(6)van de aanvullende of vervangende toets en het oorspronkelijke cijfer van de andere deeltoets(en). Is de aanvullende of vervangende toets ‘onvoldoende’, dan blijft het oorspronkelijke eindcijfer onveranderd." 4.
- In de Handleiding staat over de reparatiemogelijkheid het volgende: "Wanneer het eindcijfer een 4,0 of hoger is, maar toch onvoldoende (lager dan een 5,5), mag één onvoldoende deeltoets gerepareerd worden. Voor de reparatietoets kan maximaal het cijfer zes gehaald worden. De gerepareerde deeltoets treedt, indien deze ‘voldoende’ is, in de plaats van het oorspronkelijke cijfer en vormt samen met de andere deeltoets het eindcijfer." 4.
- De Afdeling is van oordeel dat artikel 5.
- van de OER voldoende duidelijk is. Uit dit artikel volgt - gelet op het cijfer 6 dat tussen de haakjes is opgenomen - dat het cijfer van de aanvullende of vervangende toets maximaal een 6 kan bedragen. Dit staat ook - in net nog wat duidelijker bewoordingen - in de Handleiding. Deze uitleg van de OER past verder binnen het door het college toegelichte Utrechtse onderwijsmodel waarbij toetsing een integraal onderdeel vormt van een cursus. Studenten moeten een cursus binnen tien weken afronden. Toetsing vindt ook binnen de termijn van die tien weken plaats. Als een student zich inschrijft voor een vak, dan schrijft hij zich ook in voor de toetsing. Studenten die actief hebben deelgenomen aan het (kleinschalige) onderwijs en dat ook steeds goed hebben voorbereid, worden eenmaal in de gelegenheid gesteld een onverhoopt onvoldoende eindresultaat te repareren tot een zes. Die reparatietoets kan, zoals het college op de zitting heeft toegelicht, een andere, kortere toets zijn dan de oorspronkelijke eindtoets. Het betoog slaagt niet. Botst artikel 5.5 van de OER met artikel 5.3 van de OER?
- [appellante] betoogt verder dat de handelwijze om een reparatietoets met een lager cijfer te belonen dan met het cijfer dat feitelijk werd behaald, niet in overeenstemming is met artikel 5.3 van de OER. Uit artikel 5.3, eerste lid, van de OER volgt immers dat cijfers worden gegeven op een schaal van 1 tot en met
- 5.
- Artikel 5.3, eerste lid, van de OER luidt: "
- Cijfers worden gegeven op een schaal van 1 tot en met 10." 5.
- De Afdeling volgt het standpunt van het college dat artikel 5.3, eerste lid, van de OER betrekking heeft op reguliere toetsen en dat artikel 5.5, zesde lid, van de OER ziet op reparatietoetsen. Artikel 5.5 is daarmee dus een uitzondering op artikel 5.3 van de OER. Het betoog slaagt niet. Is sprake van onevenredigheid of willekeur?
- [appellante] betoogt verder dat het niet eerlijk is dat zij geen (volledige) herkansing heeft gehad. Zij wijst hierbij onder meer op haar belang bij een hoger cijfer voor een studie in het buitenland. Ook werkt de normering zoals die is opgenomen in de reparatieregeling volgens haar willekeur in de hand. Dit blijkt volgens [appellante] uit de beoordeling van een eerdere herkansingsopdracht waarbij het cijfer werd verlaagd naar het cijfer 6,
- 6.
- De Afdeling is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de reparatiemogelijkheid niet wordt aangeboden om een hoger cijfer te halen, maar wel om het vak strafprocesrecht alsnog te kunnen behalen. De Afdeling begrijpt dat [appellante] graag een hoger cijfer had gehad, maar in wat zij naar voren heeft gebracht is geen grond gelegen voor het oordeel dat toepassing van de reparatieregeling onevenredige gevolgen voor haar heeft. Daarbij weegt mee dat zij, zoals op zitting door het college is toegelicht, de mogelijkheid heeft om de cursus opnieuw te volgen om tot een hoger cijfer te komen. Voor zover [appellante] betoogt dat sprake is van willekeur, omdat zij voor een andere reparatietoets wel het cijfer 6,5 heeft kunnen behalen, oordeelt de Afdeling dat van willekeur geen sprake is. Immers, het college heeft uitgelegd dat dit een geheel andere kwestie betrof die niets met de reparatieregeling te maken had. Door een administratieve fout was in eerste instantie een verkeerd cijfer toegekend. Hiervoor is aan [appellante] excuses aangeboden waarna zij het beroep met betrekking tot die kwestie heeft ingetrokken. Het betoog slaagt niet. Conclusie
- Het beroep is ongegrond.
- Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier. w.g. Scholten-Hinloopen voorzitter w.g. Van Dokkum griffier Uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2023 480