(2)", "Externe veiligheid Exclusiva" en "Externe veiligheid Hamerkwartier, Amsterdam" niet blijkt wat de gevolgen waren voor de oriëntatiewaarde vanwege het bestemmingsplan "Exclusiva Hamerkwartier". De twee laatstgenoemde rapporten blijken volgens de STAB bovendien niet gebaseerd te zijn op de toentertijd meest recente inzichten over NHC, vanwege de omvang van het invloedsgebied. Dit geldt volgens de STAB tevens voor het MER, omdat de resultaten van de berekening van het groepsrisico die daarin zijn opgenomen geen gegevens bevatten over de hoogte van de overschrijding van de oriëntatiewaarde vanwege het bestemmingsplan "Exclusiva Hamerkwartier". Gelet hierop beschikte de raad naar het oordeel van de Afdeling ten tijde van de besluitvorming niet over berekeningen met betrekking tot de omvang van de overschrijdingen van de oriëntatiewaarde, en de informatie waar de raad wel over beschikte, was onvolledig of onjuist en daaruit bleek niet wat de gevolgen waren van de bestemmingsplannen "Exclusiva Hamerkwartier" en "Draka Terrein Hamerkwartier" met betrekking tot de oriëntatiewaarde. Dit geldt ook voor het MER. Dit betekent dat de raad het bestreden besluit op het punt van externe veiligheid onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. De raad dient zich in zijn hoedanigheid als bestuurlijk-politiek orgaan op basis van volledige en juiste informatie een oordeel over de aanvaardbaarheid van de externe risico’s en het groepsrisico van de planontwikkeling te vormen. Daarbij komt dat de raad nimmer kenbaar het, overigens evidente, belang van woningbouw heeft afgewogen tegen de ter plaatse verhoogde kans op dodelijke slachtoffers, en evenmin op basis van de juiste gegevens de, eveneens evidente, belangen van Albemarle bij zijn besluitvorming heeft betrokken. Uitgaande van de huidige inzichten over de toxiciteit van de stof NHC, is volgens de STAB aannemelijk dat de voorgenomen toekomstige uitbreiding van het bedrijf Albemarle een belangrijke invloed heeft op het groepsrisico ter plaatse van het plangebied. Namelijk een overschrijdingsfactor van 8,78 (oftewel: 878%) voor het bestemmingsplan "Exclusiva Hamerkwartier" en 8,62 (oftewel: 862%) bij het vorige bestemmingsplan "Hamerstraatgebied". De aangevraagde wijziging van de bedrijfsvoering van Albemarle heeft volgens de STAB in alle beschouwde scenario’s een groot effect op de overschrijding van de oriëntatiewaarde. Mede vanwege de nieuwe inzichten over het toxische karakter van NHC en het ontbreken van een specifieke probitrelatie is er grote onduidelijkheid over de vraag of de aangevraagde en door Albemarle gewenste 90 extra NHC-verladingen vergund zullen worden. Die aanvraag was echter ingediend voordat de raad het bestemmingsplan heeft vastgesteld. De in de aanvraag opgenomen door Albemarle gewenste productieproceswijziging van de HPC-3 fabriek was dus al een concreet initiatief van Albemarle. De gevolgen van niet verlening kunnen zeer nadelig zijn voor Albemarle. De raad heeft het belang van Albemarle bij realisatie van deze productieaanpassing niet meegewogen. Hierbij merkt de Afdeling op dat het niet zo is dat een nog niet gerealiseerde of niet vergunde bedrijfsaanpassing per definitie een gegeven is dat aan planvaststelling in de weg staat. De raad kan, nadat die gewenste bedrijfsaanpassing kenbaar in de belangenafweging is betrokken, andere belangen zwaarder laten wegen. In dit geval heeft de raad echter geen kenbare belangenafweging gemaakt. Weliswaar heeft de STAB vastgesteld dat ook in de huidige situatie op basis van het vorige bestemmingsplan "Hamerstraatgebied", zoals vastgesteld op 26 juni 2013, al sprake was van een overschrijding van de oriëntatiewaarde met een factor van maximaal 2,96 (oftewel: 296%) en dat het bestemmingsplan "Exclusiva Hamerkwartier" daar slechts een marginale invloed op heeft. Daarmee kan volgens de STAB niet worden gesteld dat, uitgaande van het huidige aantal NHC-verladingen van 17, het bestemmingsplan "Exclusiva Hamerkwartier" leidt tot een significante verslechtering van het groepsrisico. Maar de Afdeling stelt vast dat de raad zich nooit, ook niet onder het vorige bestemmingsplan "Hamerstraatgebied", heeft uitgesproken over de aanvaardbaarheid van een overschrijding met een overschrijdingsfactor van 3,00 (oftewel 300%) van de oriëntatiewaarde. Gezien de inhoud van het bestemmingsplan "Hamerstraatgebied", dat voornamelijk voorzag in industrie en bedrijvigheid, is dat weliswaar begrijpelijk, maar door de beoogde transformatie van het Hamerkwartier tot hoog stedelijk gebied verandert de feitelijke situatie aanzienlijk. Het inwonertal van het Hamerkwartier in het algemeen en het plangebied in het bijzonder zal als gevolg van de toekomstplannen van de raad fors toenemen, terwijl de raad niet nadrukkelijk heeft beoordeeld of 300% overschrijding van wat met betrekking tot het groepsrisico als richtinggevend geldt, ook in die situatie aanvaardbaar is. Wat daarover in het bestreden besluit is vermeld, is voor deze situatie veel te beperkt. Voorts is het zo dat wanneer er een specifieke probitrelatie voor NHC door het RIVM wordt vastgesteld, dit een ander licht kan werpen op de toxiciteit van deze stof en daarmee op het groepsrisico. Het voorgaande betekent ook dat de beoordeling van het groepsrisico in het kader van het MER ontoereikend is. De conclusie moet dan ook zijn dat de raad in ieder geval ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan niet over de juiste informatie beschikte om de omvang van (de toename van) het groepsrisico, en de aanvaardbaarheid daarvan, te kunnen beoordelen. Gezien het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad niet heeft voldaan aan de verantwoordingsplicht op grond van artikel 13 van het Bevi. