(3)het niet begrazen van natte gebieden om vorming van kleine verlagingen die als broedplaats gaan fungeren, te voorkomen. In de zienswijzennota, onder 12.2, is toegelicht dat deze maatregelen zullen worden uitgevoerd, maar dat de uitwerking ervan een zodanig detailniveau kent dat het niet wordt uitgewerkt in het inpassingsplan, maar in de verdere uitwerking van de inrichting en beheer. Verder wordt toegelicht dat de verwachte grondwaterpeilen zijn gebaseerd op modelberekeningen, waardoor het niet mogelijk is om vooraf garanties te geven met betrekking tot het voorkomen van water op het maaiveld. De grondwaterpeilen worden daarom gemonitord conform het monitorplan, dat als bijlage 4 bij het inrichtingsplan is gevoegd. Mochten er oppervlakten van water op het maaiveld ontstaan, dan zullen de grondwaterpeilen worden bijgesteld. Oppervlakten van water op het maaiveld zijn voor het grootste deel van de gewenste natuurdoeltypen ook niet wenselijk, aldus de zienswijzennota. Verder wordt er ook op gewezen dat overlast door insecten kan worden gemeld bij het schadeloket van de provincie, dat in 2021 is ingericht. Dit loket zal onderzoeken wat de oorzaak van de gemelde overlast is en zoeken naar een oplossing, wanneer de uitgevoerde herstelmaatregelen oorzaak zijn van de overlast. De Afdeling stelt vast dat in het inpassingsplan is onderkend dat het plan mogelijk leidt tot muggen- en knuttenoverlast en dat deze gevolgen zijn onderzocht. In het rapport van Wageningen University & Research en de zienswijzennota is beschreven welke maatregelen als gevolg van het inpassingsplan en het peilbesluit worden getroffen om muggen- en knuttenoverlast in de toekomst te voorkomen. Daarbij wordt ook verwezen naar het monitoringsplan. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot onaanvaardbare overlast van muggen en knutten. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat in het inpassingsplan en het peilbesluit in zoverre onvoldoende onderzoek is gedaan of onvoldoende maatregelen zijn voorzien gericht op het voorkomen van onaanvaardbare muggen- en knuttenoverlast. De betogen slagen niet. Schadeloket
- [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3], [appellante sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], [appellant sub 7] en [appellant sub 8] betogen dat in het inpassingsplan en het projectplan onvoldoende inzichtelijk is gemaakt hoe aanspraak kan worden gemaakt op een financiële vergoeding van eventuele schade en welk bestuursorgaan daarvoor verantwoordelijk is. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] stellen dat de toelichting in de zienswijzennota dat door aankoop, het bieden van de mogelijkheid tot zelfrealisatie en een schaderegeling een zorgvuldige balans tussen collectief en particulier belang is betracht, en dat zo nodig technische maatregelen worden getroffen om schade en nadeel aan particulier en openbare eigendommen zoveel mogelijk te voorkomen, niet duidelijk genoeg is. 11.
- Uit paragraaf 4.6 van het projectplan volgt dat op grond van de artikelen 7.14 en 7.15 van de Waterwet een verzoek om schadevergoeding kan worden ingediend bij het schadeloket van het algemeen bestuur, indien sprake is van (water)schade of nadeel ten gevolge van de uitvoering van het inpassingsplan, het peilbesluit en/of het projectplan. In de bij het inpassingsplan behorende zienswijzennota staat dat na het melden van schade bij het schadeloket zal worden bezien welk bestuursorgaan verantwoordelijk is voor de geleden schade, afhankelijk van het type schade. Er kan enerzijds sprake zijn van planschade (waardevermindering van onroerende zaken of inkomensschade als gevolg van een planologische verandering) en anderzijds schade als gevolg van de uitvoering van plannen. 11.
- Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6.25, eerste lid, van de Wro kent het college van gedeputeerde staten degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden ten gevolge van een in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wro genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd. Ingevolge artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet wordt aan degene die ten gevolge van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer schade lijdt of zal lijden, op zijn verzoek door het betrokken bestuursorgaan een vergoeding toegekend, voor zover de schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen lasten behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd. Ingevolge artikel 7.15 wordt voor de toepassing van artikel 7.14 onder schade mede verstaan schade in verband met wateroverlast of overstromingen, voor zover deze het gevolg zijn van de verlegging van een waterkering of van andere maatregelen, gericht op het vergroten van de afvoer- of bergingscapaciteit van watersystemen. Ingevolge artikel 7.16 blijft afdeling 6.1 van de Wro buiten toepassing, voor zover een belanghebbende met betrekking tot de schade een beroep doet of kan doen op een schadevergoeding als bedoeld in artikel 7.14, eerste lid. 11.
- Zoals de Afdeling heeft geoordeeld in de uitspraak van 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3120, onder 11, is er op grond van artikel 7.16 van de Waterwet geen samenloop mogelijk van zowel schadevergoeding op grond van artikel 7.14 van de Waterwet als tegemoetkoming in planschade op grond van afdeling 6.1 van de Wro. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2008-2009, 31 858, nr. 3, blz. 36 en 37) is over artikel 7:12a (nu artikel 7.16) van de Waterwet vermeld dat om te voorkomen dat ten gevolge van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer via twee sporen schadevergoeding moet worden gevraagd - zowel een tegemoetkoming in de planologische schade op grond van afdeling 6.1 van de Wro als schadevergoeding op grond van artikel 7.14 van de Waterwet - een voorrangsregeling in artikel 7.16 wordt opgenomen. Doel van deze voorrangsregeling is om ook de door de uitoefening van taken of bevoegdheden in het kader van het waterbeheer veroorzaakte planologische schade onder de werking van de Waterwet af te handelen. De regeling heeft ook betrekking op de mogelijke samenloop met verzoeken om een tegemoetkoming in de planologische schade als bedoeld in afdeling 6.1 van de Wro die op grond van die wet eventueel zouden kunnen worden ingediend bij een bestuursorgaan dat niet betrokken is bij de schadeveroorzakende rechtmatige uitoefening van taken of bevoegdheden in het kader van het waterbeheer. Om te voorkomen dat een burger bijvoorbeeld ten behoeve van het verhogen van het oppervlaktewaterpeil door de waterbeheerder zowel een tegemoetkoming in de planologische schade op grond van afdeling 6.1 van de Wro bij de provincie moet vragen als schadevergoeding op grond van artikel 7.14 van de Waterwet bij de waterbeheerder, wordt de afhandeling van de schade volledig in handen van de waterbeheerder gelegd. Uit deze toelichting en de tekst van de bepaling zelf volgt dat artikel 7.16 van de Waterwet een voorrangsregeling bevat die inhoudt dat indien een belanghebbende een schadevergoeding als bedoeld in artikel 7.14, eerste lid, vraagt of kan vragen, afdeling 6.1 van de Wro niet van toepassing is, aldus de uitspraak van de Afdeling uit
- 11.
- Voor zover [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3], [appellante sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], [appellant sub 7] en [appellant sub 8] schade lijden ten gevolge van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer als bedoeld in de artikelen 7.14 en 7.15 van de Waterwet is dus voorzien in een wettelijke schaderegeling. Dergelijke verzoeken om schadevergoeding worden door het betrokken bestuursorgaan van het waterschap in behandeling genomen. Artikel 6.1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6.25 van de Wro, en de artikelen 7.14 en volgende van de Waterwet bieden grondslagen voor vergoeding van schade veroorzaakt door het inpassingsplan, het projectplan en het peilbesluit. In deze procedure betreffende het inpassingsplan, het projectplan en het peilbesluit kan de vraag of en zo ja, in hoeverre appellanten aanspraak kunnen maken op de in deze artikelen bedoelde schadevergoeding in beginsel niet aan de orde komen. Daarvoor dienen afzonderlijke procedures gevolgd te worden. Wanneer wat appellanten in deze procedure aanvoeren daartoe voldoende aanleiding geeft, kan het schadevergoedingsaspect een rol spelen bij het onderzoek naar de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan en bij de beantwoording van de vraag of het betrokken bestuursorgaan zonder meer naar deze schadevergoedingsregeling mocht verwijzen. In dit geval hebben betrokkenen daarover onvoldoende naar voren gebracht, zodat de betrokken bestuursorganen mochten volstaan met een verwijzing naar deze schadevergoedingsregelingen. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten en het algemeen bestuur met verwijzing naar de hiervoor genoemde schaderegeling voldoende inzichtelijk gemaakt welke mogelijkheden er zijn voor het krijgen van vergoeding van de schade die deze appellanten eventueel als gevolg van het inpassingsplan of het projectplan lijden. De betogen slagen niet. De overige beroepsgronden van [appellant sub 1]
- [appellant sub 1] is eigenaar van ongeveer vijf ha gronden ten noorden van de Heistraat in Sprang-Capelle. Aan die gronden is de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" toegekend. [appellant sub 1] exploiteert een akkerbouw- en veebedrijf en gebruikt de gronden voor de teelt van mais. Beperking van de bedrijfsvoering
- [appellant sub 1] stelt dat zijn bedrijfsbelangen door het inpassingsplan onevenredig worden geschaad. Door het inpassingsplan kan zijn bedrijf niet meer op dezelfde wijze worden geëxploiteerd en wordt de bestaanszekerheid daarvan aangetast. Voorts neemt de stikstofgevoeligheid van de omgeving toe door uitbreiding van het natuurgebied. Hierdoor worden omliggende bedrijven, waaronder die van [appellant sub 1], beperkt in hun uitbreidingsmogelijkheden, bijvoorbeeld bij het aanvragen van een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, c en e, van de Wabo. Verder stelt [appellant sub 1] dat hij gronden zal verliezen vanwege de bevoegdheid van gedeputeerde staten om de bestemming daarvan om te zetten naar "Natuur". Ook stelt hij ernstig te worden beperkt in het feitelijk gebruik van de overgebleven gronden, doordat slechts bestaand grondgebonden agrarisch gebruik is toegestaan. Voorts verwacht [appellant sub 1] wateroverlast als gevolg van de herstelmaatregelen op zijn percelen. [appellant sub 1] stelt dat al deze gevolgen niet, dan wel onvoldoende in kaart zijn gebracht en afgewogen. 13.
