(2017)- (hierna: het functieveranderingsbeleid) van toepassing en zijn voor het initiatief dus sloopmeters vereist. Het initiatief is met name daarom niet ruimtelijk aanvaardbaar, aldus de raad. Daarnaast zijn er volgens de raad nog tekortkomingen die samenhangen met de noodzakelijke aanpassing van de infrastructuur, de landschapsinpassing en de stikstofberekening. 5.
- Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in bijvoorbeeld de uitspraken van 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:81, en van 7 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:747, moet de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, wanneer dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens kan worden beoordeeld. Daarbij heeft de Afdeling overwogen dat het indienen van een verzoek in een zienswijze een passende en gebruikelijke manier is om een ruimtelijk initiatief kenbaar te maken. 5.
- Zoals hiervoor is vermeld, is het indienen van een verzoek in een zienswijze een passende en gebruikelijke manier om een ruimtelijk initiatief kenbaar te maken. GKB heeft tijdens de inzagetermijn de raad verzocht om haar initiatief, waarvoor het college van burgemeester en wethouders principetoestemming hadden verleend, op te nemen in het bestemmingsplan. Zij heeft ook een zienswijze ingediend waarin zij haar verzoek om ter plaatse vijf woningen te bouwen heeft herhaald. In een aanvullende zienswijze heeft zij nadere onderzoeken overgelegd. Anders dan de raad is de Afdeling van oordeel dat het initiatief van GKB daarmee tijdig kenbaar is gemaakt en ook zo concreet was dat een inhoudelijke beoordeling op de ruimtelijke aanvaardbaarheid ervan kon worden gegeven. Dat het hier gaat om een conserverend plan en dat het initiatief ziet op het toevoegen van substantiële bebouwing in een gebied op de grens van de bebouwde kom en het buitengebied, waarover omwonenden geen zienswijzen meer konden indienen, neemt niet weg dat bij een tijdig kenbaar gemaakt initiatief dat voldoende concreet is en waarvan de ruimtelijke aanvaardbaarheid op het moment van de vaststelling van het bestemmingsplan kan worden beoordeeld, de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan rekening moet houden met dat initiatief. In dit geval heeft de raad daarover ook een inhoudelijk standpunt ingenomen. Overigens had de raad ervoor kunnen kiezen om vóór de vaststelling van het plan de omwonenden, die volgens GKB instemden met zijn initiatief, alsnog bij het initiatief te betrekken. Het betoog slaagt in zoverre. 5.
- De raad heeft zich op het inhoudelijke standpunt gesteld dat het initiatief van GKB niet ruimtelijk aanvaardbaar is. Wat betreft het vereiste van sloopmeters, stelt de raad dat uit het functieveranderingsbeleid volgt dat dat beleid op de vijf percelen van toepassing is. Die percelen moeten volgens de raad worden aangemerkt als een "randlocatie" die in principe geschikt is voor functieveranderingswoningen. De Afdeling volgt de raad hierin niet. Uit het functieveranderingsbeleid blijkt dat dat beleid betrekking heeft op locaties die geschikt zouden zijn om in voorkomende gevallen, waarbij de slooplocatie van voormalige agrarische bebouwing niet geschikt blijkt te zijn om ontwikkeld te worden als woningbouwlocatie, gebruikt te kunnen worden als locatie waar woningen naar aanleiding van die functieverandering gebouwd zouden kunnen worden. Zoals ook in de inleiding van dat beleid staat, ziet dit beleid alleen op functieverandering van vrijkomende agrarische bebouwing. In dat kader wordt ruimte gegeven aan ruimtelijke ontwikkelingen zoals woningen of niet-agrarische bedrijven ook op andere locaties dan die van de vrijkomende agrarische bebouwing. In dat verband geldt ook dat voor de bepaling van de omvang van de vervangende woningbouw sloopmeters moeten worden ingezet. Het initiatief van GKB is niet gerelateerd aan functieverandering van vrijkomende agrarische bebouwing. Het initiatief van GKB staat los daarvan. Het functieveranderingsbeleid en de in dat verband vereiste sloopmeters, spelen bij het initiatief van GKB dan ook geen rol van betekenis. Dit wordt niet anders met de verwijzing van de raad naar de Ruimtelijke visie Kootwijkerbroek. In die visie, die als bijlage bij de plantoelichting van het onderhavige plan is opgenomen, wordt immers uitgegaan van de toepasselijkheid van het functieveranderingsbeleid. Voor zover de raad heeft gewezen op de omstandigheid dat vanwege het initiatief infrastructurele aanpassingen nodig zouden zijn, stelt de Afdeling vast dat de raad niet heeft gemotiveerd waarom het initiatief niet ruimtelijk aanvaardbaar is met name gelet op de verklaring van GKB dat zij bereid is de eigendomsgrens aan te passen ter wille van een optimale aanleg van de openbare ruimte. Voor zover de raad er verder op heeft gewezen dat de landschappelijke inpassing en de notitie stikstof nog niet akkoord waren, stelt de Afdeling vast dat onbestreden is dat deze eenvoudig ter accordering konden worden aangevuld en geactualiseerd. Het betoog slaagt.
- Gelet op hetgeen hiervoor onder 5.3 en 5.4 is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat het besluit van 21 april 2021 wat betreft de bestemming van de vijf percelen waarop GKB woningbouw wenst te realiseren niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Conclusie
- Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. Het beroep van GKB is gegrond. Het besluit van 21 april 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Kootwijkerbroek-Stroe", voor zover het betrekking heeft op de vijf om het perceel [locatie B] te Kootwijkerbroek gelegen percelen, kadastraal bekend nummers 4633, 4634, 4635, 4636 en 4637, moet worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
- De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor het vernietigde plandeel, met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.
- De raad hoeft geen proceskosten van [appellant sub 2] te vergoeden. De raad moet wel de proceskosten van GKB vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep van [appellanten sub 2] ongegrond; II. verklaart het beroep van GKB B.V. gegrond; III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Barneveld van 21 april 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Kootwijkerbroek-Stroe", voor zover het besluit betrekking heeft op de vijf om het perceel [locatie B] te Kootwijkerbroek gelegen percelen, kadastraal bekend nummers 4633, 4634, 4635, 4636 en 4637; IV. draagt de raad van de gemeente Barneveld op om binnen 52 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken; V. veroordeelt de raad van de gemeente Barneveld tot vergoeding van bij GKB B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.518,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VI. gelast dat de raad van de gemeente Barneveld aan GKB B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 360,00 vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. G.O. van Veldhuizen en mr. J.M. Willems, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Es, griffier. w.g. Van Diepenbeek voorzitter w.g. Van Es griffier Uitgesproken in het openbaar op 28 december 2022 826.