(3)gaat de Afdeling in op de vraag of de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college de belangen van [partij] bij verlening van de gevraagde omgevingsvergunning zwaarder heeft mogen laten wegen dan de belangen van [appellant A] en [appellant B]. 1) Uitbreiden achterzijde woning in afwijking van het bestemmingsplan
- [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet heeft kunnen afwijken van het bestemmingsplan voor het uitbreiden van de achterkant van de woning op de grond met bestemming "Tuin 2". 7.
- De Afdeling is van oordeel dat het college de afwijking van de bestemming "Tuin 2" ten behoeve van de eerste verdieping aan de achterzijde van de woning voldoende heeft gemotiveerd. Het college heeft, onder verwijzing naar het aanvullende stedenbouwkundige advies van 2 oktober 2019 over de afwijking van de bestemming "Tuin 2", van belang kunnen achten dat de woningen aan de [locatie 1] en [locatie 6] van origine dieper zijn gebouwd dan de naastgelegen panden in de straat, waaronder nummer
- Dit in het voorgaande bestemmingsplan Kleverpark opgenomen bestemmingsbouwvlak met de bestemming Wonen is abusievelijk niet in zijn geheel overgenomen op de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan, waardoor die reeds bestaande achtergevel van nummer 10 deels op gronden met de bestemming "Tuin 2" is bestemd. Volgens het college bestaat deze feitelijke situatie echter al lang en gaat het dan ook om een voortzetting van bestaand gebruik en niet om een nieuwe ontwikkeling, wat door [appellant A] en [appellant B] ook niet is bestreden. Tevens is deze omissie op de verbeelding inmiddels hersteld in het bestemmingsplan "Reparatieplan C Haarlem 2020", dat is vastgesteld op 22 april
- Hierin is het bestaande grotere bouwvolume aan de achterzijde van nummer 10 opnieuw positief bestemd. De rechtbank heeft, gelet op deze uiteenzetting, terecht geoordeeld dat het college van het bestemmingsplan heeft kunnen afwijken. Het betoog faalt. 2) Stedenbouwkundige trend raampartijen
- [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat door het college wordt afgeweken van de stedenbouwkundige trend, voor zover het gaat om de raampartijen in de dakkapel van de dakopbouw aan de voorzijde van de woning. Volgens hen wordt in het stedenbouwkundige advies van 13 augustus 2019 voor de dakopbouw zelf vastgehouden aan de stedenbouwkundige trend, terwijl niet is gemotiveerd waarom voor de raampartijen wordt afgeweken van die trend. Ook hier zou immers, gelet op het belang van het straatbeeld, de eenheid van de ensembles zoveel mogelijk moeten worden behouden, zo stellen zij. 8.
- De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom bij de raampartijen in de dakkapel van de dakopbouw aan de voorzijde wordt afgeweken van de stedenbouwkundige trend. Uit het stedenbouwkundig advies van13 augustus 2019 komt naar voren dat de woningen [locatie 4] en [locatie 5] enerzijds en [locatie 1] en [locatie 6] anderzijds, gelegen tegenover elkaar in de straat, een historisch ensemble vormen. Volgens de stedenbouwkundige is het met het oog op het straatbeeld van belang ensembles, bij het toestaan van dakopbouwen, zoveel mogelijk als eenheid te behouden. De dakopbouw op het perceel volgt nu de trend ‘Opbouw (70-70)’ en dient volgens het college daarom ook een afschuining te krijgen van 65 graden, zodat wordt aangesloten bij het ensemble aan de [locatie 4] en [locatie 5]. Deze trend ziet op de vorm van de dakopbouw en de situering van de dakkapel in het dakvlak, zoals dat ook volgt uit artikel 23 van de planregels. In artikel 23.1.1, aanhef en onder o, van de planregels worden algemene bouwregels voor dakkappellen gegeven, waaraan de gevraagde dakkapel voldoet. Deze trend ziet niet op de raampartijen, zoals door het college ter zitting ook is bevestigd. De door [appellant A] en [appellant B] aangevoerde stellingen tegen deze onderdelen van het stedenbouwkundig advies van 13 augustus 2019 geven dan ook in zoverre geen aanknopingspunten voor twijfel aan de inhoud van dat advies. Het college heeft zich, gelet op wat hiervoor is overwogen, en onder verwijzing naar daartoe relevante onderdelen het stedenbouwkundig advies op het standpunt kunnen stellen dat van een onevenredige aantasting van het straatbeeld niet is gebleken. Het betoog faalt. 3) Belangenafweging
- [appellant A] en [appellant B] betogen dat het college en vervolgens de rechtbank, door uit te gaan van het stedenbouwkundige advies van 13 augustus 2019, ten onrechte hebben geconcludeerd dat zij door de dakopbouw niet onevenredig in hun belangen zijn geschaad. De onjuistheid van dat deel van het stedenbouwkundige advies blijkt volgens [appellant A] en [appellant B] met name uit de verkeerd ingeschatte gevolgen voor hun woon- en leefklimaat. Zij wijzen op de onevenredige aantasting van hun privacy, bezonning en uitzicht als gevolg van het verlenen van de omgevingsvergunning voor de afschuining aan de voorzijde van het perceel. [appellant A] en [appellant B] wijzen op foto’s waaruit volgens hen blijkt dat de dakopbouw aan de voorzijde met een afschuining van 65 graden ongunstiger is dan een opbouw die één meter terug ligt, zoals is bepaald in artikel 23.1.1, aanhef en onder r, van de planregels. Ter zitting heeft [appellant B] toegelicht dat de bezonning van zijn tuin en zijn gevoel van binnentuinruimte afneemt als gevolg van het bouwplan en de uitbreiding van de woning aan de achterzijde. 9.
