(2018)" (hierna: het Afwegingskader). Uit het Afwegingskader volgt dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het oprichten van een antenne moet motiveren waarom de antenne-installatie op deze plek noodzakelijk is en waarom het niet op een andere plek in de omgeving beter kan. Uitgangspunt volgens het Afwegingskader is om zorgvuldig om te gaan met nieuwe antenne-installaties, gezien het belang van het antenne netwerk en uit oogpunt van goede ruimtelijke inpassing en maatschappelijke bezorgdheid. De Afdeling volgt [appellant] en anderen niet in het standpunt dat het college ten onrechte geen onderzoek heeft laten uitvoeren door een onafhankelijke deskundige. Het college is hier wettelijk niet toe gehouden. Verder mag en moet het college acht slaan op door de vergunninghouder ingediende stukken en er op toezien dat daarin voldoende informatie staat om de aanvraag te kunnen beoordelen. Wat betreft de noodzaak voor een nieuwe antenne-installatie, staat in het Afwegingskader dat mobiel communiceren van groot maatschappelijk en economisch belang is. Daardoor is er vraag van operators van mobiele netwerken naar plaatsingsmogelijkheden voor antenne-installaties. Om ruimtelijk-visueel storende plaatsing van antennes zoveel mogelijk te voorkomen, moet de operator onderbouwen dat een nieuw opstelpunt voor de antenne-installatie noodzakelijk is om een kwalitatief netwerk met voldoende dekking en/of capaciteit te waarborgen. Ter beoordeling legt de operator materiaal voor dat een volledig beeld geeft van de beoogde installatie in de omgeving. In het advies van de bezwaarschriftencommissie, dat onderdeel uitmaakt van het besluit 16 november 2020, wordt verwezen naar het door T-Mobile in de bezwaarfase ingediende rapport "Onderbouwing T-Mobile locatie 33137 (vervanging opstelpunt Schoorsteen, Zonnebloemstraat)" (hierna: het rapport van T-Mobile). In het rapport van T-Mobile is uiteengezet dat een netwerk meerdere opstelpunten bevat en voor een goede werking zo efficiënt mogelijk gebruik moet worden gemaakt van de beschikbare frequentieruimte. Redenen voor het bouwen van opstelpunten zijn de dekking, capaciteit en interferentie. T-Mobile tracht een netwerk te bouwen zonder dekkingsgaten. Dat zijn gebieden waar geen radiosignaal ontvangen wordt. Interferentie houdt in dat op een bepaalde plaats in een gebied een aantal signalen met dezelfde sterkte bij elkaar komen, waardoor een mobiele telefoon geen keuze kan maken uit signalen of blijft wisselen tussen signalen. Dat probleem kan worden verholpen door in dat gebied een nieuw opstelpunt te plaatsen. In het rapport is de dekking van de omgeving van het perceel weergegeven met en zonder nieuw opstelpunt. Daaruit komt naar voren dat zonder opstelpunt sprake is van een onvoldoende tot slechte dekking die met het opstelpunt aanzienlijk wordt verbeterd. Daarnaast zal de capaciteit verbeteren. Volgens het college is ook van belang dat maatschappelijke diensten, zoals de politie, brandweer en ambulance verkeer, kunnen vertrouwen op voldoende dekking. Gelet op de in het rapport gegeven toelichting heeft de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling terecht overwogen dat het college voldoende heeft onderbouwd dat een zendmast noodzakelijk is om een kwalitatief netwerk met voldoende capaciteit te waarborgen. De rechtbank heeft ook terecht van belang geacht dat de beoogde installatie de vervanging is van de zendmast op de schoorsteen aan de Zonnebloemstraat. Ter zitting heeft het college in dit verband erop gewezen dat het verdwijnen van de deze zendmast weliswaar niet direct leidt tot een verminderde dekking, maar wel tot problemen met betrekking tot de capaciteit. In het door [appellant] en anderen aangevoerde ziet de Afdeling geen concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat het rapport van T-Mobile onjuistheden bevat en het college zich hier niet op heeft mogen baseren. Over de vraag of de antenne-installatie niet op een andere plek in de omgeving kan worden gerealiseerd, staat in het besluit van 10 april 2020 dat volgens het Afwegingskader gebieden in de buurt van hoofdinfrastructuur, industrie, werk- en winkelgebieden en sportterreinen zich beter lenen voor het plaatsen van antenne-installaties. Het plaatsen van antenne-installaties alleen op bedrijventerrein en in kantoorgebieden biedt niet altijd voldoende technische mogelijkheden om woongebieden van een netwerk van voldoende kwaliteit te voorzien. Het