(2009)". De raad is uitgegaan van het omgevingstype "rustige woonwijk". Dan geeft de VNG-brochure voor bedrijven in milieucategorie 2 een richtafstand van 30 m tot woningen. Bij die afstand wordt aangenomen dat geen onaanvaardbare hinder van de bedrijfsactiviteiten in de vorm van geluid, geur, stof of gevaar is te verwachten, zodat in zoverre een goed woon- en leefklimaat bij de woningen gewaarborgd. De kortste afstand tussen de bedrijfspercelen van [verzoeker] en anderen en de mogelijk gemaakte woningen aan de overkant van De Tuinen is ongeveer 25 m, dus minder dan de richtafstand van 30 m. De raad heeft in paragraaf 4.4 van de plantoelichting gemotiveerd waarom hij deze kortere afstand in dit geval toch aanvaardbaar vindt. Kort weergegeven heeft hij daar een aantal redenen voor gegeven: - De eerste meters van de bedrijfspercelen langs De Tuinen worden gebruikt voor parkeren bij de bedrijven. Er vinden hier geen of weinig bedrijfsactiviteiten plaats. Daarom kan worden uitgegaan van een iets grotere daadwerkelijke afstand tussen de woningen en de bedrijfsactiviteiten. - Tussen de loodsen en de woningen is een brede groenstrook en parkeerstrook voorzien, waardoor de loodsen aan het zicht worden onttrokken. Er zal vanuit de woningen geen direct zicht op de loodsen zijn. Ook de tuinen bij de woningen liggen op een afstand van zo'n 25 m. - De bedrijfsactiviteiten, verkeersbewegingen en het geluid van laden en lossen zijn niet zodanig, dat geen goed woon- en leefklimaat in de woningen kan worden bereikt. Het bedrijfsterrein is ook niet geschikt voor bedrijfsactiviteiten met grotere negatieve effecten. De raad heeft hierbij ook opgemerkt dat de bedrijven door de woningen niet extra zullen worden belemmerd in hun ontwikkeling, want onder het voorgaande bestemmingsplan was al bouw voor een milieugevoelige functie toegestaan op nog kortere afstand van de bedrijven. In het verweerschrift heeft de raad hier nog aan toegevoegd dat de bestaande bedrijfsgebouwen tot op grens van het bouwvlak langs De Tuinen liggen, en dus niet zullen kunnen uitbreiden in de richting van de woningen. 5.
- De voorzieningenrechter overweegt dat richtafstanden uit de VNG-brochure niet hard zijn. De raad heeft de ruimte om van de richtafstand af te wijken, zolang een goed woon- en leefklimaat bij de woningen maar gewaarborgd is. De raad moet dan wel motiveren waarom dat volgens hem zo is. Dat heeft de raad ook gedaan. De voorzieningenrechter ziet op voorhand geen reden waarom deze motivering in de bodemprocedure geen stand zal houden. De raad hoefde geen rekening te houden met uitbreidingsplannen van [verzoeker] en anderen, omdat het bestemmingsplan dat op hun percelen van toepassing is geen uitbreiding in de richting van de woningen toestaat. Voor zover [verzoeker] en anderen doelen op uitbreidingsplannen waarvoor dat bestemmingsplan moet worden gewijzigd, had de raad daar alleen rekening mee hoeven te houden als die uitbreidingsplannen concreet waren en bij de raad bekend waren. Dat was hier niet het geval. Toen de raad het bestemmingsplan voor de nieuwe woningen vaststelde, hadden [verzoeker] en anderen juist nog andere plannen, namelijk om het bedrijventerrein te herontwikkelen om ook daar woningbouw te realiseren. De voorzieningenrechter verwacht dan ook niet dat het beroep op dit punt in de bodemprocedure zal slagen. Parkeerplaatsen
- [verzoeker] en anderen betogen dat de raad de parkeerplaatsen langs De Tuinen niet had mogen toestaan. De weg wordt al gebruikt voor laad- en losactiviteiten bij de bedrijven, waarbij de vrachtwagens ook achteruit rijden. Nu is dat nog geen probleem, maar als er parkeerplaatsen komen, zullen die tijdens het laden en lossen worden geblokkeerd en neemt het verkeer op deze weg toe, wat verkeersonveilige situaties kan opleveren. Bovendien kunnen er gevaarlijke situaties ontstaan als spelende kinderen vanuit het woongebied de weg op komen. [verzoeker] en anderen stellen daarom voor de parkeerplaatsen alsnog te verplaatsen naar een gebied ten oosten van de woningen. 6.
- De voorzieningenrechter stelt voorop dat De Tuinen een openbare weg is. Het is [verzoeker] en anderen weliswaar niet verboden om de openbare weg te gebruiken voor laad- en losactiviteiten, maar dat betekent niet dat zij daar het recht aan kunnen ontlenen dat de weg niet ook door andere gebruikers en voor andere doeleinden mag worden gebruikt. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter hoefde de raad hier dan ook niet naar oplossingen te zoeken om andere gebruikers van de weg zoveel mogelijk te weren. Het is aan degene die op de openbare weg laadt en lost om rekening te houden met andere gebruikers, waarbij [verzoeker] en anderen op de zitting overigens nog hebben toegelicht dat er de ene dag drie vrachtwagens laden en lossen en de andere dag niet een, en die laad- en losactiviteiten per keer circa een half uur duren. Dat de doodlopende weg kan worden gebruikt door spelende kinderen is evenmin reden om tot een andere uitkomst te komen. Als gebruikers van de openbare weg zijn vrachtwagenchauffeurs die naar of van de loodsen van [verzoeker] en anderen rijden gehouden om zorgvuldig op te treden, met aandacht en zorg voor alle andere gebruikers. Ook op dit punt verwacht de voorzieningenrechter dan ook niet dat het beroep in de bodemprocedure zal slagen. Conclusie
- De voorzieningenrechter heeft in de beroepsgronden geen redenen gevonden voor gerede twijfel of het bestemmingsplan in de bodemprocedure in stand zal kunnen blijven. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Dat betekent dat het bestemmingsplan nu in werking treedt.
- De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier. w.g. Knol voorzieningenrechter w.g. Witsen griffier Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2023 727