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig voorbereid en het berust niet op een deugdelijke motivering. Dit betekent dat het besluit is vastgesteld in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Het betoog slaagt. Oostbrug 9. Albemarle betoogt dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de verkeersdeelnemers op de Oostbrug. Zij stelt dat het groepsrisico aanvullend zal toenemen door de aanwezigheid van personen op de geprojecteerde Oostbrug. Uit de door Albemarle overgelegde memo van Tauw van 15 april 2022 volgt dat er dagelijks 29.000 gebruikers van de Oostbrug zich ongeveer 75 seconden binnen de PR 10-6 contour zullen bevinden. Hoewel de brug niet als (beperkt) kwetsbaar object kwalificeert in de zin van artikel 1, eerste lid, onder b, van het Bevi, had de raad in de groepsrisicoverantwoording wel rekening moeten houden met de toename van verkeersdeelnemers binnen de risicocontouren van Albemarle. Dit omdat in de nota van toelichting bij het Bevi staat dat het aantal verkeersdeelnemers de omvang van het groepsrisico kan beïnvloeden. Als bij de berekening van het groepsrisico geen rekening wordt gehouden met verkeersdeelnemers, dan kan sprake zijn van een onderschatting van de mogelijke effecten van een ongeval. Volgens de nota van toelichting is het van belang dat het bevoegd gezag met een dergelijke onderschatting rekening houdt bij het nemen van besluiten in het kader van de ruimtelijke ordening en bij de voorbereiding van de rampenbestrijding. Dit heeft de raad ten onrechte niet gedaan, zo stelt Albemarle. 9.1. De raad stelt dat een brug niet als kwetsbaar object kwalificeert in de zin van artikel 1, eerste lid, onder b, van het Bevi. Verder stelt de raad dat het aanleggen van de Oostbrug, losstaat van de ontwikkeling van het Hamerkwartier. Ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan bestond er geen vastgesteld plan voor de aanleg van de Oostbrug. Weliswaar heeft de raad in februari 2022 een voorkeursbesluit genomen waarmee verkenningsgebieden voor verschillende bruggen zijn vastgesteld, maar het is aan de nieuwe raad, gekozen tijdens de gemeenteraadsverkiezingen op 16 maart 2022, om te beslissen waar de exacte aanlanding van de bruggen binnen het verkenningsgebied zal plaatsvinden. Verkeersdeelnemers worden niet betrokken bij de rekenkundige beoordeling van het groepsrisico, zo stelt de raad. 9.2. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de brug niet kan worden gekwalificeerd als kwetsbaar object in de zin van het Bevi. Bovendien is de mogelijke aanlanding van de brug op ruime afstand van het plangebied gelegen. Ook blijkt uit de stukken van het dossier niet dat het totale verkeersaanbod en dus het aantal personen in de omgeving toeneemt door de aanleg van de brug. Gelet hierop heeft de raad de plannen voor deze brug redelijkerwijs niet hoeven betrekken bij de beoordeling van het groepsrisico voor het bestemmingsplan "Exclusiva Hamerkwartier". Het betoog slaagt niet. Handmatig te bedienen mechanische ventilatie 10. Albemarle betoogt dat de handmatig te bedienen mechanische ventilatie als maatregel niet effectief is. In de groepsrisicoverantwoording in het bestemmingsplan wordt in het kader van zelfredzaamheid beschreven dat het mogelijk is dat Albemarle een toxisch invloedgebied heeft dat over het plangebied is gelegen en dat met de ontwikkeling van het plangebied het groepsrisico toeneemt. In de toelichting bij het bestemmingsplan staat in paragraaf 4.11 dat men in het geval van een gifwolk dient te schuilen in een gebouw en de ramen en deuren gesloten dient te houden. Gebouwen kunnen geschikt worden gemaakt als schuillocatie. De geschiktheid als schuillocatie wordt verhoogd wanneer mechanische ventilatie wordt voorzien van een centraal bediende noodschakelaar. Albemarle stelt zich op het standpunt dat uitsluitend de maatregel van een handmatig te bedienen mechanische ventilatie onvoldoende is om een aanvaardbare situatie te waarborgen in geval van een toxisch scenario. Anders dan de raad stelt, biedt deze maatregel volgens Albemarle slechts beperkte bescherming en is deze onvoldoende effectief. Zij wijst hierbij op de responstijd. De hoogste concentratie toxische stoffen bereikt de eerste woningen in zeer korte tijd, waardoor het onaannemelijk is dat de maatregel effectief genoeg is. Daarnaast dient bij de beoordeling of de handmatig te bedienen mechanische ventilatie effectief genoeg is rekening te worden gehouden met de faalkans van het uitschakelen van de ventilatievoorziening, omdat dit een handmatige bediening betreft die in de woningen door de bewoners dient te worden uitgevoerd. Tot slot biedt deze maatregel in het geval van een toxisch scenario alleen bescherming voor mensen die binnen zijn. 10.1. De raad ziet in deze beroepsgrond aanleiding om artikel 3.4, onder c en onder 11, van de planregels aan te passen en verzoekt de Afdeling om zelf in de zaak te voorzien en artikel 3.4, onder c en onder 11, te wijzigen. 