- Het rapport "Westelijke Langstraat. Bijlage VIII - Land- en tuinbouw" van 11 maart 2019, opgesteld door adviesbureau Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V., in opdracht van het college van gedeputeerde staten, maakt onderdeel uit het van MER. In dat rapport is verslag gedaan van onderzoek naar de gevolgen van de hydrologische herstelmaatregelen voor de landbouwgeschiktheid van gronden in en rond het plangebied. De hydrologische geschiktheid van een gebied voor landbouw wordt in het rapport aangeduid als het aspect "doelrealisatie landbouw". Dit aspect bestaat uit twee componenten: droogteschade en natschade. Bij stijging van droogteschade en/of natschade neemt de doelrealisatie af. De verandering van de doelrealisatie in landbouwgebied als gevolg van de herstelmaatregelen wordt uitsluitend veroorzaakt door natschade. Hierdoor worden sommige locaties ongeschikt voor landbouw. De aard en omvang van de natschade in en rond het plangebied als gevolg van de herstelmaatregelen is in kaart gebracht aan de hand van een plattegrond en een tabel. Daarbij is een vergelijking gemaakt tussen de huidige situatie en de situatie na het treffen van maatregelen in 2021 en
- Volgens het MER, zoals ter zitting door provinciale staten is toegelicht, neemt de natschade op de noordelijke omgeving van de percelen van [appellant sub 1] toe ten opzichte van de huidige situatie. Het uitvoeren van de herstelmaatregelen in 2021 leidt er volgens provinciale staten toe dat in één peilvak een verhoging van het grondwaterpeil van 10 cm optreedt. Deze gevolgen zijn volgens provinciale staten niet dusdanig groot dat mitigerende maatregelen moeten worden getroffen of dat het bestaande grondgebonden agrarisch bedrijf niet kan worden voortgezet. Zoals de Afdeling hiervoor onder 7.3 heeft overwogen wordt met de zinsnede "bestaand grondgebonden agrarisch gebruik" als bedoeld in de bestemmingsomschrijving in artikel 3.1 van de planregels bedoeld dat de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" bestemd zijn voor het bestaande grondgebonden agrarisch gebruik als zodanig en is deze bestemming niet beperkt tot de teelt van een bepaald gewas. In de bestemmingsomschrijving is wel bepaald dat de gronden mede zijn bestemd voor het behoud, herstel en de ontwikkeling van de natuurwaarden, maar daaruit volgt niet dat het agrarisch gebruik is beperkt ten opzichte van de voorheen geldende agrarische bestemming. De Afdeling ziet, gelet op het voorgaande, geen grond voor het oordeel dat de gevolgen van het inpassingsplan voor de percelen van [appellant sub 1] onvoldoende in kaart zijn gebracht. Niet gebleken is dat het bestaande grondgebonden agrarisch bedrijf van [appellant sub 1] door het inpassingsplan niet kan worden voortgezet. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gevolgen van de herstelmaatregelen voor zijn percelen onvoldoende in kaart zijn gebracht of dat de conclusies uit het rapport "Westelijke Langstraat. Bijlage VIII - Land- en tuinbouw" onjuist zijn. Voor zover [appellant sub 1] stelt dat het inpassingsplan leidt tot een toename van stikstofgevoelige habitats mist dit feitelijke grondslag, omdat met de toekenning van een natuurbestemming aan omliggende percelen de omvang van het Natura 2000-gebied ongewijzigd blijft. Naar het oordeel van de Afdeling mochten provinciale staten een zwaarder gewicht toekennen aan het natuurbelang bij herstelmaatregelen dan aan de bedrijfsbelangen van [appellant sub 1]. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat op de gronden van [appellant sub 1] met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" de voortzetting van de agrarische bedrijfsvoering mogelijk is. Gelet op het rapport "Westelijke Langstraat. Bijlage VIII - Land- en tuinbouw" bestond geen aanleiding om aan de gronden van [appellant sub 1] een natuurbestemming toe te kennen. Voor zover gedeputeerde staten in de toekomst gebruik willen maken van de bevoegdheid om de agrarische bestemming te wijzigen naar een natuurbestemming, overweegt de Afdeling, zoals hiervoor onder 9.3 ook is overwogen, dat dit slechts kan als alle grondeigenaren binnen het betreffende peilvak bereid zijn om de betreffende gronden in te richten en beheren als natuurgebied of nadat aankoop/overdracht van die gronden is verzekerd of al heeft plaatsgevonden. Daarmee is de vrees van [appellant sub 1] over de negatieve gevolgen voor zijn bedrijfsvoering als gevolg van de bevoegdheid van gedeputeerde staten om de bestemming om te zetten naar "Natuur", niet gegrond. Gelet op het voorgaande concludeert de Afdeling dat de nadelige gevolgen voor [appellant sub 1] van het inpassingsplan niet onevenredig zijn in verhouding tot het met het inpassingsplan te dienen doel. Provinciale staten hebben in redelijkheid de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" aan de gronden van [appellant sub 1] kunnen toekennen. Het betoog slaagt niet. Zienswijze herhaald en ingelast
- [appellant sub 1] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 1] heeft in het beroepschrift of op de zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Het betoog slaagt niet. De overige beroepsgronden van [appellante sub 2]
- [appellante sub 2] exploiteert een zorgboerderij en paardenmelkerij aan de [locatie 1] in Sprang-Capelle. De huiskavel bestaat uit de percelen O 75, O 84 en O 85 en is volgens [appellante sub 2] essentieel voor de bedrijfsvoering. Aan perceel O 75 is de bestemming "Natuur" toegekend. Aan perceel O 84 is de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" toegekend. Perceel O 85 ligt buiten het plangebied. Het aan de overzijde van de Hogevaart gelegen perceel C 11 wordt eveneens gebruikt voor de zorgboerderij. Aan perceel C 11 is de bestemming "Natuur" toegekend. Beperking van de bedrijfsvoering
- [appellante sub 2] betoogt dat haar bedrijfsvoering moet worden gestaakt als gevolg van het inpassingsplan en dat zij daardoor onevenredig wordt geschaad in haar belangen. Zij voert hiertoe aan dat de exploitatie van de zorgboerderij afhankelijk is van het houden van paarden. Door het toekennen van de bestemming "Natuur" aan een deel van de huiskavel en door de daarmee verband houdende vernattingsmaatregelen, worden deze gronden ongeschikt voor het houden van paarden. Hierdoor is er geen perspectief meer om de huidige bedrijfsvoering voort te zetten. Volgens [appellante sub 2] hebben provinciale staten geen rekening gehouden met de relatie tussen de agrarische activiteiten en de zorgboerderij. Voorts neemt de stikstofgevoeligheid van de omgeving toe door uitbreiding van het natuurgebied. Hierdoor worden omliggende bedrijven, waaronder die van [appellante sub 2], beperkt in het uitbreiden van het bedrijf, bijvoorbeeld bij het aanvragen van een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, c en e, van de Wabo. Verder stelt [appellante sub 2] dat zij gronden zal verliezen vanwege de bevoegdheid van gedeputeerde staten om de bestemming om te zetten naar "Natuur". Ook stelt zij ernstig te worden beperkt in het feitelijk gebruik van de overgebleven gronden, doordat slechts bestaand grondgebonden agrarisch gebruik is toegestaan. [appellante sub 2] stelt dat al deze gevolgen niet, dan wel onvoldoende in kaart zijn gebracht en afgewogen. 16.
