(2007)’ (hierna: de visie van 2007). Daar staat onder andere dat de belangrijke entrees een eerste indruk van Laarbeek geven en daarmee deels het visitekaartje van de gemeente bepalen. Ze verdienen daarom meer stedenbouwkundige aandacht. 13.
- De Afdeling stelt voorop dat de raad tijdens de zitting bij de Afdeling heeft erkend dat de regeling over de maatvoeringsaanduidingen ten onrechte niet is hersteld bij het besluit van 9 september
- De wijziging van artikel 4.2.1, onder d, van de planregels is abusievelijk niet verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat bij dat besluit is vastgesteld. Dit betekent dat het besluit van 9 september 2021 en het plan, in onderlinge samenhang bezien, in strijd zijn met de rechtszekerheid. 13.
- Over de bouwhoogte overweegt de Afdeling dat het de bedoeling van de raad is om een appartementencomplex te laten realiseren met een pandsgewijze vorm met aflopende bouwhoogtes. Door de raad is tijdens de zitting toegelicht dat de beoogde vorm ervoor zorgt dat de bebouwing stedenbouwkundig aanvaardbaar is. Maar omdat op grond van het plan een maximale bouwhoogte van 17,5 m geldt voor het bouwvlak, met uitzondering van het zuidoostelijke deel, is de pandsgewijze vorm met aflopende bouwhoogtes niet geborgd met het plan. De stelling van de raad dat deze vorm geborgd is met het maximale aantal woningen, het oppervlak van het bouwvlak en het strenge welstandsbeleid, volgt de Afdeling niet, omdat het op grond van het plan nog steeds mogelijk is om het gehele appartementencomplex te realiseren met een bouwhoogte van 17,5 m. Verder overweegt de Afdeling dat [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen terecht aanvoeren dat de locatie in de Structuurvisie niet is aangewezen als een locatie waar entreeverbetering moet plaatsvinden. De omstandigheid dat de locatie wél voor entreeverbetering was aangewezen in de visie van 2007, maakt dat niet anders. Bij het opstellen van de Structuurvisie is er namelijk voor gekozen om die locatie, in afwijking van de visie van 2007, niet langer aan te wijzen voor entreeverbetering. De raad heeft zich daarom niet redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat de locatie stedenbouwkundig gemarkeerd moet worden, omdat die in de Structuurvisie is aangewezen als een entree. Het betoog slaagt. Lichtreflectie en privacy
- [appellant sub 2] vreest hinder vanwege reflecties van zonlicht op het gebouw en een afbreuk van zijn privacy vanwege inkijk. Omdat volgens [appellant sub 2] in de planregels geen regeling is opgenomen voor het maximum aantal toegestane bouwlagen, is de gemaakte afweging van de raad over de aantasting van de privacy voor omwonenden ontoereikend. De raad gaat uit van twee tot drie bouwlagen met kap, terwijl het ook om vijf bouwlagen kan gaan. 14.
- De raad meent dat er van een onaanvaardbare afbreuk van privacy geen sprake is. De afstand tussen het bouwvlak van het appartementengebouw en de woning van [appellant sub 2] is 49 m en de maximale goothoogte is 15 m. Op die hoogte begint de kap. Om het appartementengebouw te laten aansluiten op de bebouwing aan de Monseigneur Verhagenstraat is het appartementengebouw aan de zijde van de Monseigneur Verhagenstraat nog maar maximaal drie bouwlagen hoog. Verder zijn de hogere delen van het appartementengebouw gedraaid en daarmee georiënteerd op de Monseigneur Verhagenstraat. Vanuit deze delen is er dan ook geen vrij uitzicht in de vorm van ramen of balkons op de tuinen van de bestaande woningen aan de Monseigneur Verhagenstraat. Alleen het oostelijk deel met maximaal drie bouwlagen en kap is georiënteerd naar het oosten. De raad is van mening dat de privacy en het uitzicht van omwonenden in deze stedelijke omgeving niet onaanvaardbaar zullen worden aangetast. Vanwege de afstand van 49 m acht de raad het niet aannemelijk dat reflectie van licht op het gebouw zal leiden tot onaanvaardbare hinder. Verder meent dat de raad, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2095, dat de gevelbekleding een uitvoeringsaspect is. 14.
- Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat het plan zal leiden tot hinder vanwege de reflectie van zonlicht op het appartementengebouw. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het bouwvlak van het appartementengebouw op een afstand van 49 m ligt van de woning van [appellant sub 2] en dat er bebouwing, te weten de woning op het perceel aan de Monseigneur Verhagenstraat 8, aanwezig is tussen het appartementengebouw en de woning van [appellant sub 2]. De Afdeling ziet, gelet op de afstand tussen de woning van [appellant sub 2] en het appartementengebouw en de omstandigheid dat er sprake is van een stedelijke omgeving, ook geen aanleiding voor het oordeel dat het plan zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van de privacy. Het betoog slaagt niet. Alternatieven
- [appellant sub 1] en anderen menen dat een onderzoek naar een andere indeling van het plangebied met minder belasting voor de omgeving gewenst is. Volgens hen had nader onderzocht moeten worden of de woonbestemming ter plaatse van Tuinstraat 2a kon worden gehandhaafd en of onder de appartementen parkeerruimte mogelijk had kunnen worden gemaakt. 15.
- De raad heeft in het verweerschrift toegelicht dat er onderzoek is gedaan naar de mogelijkheid om ondergronds te parkeren. Daaruit is gebleken dat dit financieel niet haalbaar is. Er is toen overgegaan tot het verwerven van Tuinstraat 2a om op dat perceel een parkeerplaats op maaiveldniveau te realiseren. De kavel is in 1991 als inbreidingslocatie ontstaan, waarbij het toegankelijk werd gemaakt door middel van een inrit tussen de woningen aan de Monseigneur Verhagenstraat en de Tuinstraat
- Met het verwerven van het perceel is het mogelijk om de verkeersstroom van het parkeerterrein te verdelen en niet op één punt terug op de Monseigneur Verhagenstraat te laten rijden. De verdeling is wenselijk vanwege de doorstroming op de Monseigneur Verhagenstraat. Er is ook overwogen om het verkeer via de Bosscheweg te ontsluiten, maar vanwege de aanwezigheid van de Donkse brug en de kruising van de Monseigneur Verhagenstraat en de Bosscheweg en de hogere verkeersintensiteit op de Bosscheweg is dit alternatief volgens de raad onwenselijk. Tijdens de zitting heeft de raad ook toegelicht dat er gekeken is naar de mogelijkheid om het verkeer te ontsluiten op de Bosscheweg door middel van een uitrit naast de zorgwoningen aan de Bosscheweg 6A tot en met 6D. Deze mogelijkheid is ook met de zorgverlener, ORO, besproken. Volgens de zorgverlener is een uitrit naast de zorgwoningen echter niet wenselijk, omdat het gebruik van de uitrit zal leiden tot veel prikkels voor de bewoners van de zorgwoningen. Daarnaast is ook onderzocht of het mogelijk was om het nutsgebouw aan de Bosscheweg 8 te verplaatsen, zodat er achter het beoogde appartementencomplex een uitrit gerealiseerd kon worden. Dit bleek echter geen reëel alternatief te zijn vanwege het grote aantal werkzaamheden dat benodigd is voor de verplaatsing van het nutsgebouw. 15.
- Gelet op de toelichting van de raad, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar een alternatieve mogelijkheid voor het parkeren en de ontsluiting van het parkeerterrein. Het betoog slaagt niet. Bodem
- [appellant sub 2] betoogt dat het plan in strijd is met artikel 3.1.1a van het Bro, omdat het bodemonderzoek dat ten grondslag ligt aan het plan ouder is dan twee jaar. Daarnaast voert hij aan dat het advies om een nader onderzoek uit te voeren ten onrechte niet is opgevolgd. Bovendien is in het plan niet gewaarborgd dat de bodem gesaneerd zal worden. 16.
- De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het bodemonderzoek en het nadere bodemonderzoek van SGS Search van 13 april 2018 en 16 mei 2018 nog steeds actueel zijn, omdat de situatie ongewijzigd is gebleven sinds die onderzoeken zijn uitgevoerd. Weliswaar blijkt uit de onderzoeken dat de bodemkwaliteit nog niet voldoet voor de functie wonen, maar volgens de raad zullen er tijdens de sloopwerkzaamheden nadere bodemonderzoeken worden uitgevoerd. De omstandigheid dat de bodemkwaliteit in de bestaande situatie nog niet voldoet voor de functie wonen garandeert bovendien dat de benodigde sanering zal worden uitgevoerd, zo stelt de raad. 16.
- De Afdeling stelt voorop dat de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde plaatsen en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Die procedures staan nu niet ter beoordeling. In het licht daarvan hoeven de besluiten geen gedetailleerd inzicht te bieden in de verontreinigingen als door [appellant sub 2] bedoeld. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet mocht vaststellen, als hij op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat de aanwezige bodemverontreinigingen aan de uitvoerbaarheid van de plannen in de weg staan. 16.
- Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 15 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:437, staat artikel 3.1.1a van het Bro er niet aan in de weg dat onderzoeksgegevens ouder dan twee jaar aan het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan ten grondslag worden gelegd. [appellant sub 2] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan betwijfeld zou moeten worden dat de door hem genoemde onderzoeken zo zijn verouderd of achterhaald of dat na de totstandkoming van de onderzoeken zich zulke ontwikkelingen hebben plaatsgevonden, dat moet worden getwijfeld aan de representativiteit van deze onderzoeken voor de voorziene ontwikkeling en de raad deze onderzoeken dus niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. De Afdeling overweegt dat de raad heeft toegelicht dat de bodemonderzoeken nog actueel zijn, omdat de situatie sinds de onderzoeken ongewijzigd is gebleven. Omdat [appellant sub 2] niet heeft geconcretiseerd waarom deze onderzoeken niet aan het plan ten grondslag mochten worden gelegd, kan het betoog niet leiden tot het oordeel dat het plan onzorgvuldig is voorbereid. Verder is de Afdeling niet gebleken dat de verontreinigingen in de weg staan aan de uitvoerbaarheid van het plan. Het betoog slaagt niet. Beroep tegen het besluit van 18 maart 2021
- Uit het voorgaande volgt dat het besluit van 9 september 2021 geen stand houdt. Dit betekent dat het besluit van 18 maart 2021 herleeft, tenzij dat besluit ook wordt vernietigd. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben daarom nog belang bij een beoordeling van hun beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 18 maart
- 17.
- De Afdeling stelt vast dat de gebreken die onder 6.3, 7.6, 8.3, 10.2 en 13.3 zijn geconstateerd, ook kleven aan het besluit van 18 maart
- De Afdeling ziet daarom grond voor het oordeel dat ook dat besluit moet worden vernietigd, op dezelfde gronden als het besluit van 9 september
- Conclusie
- Gelet op wat hiervoor onder 6.3, 7.6, 8.3, 10.2, 13.3 en 17.1 is overwogen, zijn de beroepen tegen het besluit van 9 september 2021 en 18 maart 2021 gegrond. Gelet op de verscheidenheid aan gebreken en de aard van die gebreken, ziet de Afdeling aanleiding om die besluiten geheel te vernietigen.
- Uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl. Proceskosten
- De raad hoeft de proceskosten van [appellant sub 1] en anderen niet te vergoeden. De raad moet de proceskosten van [appellant sub 2] vergoeden. De verletkosten van [appellant sub 2A] worden vastgesteld op 6 uur. Het uurtarief wordt, gelet op de door hem overgelegde gegevens, vastgesteld op € 19,
- De verletkosten van [appellant sub 2] komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat hij geen partij is bij deze procedure. Voor zover [appellant sub 2] verzoekt om de vergoeding van de kosten van het inschakelen van een deskundige, overweegt de Afdeling als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld haar uitspraak van 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:380) komen de kosten van een deskundige op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en ook de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. In dit geval heeft [appellant sub 2] kosten gemaakt voor het laten opstellen van memo’s door RHO adviseurs. Deze memo’s zijn in opdracht van [appellant sub 2] opgesteld ten behoeve van zijn beroepsgronden over het parkeren en het geluid. Omdat deze beroepsgronden slagen en leiden tot een gegrondverklaring van zijn beroep, zijn het inroepen van de deskundige en de gemaakte kosten redelijk. Dit betekent dat de raad de kosten moet vergoeden. De kosten zelf die door [appellant sub 2] in dit verband zijn opgevoerd, acht de Afdeling ook redelijk. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Laarbeek van 9 september 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Mgr. Verhagenstraat ongenummerd" gegrond; II. vernietigt het besluit van de raad van 9 september 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Mgr. Verhagenstraat ongenummerd"; III. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Laarbeek van 18 maart 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Mgr. Verhagenstraat ongenummerd" gegrond; IV. vernietigt het besluit van de raad van 18 maart 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Mgr. Verhagenstraat ongenummerd"; V. draagt de raad van de gemeente Laarbeek op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen II en IV worden verwerkt op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl; VI. veroordeelt de raad van de gemeente Laarbeek tot vergoeding van bij [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 7.628,18, waarvan € 2.511,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en € 5.000,00 kosten van deskundigen betreft, te verhogen met de daarover verschuldigde omzetbelasting, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; VII. gelast dat de raad van de gemeente Laarbeek aan [appellant sub 1] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 181,00 vergoedt, waarbij geldt dat betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; VIII. gelast dat de raad van de gemeente Laarbeek aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 181,00 vergoedt, waarbij geldt dat betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzitter, en mr. P.H.A. Knol en mr. J. Gundelach, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.L. van der Heijden, griffier. w.g. Meijer voorzitter w.g. Van der Heijden griffier Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2023 884