10.2. Artikel 3.4 (Voorwaardelijke verplichtingen) van de planregels luidt: "In verband met het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, gelden in aanvulling op artikel 3.2 Bouwregels de volgende bepalingen: […] c. Het is verboden een gebouw als bedoeld in artikel 3.2.2 Gebouwen te bouwen: […] 11. zonder toepassing van handmatig te bedienen mechanische ventilatie in gebouwen in verband met externe veiligheid. […]." 10.3. Omdat de raad door het verzoek aan de Afdeling om zelf in de zaak te voorzien, erkent dat het besluit onzorgvuldig is vastgesteld, slaagt het betoog in zoverre. Het besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Gelet op wat hiervoor onder 8.12 is overwogen, zal de Afdeling het bestreden besluit in zijn geheel vernietigen. De raad kan de eventuele wijziging van artikel 3.4 van de planregels betrekken in een te nemen nieuw besluit. Risicocommunicatie 11. Albemarle betoogt dat risicocommunicatie met bewoners als maatregel ontoereikend is. In de groepsrisicoverantwoording in het bestemmingsplan wordt in het kader van een toxisch scenario genoemd dat gerichte risicocommunicatie met bewoners ertoe kan bijdragen dat alarmering in geval van een calamiteit sneller verloopt. Maar voorlichting aan bewoners is volgens Albemarle in het kader van externe veiligheid een laatste remedie. Dat bewoners kunnen worden voorgelicht, kan volgens haar op zichzelf niet worden beschouwd als een effectieve maatregel bij een toxisch scenario. 11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voorlichting slechts één van de maatregelen is waarmee een veiligere leefomgeving geboden kan worden. De maatregelen vormen het spelregelkader en voorlichten van bewoners moet volgens de raad worden bezien in samenhang met andere spelregels. 11.2. Anders dan Albemarle stelt, is risicocommunicatie niet de enige maatregel die de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan heeft betrokken. In wat Albemarle heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad risicocommunicatie niet als maatregel bij het bestemmingsplan heeft mogen betrekken. Het betoog slaagt niet. Dichthedenbeleid 12. Albemarle betoogt dat de raad in geval van een toxisch scenario als preventieve maatregel een zogenoemd dichthedenbeleid had moeten overwegen nabij de bron, in dit geval het bedrijventerrein van Albemarle. Een dergelijke afweging heeft de raad niet gemaakt. 12.1. De raad stelt dat deze beroepsgrond feitelijk ziet op de eventuele ontwikkeling van dicht bij het bedrijfsterrein van Albemarle gelegen woontorens op de Hamerkop. Daarmee valt deze buiten de reikwijdte van deze procedure over het bestemmingsplan "Exclusiva Hamerkwartier". Verder stelt de raad dat hij bij het invullen van de verantwoordingsplicht heeft gekozen voor een combinatie van maatregelen en afwegingen waarbij de veiligheid geoptimaliseerd is. Daarbij merkt de raad op dat de normering van externe veiligheid geschiedt op basis van de kans op een incident, niet op basis van het effect van een incident. Het uitsluiten van elk risico is niet de norm en het plangebied Exclusiva Hamerkwartier ligt op een afstand van ongeveer 400 m tot het terrein van Albemarle. 12.2. De Afdeling ziet in wat Albemarle heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het dichthedenbeleid in het plan Exclusiva Hamerkwartier ontoereikend is. Het betoog slaagt niet. Advies veiligheidsregio 13. Albemarle betoogt dat het bestemmingsplan is vastgesteld in strijd met artikel 13, derde lid, van het Bevi. Op grond van dit artikellid stelt het bevoegd gezag voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan het bestuur van de veiligheidsregio in de gelegenheid om in verband met het groepsrisico advies uit te brengen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied van een inrichting. Maar uit de stukken blijkt niet dat de veiligheidsregio een dergelijk advies heeft uitgebracht en wat zij heeft geadviseerd. 13.1. De raad heeft toegelicht dat hij de veiligheidsregio in de gelegenheid heeft gesteld om advies uit te brengen in het kader van het vooroverleg. Brandweer Amsterdam-Amstelland heeft als onderdeel van de Veiligheidsregio Amsterdam van deze gelegenheid gebruikgemaakt. De brandweer had volgens de raad geen aanvullende opmerkingen over externe veiligheid. Aangegeven wordt dat de risicobronnen en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid en hulpverlening in de toelichting bij het plan voldoende worden besproken. Verder geeft de raad te kennen dat de opmerking van de brandweer over toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen in paragraaf 4.11 (Externe veiligheid) van de toelichting van het bestemmingsplan is opgenomen. 13.2. De Afdeling stelt vast dat de brandweer een overlegreactie heeft gegeven op het ontwerpbestemmingsplan. Deze reactie is samengevat weergegeven in de Nota vooroverleg en van een reactie van de raad voorzien. Daarom mist het betoog van Albemarle feitelijke grondslag. Het betoog slaagt niet. Richtafstanden VNG-brochure 14. Albemarle betoogt dat niet wordt voldaan aan de richtafstanden uit de Brochure Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure). Daarbij gaat de raad ten onrechte uit van kortere richtafstanden die gelden voor gemengd gebied. Volgens Albemarle is geen sprake van gemengd gebied. De raad is volgens Albemarle ook uitgegaan van een onjuiste milieucategorie voor haar bedrijf. In het bestemmingsplan is beschreven dat Albemarle een bedrijf met categorie 4.2 is. Maar Albemarle is een zogenoemd Brzo-bedrijf, zodat zij onder milieucategorie 5.2 valt. De VNG-richtafstanden