- Volgens het MER, zoals ter zitting door provinciale staten is toegelicht, is agrarisch gebruik op een deel van de gronden van [appellante sub 2] niet meer mogelijk door het uitvoeren van vernattingsmaatregelen. Om die reden hebben provinciale staten ervoor gekozen de bestemming "Natuur" aan deze gronden toe te kennen. Provinciale staten hebben toegelicht dat zij onderkennen dat deze gronden van wezenlijk belang zijn voor de bestaanszekerheid van het bedrijf van [appellante sub 2] en dat het inpassingsplan daarom een grote impact heeft, te meer omdat de overige gronden die [appellante sub 2] in gebruik heeft, gepacht worden van derden. Provinciale staten zijn echter van mening dat het algemene natuurbelang van behoud en herstel van ecologisch waardevolle habitats dient te prevaleren boven het individuele belang van [appellante sub 2]. Agrarisch gebruik is volgens provinciale staten nog steeds mogelijk op de overige gronden. Aan die gronden is daarom de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" toegekend. 16.
- [appellante sub 2] heeft naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat agrarisch gebruik niet meer mogelijk is op gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur". Over de stelling van [appellante sub 2] dat de stikstofgevoeligheid van de omgeving toeneemt mist dit feitelijke grondslag, omdat de omvang van het Natura 2000-gebied ongewijzigd blijft. Voor zover gedeputeerde staten in de toekomst gebruik willen maken van de bevoegdheid om de agrarische bestemming te wijzigen naar een natuurbestemming, overweegt de Afdeling, zoals de Afdeling hiervoor onder 9.3 heeft overwogen, dat dit slechts kan als alle grondeigenaren binnen het betreffende peilvak bereid zijn om de betreffende gronden in te richten en beheren als natuurgebied of nadat aankoop/overdracht van die gronden is verzekerd of al heeft plaatsgevonden. Daarmee is de vrees van [appellante sub 2] over de negatieve gevolgen voor haar bedrijfsvoering als gevolg van de bevoegdheid van gedeputeerde staten om de bestemming om te zetten naar "Natuur", niet gegrond. Gelet op de verwijzing naar het MER en de bijlagen, en de gegeven motivering, hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat op een deel van de gronden van [appellante sub 2] nog steeds een agrarisch bedrijf mogelijk is en hebben zij in redelijkheid ervoor kunnen kiezen om aan deze gronden de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" toe te kennen. Op een deel van de gronden van [appellante sub 2] kan de bedrijfsvoering niet worden voortgezet. Aan deze gronden is de bestemming "Natuur" gegeven. Een verzoek om vergoeding van schade als gevolg van de wijziging van de bedrijfsvoering kan, zoals hiervoor onder 11.4 is overwogen, op grond van artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet worden ingediend bij het schadeloket. Daarbij kan ook schade als gevolg van beëindiging van de paardenmelkerij en daarmee beëindiging van de zorgboerderij worden betrokken. Indien het komt tot onteigening met het oog op de realisering van de bestemming "Natuur", dan voorziet de wet in volledige schadeloosstelling daarvoor. Gelet op het voorgaande concludeert de Afdeling dat de nadelige gevolgen voor [appellante sub 2] van het inpassingsplan niet onevenredig zijn in verhouding tot het met het inpassingsplan te dienen doel. Provinciale staten hebben in redelijkheid de bestemming "Natuur" aan een deel van de gronden van [appellante sub 2] kunnen toekennen. Het betoog slaagt niet. Zienswijze herhaald en ingelast
- [appellante sub 2] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellante sub 2] heeft in het beroepschrift of op de zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Het betoog slaagt niet. De overige beroepsgronden van [appellant sub 3]
- [appellant sub 3] woont aan de [locatie 2] in Sprang-Capelle en heeft daar een perceel van 15.565 m2 groot in eigendom. Daarvan is aan 7.150 m2, hierna aangeduid als perceelsgedeelte 1, de bestemming "Natuur" toegekend ten behoeve van natuurherstel. Aan het resterende deel van het perceel binnen het plangebied is de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" toegekend. Een ander deel van het perceel, waarop de woning staat, valt buiten het plangebied. [appellant sub 3] gebruikt het perceel onder andere voor het hobbymatig houden van paarden. Hij kan zich niet verenigen met de in het inpassingsplan toegekende bestemmingen en de te treffen vernattingsmaatregelen. Ook stelt hij dat in het projectplan ten onrechte geen mitigerende maatregelen zijn opgenomen om wateroverlast bij zijn woning te voorkomen. Bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur"
- [appellant sub 3] betoogt dat de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" rechtsonzeker is. Daartoe voert hij aan dat in artikel 3.3.1, onder a, van de planregels is opgenomen dat het gebruik van gronden en opstallen voor een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf als met de bestemming strijdig gebruik moet worden aangemerkt. In het plan is ten onrechte geen regeling of aanduiding opgenomen voor het houden van paarden. 19.
- Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat het op de korte termijn de bedoeling is om het perceelsgedeelte met een oppervlakte van 7.150 m2 aan te kopen en desnoods te onteigenen. Dat perceelsgedeelte heeft daarom in het inpassingsplan de bestemming "Natuur" gekregen. De overige delen van het perceel, waaraan onder meer een agrarische bestemming is toegekend, mogen verder door [appellant sub 3] worden gebruikt voor het houden van paarden, zoals [appellant sub 3] dat altijd al deed. Ter zitting hebben provinciale staten toegelicht dat voor het toekennen van de agrarische bestemming is aangesloten bij het voorheen geldende planologische regime, waarin eveneens een agrarische bestemming aan het perceel was toegekend. 19.
- Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" onder meer bestemd voor de uitoefening van bestaand grondgebonden agrarisch gebruik. [appellant sub 3] gebruikt zijn gronden niet voor de uitoefening van een bedrijf en daarmee niet voor een bestaand grondgebonden agrarisch bedrijf. Daarom is artikel 3.1, aanhef en onder a, van de planregels niet van toepassing. Het standpunt van provinciale staten dat onder de bestemming "Agrarisch met waarden-Natuur" het houden van paarden is toegestaan, is juist. Een aanduiding voor het houden van paarden, zoals door [appellant sub 3] gewenst, is dan ook niet nodig. Gelet hierop is de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" niet rechtsonzeker. Het betoog slaagt niet.
- [appellant sub 3] betoogt dat het inpassingsplan niet uitvoerbaar is, omdat aannemelijk is dat het hobbymatig houden van paarden binnen een afzienbare periode niet meer is toegestaan. Hij voert in dit verband aan dat artikel 3.5 van de planregels voorziet in het wijzigen van de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" naar "Natuur". Aannemelijk is dat de provincie de gronden in 2027 zal verwerven en het hobbymatig houden van paarden dan niet meer is toegestaan. Daarmee deugt ook de begrenzing van het plan niet. 20.
- Zoals de Afdeling hiervoor onder 9.3 heeft overwogen, hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, indien aan de voorwaarden in artikel 3.5 van de planregels wordt voldaan, alleen gebruik wordt gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid als alle grondeigenaren binnen het betreffende peilvak bereid zijn om de betreffende gronden in te richten en beheren als natuurgebied of nadat aankoop/overdracht van die gronden is verzekerd of al heeft plaatsgevonden. Gelet op het rapport "Westelijke Langstraat. Bijlage VIII - Land- en tuinbouw" van 11 maart 2019, opgesteld door adviesbureau Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. in opdracht van het college van gedeputeerde staten, dat onderdeel uitmaakt van het MER, bestond ten tijde van de vaststelling van het inpassingsplan ook geen aanleiding om aan de agrarische gronden van [appellant sub 3] een natuurbestemming toe te kennen. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het hobbymatig houden van paarden binnen een afzienbare periode planologisch niet meer is toegestaan. Het betoog slaagt niet. Bestemming "Natuur"
- [appellant sub 3] betoogt dat in het inpassingsplan onvoldoende rekening is gehouden met het bestaande gebruik in de vorm van het hobbymatig houden van paarden. Door de omzetting van een agrarische bestemming naar een natuurbestemming is dit gebruik op deze gronden niet meer toegestaan. Volgens [appellant sub 3] is niet deugdelijk onderzocht wat de gevolgen zijn voor het agrarisch gebruik op zijn gronden. [appellant sub 3] stelt dat een motivering ontbreekt dat de in het inpassingsplan opgenomen maatregelen voor zijn gronden hydrologisch verantwoord zijn. Voorts ontbreekt de noodzaak voor het treffen van maatregelen, omdat de beoogde natuurontwikkeling naar natuurtypen N10.01 (Nat schraalland) en N12.02 (Kruiden- en faunarijk grasland) goed samengaat met het houden van paarden. Ook geldt voor deze gronden op basis van het Aanwijzingsbesluit de instandhoudingsdoelstelling om kranswierwateren te behouden. Voor het behouden van kranswierwateren hoeven geen hydrologische maatregelen te worden getroffen. 21.
