(2012). De uitgangspunten voor het bepalen van de parkeernormen zijn hier "Matig stedelijk gebied", "Centrumgebied", "Tussen- / hoekwoningen" en "Koop". De hieruit voortvloeiende parkeernorm is 1,1 tot 1,9 parkeerplaatsen per woning, waarvan het bezoekersdeel 0,3 parkeerplaatsen per woning betreft. Uitgaande van de hoogste normering van deze bandbreedte geldt een parkeernorm van 1,9 parkeerplaatsen per woning. Omdat het plan voorziet in 4 woningen is de parkeernorm (normatief) 7,6 parkeerplaatsen. In de plantoelichting staat dat in deze parkeerbehoefte zal worden voorzien door de realisatie van 2 parkeerplaatsen op eigen terrein. Daarnaast zal de gemeente voorzien in de realisatie van 2 parkeerplaatsen door omvorming van de bestaande strook met 2 langsparkeerplaatsen die zich bevindt aan de Vreeburglaan tot een strook met 4 dwarsparkeerplaatsen. Het plan voorziet in artikel 3.5.3 van de planregels in een voorwaardelijke verplichting tot het realiseren en in stand houden van deze 4 parkeerplaatsen. Op de overige maatgevende momenten kan de resterende parkeervraag van de 4 voorziene woningen worden opgevangen in de openbare ruimte. 15.
- In het parkeeronderzoek van Spark staat dat binnen een gebied met een maximale loopafstand van 250 m van het Gybelanthof in Wassenaar is onderzocht in hoeverre er vrije parkeercapaciteit beschikbaar is op de verschillende maatgevende momenten. In het parkeeronderzoek van Trajan staat hierover dat het onderzoeksgebied is vervat in een sectiebestand, waarbij één sectie in principe van straathoek tot straathoek loopt. Op de zitting heeft de raad desgevraagd toegelicht dat de genoemde 250 m loopafstand van het Gybelanthof is bedoeld als een redelijke loopafstand voor het bereiken van parkeermogelijkheden. De Afdeling acht voor parkeren het hanteren van een dergelijke loopafstand in een situatie als deze niet onredelijk. In het onderzoek is niet van een straal van 250 m uitgegaan, maar van een loopafstand van 250 m. Ook is in het rapport het onderzoeksgebied duidelijk weergegeven. Verder staat in het parkeeronderzoek van Trajan dat voorafgaand aan de veldwerktelling een capaciteitsmeting is uitgevoerd om de mogelijke parkeergelegenheden in kaart te brengen. Vervolgens is op een maatgevend meetmoment een voertuigtelling uitgevoerd. Uit het parkeeronderzoek van Trajan blijkt dat op een dinsdagmiddag, een dinsdagnacht en een zaterdagmiddag tellingen zijn verricht. In het rapport staat dat de algemene parkeerdruk van het onderzoeksgebied 67% is. Op dinsdagmiddag is de algemene parkeerdruk 71%, op dinsdagnacht is een parkeerdruk van 56% vastgesteld en op zaterdagmiddag was de algemene parkeerdruk 73%. Op zaterdag (de drukste dag) waren er binnen het onderzoeksgebied in totaal nog 83 parkeerplaatsen beschikbaar. Gelet op de uit de genoemde onderzoeken gebleken beschikbare parkeerplaatsen in de omgeving van het plangebied en uitgaande van een parkeernorm van 1,9 parkeerplaatsen per voorziene woning, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de toename van de behoefte aan parkeerplaatsen als gevolg van de in het plan voorziene ontwikkeling, wat de resterende parkeervraag van de 4 voorziene woningen betreft, in de omgeving van het plangebied kan worden opgevangen. In wat [appellant sub 1] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat in de parkeeronderzoeken niet is uitgegaan van voldoende en representatief te achten momenten waarop de tellingen hebben plaatsgehad. Anders dan [appellant sub 1] stelt, zijn in het onderzoek ook tellingen betrokken die op zaterdag zijn gedaan. Dat uit de door [appellant sub 1] verrichtte meting een tekort zou blijken, maakt, wat hiervan ook zij, niet dat de raad zich niet in redelijkheid op de bevindingen en conclusies van de parkeeronderzoeken van Spark en Trajan heeft mogen baseren. Daarnaast heeft de raad op de zitting toegelicht dat de parkeerbehoefte van 5 woningen in de Kerkstraat in het parkeeronderzoek van Spark is meegenomen voor het bepalen van de behoefte aan parkeerplaatsen voorafgaand aan dit plan. Deze woningen worden getransformeerd, zodat zij niet hoefden te worden meegenomen in de berekening van de parkeerplaatsen die voor dit plan nodig zijn. [appellant sub 2] heeft dit niet gemotiveerd