voor een bedrijf met milieucategorie 4.2 zijn 300 m voor een rustige woonwijk en voor een bedrijf met milieucategorie 5.2 700 m. In de toelichting bij het bestemmingsplan wordt daarnaast gesteld dat het zuidwestelijke deel van het bedrijventerrein van Albemarle milieucategorie 3.1 betreft, maar ook dit is volgens Albemarle onjuist. Ook dit zuidwestelijke deel van het bedrijventerrein betreft milieucategorie 5.2. Dit deel van het bedrijventerrein is in gebruik voor de opslag van gevaarlijke stoffen en omvat een schakelhuis wat het terrein onlosmakelijk verbonden maakt met de nabij gelegen productie. Deze beroepsgrond ziet op zowel het bestemmingsplan als het MER. De raad heeft het bestemmingsplan "Nieuwendam Zuid II" als vertrekpunt genomen, maar Albemarle stelt dat het bestemmingsplan dient te vermelden dat Albemarle feitelijk een Brzo-bedrijf is met milieucategorie 5.2, zodat het bestemmingsplan een juiste weergave geeft van de feitelijke situatie in plaats van de juridische situatie. Tot slot stelt Albemarle dat de raad ten onrechte stelt dat de richtafstanden moeten worden berekend vanaf het deel van de inrichting met milieucategorie 4.2. Volgens Albemarle schrijft de VNG-brochure voor dat moet worden gemeten vanaf de grens van de bestemming die een milieubelastende functie toelaat. Dit betekent dat moet worden gemeten vanaf de grens van de inrichting van Albemarle. 14.1. De raad heeft toegelicht dat in het ter plaatse van het bedrijventerrein van Albemarle geldende bestemmingsplan "Nieuwendam Zuid II" de inrichting van Albemarle specifiek is bestemd als een inrichting met de SBI-code 2413.1 uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten: een categorie 4.2 inrichting. Een deel van de inrichting is bestemd als categorie 3.1 bedrijf, namelijk het zuidwestelijke deel dat het dichtst tegen het Hamerkwartier aan ligt. Het bestemmingsplan "Nieuwendam Zuid II" is het vertrekpunt voor het bepalen van de richtafstanden die in acht moeten worden genomen bij nieuwe ontwikkelingen zoals het bestemmingsplan "Exclusiva Hamerkwartier". Daarnaast zijn ten behoeve van het MER en het bestemmingsplan onderzoeken verricht met betrekking tot Albemarle die volgens de raad de in het bestemmingsplan "Nieuwendam Zuid II" genoemde milieucategorie bevestigen, waarbij de verleende Wm-vergunning het vertrekpunt is geweest. In de toelichting en de regels van het bestemmingsplan "Exclusiva Hamerkwartier" zijn volgens de raad de feitelijke bestemming en daarmee samenhangende richtafstanden juist weergegeven. De afstand tussen Albemarle en het plangebied is ongeveer 400 m, zodat Albemarle niet zal worden belemmerd in haar vergunde bedrijfsvoering, zo stelt de raad. Verder gaat Albemarle volgens de raad ten onrechte uit van de richtafstanden vanaf de grens van de inrichting, want de aanduiding voor bedrijven met milieucategorie 4.2 is meer oostelijk gelegen, zodat de richtafstanden vanaf die grens moeten worden berekend. 14.2. In paragraaf 4.2 (Milieuzonering bedrijven) van de plantoelichting staat dat het plangebied en omgeving wordt aangemerkt als gemengd gebied. Het plangebied wordt aangemerkt als gemengd gebied door de ligging ten opzichte van wegen, bedrijvigheid/industrie en de vaarweg op het IJ. Ook is een van de doelstellingen van de transformatie het maken van een gemengd gebied. Het nu geldende bestemmingsplan "Hamerstraatgebied" maakt bedrijven tot maximaal categorie 2 en onder voorwaarden categorie 3.1 of hoger mogelijk. Voor het Hamerkwartier en dus ook het gebied van voorliggend bestemmingsplan "Exclusiva Hamerkwartier" is maximale functiemenging het uitgangspunt. Naast het mogelijk maken van functiemenging in het gebied zijn, in het Hamerkwartier en direct daarbuiten, verschillende bedrijven aanwezig. De raad is voor de zonering rondom het bedrijf Albemarle uitgegaan van een richtafstand van 200 m, zijnde de richtafstand voor milieucategorie 4.2 bij gemengd gebied. 14.3. De VNG-brochure maakt voor de richtafstanden onderscheid tussen verschillende omgevingstypen, namelijk "rustige woonwijk" en "gemengd gebied". Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voor het omgevingstype gemengd gebied gelden kortere richtafstanden dan voor het omgevingstype rustige woonwijk. Volgens de VNG-brochure wordt onder het omgevingstype "rustige woonwijk" verstaan een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen er volgens de VNG-brochure bij een dergelijk omgevingstype vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor en langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren volgens de VNG-brochure eveneens tot het omgevingstype "gemengd gebied", omdat daar de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden kan rechtvaardigen. Ten aanzien van de wijze van meten overweegt de Afdeling dat de richtafstanden volgens de VNG-brochure moeten worden gehanteerd als de afstand tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van de woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De Afdeling verwijst bij wijze van voorbeeld naar de uitspraak van 22 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5263, de uitspraak van 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1021, en de uitspraak van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2117. 