- Provinciale staten hebben toegelicht dat een deel van de gronden van [appellant sub 3] nodig is voor uitvoering van de herstelmaatregelen. De herstelmaatregelen zullen leiden tot een grote toename van natschade op deze gronden. Aan deze gronden is de bestemming "Natuur" toegekend. Volgens provinciale staten wordt deze bestemming niet toegekend om bepaalde natuurbeheertypen op het betreffende perceel te ontwikkelen, maar draagt de bestemming bij aan herstel van de natuurbeheertypen in het Natura 2000-gebied als geheel. Om de instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied te behalen is het nodig om het hydrologisch systeem in het gebied te herstellen. Provinciale staten wijzen erop dat een deel van de gronden van [appellant sub 3] een drainerende werking heeft ten aanzien van kwelwater dat naar de verschillende habitats zou moeten gaan. Om dit te voorkomen is het noodzakelijk deze gronden te vernatten. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan het systeemherstel en wordt in algemene zin ervoor gezorgd dat in het Natura 2000-gebied meer water wordt vastgehouden. De resterende gronden liggen volgens provinciale staten hoger en daar is de toename van natschade gering, zodat het agrarisch gebruik op die gronden kan worden voortgezet. Dit blijkt volgens provinciale staten uit het rapport "Westelijke Langstraat. Bijlage VIII - Land- en tuinbouw". 21.
- De Afdeling overweegt dat provinciale staten onder verwijzing naar het MER en de onderliggende rapporten voldoende hebben gemotiveerd dat er een noodzaak bestaat voor het treffen van maatregelen op het deel van de gronden van [appellant sub 3] waarop de bestemming "Natuur" rust. Dat het verhogen van de grondwaterstand niet nodig is voor het realiseren van de natuurdoeltypen "Nat schraalland" en "Kruiden- en faunarijk grasland" laat onverlet dat het treffen van herstelmaatregelen volgens provinciale staten nodig is met het oog op systeemherstel en de daarmee gepaard gaande ontwikkeling van de overige in het gebied voorkomende natuurdoeltypen en habitats. Dat geldt ook voor de instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype "kranswierwateren". De Afdeling volgt [appellant sub 3] dan ook niet in zijn stelling dat de herstelmaatregelen niet nodig zijn met het oog op het Aanwijzingsbesluit. Gelet op de toelichting van provinciale staten bestaat ook geen grond voor het oordeel dat de gevolgen van het inpassingsplan voor de gronden van [appellant sub 3] onvoldoende zijn onderzocht. Indien het komt tot onteigening met het oog op de realisering van de bestemming "Natuur", dan voorziet de wet in volledige schadeloosstelling daarvoor. De Afdeling concludeert dat de nadelige gevolgen voor [appellant sub 3] van het inpassingsplan niet onevenredig zijn in verhouding tot het met het inpassingsplan te dienen doel. Provinciale staten hebben in redelijkheid de bestemming "Natuur" aan een deel van de gronden van [appellant sub 3] kunnen toekennen. Het betoog slaagt niet. Wateroverlast en natschade
- [appellant sub 3] betoogt dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning wordt aangetast door wateroverlast en natschade als gevolg van de herstelmaatregelen. In het projectplan is onvoldoende geborgd dat wateroverlast en natschade bij de woning wordt voorkomen. 22.
- De woning van [appellant sub 3] aan de [locatie 2] is gelegen buiten het plangebied van het inpassingsplan. Voor deze gronden is het projectplan opgesteld. Het projectplan strekt ertoe wateroverlast als gevolg van de in het inpassingsplan voorziene herstelmaatregelen op gronden buiten het plangebied te mitigeren. Daarbij gaat het om locatiespecifieke maatregelen die zich beperken tot maatregelen rond woningen, in de tuinen en op percelen van bewoners. In het projectplan staat dat het gebied waarbinnen grondwaterstijgingen van 5 cm of meer kan optreden is aangeduid met de zogenoemde 5 cm-contour. Op basis van grondwatermodelberekeningen is vervolgens een schifting gemaakt in adressen binnen deze contour waar wel en geen overlast verwacht wordt. Hierbij is het grondwatermodel beschouwd ten opzichte van de hoogteligging op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland. Voor adressen binnen de 5 cm-contour waar op basis van deze berekeningen overlast verwacht wordt en in verband daarmee mitigerende maatregelen moeten worden getroffen, zijn zogenoemde waterdossiers opgesteld. Het algemeen bestuur heeft toegelicht dat er gelet op de grondwatermodelberekeningen bij de woning van [appellant sub 3] geen wateroverlast wordt verwacht en dat daarom geen mitigerende maatregelen nodig zijn. Gelet daarop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat onvoldoende is gedaan om wateroverlast bij de woning van [appellant sub 3] te beperken. Daarbij betrekt de Afdeling ook dat [appellant sub 3] zich bij eventuele schade aan zijn woning kan wenden tot het schadeloket. Het betoog slaagt niet. Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
- Het betoog van [appellant sub 3] dat het inpassingsplan en projectplan zijn vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb, het beginsel van fair play en het verbod op misbruik van bevoegdheid, is niet onderbouwd. Het betoog slaagt niet. De overige beroepsgronden van [appellante sub 4]
- [appellante sub 4] exploiteert een melkveehouderij en woont in het plangebied. De huiskavel met aangrenzende percelen en bedrijfswoning liggen ter hoogte van de [locatie 3] in Sprang-Capelle. De huiskavel met aangrenzende percelen bedraagt ca. 15 ha. Aan ongeveer 12,63 ha van deze percelen is de bestemming "Natuur" toegekend. Aan het resterende deel van circa 1,25 ha is de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" en een kleiner deel valt buiten het plangebied. [appellante sub 4] vreest dat de agrarische bedrijfsactiviteiten op zijn percelen moeten worden gestaakt vanwege het inpassingsplan en dat zijn belangen onvoldoende zijn afgewogen. Ook stelt hij dat in het projectplan ten onrechte geen mitigerende maatregelen zijn getroffen om wateroverlast bij zijn woning te voorkomen. Beperking van de bedrijfsvoering
- [appellante sub 4] stelt dat in het inpassingsplan en het peilbesluit onvoldoende rekening is gehouden met de gevolgen voor zijn bedrijfsbelangen. Hij voert daartoe aan dat in het inpassingsplan aan een groot deel van zijn gronden de bestemming "Natuur" wordt toegekend. Op die gronden worden veranderingen aangebracht in het grondwaterpeil, wordt 20 tot 40 cm van de toplaag afgegraven en worden waterhuiskundige maatregelen getroffen. In het peilbesluit wordt bij de peilveranderingen geen onderscheid gemaakt tussen de te verwerven natuurgronden en de resterende agrarische gronden. Hierdoor wordt het uitoefenen van agrarische activiteiten op die gronden niet meer mogelijk. [appellante sub 4] stelt dat er te weinig gronden overblijven om een rendabel bedrijf te kunnen voeren, zodat zijn bedrijf niet meer levensvatbaar is. Verder voert [appellante sub 4] aan dat slechts een klein deel van de gronden een agrarische bestemming heeft gekregen. Hij vreest bovendien dat die gronden uiteindelijk - in 2027 - alsnog zullen worden verworven en omgezet naar een natuurbestemming om de natuurdoelstellingen te verwezenlijken. Volgens [appellante sub 4] hadden provinciale staten alle gronden ofwel als "Natuur" moeten bestemmen ofwel voor volledige schadeloosstelling moeten kiezen. [appellante sub 4] stelt vanaf 1 juli 2021 - de aanvang van fase 1 - in een zeer nadelige situatie te verkeren doordat het resterende areaal aan percelen, de stallen en bedrijfsgebouwen onbruikbaar zijn en nauwelijks iets waard zijn. Dit zijn volgens [appellante sub 4] zo wezenlijke gevolgen dat het bedrijf niet meer levensvatbaar is. Met deze gevolgen hebben provinciale staten volgens [appellante sub 4] onvoldoende rekening gehouden. 25.
