(1)ton per jaar kaliumnitriet en thio-ureum in de handel gebracht. Indien wel sprake zou zijn van een registratieverplichting betoogt Gentrochema dat de staatssecretaris in strijd heeft gehandeld met artikel 5:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Op grond van deze bepaling is het immers niet toegelaten om (gelijktijdig) twee herstelsancties op te leggen voor dezelfde overtreding, aldus Gentrochema. 5.
- Volgens de staatssecretaris is de registratieverplichting voor kaliumnitriet op grond van artikel 6, eerste lid, van de REACH -verordening ontstaan doordat Gentrochema (in ieder geval) op 15 januari 2016 één ton kaliumnitriet heeft ingevoerd. De registratieverplichting voor thio-ureum is ontstaan omdat Gentrochema (in ieder geval) op 27 november 2015 acht ton thio-ureum heeft ingevoerd. Op grond van artikel 23, derde lid, van de REACH-verordening kon Gentrochema deze registratieverplichting uitstellen tot en met 31 mei
- De invoer over de periode 2019-2022 is volgens de staatsecretaris niet van belang voor de bestreden besluiten. Ook het subsidiaire betoog van Gentrochema slaagt volgens de staatssecretaris niet. De grondslag voor de bij besluit van 17 juni 2022 opgelegde lasten is overtreding van artikel 5 van de REACH-verordening. Aan de besluiten van 7 februari 2023 is ten grondslag gelegd overtreding van artikel 6, eerste lid, waaruit volgens de staatssecretaris een (zelfstandige) verplichting tot registratie voortvloeit vanwege de invoer die is verricht in de periode dat Gentrochema beroep kon doen op de overgangsregeling. Het besluit van 17 juni 2022 en de besluiten van 7 februari 2023 zien dus niet op dezelfde overtreding, aldus de staatssecretaris. 5.
- De voorzieningenrechter overweegt dat de vraag of de door Gentrochema verrichte invoer in de periode vóór 1 juni 2018 - die op zich niet in geschil is - tot gevolg heeft dat voor haar een registratieverplichting bestaat voor de stoffen kaliumnitriet en thio-ureum zich niet leent voor een gemotiveerde beantwoording in deze procedure om het treffen van een voorlopige voorziening. Het hiervoor weergegeven betoog van Gentrochema werpt daarnaast de vraag op naar de verhouding tussen artikel 5 en artikel 6, eerste lid, van de REACH-verordening. Ook die vraag leent zich niet voor een gemotiveerde beantwoording in deze procedure. Het standpunt van de staatssecretaris dat de invoer van de twee stoffen in 2015 en 2016 een (zelfstandige) registratieverplichting heeft doen ontstaan, komt de voorzieningenrechter echter niet op voorhand onhoudbaar over. Indien dit standpunt van de staatssecretaris standhoudt in de bodemprocedure, dan zal geen sprake zijn van schending van artikel 5:6 van de Awb. De besluiten van 7 februari 2023 zien dan immers op een andere overtreding dan het besluit van 17 juni
- In de betogen is daarom niet op voorhand reden gelegen tot het schorsen van de bestreden besluiten. 5.
- De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om op grond van een belangenafweging op het verzoek te beslissen. De staatssecretaris heeft toegelicht dat de last om de stoffen te registreren strekt tot de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu. Omdat deze stoffen zijn ingevoerd in de EU, is het van belang dat de in artikel 10 en 12 van de REACH-verordening opgesomde gegevens alsnog worden verstrekt, dat wil zeggen opgenomen in de databank. Dit belang weegt volgens de staatssecretaris zwaarder dan het financiële belang van Gentrochema om de lasten over de registratieverplichting te schorsen in afwachting van de uitspraak van de Afdeling in de bodemprocedure. De voorzieningenrechter is het hiermee eens. De kosten voor het verrichten van de gelaste registraties bedragen volgens partijen ongeveer € 35.000 (kaliumnitriet) en € 40.000 (thio-ureum). Hoewel dit geen geringe bedragen zijn, heeft Gentrochema niet aannemelijk gemaakt dat zij in ernstige financiële problemen komt indien zij de registraties moet verrichten voordat uitspraak is gedaan op haar beroepen in de bodemprocedure. Als de besluiten door de Afdeling worden vernietigd, dan heeft Gentrochema in beginsel een grondslag om de schade die zij heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van de staatssecretaris te verhalen op de Staat. Conclusie
- De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Proceskosten
- De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst de verzoeken af. Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D. Milosavljević, griffier. w.g. Uylenburg voorzieningenrechter w.g. Milosavljević griffier Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2023 739