- Over de dakopbouw aan de voorzijde van de woning op het perceel overweegt de Afdeling als volgt. Vast staat dat door de dakopbouw het uitzicht van [appellant A], zijwaarts aan de linkerzijde vanaf de voorzijde van zijn uitbouw, vermindert door de vooruitspringende opbouw waarvoor de vergunning is verleend. De afschuining van de dakopbouw doet dit effect, gelet op de door [appellant A] overgelegde foto’s in ieder geval niet helemaal teniet. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, kan dan ook niet worden gesteld dat een dakopbouw onder de vergunde hoek niet ongunstiger is dan een dakopbouw die één meter terug ligt. De Afdeling is evenwel van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de invloed van het bouwplan op het uitzicht van [appellant A] niet zodanig onevenredig is dat het bouwplan om die reden had moeten worden geweigerd. Zoals volgt uit het advies van de commissie bezwaarschriften dat aan het besluit op bezwaar van 3 oktober 2019 ten grondslag is gelegd, is een dakopbouw op het perceel naast dat van [appellant A] op grond van het bestemmingsplan toegestaan en zal elke uitvoering van een opbouw leiden tot enige afname van het uitzicht vanuit de woning voor [appellant A]. Het college heeft verder, onder verwijzing naar het stedenbouwkundig advies, daarbij kunnen betrekken dat de aanpassing van de dakhelling van 70 naar 65 graden, wat volgens het college van belang is voor de eenheid van de trend en het straatbeeld, daarnaast ook een iets gunstiger resultaat heeft voor de bezonning en het uitzicht dan het oorspronkelijk aangevraagde bouwplan met een dakhelling van 70 graden. Verder heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat enig verlies van privacy en ruimtegevoel door het bouwplan niet volledig is uit te sluiten, nu de woning van [appellant A] is gelegen in een stedelijke omgeving, (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:515, r.o.4.2). Hierbij betrekt de Afdeling, onder verwijzing naar de uitspraak van 19 februari 2020, dat er geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank het terecht niet onredelijk geacht dat het college de invloed van de dakopbouw op de privacy, de bezonning en het uitzicht van [appellant A] minder zwaar heeft laten wegen dan het belang van [partij] bij verlening van de gevraagde omgevingsvergunning. 9.
- Over de uitbreiding van de woning aan de achterzijde van het perceel, overweegt de Afdeling dat [appellant B] slechts zicht heeft op de dakopbouw vanuit zijn tuin en dat er tussen zijn woning en het perceel drie andere woningen zijn gelegen. De uitbreiding aan de achterzijde door het recht optrekken van de achtergevel en de dakopbouw kan enig gevolg hebben voor de bezonning van zijn tuin en voor hem door hem aangegeven ‘gevoel van binnentuinruimte’. De rechtbank heeft naar het oordeel van de Afdeling evenwel terecht overwogen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellant B] hierdoor niet onevenredig in zijn belangen is geschaad. De invloed van het bouwplan op de bezonning van de tuin van [appellant B] en op zijn gevoel van binnentuinruimte is, gezien de afstand tussen beide woningen, niet zodanig dat hierom de gevraagde vergunning had moeten worden geweigerd. Bij die afweging, als ook bij de afweging van de belangen van [appellant A] bij de dakopbouw aan de achterzijde van het perceel, heeft het college kunnen betrekken dat in een stedelijke omgeving, enig verlies van privacy, bezonning en ruimtegevoel door het bouwplan niet volledig is uit te sluiten, maar dat dit in het voorliggende geval dermate beperkt van omvang is dat dit niet in de weg behoefde te staan aan de vergunningverlening. Het betoog faalt. Conclusie
- De Afdeling is van oordeel dat de door [appellant A] en [appellant B] overgelegde foto’s en de door hen gegeven toelichting onvoldoende zijn om te concluderen dat aan het besluit op bezwaar van 3 december 2019 gebreken kleven. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat het college mocht uitgaan van de juistheid van dat stedenbouwkundige advies en heeft, gelet hierop, eveneens terecht geoordeeld dat het college de gevraagde omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Slotoverwegingen
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier. w.g. Knol lid van de enkelvoudige kamer w.g. Sparreboom griffier Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2022 374-195-996