(2014), uitgebreid kritiek geuit op de hoogte van de gehanteerde blootstellingslimieten van de ICNIRP. De Afdeling ziet echter geen aanleiding voor het door [partij] gewenste oordeel over de vraag of die limieten als grens voor de bescherming van de volksgezondheid mogen worden gehanteerd. Zoals onder 8.1 is overwogen, gaat het college er op basis van veldsterktemetingen bij vergelijkbare antennemasten van uit dat de veldsterkte op een afstand van 328 m van de mast minder dan 1 V/m zal zijn. Dit zou betekenen dat de veldsterkte ter plaatse van de woning van [partij], die op beduidend grotere afstand van de mast ligt, nog veel lager zou moeten zijn. De Afdeling acht op basis van voormelde veldsterktemetingen aannemelijk dat de veldsterkte ten gevolge van de vergunde mast ter plaatse van de woning van [partij] nog minder is dan 1 V/m. Zelfs indien van een hogere veldsterkte zou moeten worden uitgegaan, omdat het tussenliggende landschap bij Haarlo meer open is dan bij de metingen in Losser en Almere, is aannemelijk dat de door de antennemast veroorzaakte veldsterkte ter plaatse van de woning van [partij] ruim onder de toegepaste blootstellingslimieten van de ICNIRP (38,8 V/m - 61V/m) blijft. Een algemene beoordeling van de aanvaardbaarheid van die limieten als grens voor de bescherming van de volksgezondheid is gezien de grote mate van onderschrijding in de onderhavige zaak niet van belang. De Afdeling zal niettemin beoordelen of zij, op grond van hetgeen [partij] naar voren heeft gebracht, tot het oordeel moet komen dat bij een blootstelling zoals hier aan de orde toch zodanige gezondheidsrisico’s bestaan dat het college de gevraagde omgevingsvergunning niet mocht verlenen. 8.
- Alvorens te beoordelen of op basis van het door [partij] naar voren gebrachte moet worden geoordeeld dat ter plaatse van haar woning sprake is van zodanige gezondheidsrisico’s dat het college de omgevingsvergunning voor de mast vanwege deze risico’s niet mocht verlenen, acht de Afdeling het van belang om het volgende voorop te stellen. Anders dan [partij] heeft betoogd, heeft de rechtbank niet vastgesteld dat bij een veldsterkte van minder dan 1 V/m sprake is van gezondheidsrisico’s. De rechtbank heeft slechts in het kader van de belanghebbendheid overwogen dat gezondheidsrisico’s bij een veldsterkte die lager is dan 1 V/m - zoals ter plaatse van de woning van [partij] - op basis van de door [partij] overgelegde stukken niet kunnen worden uitgesloten, zodat zij als belanghebbende bij het besluit van 17 juli 2018 moest worden aangemerkt. Zie in dit verband ook hetgeen de Afdeling hiervoor onder 3.3 heeft overwogen. Zoals de rechtbank heeft overwogen in r.o. 4.4 van de uitspraak van 18 december 2020, is de vraag of het gezondheidsrisico zodanig groot is dat het college de omgevingsvergunning niet had kunnen verlenen een inhoudelijke toets waaraan de rechtbank niet is toegekomen. Voorafgaand aan die inhoudelijke beoordeling merkt de Afdeling op dat het, anders dan [partij] wenst, niet zo is dat elk gezondheidsrisico moet worden uitgesloten. 8.
- [partij] heeft zich op het standpunt gesteld dat biologische effecten van elektromagnetische velden kunnen leiden tot ernstige gezondheidsschade. Zij heeft in dat verband verwezen naar onder meer het rapport "Health Impact of 5G" van de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement (EPRS) van juli 2021, het rapport "5G en gezondheid" en een nieuwsbrief van de Zwitserse adviesgroep BERENIS van januari 2020, waarin wordt gesproken over onderscheidenlijk niet-thermische biologische effecten, een verhoogd risico door oxidatieve stress en de samenhang tussen elektromagnetische velden en oxidatieve stress of kanker. Daarnaast heeft zij gesteld dat het Internationaal Agentschap voor Kankeronderzoek (hierna: IARC) radiofrequente elektromagnetische velden als mogelijk kankerverwekkend heeft aangemerkt. De stukken waarnaar [partij] heeft verwezen, stellen in het algemeen dat gezondheidseffecten vanwege elektromagnetische velden kunnen optreden, maar uit die stukken blijkt niet dat de gezondheidsrisico’s op een afstand van een antennemast vergelijkbaar met de afstand tot de woning van [partij] zodanig groot zijn dat het college geen omgevingsvergunning had mogen verlenen. 8.
- Het standpunt van [partij] over het ALARA-beginsel uit het Antenneconvenant komt er, kort gezegd, op neer dat er op grond van dat beginsel geen antennemasten mogen zijn. Het Antenneconvenant bevat afspraken tussen de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en drie telecomaanbieders. Daargelaten de vraag of het Antenneconvenant onderdeel is van het toetsingskader van de omgevingsvergunning, houdt het ALARA-beginsel niet, zoals [partij] meent, in dat er geen antennemasten mogen zijn. Dit onderdeel van de beroepsgrond kan daarom niet slagen. 8.