plaatsen van antennes in een woonbuurt of in het beschermd dorpsgezicht kan dan nodig zijn. In het besluit van 10 april 2020 staat dat in de omgeving is gezocht naar alternatieven. In het rapport van T-Mobile staat dat bij het zoeken van geschikte locaties in het betreffende zoekgebied rekening is gehouden met de hoogte van het opstelpunt, de relatieve hoogte ten opzichte van overige bebouwing, de positie ten opzichte van het te bedekken gebied, de positie ten opzichte van andere T-Mobile-opstelpunten en privaatrechtelijke medewerking. Geconcludeerd is dat het perceel gelet op die factoren de enige haalbare kandidaat is. Het college heeft voorts toegelicht dat een ander alternatief is om een vrijstaande mast met een hoogte van 25 tot 40 m op gronden in de gemeente te plaatsen, maar dat de voorkeur uitgaat naar bestaande daklocaties. Ter zitting heeft het college verder toegelicht dat het onderzoek naar alternatieven wordt uitgevoerd in het traject voorafgaand aan het indienen van de aanvraag. Hierbij zijn verschillende alternatieve locaties onderzocht, maar deze bleken niet geschikt. In het nadere stuk van 14 november 2022 hebben [appellant] en anderen gewezen op verschillende alternatieve locaties in de omgeving van het perceel, waaronder de appartementencomplexen aan de Benedictinessenhof 2-24 en de Generaal Maczekstraat 29 en de toren aan de Zandberglaan
- Deze locaties zijn volgens T-Mobile niet geschikt. De Benedictinessenhof 2-24 ligt dicht tegen een andere T-Mobile zendinstallatie aan de Steijnlaan, waardoor een nieuwe installatie op die locatie niet bijdraagt aan een beter netwerk. Ten aanzien van de Generaal Maczekstraat 29 is toegelicht dat de VvE van dit complex heeft geweigerd medewerking te verlenen aan het plaatsen van een opstelpunt. Het plaatsen van een antenne-installatie op de toren aan de Zandberglaan 31 is volgens T-Mobile technisch niet geschikt. Het college heeft zich wat betreft de alternatieven geschaard achter het standpunt van T-mobile. Gelet op hetgeen partijen op dit punt naar voren hebben gebracht, is de Afdeling van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de antenne-installatie noodzakelijk is op het perceel en dat er geen betere alternatieve locatie voorhanden is. 4.
- Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat het bouwplan in overeenstemming is met het Afwegingskader. Het betoog faalt. Straling
- [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de gezondheidsrisico's van straling voldoende heeft meegewogen. Zij stellen in dit verband dat het college enkel heeft beoordeeld of wordt voldaan aan blootstellingslimieten. 5.
- In de uitspraak van 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:787, heeft de Afdeling overwogen dat uit onderzoeken naar de effecten van radiofrequente elektromagnetische velden blijkt dat radiofrequente elektromagnetische velden een nadelig gezondheidseffect kunnen hebben. Voor de effecten zijn blootstellingslimieten opgesteld door de International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection (hierna: de ICNIRP), een internationale groep wetenschappers. Deze blootstellingslimieten worden op advies van de Raad van de Europese Unie in Nederland gehanteerd. De ICNIRP toetst met regelmaat of het nodig is om de blootstellingslimieten aan te passen. In het besluit van 16 november 2020 staat onder verwijzing naar het rapport van T-Mobile dat de veldsterkte van elektromagnetische velden in de richting van mensen die direct onder een antenne wonen of werken, tenminste 100 maal lager is dan de ICNIRP-limiet. De ICNIRP-limiet gaat volgens het rapport al uit van een veiligheidsfactor
- Dat wil zeggen dat de toelaatbare waarden 50 maal strenger zijn gesteld dan het niveau waar effecten op de gezondheid zouden kunnen optreden. [appellant] en anderen hebben niet bestreden dat aan de door ICNIRP opgestelde blootstellingslimieten wordt voldaan. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank in het gestelde stralingsgevaar terecht geen aanleiding heeft gevonden voor vernietiging van het bestreden besluit op de grond dat het college dit belang onvoldoende zou hebben meegewogen. Het betoog faalt. Stedenbouwkunde
- [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college het bouwplan stedenbouwkundig heeft afgewogen en het algemeen belang om in de wijk van het perceel voldoende dekking te bieden zwaarder heeft mogen laten wegen dan de belangen van [appellant] en anderen. 6.
