202101950/1/A3. Datum uitspraak: 2 maart 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 17 februari 2021 in zaak nr. 20/3489 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Almere. Procesverloop Bij besluit van 5 juni 2020 heeft het college [appellant] uitgeschreven uit de basisregistratie personen (hierna: de brp). Bij besluit van 28 augustus 2020 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 17 februari 2021 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 februari 2022, waar [appellant], bijgestaan door mr. E.D. van Tellingen, advocaat te Almere, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Ahmed en mr. R.S.H.M. Hussien, zijn verschenen. Overwegingen 1. [appellant] stond in de brp ingeschreven op het adres [locatie] in Almere. Naar aanleiding van een bericht van de verhuurder dat [appellant] deze woonruimte had verlaten, is het college een adresonderzoek gestart. 2. Op 17 februari 2020 heeft het college [appellant] een brief en een e-mailbericht gestuurd en hem gebeld om informatie te krijgen over zijn verblijfplaats. [appellant] heeft telefonisch laten weten dat hij op 26 december 2019 voor het laatst op dat adres was geweest, dat hij er niet meer woonde, dat er een gerechtelijke procedure liep, dat hij nog wel de huur betaalde en dat zijn post niet aan derden werd meegegeven. Hij verwachtte dat hij de woning weer zou kunnen betrekken zodra de procedure was afgerond. Hij wilde niet zeggen op welk adres hij verbleef. Na dit gesprek heeft het college de reclasseringsmedewerker die [appellant] begeleidde om informatie gevraagd. De reclasseringsmedewerker heeft aangegeven dat de inschrijving in de brp nog wel juist was. Door een locatieverbod kon [appellant] alleen tijdelijk niet op dat adres verblijven. Hij had volgens de reclasseringsmedewerker geen vast adres waar hij verblijft. Hij is afhankelijk van familie, vrienden en kennissen die hem onderdak verschaffen. Op 16 maart 2020 heeft de advocaat van [appellant] contact gezocht met het college per e-mail. Volgens hem woonde [appellant] nog steeds op het adres [locatie]. Dat zou blijken uit het feit dat hij nog steeds de huur moest betalen. Op 8 april 2020 heeft het college de advocaat laten weten dat het van belang is dat [appellant] door gaat geven waar hij, vermoedelijk sinds december 2019, verblijft, omdat hij anders zal worden uitgeschreven. Hier heeft de advocaat niet op gereageerd. Op 2 april 2020 heeft het college nogmaals een e-mailbericht naar [appellant] gestuurd en hem verzocht om voor 14 april 2020 aangifte te doen van verhuizing of een briefadres aan te vragen. Ook op 8 mei 2020 heeft het college nog een e-mailbericht gestuurd naar [appellant]. Op beide e-mailberichten heeft [appellant] niet gereageerd. 3. Het college heeft vervolgens het besluit genomen om [appellant] uit te schrijven uit de brp op grond van artikel 2.22 van de Wet basisregistratie personen (hierna: de Wet brp). Hij heeft onvoldoende gereageerd op de brief die naar het woonadres is gestuurd, er is geen aangifte van wijziging van zijn adres ontvangen en na gedegen onderzoek is ook niet achterhaald waar hij wel verblijft. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college daar terecht reden toe heeft gezien. 4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot dat oordeel is gekomen. Er is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 2.22 van de Wet brp. Hij was wel bereikbaar en het college heeft geen degelijk onderzoek gedaan. Dat hij tijdelijk niet verbleef op het adres [locatie] betekent niet dat hij daar niet meer woonde. Hij had een tijdelijk locatieverbod, maar betaalde nog wel de huur en had zijn spullen nog in de woning staan. Er bestond dus geen aanleiding om aangifte te doen van verhuizing of om een briefadres aan te vragen. Het locatieverbod heeft uiteindelijk tot 11 september 2020 geduurd. Hij leidde in die periode een zwervend bestaan. Het college was van het locatieverbod en de omstandigheid dat hij een zwervend bestaan leidde op de hoogte. Al die tijd was hij wel goed bereikbaar per e-mail, per telefoon, via zijn advocaat en via zijn reclasseringsmedewerker. Ook was hij per post bereikbaar. Deze werd doorgegeven aan derden. Dat ging alleen af en toe moeizaam. Als het woonadres niet gehandhaafd kon blijven, had het college hem ambtshalve met een briefadres in de brp moeten opnemen, aldus [appellant]. 5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is het doel van de Wet brp dat de in de brp vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Met het oog daarop dienen in de brp gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene te worden geregistreerd. In artikel 2.22 van de Wet brp is bepaald wanneer het college iemand ambtshalve moet uitschrijven als ingezetene uit de brp. Er zijn drie voorwaarden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.