14.4. De Afdeling stelt vast dat er rondom het plangebied verschillende functies voorkomen. In de huidige situatie is er vrijwel alleen maar bedrijvigheid aanwezig in het Hamerkwartier, waar het plangebied in ligt. Weliswaar maakt het bestemmingsplan "Exclusiva Hamerkwartier" woningen in het plangebied mogelijk, maar aan deze gronden is een gemengde bestemming toegekend. Op gronden met deze bestemming zijn naast woningen ook veel andere functies toegelaten, zoals kantoren, bedrijven, maatschappelijke voorzieningen, cultuur en ontspanning. Bovendien voorzien de toekomstplannen van de raad voor transformatie van het Hamerkwartier in zoveel mogelijk functiemenging. Onder deze omstandigheden heeft de raad zich, naar het oordeel van de Afdeling, op het standpunt mogen stellen dat sprake is van een "gemengd gebied" als bedoeld in de VNG-brochure. De Afdeling stelt voorts vast dat het bestemmingsvlak met de functieaanduiding "bedrijf tot en met categorie 4" ligt op een afstand van ongeveer 540 m van de locatie waar het bestemmingsplan in woningbouw voorziet, welke locatie bijna samenvalt met de grens van het plangebied. De grens van het bestemmingsvlak met de bedrijfsbestemming zonder functieaanduiding, dat het meest westelijk gelegen en daarmee het dichtstbij het plangebied gelegen punt van het bedrijventerrein van Albemarle is, ligt op een afstand van ongeveer 400 m tot het plangebied van het bestemmingsplan "Exclusiva Hamerkwartier". In wat Albemarle heeft aangevoerd ziet de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad ten onrechte milieucategorie 4.2 heeft gehanteerd. De richtafstand bij milieucategorie 4.2 is voor gemengd gebied 200 m. De hierboven genoemde afstanden voldoen daar ruimschoots aan. Het betoog slaagt niet. Geluid Akoestisch onderzoek 15. Albemarle betoogt dat het aan het bestemmingsplan ten grondslag liggende akoestisch onderzoek van Antea Group van 16 december 2021 onzorgvuldig is. Ter onderbouwing van dit betoog heeft Albemarle een notitie van Tauw van 15 april 2022 overgelegd. Albemarle verwijst naar de in het beroepschrift tegen het besluit hogere grenswaarden aangevoerde beroepsgronden. Volgens Albemarle klopt de hoogte vanaf waar hogere waarden zijn vastgesteld niet en ziet het besluit hogere waarden op te weinig woningen. Voor de planregels van het bestemmingsplan betekent dit dat de hoogte vanaf waar dove gevels zijn voorgeschreven moet worden aangepast. En er moeten mogelijk meer dove gevels worden voorgeschreven. Artikel 3.2.2, onder k, en artikel 3.6, onder a en e, van de planregels kunnen daarom niet ongewijzigd in stand blijven. Artikel 3.2.2, onder k, van de planregels bepaalt dat vanaf 50 m een dove gevel nodig is. Dit is gebaseerd op het besluit hogere waarden, maar het hogere waarden besluit is onjuist. Dit betekent dat vanaf een lagere hoogte een dove gevel nodig is. 15.1. Artikel 3.2.2 (Gebouwen) van de planregels luidt: "Voor bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: […] k. ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - dove gevel" zijn geluidgevoelige functies aan de oostzijde van het aanduidingsvlak voor bouwlagen boven een bouwhoogte van 50 meter slechts toegestaan voor zover deze gevel is voorzien van een dove gevel of geluidwerend vlies. […]." 15.2. De raad heeft in het verweerschrift aangegeven dat de constatering van Albemarle juist is. Als gevolg van de aanpassingen in het akoestisch onderzoek waardoor ook het besluit hogere waarden wordt aangepast, geldt dat niet vanaf een hoogte van 50 m, maar vanaf een hoogte van 46,5 m niet aan de maximale ontheffingswaarden kan worden voldaan. Als gevolg daarvan moet artikel 3.2.2, onder k, van de planregels worden aangepast met dien verstande dat de hoogte van 50 m moet worden verlaagd naar 46,5 m. De raad verzoekt de Afdeling om zelf in de zaak te voorzien en artikel 3.2.2, onder k, van de planregels aan te passen. 15.3. De raad heeft te kennen gegeven dat het besluit hogere waarden, dat ten behoeve van het bestemmingsplan is genomen, onvolledig is gebleken. Daarom heeft het college op 25 oktober 2022 een nieuw besluit genomen. De beroepsgronden die Albemarle tegen het nieuwe besluit hogere waarden heeft aangevoerd, komen aan de orde in de uitspraak in zaaknummer 202202433/1/R1. De conclusie is dat het beroep op dit punt slaagt en dat het besluit in zoverre in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. Gelet op wat is overwogen onder 8.12 zal de Afdeling het bestreden besluit van 28 februari 2022 vernietigen. De aanpassing van artikel 3.2.2, onder k, van de planregels kan de raad betrekken in een eventueel nieuw te nemen besluit. Het betoog slaagt. Voorwaardelijke verplichtingen 16. Albemarle betoogt dat de voorwaardelijke verplichtingen in artikel 3.4 van de planregels te onbepaald zijn, omdat niet duidelijk is of, en zo ja, in hoeverre aan die voorwaardelijke verplichtingen kan worden voldaan. Het bestemmingsplan is in zoverre in strijd met de rechtszekerheid. In het bijzonder geldt dat voor artikel 3.4, onder c, sub 11, dat gaat over handmatig te bedienen mechanische ventilatie. Het is volgens Albemarle niet duidelijk hoe de mechanische ventilatie dient te worden vormgegeven en hoe wordt getoetst dat de mechanische ventilatie adequaat functioneert. Daarnaast wijst Albemarle op artikel 3.4, onder a, onder 1 en 2, dat in de mogelijkheid voorziet om de torens op te hogen tot 70 m. Volgens Albemarle is onduidelijk in welke gevallen die ophoging gerechtvaardigd is en in hoeverre de onderzoeken naar geluid, luchtkwaliteit, geur en externe veiligheid zijn