202104230/1/A3. Datum uitspraak: 16 maart 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A] en [appellant B], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 25 mei 2021 in zaak nr. 20/4249 en 20/4268 in het geding tussen: [appellanten] en het college van burgemeester en wethouders van Almere. Procesverloop Bij besluiten van 13 en 14 juli 2020 heeft het college besloten [appellanten] te registeren in de basisregistratie personen (hierna: brp) als ‘vertrokken onbekend waarheen’. Bij besluiten van 22 oktober 2020 heeft het college de door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 25 mei 2021 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 maart 2022, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R.S.H.M. Hussien, is verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellanten] zijn de eigenaren van de woning aan het [locatie] te Almere (hierna: het adres). Het college is een adresonderzoek gestart en heeft een onderzoeksrapport opgemaakt, omdat het signalen kreeg dat [appellanten] daar niet woonden. Naar aanleiding van de uitkomst van dit onderzoek heeft het college hen geregistreerd als ‘vertrokken onbekend waarheen’ (hierna: vow). [appellanten] zijn het niet eens met het besluit en betogen dat zij wel degelijk op het adres wonen. Uitspraak van de rechtbank 2. Tegen de besluiten van 22 oktober 2020 hebben [appellanten] beroep ingesteld. De rechtbank heeft overwogen dat op grond van artikel 2.22 van de Wet basisregistratie personen (hierna: Wet brp) aan drie voorwaarden moet worden voldaan om het vertrek van een ingezetene ambtshalve op te nemen. De eerste voorwaarde is dat eisers niet kunnen worden bereikt op het adres waarop zij ingeschreven staan, de tweede voorwaarde is dat vastgesteld moet worden dat er geen verhuisaangifte is ontvangen en de derde voorwaarde is dat na een gedegen onderzoek moet zijn gebleken dat geen verblijf- en adresgegevens van de eisers kunnen worden achterhaald. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vow-registratie door het college voldoet aan de drie voorwaarden die volgen uit artikel 2.22 van de Wet brp. Aan de hand van de gedingstukken heeft het college zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat [appellanten] niet op het adres konden worden bereikt. Daarnaast staat vast dat geen verhuisaangifte van [appellanten] is ontvangen. Tot slot kon het college aan de hand van de uitkomst van het onderzoek concluderen dat [appellanten] niet op het adres wonen. De rechtbank heeft het beroep daarom ongegrond verklaard. Het hoger beroep 3. [appellanten] zijn het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en hebben daartegen hoger beroep ingesteld. Zij voeren aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voldaan is aan de eerste voorwaarde van artikel 2.22 van de Wet brp. Volgens [appellanten] zijn zij wel degelijk bereikbaar op het adres. Dit blijkt uit het feit dat brieven van de gemeente [appellant A] bereikt hebben. [appellant A] heeft naar aanleiding van die brieven contact opgenomen met de gemeente via e-mail, telefonisch en in persoon. Ook brieven van andere instanties hebben [appellant A] bereikt. Daarbij gaat het om brieven van de Belastingdienst, de hypotheekverstrekker, twee incassobureau’s en het Openbaar Ministerie. Daarnaast geven meerdere getuigen aan dat ze [appellanten] de post hebben zien ophalen. Subsidiair hebben zij een briefadres aangevraagd op het adres, maar het college heeft deze aanvraag afgewezen. Daarnaast hebben [appellanten] twijfels bij het adresonderzoek van de gemeente. Zij betwijfelen of daadwerkelijk met [persoon] is gesproken, nu niet duidelijk is door wie en waarover met [persoon] gesproken zou zijn. Beoordeling van het hoger beroep 3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 1 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2698), is het doel van de brp dat de daarin vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Met het oog daarop moeten in de brp gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene worden geregistreerd. In artikel 2.22 van de Wet brp is bepaald wanneer het college iemand ambtshalve moet uitschrijven als ingezetene uit de brp. Er zijn drie voorwaarden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.