← Nederland

ECLI:NL:RVS:2022:973

202201630/2/V

  1. Datum uitspraak: 31 maart 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 16 februari 2022 in zaak nr. NL21.13245 in het geding tussen: [vreemdeling A], [vreemdeling B], [vreemdeling C] en [vreemdeling D] (de vreemdelingen) en [referent] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 30 juli 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag voor de vreemdelingen om hen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 21 juli 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door [referent] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 16 februari 2022 heeft de rechtbank het daartegen door [referent] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Referent heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen
  2. De staatssecretaris verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
  3. Gelet op de belangen die de staatssecretaris en [referent] naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening. De uitspraak van de rechtbank strekt er niet toe dat de staatssecretaris de gevraagde machtiging tot voorlopig verblijf moet verlenen. Uitvoering van de uitspraak heeft daarom geen gevolgen die moeilijk ongedaan kunnen worden gemaakt. De voorzieningenrechter vindt verder van belang dat uitvoering van de uitspraak van de staatssecretaris geen onevenredige inspanning vergt.
  4. Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. wijst het verzoek af; II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij [referent] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 759,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier. De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. w.g. Annen griffier Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2022 765

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.