afgestemd op deze hoogte van 70 m. Verder bepaalt artikel 3.4, onder b, onder 1 tot en met 4, van de planregels dat belangrijke onderzoeken nog moeten worden verricht om te beoordelen of een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Ook dat maakt onvoldoende zeker of van dit laatste sprake zal zijn. 16.1. De raad stelt dat met de regeling over mechanische ventilatie is beoogd aan te sluiten bij het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). In artikel 4.124 (regelbaarheid en uitschakelbaarheid), tweede lid, van dit besluit is aangegeven dat de mechanische toevoer van ventilatielucht, bijvoorbeeld bij een balansventilatiesysteem, een dichtstand moet hebben. Bijvoorbeeld door de stroomtoevoer of de ventilatiemotor uit te schakelen. Om die reden moet een mechanische ventilatievoorziening bij een externe calamiteit handmatig kunnen worden uitgeschakeld, zie artikel 4.124, vierde lid, van het Bbl. De regeling gaat gepaard met instructies aan bewoners van de gebouwen. Artikel 3.4, onder c, sub 11, van de planregels is dus inhoudelijk afgestemd op het Bbl: een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht. De raad heeft toegelicht dat op grond van de planregels in samenhang gelezen met de verbeelding, een bouwhoogte van respectievelijk 45 en 60 m rechtstreeks is toegestaan. De afwijkingsmogelijkheid tot respectievelijk 51 en 70 m is slechts toegestaan indien dit bijdraagt aan het bereiken van de beoogde stedenbouwkundige en ruimtelijke kwaliteit, bijvoorbeeld door het realiseren van grote verdiepingshoogtes of het realiseren van collectieve ruimten voor bewoners. Verder stelt de raad dat in het MER is uitgegaan van twee woontorens, namelijk een toren van 49 m hoog aan de binnenplaats van de Beitelkade en een toren van 70 m hoog op de kruising Gedempt Hamerkanaal en Schaafstraat. Verder verwijst de raad naar de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2772, onder 16.2, over artikel 7c, veertiende lid, van het Besluit uitvoering Chw. Ook in dit geval is sprake van een vergunningstelsel in een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte met beoordelingsregels die open normen bevatten en die bepalen dat een belangenafweging moet plaatsvinden of die beoordelingsruimte bieden of een combinatie van beide. Ter invulling van deze open normen dient een windonderzoek, bezonningsonderzoek en een studie naar de landschappelijke inpassing te worden overgelegd bij een aanvraag om omgevingsvergunning. Ook is er bij het bestemmingsplan een hoogbouweffectrapportage gevoegd waarin inzicht wordt gegeven in de landschappelijke inpassing, de bezonning en het windklimaat. In artikel 3.4, onder b, van de planregels is opgenomen dat bij de aanvraag omgevingsvergunning een voor een concreet bouwplan specifieke hoogbouweffectrapportage moet worden overgelegd om zodoende een goede inpassing te borgen. 16.2. Wat betreft mechanische ventilatie is, mede gelet op de toelichting van de raad, naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijk wat hiermee wordt bedoeld en is dit vooral een aspect dat bij vergunningverlening aan de orde is. De Afdeling overweegt verder dat uit artikel 3.4, onder a, van de regels van het bestemmingsplan duidelijk volgt dat een verhoging van de bouwhoogte van 45 m naar maximaal 51 m respectievelijk van 60 m naar 70 m, alleen is toegestaan als dit afdoende bijdraagt aan het bereiken van de beoogde stedenbouwkundige en ruimtelijke kwaliteit, bijvoorbeeld door het realiseren van hoge verdiepingshoogtes of het realiseren van collectieve ruimten voor bewoners. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat dit een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte is, waaraan eigen is dat een deel van de invulling opschuift naar de vergunningfase. Bovendien blijkt uit het MER dat ook met deze hogere bouwhoogten is gerekend en dat een beoordeling heeft plaatsgevonden van de milieueffecten. Ten slotte volgt de Afdeling het standpunt van de raad waarom artikel 3.4, onder b, onder 1 tot en met 4, voldoende rechtszeker is. Het betoog slaagt niet. Geluidwerend vlies 17. Albemarle betoogt dat het bestemmingsplan ten onrechte geen definitie van het begrip "geluidwerend vlies" bevat. Dit terwijl op grond van artikel 3.2.2, onder k, van de planregels ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - dove gevel" geluidgevoelige functies aan de oostzijde van het aanduidingsvlak voor bouwlagen boven een bouwhoogte van 50 m slechts zijn toegestaan voor zover deze gevel is voorzien van een dove gevel of geluidwerend vlies. In de planregels is wel een definitie gegeven van het begrip "dove gevel", maar ten onrechte ontbreekt een definitie van het begrip "geluidwerend vlies", zo stelt Albemarle. 17.1. De raad heeft toegelicht dat het bestemmingsplan inderdaad niet voorziet in een definitie van "geluidwerend vlies". De raad verzoekt de Afdeling om zelf in de zaak te voorzien en deze definitie van "geluidwerend vlies" aan artikel 1 van de planregels toe te voegen: "Een bouwkundige constructie aangebracht aan de buitenzijde van een gevel met het doel een geluidsreductie op deze gevel te bewerkstelligen, als gevolg waarvan voldaan wordt aan het gestelde in de Wet geluidhinder, waarbij de afstand tussen geluidwerend vlies en gevel tenminste 0,5 meter is en waarbij er tussen geluidwerend vlies en gevel sprake is van buitenlucht, met openingen ten behoeve van de luchtverversing met een capaciteit van tenminste 6 dm3 per seconde per m2 vloeroppervlak van de achterliggende woning(en).". 