- Gelet op wat hiervoor is overwogen, ziet de Afdeling in het door [partij] naar voren gebrachte geen grond voor het oordeel dat het college de gevraagde omgevingsvergunning had moeten weigeren vanwege de gezondheidsrisico’s van elektromagnetische velden. Het door haar gestelde kan in zoverre niet leiden tot vernietiging van het besluit van 10 mei
- Het betoog slaagt niet. Relativiteitsvereiste
- [partij] betoogt dat (het gebruik van) de antennemast negatieve invloed zal hebben op het essen- en cultuurhistorisch landschap ten noorden van het landgoed ’t Wolink en de belevingswaarde van dit landgoed. Ook stelt zij dat (het gebruik van) de antennemast negatieve invloed zal hebben op de flora en fauna. Zij noemt in het bijzonder de vogelstand op voormeld landgoed en de in de omgeving aanwezige bomen. [partij] stelt dat het Landschapsadvies van Van Eijk en Oostendorp, waarop het college zich bij het nemen van het besluit van 10 mei 2021 heeft gebaseerd, onvolledig is. 9.
- De Afdeling zal deze beroepsgrond niet inhoudelijk behandelen, omdat deze beroepsgrond op grond van artikel 8:69a van de Awb niet kan leiden tot vernietiging van het besluit van 10 mei
- De vergunning is verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 2, van de Wabo. Het college heeft daarbij beoordeeld of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. [partij] komt in dit verband op voor het behoud van haar woon- en leefklimaat. De afstand van de woning van [partij] tot de omgeving van de antennemast is zodanig dat die omgeving niet kan worden geacht deel uit te maken van haar leefomgeving. Hierdoor is het algemeen belang van het behoud van het essen- en cultuurhistorisch landschap en de bescherming van de flora en fauna rond de antennemast niet zodanig verweven met de belangen van [partij] dat kan worden gezegd dat de beroepsgrond betrekking heeft op haar belangen. Zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2706, r.o. 10.5, 10.10, 10.11, 10.14, 10.15 en 10.33). Alternatieve locaties
- [partij] betoogt dat het college bij de afweging van de alternatieve locaties ten onrechte slechts heeft getoetst of sprake is van een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren. Volgens haar had het college bij die afweging ook het gezondheidsaspect moeten betrekken. Met de stelling dat het college niet gehouden was om de gevraagde vergunning op grond van de behoefte aan alternatieve locaties te weigeren, heeft het college de gezondheidsargumenten volgens [partij] ten onrechte bij voorbaat afgewezen. 10.
- Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:787, r.o. 7.2) moet het college beslissen op een bouwplan zoals dat is ingediend. Indien een project op zichzelf voor het college aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. 10.
- Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning zit een onderbouwing voor de antennemast. Deze bijlage maakt onderdeel uit van het besluit van 17 juli
- De onderbouwing geeft inzicht in het plannen van een nieuwe mast en op blz. 27 van de onderbouwing staan twaalf onderzochte alternatieve locaties. Deze locaties geven geen gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren. [partij] heeft deze onderbouwing niet gemotiveerd betwist. [partij] herhaalt dat antenne-installaties in het algemeen gezondheidsrisico’s opleveren, maar betoogt en motiveert niet dat er alternatieve locaties zijn die qua gezondheidsrisico’s minder bezwaren zouden kunnen opleveren. Haar betoog kan daarom niet leiden tot vernietiging van het besluit van 10 mei
- De door [partij] gestelde gezondheidsrisico’s die antenne-installaties zouden opleveren zijn hiervoor al onder 8 en verder besproken. Het betoog slaagt niet. Witte zones
- [partij] betoogt dat het college de afwijzing van haar voorstel tot een witte zone in Berkelland ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Volgens haar is het van belang om burgers een stralingsarm alternatief te bieden. In het beroepschrift bij de rechtbank heeft [partij] uitgebreid uiteengezet waarom het college volgens haar moet meewerken aan het creëren van witte zones. 11.
- In deze procedure ligt alleen ter beoordeling voor de rechtmatigheid van de bij besluit van 10 mei 2021 in stand gelaten omgevingsvergunning van 17 juli 2018 die de bouw van de antennemast mogelijk maakt. Dat betekent dat in deze procedure alleen de vraag kan worden beantwoord of het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Gelet hierop kan [partij] in deze procedure niet bereiken dat het college witte zones aanwijst. Deze grond kan daarom niet leiden tot vernietiging van het besluit van 10 mei
- Het betoog slaagt niet. Slotoverwegingen
- De hoger beroepen van het college en KPN zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Het beroep van [partij] tegen het besluit van 10 mei 2021 is ongegrond.
- Het college moet de proceskosten van [partij] in hoger beroep vergoeden.
- Gelet op artikel 8:109, tweede lid, van de Awb wordt van het college griffierecht geheven. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank; II. verklaart het beroep van [partij] tegen het besluit van 10 mei 2021, kenmerk 153300, ongegrond; III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Berkelland tot vergoeding van bij [partij] in verband met de behandeling van het hoger beroep van het college opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 759,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; IV. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Berkelland een griffierecht van € 541,00 wordt geheven. Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. G.O. van Veldhuizen, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.T. de Jong, griffier. w.g. Minderhoud voorzitter w.g. De Jong griffier Uitgesproken in het openbaar op 28 december 2022 628