202205400/1/V1 en 202205400/3/V
- Datum uitspraak: 3 maart 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 augustus 2022 in zaak nr. 21/6806 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 2 september 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld. Bij besluit van 26 oktober 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 15 augustus 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 14 februari 2023 heeft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel de voorlopige voorziening getroffen dat uitzetting van de vreemdeling achterwege blijft tot de voorzieningenrechter van de Afdeling inhoudelijk op zijn verzoek heeft beslist. Overwegingen
- Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 1.
- De vreemdeling komt namelijk tevergeefs op tegen het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris zijn aanvraag buiten behandeling mocht stellen. De rechtbank heeft, anders dan de vreemdeling aanvoert, terecht geoordeeld dat de door hem in de aanvraagfase overgelegde stukken geen antwoord geven op de vragen van het BMA uit de ‘Bijlage toelichting en bewijsmiddelen medische omstandigheden’, terwijl die antwoorden wel nodig waren voor de beoordeling van zijn aanvraag. Ook voert hij niet aan waarom hij deze antwoorden niet kon geven.
- Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom voor het overige afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. wijst het verzoek voor het overige af. Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Jongeneel, griffier. w.g. Van Gastel voorzieningenrechter w.g. Jongeneel griffier Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2023 958
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.