17.2. Gelet op wat hiervoor onder 8.12 is overwogen zal de Afdeling het bestreden besluit geheel vernietigen. De raad kan bij een eventueel nieuw te nemen besluit een definitie van het begrip "geluidwerend vlies" toevoegen aan artikel 1 van de planregels. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het betoog slaagt. Afwijken van de bouwregels 18. Albemarle betoogt dat onduidelijk is wat wordt bedoeld met de onder a, sub 3, van artikel 3.6 genoemde "extra geluidisolerende maatregelen". Artikel 3.6, onder b, gaat over "privé-buitenruimte", maar in het aan het bestemmingsplan ten grondslag liggende akoestisch onderzoek is niet onderzocht in hoeverre er in eventuele buitenruimtes sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarbij komt dat de raad in het kader van geluidhinder ten behoeve van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat alleen gevelweringsmaatregelen heeft genomen. Verder is niet duidelijk welke "gewijzigde omstandigheden" de raad bij artikel 3.6, onder e, van de planregels voor ogen heeft. Gelet hierop is artikel 3.6 van de planregels volgens Albemarle in zoverre in strijd met de rechtszekerheid, zodat onvoldoende is gewaarborgd dat voldaan wordt aan de normen gesteld bij of krachtens de Wet geluidhinder (hierna: Wgh). 18.1. Artikel 3.6 (Afwijken van de bouwregels) van de planregels luidt: "Het bevoegd gezag is bevoegd om omgevingsvergunning te verlenen voor; a. het afwijken van het bepaalde in lid 3.2.2 onder j voor het toestaan van een geluidsluwe gevel met een geluidsniveau van 3 dB(A) hoger dan de voorkeursgrenswaarde, indien: […] 3. extra geluidisolerende maatregelen worden getroffen. b. het afwijken van de maximale m2 bvo per bouwlaag zoals bedoeld in artikel 3.2.2 onder b en c voor de schil van het gebouw, ten behoeve van privé-buitenruimte, balkons en zonnepanelen, mits geen sprake is van overwegende bezwaren van stedenbouwkundige aard. […] e. het afwijken van het bepaalde in lid 3.2.2 onder k, indien is aangetoond dat als gevolg van gewijzigde omstandigheden wordt voldaan aan de maximaal toelaatbare geluidsnormen zoals deze zijn vastgesteld bij het ten behoeve van dit bestemmingsplan op grond van de Wet geluidhinder vastgestelde besluit hogere waarden industrielawaai of de voorkeursgrenswaarden van de Wet geluidhinder." 18.2. Over de term "geluidisolerende maatregelen" heeft de raad toegelicht dat hiermee wordt gedoeld op maatregelen die getroffen kunnen worden om een lagere geluidbelasting te realiseren. In artikel 110g van de Wgh wordt hierbij een voorkeursvolgorde gehanteerd, namelijk maatregelen aan de bron, overdrachtsmaatregelen en maatregelen bij de ontvanger. Daarbij geldt dat in het Amsterdamse Geluidbeleid 2016, hogere waarde Geluidhinder dat op 12 juli 2016 is vastgesteld door het college mogelijke, niet-uitputtende, maatregelen worden beschreven die genomen kunnen worden. Over buitenruimtes stelt de raad dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de Wgh geen regels geeft voor een buitenruimte. De raad stelt zich dan ook op het standpunt dat hier in het akoestisch onderzoek geen rekening mee gehouden hoefde te worden en wijst op de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9235, onder 4.3.1 en 4.3.2. Wat betreft de "gewijzigde omstandigheden" heeft de raad toegelicht dat dit betrekking heeft op een lagere geluidbelasting (<56 dB(A)), dan vastgesteld in het akoestische onderzoek. Daarvan zou bijvoorbeeld sprake kunnen zijn als gevolg van wijzigingen binnen de inrichting van Albemarle. 18.3. De Afdeling acht voldoende duidelijk wat de raad met "geluidisolerende maatregelen" en "gewijzigde omstandigheden" heeft bedoeld. Wat betreft het betoog van Albemarle over balkons is het zo dat die voor de toepassing van de Wgh niet als geluidgevoelige objecten worden aangemerkt. In wat Albemarle heeft aangevoerd over deze "privé-buitenruimten" ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het bepaalde in artikel 3.6, onder 3, onder b, van de planregels zal leiden tot een woon- en leefklimaat ter plaatse van deze ruimten dat de raad niet aanvaardbaar mocht achten. Het betoog slaagt niet. Omgevingsvisie WHO-advieswaarden 19. Albemarle betoogt dat de raad het bestemmingsplan in strijd met de "Omgevingsvisie Amsterdam 2050" heeft vastgesteld. Dit omdat in de Omgevingsvisie is vermeld dat schone lucht een voorwaarde is voor de gezondheid van Amsterdammers en bezoekers en dat gezondheid een prioriteit is. Daarom heeft de gemeente het Schone Lucht Akkoord (hierna: SLA) ondertekend en zich als doel gesteld om in 2030 de strengere advieswaarden van de World Health Organization (hierna: WHO) van 2021 te halen. Maar uit het MER volgt dat voor het project Hamerkwartier in 2030 niet aan de normen van de WHO uit 2021 wordt voldaan. Albemarle merkt daarnaast op dat niet alleen ten aanzien van fijnstof (PM2.5) de WHO-advieswaarden van 2005 worden overschreden, maar ook ten aanzien van fijnstof (PM10) op hoogtes tussen 50 en 70 m. Dit blijkt uit de door haar overgelegde "Rapportage concentratieberekeningen" van Erbrink Stacks Consult van 18 september 2022. 