesluit in 2020 was volgens hen namelijk nog niet zeker dat deze geluidmaatregelen ook daadwerkelijk zouden worden gerealiseerd. 48.
  58. De Afdeling stelt voorop dat op basis van artikel 11.56 van de Wet milieubeheer een verplichting bestaat het saneringsplan vast te stellen. Gelet hierop mocht de staatssecretaris er ten tijde van

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.