- Provinciale staten hebben aangegeven die gronden van [appellante sub 4] te willen verwerven waarvan uit berekeningen is gebleken dat deze noodzakelijk zijn voor natuurherstel of die door de maatregelen te drassig worden om nog te kunnen worden gebruikt voor het weiden van koeien of het winnen van ruwvoer. Dat zijn de lager gelegen percelen van het bedrijf met een oppervlakte van ongeveer 12,63 ha. Aan die percelen is de bestemming "Natuur" toegekend. Voor de verwerving zijn twee opties aangeboden. De eerste optie is dat [appellante sub 4] de percelen behoudt en dat de schade als gevolg van waardevermindering van de huiskavel en de overige percelen door verlies van voornoemde percelen wordt vergoed. De tweede optie is dat [appellante sub 4] het hele bedrijf verkoopt. Daarbij is volgens provinciale staten uitgegaan van taxatierapporten die zijn opgesteld in opdracht van zowel provinciale staten als [appellante sub 4]. Verder stellen provinciale staten dat tweemaal een alternatieve locatie is aangeboden waar [appellante sub 4] zijn bedrijfsvoering kan voortzetten. Provinciale staten erkennen dat het inpassingsplan grote gevolgen heeft voor [appellante sub 4], maar dat uit berekeningen blijkt dat agrarisch gebruik mogelijk blijft op de hoger gelegen percelen die een agrarische bestemming hebben gekregen. Inmiddels is een onteigeningsprocedure gestart voor de verwerving van de percelen met de bestemming "Natuur". 25.
- Uit de plattegronden en tabellen uit het rapport "Westelijke Langstraat. Bijlage VIII - Land- en tuinbouw", behorende bij het MER, kan volgens provinciale staten worden afgeleid dat de herstelmaatregelen op een deel van de gronden zullen leiden tot een toename aan natschade van meer dan 40 %. Dit komt neer op een peilverhoging variërend van 35 cm tot 1 meter. Op een klein deel van de gronden treedt nauwelijks tot geen toename van natschade op. Volgens provinciale staten blijft agrarisch gebruik op deze gronden mogelijk. Tussen partijen is niet in geschil dat het toekennen van de bestemming "Natuur" aan een groot deel van de gronden aan de [locatie 3] grote gevolgen heeft voor het bedrijf van [appellante sub 4] en dat daardoor de huidige bedrijfsvoering niet kan worden voortgezet vanwege het ontbreken van de mogelijkheid van weidegang. Op de gronden waar geen natschade optreedt en waaraan een agrarische bestemming is toegekend blijven echter wel agrarische activiteiten mogelijk en kan het huidige agrarisch gebruik worden voortgezet. Voor zover gedeputeerde staten in de toekomst gebruik willen maken van de bevoegdheid om de agrarische bestemming te wijzigen naar een natuurbestemming, overweegt de Afdeling, zoals de Afdeling hiervoor onder 9.3 heeft overwogen, dat dit slechts kan als alle grondeigenaren binnen het betreffende peilvak bereid zijn om de betreffende gronden in te richten en beheren als natuurgebied of nadat aankoop/overdracht van die gronden is verzekerd of al heeft plaatsgevonden. Verder is gebleken dat meerdere opties zijn besproken over verwerving van de gronden, verplaatsing van het bedrijf en zijn alternatieve gronden aangeboden. Indien het komt tot onteigening met het oog op de realisering van de bestemming "Natuur", dan voorziet de wet in volledige schadeloosstelling daarvoor. Gelet op het voorgaande concludeert de Afdeling dat de nadelige gevolgen voor [appellante sub 4] van het inpassingsplan niet onevenredig zijn in verhouding tot het met het inpassingsplan te dienen doel. Provinciale staten hebben in redelijkheid de bestemming "Natuur" aan een groot deel van de gronden van [appellante sub 4] kunnen toekennen. Daarbij betrekt de Afdeling dat een verzoek om vergoeding van schade als gevolg van de wijziging van de bedrijfsvoering kan, zoals hiervoor onder 11.4 is overwogen, op grond van artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet kan worden ingediend bij het schadeloket. Het betoog slaagt niet. Wateroverlast en natschade
- [appellante sub 4] betoogt dat het woon-, leef- en ondernemersklimaat ter plaatse van zijn woning wordt aangetast door wateroverlast en natschade als gevolg van de herstelmaatregelen. In het projectplan is onvoldoende geborgd dat wateroverlast en natschade bij de woning wordt voorkomen. 26.
- De woning van [appellante sub 4] aan de [locatie 3] is gelegen buiten het plangebied van het inpassingsplan. Voor gronden buiten het plangebied is het projectplan vastgesteld. Het projectplan strekt ertoe wateroverlast als gevolg van de in het inpassingsplan voorziene herstelmaatregelen op gronden buiten het plangebied te mitigeren. Daarbij gaat het om locatiespecifieke maatregelen die zich beperken tot maatregelen rond woningen, in de tuinen en op percelen van bewoners. In het projectplan staat dat het gebied waarbinnen grondwaterstijgingen van 5 cm of meer kan optreden is aangeduid met de zogenoemde 5 cm-contour. Op basis van grondwatermodelberekeningen is vervolgens een schifting gemaakt in adressen binnen deze contour waar wel en geen overlast verwacht wordt. Hierbij is het grondwatermodel beschouwd ten opzichte van de hoogteligging op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland. Voor adressen binnen de 5 cm-contour waar op basis van deze berekeningen overlast verwacht wordt en in verband daarmee mitigerende maatregelen moeten worden getroffen, zijn zogenoemde waterdossiers opgesteld. Het algemeen bestuur heeft toegelicht dat, gelet op de grondwatermodelberekeningen, bij de woning van [appellante sub 4] geen wateroverlast wordt verwacht en dat daarom geen mitigerende maatregelen nodig zijn. Gelet daarop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat onvoldoende is gedaan om wateroverlast bij de woning van [appellante sub 4] te beperken. Daarbij betrekt de Afdeling ook dat [appellante sub 4] zich bij eventuele schade aan zijn woning kan wenden tot het schadeloket. Het betoog slaagt niet. Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
- Het betoog van [appellante sub 4] dat het inpassingsplan en projectplan zijn vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb, het beginsel van fair play en het verbod van misbruik van bevoegdheid, is niet onderbouwd. Het betoog slaagt niet. De overige beroepsgronden van [appellant sub 5]
- [appellant sub 5] exploiteert een op- en overslagbedrijf aan de [locatie 4]. Verder is [appellant sub 5] eigenaar van de bedrijfswoning aan de [locatie 5] en het braakliggend perceel aan de [locatie 6]. [appellant sub 5] kan zich niet verenigen met het inpassingsplan, voor zover aan een deel van het perceel [locatie 6] de bestemming "Natuur" is toegekend. Verder is [appellant sub 5] van mening dat in het projectplan onvoldoende mitigerende maatregelen zijn opgenomen om wateroverlast op de [locatie 6] en de [locatie 5] te voorkomen. Bestemming [locatie 6]
- [appellant sub 5] betoogt dat aan een deel van het perceel aan de [locatie 6] binnen het inpassingsplan ten onrechte de bestemming "Natuur" is toegekend. Op grond van het voorheen geldende plan gold daar volgens [appellant sub 5] een bedrijfsbestemming. Hij voert aan dat in de zienswijzennota een aantal feitelijke onjuistheden staan, onder meer dat daar sprake is van agrarisch gebruik. Dat is volgens [appellant sub 5] onjuist, omdat op het perceel een bedrijfsbestemming ligt. Voorts stelt [appellant sub 5] dat de gronden met de bestemming "Natuur" buiten de grenzen van het Natura 2000-beheerplan en de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant vallen. [appellant sub 5] verwijst in dit verband naar het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied en de daarin opgenomen exclaveringsformule. Daaruit volgt volgens [appellant sub 5] dat de gronden ook buiten de grenzen van het Natura 2000-gebied vallen en daarom buiten de grenzen van het inpassingsplan hadden moeten worden gehouden. Verder stelt [appellant sub 5] dat voorbij is gegaan aan zijn voornemen om op het perceel - zowel op gronden binnen als buiten het inpassingsplan - een woning te realiseren. [appellant sub 5] heeft dat voornemen geuit in zijn zienswijze over het ontwerp-inpassingsplan. [appellant sub 5] stelt dat voor het realiseren van een woning door het college van burgemeester en wethouders van Waalwijk principemedewerking verleend en dat hij een aanvraag om een omgevingsvergunning heeft ingediend. Provinciale staten hebben deze wens ten onrechte niet meegewogen. 29.
