202300470/1/V
- Datum uitspraak: 20 maart 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 13 januari 2023 in zaak nr. NL22.26149 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 16 november 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 13 januari 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en schadevergoeding toegekend. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W.P.R. Peeters, advocaat te Rijsbergen, hoger beroep ingesteld. Overwegingen
- De vreemdeling heeft op 27 september 2022 bij aankomst in Nederland aan de grens een asielaanvraag ingediend. Op dezelfde dag heeft de staatssecretaris de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw
- Op 16 november 2022 heeft de staatssecretaris die maatregel opgeheven, omdat het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag ongegrond is verklaard bij uitspraak van 15 november
- Op 16 november 2022 is een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw
- In grief 2 klaagt de vreemdeling dat met de uitspraak van 15 november 2022 geen definitieve beslissing op de asielaanvraag is genomen, omdat in het dictum niet is vermeld dat het beroep ongegrond is. De rechtbank heeft dit volgens de vreemdeling miskend door te overwegen dat in die uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening wel definitief en afwijzend is beslist en dat hij daarom na die datum niet meer als verzoeker als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b, van de Opvangrichtlijn, kon worden aangemerkt.
- Daargelaten de vraag of de rechtbank terecht heeft overwogen dat de vreemdeling nadat definitief en afwijzend is beslist op het verzoek om een voorlopige voorziening niet meer als verzoeker kon worden aangemerkt, kan de grief niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft weliswaar in haar uitspraak van 15 november 2022 in het dictum niet vermeld dat het beroep ongegrond is, maar uit de overwegingen in de uitspraak volgt uitdrukkelijk dat het beroep ongegrond is. Met de rectificatie op 21 november 2021, waarbij in het dictum alsnog is vermeld dat de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, is slechts een kennelijke onjuistheid hersteld. De beslissing die de rechtbank blijkens de overwegingen heeft genomen, is inhoudelijk niet gewijzigd. Er is met de rectificatie geen nieuwe uitspraak gedaan.
- Wat de vreemdeling in de overige grieven heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
- Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier. w.g. Sevenster voorzitter w.g. Schipper griffier Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2023 872
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.