- De aanvraag om een omgevingsvergunning wordt overeenkomstig artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 12a van de Woningwet, getoetst aan redelijke eisen van welstand, waarbij de welstandsnota "Veranderde welstand" vastgesteld door de raad van de gemeente Breda op 27 mei 2004 (hierna: de welstandsnota), het toetsingskader is. Het college heeft zich bij de verlening van de omgevingsvergunning ten aanzien van de welstandsnota gebaseerd op het positief advies van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit Welstand van 31 maart
- Voorts heeft het college wat betreft de stedenbouwkundige aanvaardbaarheid van het bouwplan rekening gehouden met het Afwegingskader. Daarbij heeft het college zich gebaseerd op een ambtelijk opgestelde memo van de afdeling Ruimte van de gemeente Breda, die positief op het bouwplan heeft geadviseerd. In het besluit van 10 april 2020 staat ten aanzien van de stedenbouwkundige impact dat de antenne de hoogte nodig heeft voor de werking ervan. Om zicht op de antenne vanaf straatniveau zoveel mogelijk te voorkomen is ervoor gekozen om de antenne op afstand van de dakrand te plaatsen. Het college heeft voorts toegelicht dat een antenne-installatie van 5 m hoog in dit geval vergunningvrij is en dat de afwijking van het bestemmingsplan betrekking heeft op een mast van 7 m. Gelet op het voorgaande, alsmede in aanmerking genomen de beperkte overschrijding van de eisen die in dit geval worden gesteld aan het vergunningvrij oprichten van een antenne-installatie, is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht geen aanleiding heeft gezien voor het oordeel dat het college het belang van [appellant] en anderen zwaarder had moeten laten wegen dan het algemeen belang om ook in deze (karakteristieke) woonwijk voldoende dekking te hebben. Daarbij heeft het college van belang mogen achten dat niet alle appellanten vanuit hun woning rechtstreeks zicht hebben op de antenne-installatie en dat het zicht op die installatie vanuit de woningen in de Minister Nelissenstraat tegenover het perceel (deels) wordt belemmerd door in die straat aanwezig groen en bomen. Het betoog faalt. Nutsvoorzieningen
- [appellant] en anderen betogen tot slot dat de gronden op het perceel zijn bestemd voor "Wonen" en daarbij behorende nutsvoorzieningen. De antenne hoort niet bij het appartementencomplex en kan daarom volgens [appellant] en anderen niet als daarbij behorend worden aangemerkt. 7.
- In het bestemmingsplan is aan de gronden van het perceel de bestemming "Wonen" toegekend. Gronden met deze bestemming zijn onder meer bestemd voor wonen en daarbij behorende nutsvoorzieningen. Artikel 1.75 van de planregels luidt: "[…] Nutsvoorzieningen: voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, openbare sanitaire voorzieningen, telefooncellen, collectieve energievoorzieningen (o.a. warmtepompen) en apparatuur voor telecommunicatie;" 7.
- Gelet op de definitie in het bestemmingsplan voor nutsvoorzieningen, is de Afdeling van oordeel dat de antenne-installatie in dit geval kan worden aangemerkt als een nutsvoorziening. Anders dan [appellant] en anderen betogen, dienen de woorden ‘daarbij behorend’ niet zodanig te worden begrepen dat uitsluitend nutsvoorzieningen zijn toegestaan die exclusief dienen ten behoeve van een (woon)gebouw. Voorzieningen als transformatorhuisjes, gasreduceerstations, bemalingsinstallaties en gemaalgebouwtjes e.d. behoren doorgaans niet bij een enkele woning of woongebouw, maar hebben immers een verderstrekkende functie tot op wijkniveau. Het betoog faalt. Conclusie
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.K. El-Wanni, griffier. w.g. Van Ettekoven lid van de enkelvoudige kamer De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2023 911