- Op de gronden aan de [locatie 6] gold voorheen het planologische regime zoals opgenomen in de beheersverordening "Natte natuurparel, Eerste Zeine (incl. kamerbewoning)", vastgesteld door de raad van de gemeente Waalwijk op 4 juli
- Tussen partijen is niet in geschil dat voor de gronden van [appellant sub 5] aan de [locatie 6] - zowel binnen als buiten het plangebied van het inpassingsplan - op grond van de beheersverordening de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" en de aanduiding "ambachtelijk bedrijf" gold. Onder ambachtelijk bedrijf wordt verstaan: "bedrijfsgebouwen ten behoeve van een bouwmaterialenhandel, aannemersbedrijf, metaalwarenbedrijf, oliehandel en transportbedrijf". Deze bestemming en aanduiding zijn van toepassing vanwege de aanduiding op de verbeelding van "een bebouwingsoppervlak" en de koppeling met het perceel [locatie 4], waar de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" en de aanduiding "ambachtelijk bedrijf" geldt. Provinciale staten hebben in het verweerschrift toegelicht dat de bestemming is gewijzigd naar "Natuur", omdat de gronden zijn gelegen binnen het Natura 2000-gebied en de bestemmingswijziging nodig is om de herstelmaatregelen uit te kunnen voeren. Zoals de Afdeling hiervoor onder 5.3 heeft overwogen, hebben provinciale staten in algemene zin voldoende gemotiveerd dat het treffen van herstelmaatregelen noodzakelijk is met het oog op de instandhoudingsdoelstelling voor in het plangebied voorkomende beschermde habitattypen. In de zienswijzennota hebben provinciale staten verder van belang geacht dat de gronden van [appellant sub 5] met de bestemming "Natuur" onbebouwd en niet in gebruik zijn, zodat het bestaande gebruik op de gronden niet wordt beperkt door de bestemmingswijziging. 29.
- Over de stelling dat de gronden met de bestemming "Natuur" niet binnen het Natura 2000-gebied vallen en dat geen rekening is gehouden met het voornemen om een woning te realiseren, overweegt de Afdeling als volgt. In de zienswijzennota staat dat buitengrenzen van het Natura 2000-gebied en het Natuurnetwerk Brabant in belangrijke mate de buitengrenzen van het inpassingsplan bepalen. In de nota van toelichting bij het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied staat dat voor de begrenzing van het Natura 2000-gebied de volgende algemene exclaveringsformule geldt: "Bestaande bebouwing, erven, tuinen, verhardingen en hoofdspoorwegen maken geen deel uit van het aangewezen gebied, tenzij daarvan in paragraaf 3.3 wordt afgeweken." In de zienswijzennota staat dat vanwege deze exclaveringsformule niet alleen is gekeken naar de grenzen van het Natura 2000-gebied zoals weergegeven op de kaart bij het aanwijzingsbesluit, maar ook naar gronden die onderdeel zijn van een bestaand bouwvlak of die in redelijkheid gekwalificeerd kunnen worden als erf of tuin. Gronden die als zodanig kunnen worden gekwalificeerd en geen deel uitmaken van het op de kaart aangewezen Natura 2000-gebied, zijn niet opgenomen in het inpassingsplan. Ter zitting hebben provinciale staten erkend dat in de zienswijzennota duidelijker kon worden omschreven wat is bedoeld met bestaand bouwvlak, maar dat bedoeld is tot uitdrukking te brengen dat ten tijde van het aanwijzingsbesluit bestaande bebouwing niet binnen het Natura 2000-gebied valt. Hieronder vallen ook de bestreden gronden aan de [locatie 6], voor zover daarop bestaande bebouwing aanwezig is. In het geval van de [locatie 6] leidt toepassing van de exclaveringsformule volgens provinciale staten ertoe dat alleen de bestaande bebouwing buiten de grenzen van het Natura 2000-gebied valt en daarom buiten de grenzen van het inpassingsplan is gebracht. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten zich gelet op het begrip "bestaande bebouwing" als bedoeld in de exclaveringsformule terecht op het standpunt gesteld dat alleen de bebouwde gronden op de [locatie 6] buiten het Natura 2000-gebied liggen. Anders dan [appellant sub 5] stelt, moesten provinciale staten uitgaan van de feitelijke situatie ten tijde van het aanwijzingsbesluit en niet van al dan niet concrete bouwplannen voor een woning op deze locatie. 29.
- Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten in de begrenzing van het Natura 2000-gebied en het voornemen een woning te bouwen geen reden hoeven zien om de bestemming "Natuur" niet toe te kennen aan het deel van het perceel [locatie 6] met de aanduiding "een bebouwingsoppervlak" waarop geen bestaande bebouwing aanwezig was. Het betoog slaagt niet. Wateroverlast en waterschade
- [appellant sub 5] betoogt dat onvoldoende rekening is gehouden met de gevolgen van het inpassingsplan en het projectplan voor zijn percelen aan de [locatie 5] en de [locatie 6]. Hij stelt dat hij wateroverlast zal ondervinden op zijn percelen als gevolg van de herstelmaatregelen die in het inpassingsplan en het projectplan zijn opgenomen, meer in het bijzonder de herstelmaatregelen die worden getroffen in de deelgebieden "De Hoven", "De Dellen" en "Labbegat 1". Dat wordt in de bestreden besluiten ook erkend. Naar deze gevolgen is echter onvoldoende onderzoek gedaan, althans het onderzoek naar de gevolgen is op verschillende onderdelen gebrekkig. [appellant sub 5] stelt dat daardoor niet duidelijk is of en in hoeverre zijn belangen zijn afgewogen. Hij voert daartoe aan dat in het MER, figuur 1.2, ten onrechte is opgenomen dat zijn percelen worden gebruikt voor de functie "Wonen en Tuin", aangezien zijn percelen worden gebruikt voor bedrijfsdoeleinden. Voorts wordt in het MER gesteld dat 55 panden grondwateroverlast zullen ondervinden en dat grondwateroverlast zoveel mogelijk voorkomen moet worden. In de zienswijzennota verwijzen provinciale staten naar een waterdossier dat is opgesteld voor het perceel [locatie 5]. Het waterdossier maakt echter geen deel uit van het inpassingsplan, maar van het projectplan, en kon dus niet worden gebruikt voor de onderbouwing van het inpassingsplan. Ook is volgens [appellant sub 5] in het MER niet inzichtelijk gemaakt welke mitigerende maatregelen op zijn percelen moeten worden getroffen om de verwachten wateroverlast tegen te gaan. Er wordt in het MER gesproken over een onderzoek en een pilot naar wateroverlast, maar [appellant sub 5] stelt dat hem daarover niets bekend is. Voor het perceel [locatie 6] is geen waterdossier opgesteld. [appellant sub 5] stelt nu al wateroverlast te ondervinden in zijn bedrijfswoning aan de [locatie 5], onder meer in de vorm van het loslaten van het stucwerk. De schade zal alleen maar toenemen door stijging van het waterpeil. Omdat de communicatie over de te nemen mitigerende maatregelen gebrekkig is geweest, zijn het inpassingsplan en het projectplan volgens [appellant sub 5] onzorgvuldig vastgesteld. 30.
- Over de stelling dat het projectplan en het waterdossier geen deel uitmaken van de onderbouwing van het inpassingsplan, overweegt de Afdeling dat het inpassingsplan en het projectplan gecoördineerd zijn voorbereid. De zienswijzennota behorende bij het inpassingsplan is opgesteld nadat het ontwerp-projectplan ter inzage heeft gelegen. Gelet daarop kon in de zienswijzennota van het inpassingsplan worden verwezen naar het projectplan en de bijbehorende waterdossiers, en andersom. In hetgeen [appellant sub 5] heeft gesteld bestaat geen grond voor het oordeel het inpassingsplan om deze reden niet kon worden vastgesteld. 30.
- Figuur 1.2 uit het MER betreft volgens het verweerschrift van provinciale staten een indicatieve weergave van het landgebruik. De gronden van [appellant sub 5] aan de [locatie 5] en de [locatie 6] zijn aangemerkt als "Wonen en tuin". Provinciale staten hebben erkend dat het gebruik van de percelen van [appellant sub 5] onjuist is weergegeven, maar dat de afbeelding is bedoeld om het globale gebruik binnen het plangebied aan te duiden. Blijkens de zienswijzennota zijn provinciale staten voor de vaststelling van het inpassingsplan uitgegaan van het ter plaatse geldende planologische regime. Provinciale staten zijn naar het oordeel van de Afdeling terecht uitgegaan van de planologische situatie. 30.