bestreden. De Afdeling ziet dan ook geen aanknopingspunten om aan de juistheid van de toelichting van de raad te twijfelen. Verder neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad ten aanzien van de blauwe zone op de zitting heeft toegelicht dat in de parkeerschijfzone van maandag tot en met zaterdag van 09.00 tot 18.00 uur voor maximaal 2 uur mag worden geparkeerd en dat bewoners een parkeerontheffing van de blauwe zone kunnen aanvragen. De raad heeft daarover nog toegelicht dat de bewoners van de voorziene woningen doorgaans niet overdag zullen willen parkeren. Indien de bewoners wel tijdens de geldingsduur van de blauwe zone zouden willen parkeren, dan zijn er volgens de raad, naast de 4 parkeerplaatsen op eigen terrein, voldoende beschikbare parkeerplaatsen in de omgeving van het plangebied. Ook geldt de blauwe zone niet in de avonduren. De raad heeft onderkend dat de blauwe zone op zaterdag een tekort van 1 parkeerplaats tot gevolg kan hebben. Volgens de raad zijn er echter in de directe omgeving van het plangebied en buiten de blauwe zone voldoende parkeerplaatsen beschikbaar om op dat moment in deze behoefte te voorzien. Verder ziet de Afdeling in wat [appellant sub 1] heeft aangevoerd over de realisatie van de 2 parkeerplaatsen op eigen terrein onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het binnenterrein hiervoor ongeschikt is. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat de raad op de zitting heeft toegelicht dat de ruimte op het binnenterrein weliswaar beperkt is, maar dat het om een bestaande ontsluiting gaat en dat deze ontsluiting uitkomt op een rustige eenrichtingsweg. Volgens de raad kan veilig op eigen terrein worden geparkeerd. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze toelichting van de raad te twijfelen. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat als gevolg van dit plan geen onaanvaardbare parkeerhinder zal ontstaan en het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. De betogen slagen niet. Conclusie
- Het beroep van [appellant sub 3] tegen het herstelbesluit van 21 september 2021 is niet-ontvankelijk.
- De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tegen het herstelbesluit van 21 september 2021 zijn ongegrond. Proceskosten
- Omdat het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 13 oktober 2020 gegrond is, moet de raad de proceskosten van [appellant sub 2] vergoeden. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden aan [appellant sub 1], omdat niet is gebleken dat er vergoedbare proceskosten zijn gemaakt. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart de beroepen van: a. [appellant sub 1]; b. [appellant sub 2]; tegen het besluit van 13 oktober 2020 van de raad van de gemeente Wassenaar tot vaststelling van het bestemmingsplan "Wassenaar, Vreeburglaan", gegrond; II. vernietigt het besluit van 13 oktober 2020 van de raad van de gemeente Wassenaar tot vaststelling van het bestemmingsplan "Wassenaar, Vreeburglaan"; III. verklaart het beroep van [appellant sub 3] tegen het besluit van 21 september 2021 van de raad van de gemeente Wassenaar niet-ontvankelijk; IV. verklaart de beroepen van: a. [appellant sub 1]; b. [appellant sub 2]; tegen het besluit van 21 september 2021 van de raad van de gemeente Wassenaar ongegrond; V. veroordeelt de raad van de gemeente Wassenaar tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.897,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VI. gelast dat de raad van de gemeente Wassenaar aan a. [appellant sub 1] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 184,00 voor de behandeling van het beroep vergoed; b. [appellant sub 2] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 184,00 voor de behandeling van het beroep vergoed. Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. drs. J.H. van Breda, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, griffier. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2022 159-964 BIJLAGE Algemene wet bestuursrecht Artikel 3:11
- Het bestuursorgaan legt het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage, met uitzondering van stukken waarvoor bij wettelijk voorschrift mededeling op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze is voorgeschreven.
- Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige toepassing. Indien op grond daarvan bepaalde stukken niet ter inzage worden gelegd, wordt daarvan mededeling gedaan.
- De stukken liggen ter inzage gedurende de in artikel 3:16, eerste lid, bedoelde termijn. Artikel 8:69a De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Bestemmingsplan "Wassenaar, Vreeburglaan" Artikel 3.3.1 Hoofdmassa Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen: a. ter plaatse van de aanduiding ‘aaneengebouwd’ mogen uitsluitend grondgebonden aaneengebouwde woningen worden gebouwd; b. hoofdgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd; c. de goot- en bouwhoogte van een hoofdgebouw mogen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte’ is aangegeven; d. binnen het bouwvlak zijn maximaal vier woningen toegestaan; e. gebouwen dienen te worden gebouwd in de voorste bebouwingsgrens van het bouwvlak; f. de kaprichting van de woningen dient evenwijdig aan de voorgevel en aan de achtergevel te lopen; de kaprichting moet worden begrepen zoals uitgelegd in bijlage 3; daarbij mag aan de twee zijkanten van het bouwvlak ook een schuin dakvlak worden toegepast; g. dakopbouwen en / of dakkapellen zijn toegestaan mits de bouwhoogte niet meer bedraagt dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven; de breedte van dakopbouwen / dakkapellen (totale breedte per dakvlak per woning) die zich op het dakvlak aan de voorkant van de woning bevinden en van dakopbouwen / dakkapellen die zich op eventuele dakvlakken aan de zijkanten van het bouwvlak bevinden, mag niet meer bedragen dan 50% van de breedte van het dakvlak (gemeten ter hoogte van de goothoogte); de breedte van dakopbouwen / dakkapellen die zich op het dakvlak aan de achterkant van de woning bevinden, mag niet meer bedragen dan 75% van de breedte van het dakvlak; h. de voorgevels van de woningen dienen te worden uitgevoerd met een zodanige geluidwering dat het binnengeluidsniveau in de daaraan grenzende verblijfsruimten maximaal 40 dB(A) bedraagt. Artikel 3.4 Nadere eisen Het college van burgemeester en wethouders kan nadere eisen stellen aan bebouwing (plaats en afmetingen) en parkeergelegenheid (aanleg en omvang), ten behoeve van: a. een verantwoorde stedenbouwkundige inpassing en ter waarborging van de stedenbouwkundige waarden van de omgeving; b. het voorkomen van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken, onder andere met het oog op de bezonning en de privacy; c. het bevorderen van de verkeers-, sociale en brandveiligheid. Artikel 3.5.3 Voorwaardelijke verplichting parkeren Ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - voorwaardelijke verplichting parkeren’ is het gebruiken van de gronden en de daarop aanwezige bebouwing ten behoeve van de woonfunctie slechts toegestaan: a. indien ten behoeve van / ter compensatie van de parkeerbehoefte van de in het plangebied te realiseren woningen (op een tijdstip uiterlijk 2 maanden na beëindiging van de bouw van deze woningen):
- twee nieuwe parkeerplaatsen zijn gerealiseerd, en twee opgeheven parkeerplaatsen zijn teruggebracht, op de ten noorden van het plangebied gesitueerde nieuwe parkeerstrook aan de Vreeburglaan, die is aangegeven op de kaart in bijlage 1; én:
- twee parkeerplaatsen op eigen terrein zijn gerealiseerd op het binnenterrein achter het bouwvlak aan de Vreeburglaan, op de manier waarop dit is aangegeven op de kaart in bijlage 2; b. zolang de vier parkeerplaatsen die op bovengenoemde wijzen tot stand zijn gebracht en de twee parkeerplaatsen die daarbij terug zijn gebracht, in stand worden gehouden.