- Voor zover [appellant sub 5] stelt dat in het inpassingsplan, waaronder het MER, niet inzichtelijk is gemaakt welke mitigerende maatregelen op zijn percelen moeten worden getroffen om de wateroverlast tegen te gaan, overweegt de Afdeling als volgt. Over het perceel [locatie 6] hebben provinciale staten toegelicht dat de peilverhoging op deze locatie ruimschoots binnen de 5 cm-contour ligt. Provinciale staten hebben echter van belang geacht dat dit perceel tegen een dijk en dus relatief hoger is gelegen, zodat wordt voldaan aan de gangbare normen voor de drooglegging van een woning met kruipruimte. Volgens provinciale staten is de omstandigheid dat er in het gebied binnen de 5 cm-contour een peilverhoging van meer dan 5 cm wordt verwacht daarom geen belemmering voor een woonfunctie aan de [locatie 6] en zijn dus geen mitigerende maatregelen nodig. Om die reden is er geen waterdossier opgesteld voor het perceel [locatie 6]. Gelet op de gegeven toelichting is de Afdeling van oordeel dat provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat op het perceel [locatie 6] geen mitigerende maatregelen hoeven te worden getroffen om wateroverlast tegen te gaan. Voor het perceel [locatie 5] is een waterdossier opgesteld. In dat waterdossier is uiteengezet dat door verhoging van het oppervlaktewaterpeil de grondwaterstanden omhoog gaan, waardoor er een risico is op het ontstaan van nieuwe of toename van de bestaande wateroverlast bij woningen en/of tuinen. Uit nader (geo)hydrologisch onderzoek is gebleken dat bij [locatie 5] de toekomstige ontwateringsdiepte bij de tuin voldoet aan de ontwateringscriteria, maar dat de ontwateringsdiepte ter plaatse van de woning onvoldoende wordt. Hierdoor komt [locatie 5] in aanmerking voor een lokale maatregel om de mogelijke (extra) grondwateroverlast ter plaatse van de tuin te voorkomen. Er is een peilbuis nabij de woning geplaatst om de grondwaterstand te meten. De peilbuis ligt op 1,68 m +NAP. De gemiddelde hoogste grondwaterstand (hierna: GHG) is ca. 0,95 m +NAP. Dit is beduidend hoger dan de oppervlaktewaterstand conform het peil dat gehanteerd wordt (0,4 m -NAP), wat volgens het waterdossier naar alle waarschijnlijkheid het gevolg is van de invloed van de Winterdijk. Er wordt rekening gehouden met een toekomstige GHG van 1,25 m +NAP nabij de woning. De ontwateringsdiepte is 0,14 m beneden het maaiveld. Voor een woning zonder kruipruimte geldt een criterium van 0,5 m beneden het maaiveld, dus daar wordt niet aan voldaan. Om de verwachte grondwaterstijging te compenseren wordt geadviseerd ter plaatse van de woning maatregelen te treffen om een (toename van) grondwateroverlast in de toekomst te voorkomen. In het waterdossier wordt voorgesteld de waterloop langs de Hogevaart door te trekken en een drain te plaatsen in U-vorm langs de oost-, zuid- en westzijde van de woning, welke op de hergraven waterloop aansluit. Volgens het projectplan worden de volgende maatregelen getroffen: "Hergraven waterloop, aanleg van drainage en PVC-leiding met doorspuitputten en maaibescherming ter plaatse van de uitstroomconstructie." Daarbij wordt verwezen naar tekening WID18 in bijlage 2 van het projectplan. Op die tekening zijn de peilhoogten en de maatregelen weergegeven. Het algemeen bestuur heeft ter zitting toegelicht dat bij het beoordelen van de situatie ter plaatse is gebleken dat in de bestaande situatie sprake is van wateroverlast, waarvan onduidelijk is wat de oorzaak is. Omdat in de huidige situatie al sprake is van wateroverlast, is alsnog voorgesteld mitigerende maatregelen te treffen. Gesteld noch gebleken is dat het waterdossier dusdanige onjuiste informatie bevat of dusdanig gebrekkig is, dat het niet aan het projectplan ten grondslag kon worden gelegd. Voorts stelt de Afdeling vast dat de schade aan de woning in de bestaande situatie niet het gevolg is van de voorgenomen peilverhogingen. Gelet op de beschrijving in het projectplan, het waterdossier en de toelichting van het algemeen bestuur overweegt de Afdeling dat de gevolgen van het inpassingsplan en het projectplan, alsmede de te nemen mitigerende maatregelen voldoende in kaart zijn gebracht. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de communicatie dusdanig gebrekkig heeft plaatsgevonden dat het inpassingsplan en het projectplan onzorgvuldig zijn vastgesteld. 30.
- De conclusie is dat provinciale staten voldoende hebben gemotiveerd dat het inpassingsplan en niet zal leiden tot een onaanvaardbare mate van wateroverlast aan de [locatie 6] en de [locatie 5] en dat het algemeen bestuur de belangen van [appellant sub 5] voldoende heeft betrokken bij de vaststelling van het projectplan. Het betoog slaagt niet. Het beroep van [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B]
- [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] wonen aan de [locatie 7] te Sprang-Capelle. Zij stellen dat het projectplan, voor wat betreft hun perceel, ten onrechte is vastgesteld.
- Ter zitting is gebleken dat er tussen partijen inmiddels overeenstemming is over de te treffen mitigerende maatregelen, en dat het geschil is beperkt tot de voorbereiding van het projectplan.
- Voor wat betreft de voorbereiding van het projectplan betogen [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] dat dit onzorgvuldig is geweest. Volgens [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] moesten zij het algemeen bestuur gedurende de onderhandelingen over de mitigerende maatregelen telkens wijzen op de feitelijke onjuistheden en tegenstrijdige maatvoeringen in de verschillende versies van het waterdossier. Bovendien lieten de reacties van het algemeen bestuur gedurende de procedure vaak lang op zich wachten. [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] stellen dat zij daardoor veel tijd zijn kwijtgeraakt, en dit tot hoge kosten heeft geleid. 33.
- De Afdeling stelt vast dat de voorbereiding van het projectplan voor [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] veel tijd en energie hebben gekost. De Afdeling concludeert echter ook dat de voor de vaststelling van het projectplan gevolgde procedure voldoet aan de daaraan gestelde regels. [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de voorbereiding van het projectplan onzorgvuldig is geweest. Dat een ontwerp van het projectplan en de daarbij behorende waterdossiers gewijzigd worden gedurende het proces als gevolg van voortschrijdende inzichten, zienswijzen en onderhandelingen, maakt de voorbereiding niet onzorgvuldig. Verder maken veel van de door [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] beschreven situaties geen deel uit van de voorbereiding van de besluiten. Het betoog slaagt niet. Het beroep van [appellant sub 7]
- [appellant sub 7] woont aan de [locatie 8] te Sprang-Capelle. [appellant sub 7] stelt dat het inpassingsplan, voor wat betreft de begrenzing van zijn perceel, ten onrechte is vastgesteld. Communicatie over het inpassingsplan
- [appellant sub 7] betoogt dat de communicatie over het inpassingsplan onzorgvuldig is verlopen. Daartoe wijst [appellant sub 7] erop dat hem door provinciale staten ten onrechte niet is meegedeeld dat hij tijdens de openbare vergadering van provinciale staten, waarin het inpassingsplan zou worden vastgesteld, zou kunnen inspreken. 35.
- Het ontwerp van het inpassingsplan is op 21 mei 2019 bekendgemaakt en heeft van 22 mei 2019 tot en met 2 juli 2019 ter inzage gelegen. Het vastgestelde inpassingsplan is op 18 maart 2020 bekendgemaakt en heeft van 19 maart 2020 tot en met 29 april 2020 ter inzage gelegen. [appellant sub 7] heeft gebruikgemaakt van de mogelijkheid om een zienswijze tegen het ontwerpplan in te dienen. Op deze zienswijze is door provinciale staten gereageerd in de zienswijzennota. In wat [appellant sub 7] heeft aangevoerd ten aanzien van de communicatie over het inpassingsplan, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het inpassingplan onzorgvuldig is vastgesteld. [appellant sub 7] is met een persoonlijke brief, en met de nieuwsbrief van 5 december 2019, geïnformeerd over de procedure en de op hand zijnde vergadering van provinciale staten over de vaststelling van het inpassingsplan en de bijbehorende stukken. Dat hem daarbij niet expliciet is gewezen op de mogelijkheid om in te spreken tijdens deze vergadering, betekent niet dat hij daardoor beperkt werd in zijn mogelijkheden om tegen het inpassingsplan op te komen. Het betoog slaagt niet. 35.
- [appellant sub 7] heeft gewezen op een logboek met contactmomenten tussen provinciale staten en hemzelf, en een taxatierapport. De Afdeling stelt vast dat deze contactmomenten, en het taxatierapport, hebben plaatsgevonden in verband met het aankopen van een gedeelte van de gronden van [appellant sub 7]. Dit valt buiten het toetsingskader van het inpassingsplan. Begrenzing van het inpassingsplan
- [appellant sub 7] betoogt dat provinciale staten, naar aanleiding van de door hem ingediende zienswijze, ten onrechte de begrenzing van het inpassingsplan, bij zijn perceel, hebben aangepast, waardoor hij in een nadeligere positie terecht is gekomen. Door de aangepaste begrenzing kan het deel van zijn perceel, dat na de zienswijzeprocedure niet meer binnen de begrenzing van het inpassingsplan valt, niet langer droog blijven. Dat deel ligt immers ingesloten tussen gronden die wel binnen de begrenzing van het inpassingplan vallen, en daarvan het grondwaterpeil zal stijgen. Volgens [appellant sub 7] zal er water stromen naar het deel van zijn perceel, dat nu buiten de begrenzing van het inpassingsplan valt, zodat hij daar schade zal ondervinden. Omdat er geen mitigerende maatregelen worden genomen om deze schade te voorkomen, is er onvoldoende rekening gehouden met zijn belangen. Bovendien is het onterecht dat [appellant sub 7] de energie- en onderhoudskosten van de mitigerende maatregelen zelf zou moeten betalen. Daarnaast stelt [appellant sub 7] dat hij ten onrechte niet opnieuw een zienswijze heeft kunnen indienen tegen deze aangepaste begrenzing. Volgens [appellant sub 7] dient zijn perceel geheel buiten de begrenzing van het inpassingsplan te worden gehouden. En anders dient het deel van zijn perceel, dat na de zienswijzeprocedure niet meer binnen de begrenzing van het inpassingsplan valt, wederom binnen de begrenzing te worden betrokken en dient de provincie dit deel aan te kopen. 36.
- Provinciale staten hebben toegelicht dat zij naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 7] de begrenzing van het inpassingsplan zodanig hebben gewijzigd dat deze nu om het bestaande (agrarische) bouwvlak ligt. Aanleiding voor deze wijziging is dat [appellant sub 7] had toegelicht dat het behouden van de agrarische bestemming op dit bouwvlak van belang zou zijn voor toekomstige bedrijfsontwikkelingen. Uit de ontwateringsberekeningen, zoals opgenomen in het waterdossier van 21 november 2019, volgt dat op het perceel van [appellant sub 7] geen grondwateroverlast wordt verwacht. Omdat [appellant sub 7] deze conclusie niet gemotiveerd heeft betwist, is de Afdeling van oordeel dat het algemeen bestuur terecht geen aanleiding heeft gezien om mitigerende maatregelen te treffen voor het bedoelde deel van het perceel van [appellant sub 7]. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aangepaste planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het betoog slaagt niet. 36.
- Omdat geen mitigerende maatregelen nodig zijn, behoeft de klacht van [appellant sub 7] dat ten onrechte is gesteld dat hij de energie- en onderhoudskosten daarvan zelf moet betalen geen bespreking. 36.
- Voor zover [appellant sub 7] stelt dat, nadat de begrenzing in het inpassingsplan gewijzigd was vastgesteld, hij nog een mogelijkheid had moeten krijgen tot het indienen van een zienswijze, overweegt de Afdeling als volgt. Provinciale staten kunnen bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Alleen als de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, moet de wettelijke procedure opnieuw worden doorlopen. Provinciale staten hebben in dit geval de begrenzing in het inpassingsplan vastgesteld met een aantal wijzigingen. Deze afwijkingen van het ontwerp zijn naar aard en omvang echter niet zo groot dat een wezenlijk ander plan voorligt. Het betoog slaagt niet. Het beroep van [appellant sub 8]
- [appellant sub 8] woont aan de [locatie 9] te Sprang-Capelle. [appellant sub 8] stelt dat zowel het projectplan als het inpassingsplan, voor wat betreft zijn perceel, ten onrechte zijn vastgesteld omdat de gevolgen voor zijn perceel onvoldoende zijn onderzocht en de mitigerende maatregelen volgens hem niet toereikend zijn. Zienswijzen
- [appellant sub 8] stelt tevergeefs dat de door hem ingediende zienswijzen 38 en 81 ten onrechte niet zijn beantwoord. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de zienswijzen samengevat worden weergegeven. Voor een voldoende motivering is het niet nodig dat op elk argument afzonderlijk wordt ingegaan. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Het betoog slaagt niet. Het projectplan
- [appellant sub 8] betoogt dat het algemeen bestuur het projectplan voor zijn perceel niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Volgens [appellant sub 8] zijn de mitigerende maatregelen, zoals opgenomen in het projectplan, niet toereikend, omdat zij niet volledig uitsluiten dat toch schade kan ontstaan door grondwateroverlast. Ook zijn ten onrechte de gevolgen van de grondwaterpeilstijging voor de schuur niet meegenomen. Daarnaast stelt [appellant sub 8] dat ten onrechte ervoor is gekozen om de drainage slechts te voorzien van één pomp. [appellant sub 8] meent dat een pomp noodzakelijk is, en een tweede pomp aanwezig dient te zijn voor calamiteiten om te waarborgen dat het water, dat door de drainage niet kan worden geloosd in de sloot, toch kan worden weggepompt. Daartoe wijst [appellant sub 8] op een e-mailbericht van Vos Capelle, leverancier in tuinbouw en openbaar groen, van 22 september
- Het is, volgens [appellant sub 8], onzorgvuldig dat het algemeen bestuur niet zelf een tweede pomp heeft voorgesteld, maar dat [appellant sub 8] daarnaar nu zelf onderzoek heeft moeten doen en het algemeen bestuur daarop heeft moeten wijzen. Verder stelt [appellant sub 8], dat het niet redelijk is dat de energie- en onderhoudskosten, voor de eerste pomp na 30 jaar voor rekening van de eigenaar van het perceel komen, en voor de tweede pomp in het geheel niet worden vergoed. Het algemeen bestuur zou de energie- en onderhoudskosten voor beide pompen voor onbepaalde tijd op zich moeten nemen, aldus [appellant sub 8]. Dit geldt eveneens voor de kosten die zouden ontstaan, wanneer de mitigerende maatregelen schade veroorzaken, zoals verzakkingen of scheuren in riolering naar aanleiding van graafwerkzaamheden. 39.
- In het projectplan is omschreven welke nadelige gevolgen voor [appellant sub 8] kunnen optreden, welke mitigerende maatregelen er kunnen en worden getroffen om die nadelige gevolgen ongedaan te maken, en is voorzien in een wettelijke schaderegeling indien [appellant sub 8] schade lijdt ten gevolge van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer als bedoeld in de artikelen 7.14 en 7.15 van de Waterwet. Het betoog van [appellant sub 8] dat niet volledig kan worden uitgesloten dat toch schade kan ontstaan door grondwateroverlast kan gelet daarop niet op zichzelf leiden tot vernietiging van het projectplan. 39.
- Uit het waterdossier van 23 september 2020 blijkt dat, naar aanleiding van locatiebezoeken op 24 juni 2019 en 26 juni 2019, voor het eerst een inmeting op 26 juni 2019 op het perceel van [appellant sub 8] heeft plaatsgevonden waarbij de schuur is meegenomen. Naar aanleiding van een locatiebezoek op 27 januari 2020 is met [appellant sub 8] besproken dat bij het monitoringsproces de schuur wordt meegenomen als een object om te monitoren. Daarmee is het belang van de schuur dus vóór de vaststelling van het projectplan op 26 februari 2020 door het algemeen bestuur onderkend. Daarnaast blijkt uit de overzichtstekening met daarin de technische uitwerking van de mitigerende maatregelen op het perceel van [appellant sub 8], die als bijlage 2 hoort bij het projectplan, dat ook bij de mitigerende maatregelen rekening is gehouden met de schuur. In het waterdossier van 23 september 2020 worden deze mitigerende maatregelen nader toegelicht. Zo wordt het perceel, dat ligt tegen de aan de westzijde van het perceel van [appellant sub 8] geplaatste beschoeiing, opgehoogd, zodat ter plaatse van de woning, de schuur en de tuin wordt voldaan aan de gestelde ontwateringscriteria. Waar het niet mogelijk is om het perceel op te hogen, namelijk bij één drempel van de schuur, wordt voorgesteld om vanaf dat punt drainage aan te leggen. De drainage loopt vervolgens rondom de woning en langs de schuur. Gelet hierop, bestaat er geen grond voor het oordeel dat de gevolgen van de grondwaterpeilstijging voor de schuur ten onrechte niet zijn meegenomen. 39.
- Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 8] dat het algemeen bestuur de energie- en onderhoudskosten voor de eerste pomp voor onbepaalde tijd op zich had moeten nemen, overweegt de Afdeling als volgt. Omdat het algemeen bestuur er bij het berekenen van