19.1. In de Omgevingsvisie is vermeld dat schone lucht een voorwaarde is voor de gezondheid van Amsterdammers en bezoekers. Gezondheid is een prioriteit. De huidige luchtkwaliteit voldoet meestal aan de wet, maar niet aan de advieswaarden van de WHO. In 2020 heeft de gemeente Amsterdam daarom het landelijke SLA ondertekend. Doel en ambitie daarin is dat alle aangesloten partijen toewerken naar het in 2030 realiseren van de advieswaarden die de WHO hanteert voor stikstofdioxide en fijnstof. Ook staat er dat de gemeente voor 2030 de strengere advieswaarden van de WHO wil halen. De raad heeft toegelicht dat uit de Omgevingsvisie volgt dat de gemeente Amsterdam zich middels het ondertekenen van het SLA in 2020 heeft geconformeerd aan de inmiddels oude WHO-advieswaarden uit 2005. Deze waren op het moment van tekenen van het SLA de meest recente advieswaarden en hielden in: 10 µg/m3 voor PM2.5, 20 µg/m3 voor PM10 en 40 µg/m3 voor stikstofdioxide (NO2). Deze advieswaarden zijn op 22 september 2021 gewijzigd naar 5 µg/m3 voor PM2.5, 15 µg/m3 voor PM10 en 10 µg/m3 voor NO2. In het MER is geconcludeerd dat bij een volledige ontwikkeling van het Hamerkwartier met het in het MER gehanteerde programma, de concentraties niet overal aan de in 2021 vastgestelde WHO-advieswaarden voldoen. Maar de raad stelt zich op het standpunt dat in het SLA wordt toegewerkt naar de oude WHO-advieswaarden uit 2005 in 2030. En wijst erop dat in het SLA is vermeld dat op het moment dat nieuwe advieswaarden worden vastgesteld, de deelnemers aan het SLA onderzoeken hoe de nieuwe advieswaarden bij het akkoord kunnen worden betrokken. Deze normen vormen daarmee volgens de raad niet automatisch onderdeel van het akkoord. Dit volgt uit de eerste voetnoot van het SLA, waarin staat dat, mochten deze waarden in de toekomst worden gewijzigd, dan bekeken zal worden wat de gevolgen hiervan zijn voor het SLA. Verder heeft de raad toegelicht dat wat betreft het bestemmingsplan "Exclusiva Hamerkwartier" wordt voldaan aan de WHO-advieswaarden, waaraan de gemeente Amsterdam zich via het SLA heeft gecommitteerd. Alleen de WHO-advieswaarde uit 2005 van 10 µg/m3 voor PM2.5 wordt op 50 m hoogte overschreden met 1,36 µg/m3. In dit verband wijst de raad op rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:573, onder 7.2, waaruit volgt dat de normen uit de Wm gelden als kader ter bepaling of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Uit het luchtkwaliteitsonderzoek volgt dat bij de gehele ontwikkeling van het Hamerkwartier wordt voldaan aan de grenswaarden zoals opgenomen in bijlage 2 van de Wm. Ook het MER concludeert in paragraaf 5.3.5 dat de transformatie binnen het plangebied voldoet aan alle grenswaarden, zo stelt de raad. 19.2. De Afdeling stelt vast dat niet is bestreden dat het algemene normniveau voor luchtkwaliteit wordt bepaald door de Wm en dat de Wm-normen nergens in het plangebied worden overschreden. Omdat met de vaststelling van het plan ter plaatse van het plangebied is voldaan aan de wettelijke normering van luchtkwaliteit in de Wm, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in beginsel ervan mogen uitgaan dat in zoverre sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Wat betreft de door Albemarle overgelegde rapportage van 18 september 2022 waaruit volgens haar blijkt dat ook ten aanzien van PM10 op hoogtes tussen 50 en 70 m de WHO-advieswaarden van 2005 worden overschreden, overweegt de Afdeling als volgt. Uit deze rapportage blijkt dat dit zou gelden voor het specifieke gebied Hamerkop, oftewel de oostelijke ontwikkelvelden van het Hamerkwartier, waar diverse woontorens zouden moeten worden gebouwd. Daar ziet dit bestemmingsplan echter niet op. Dit heeft dus geen betrekking op het gebied van dit bestemmingsplan en de overschrijding wordt ook niet veroorzaakt door ruimtelijke ontwikkelingen die met het bestemmingsplan "Exclusiva Hamerkwartier" worden mogelijk gemaakt. In zoverre heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat voor dit bestemmingsplan kan worden uitgegaan van alleen een beperkte overschrijding van de fijnstofnormering van de WHO-advieswaarde uit 2005 voor PM2.5. Dit omdat deze waarde van 10 µg/m3 op een hoogte van 50 m wordt overschreden met 1,36 µg/m3. Gezien de slechts marginale overschrijding van de WHO-advieswaarde en het karakter van de door Albemarle genoemde beleidsstukken, die een inspannings- en geen resultaatverplichting bevatten, mocht de raad zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt stellen dat deze niet aan vaststelling van dit bestemmingsplan in de weg hoefde te staan. Het betoog slaagt niet. Zonering rondom wegen 20. Daarnaast stelt Albemarle dat in de Omgevingsvisie met verwijzing naar de "Amsterdamse richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit", zoals vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders op 5 januari 2010, is bepaald dat aan weerszijden van een drukke weg binnen een zone van 300 m geen nieuwe gevoelige bestemmingen mogen worden gerealiseerd, als ook geen nieuwe gevoelige bestemmingen mogen worden gerealiseerd in de eerstelijnsbebouwing binnen een afstand van 50 m van stedelijke wegen met meer dan 10.000 motorvoertuigen per etmaal (hierna: mvt/etm). Het gaat hier om de grotere drukke wegen. Uit de toelichting op het bestemmingsplan blijkt niet of hieraan wordt voldaan, zo stelt Albemarle. Dit terwijl de voorziene bebouwing zich bevindt nabij meerdere grote drukke wegen zoals de Meeuwenlaan, de Johan van Hasseltweg en de Nieuwe Leeuwarderweg. 20.1. In de Omgevingsvisie is vermeld dat mensen met een kwetsbare gezondheid extra dienen te worden beschermd. Daarom mogen in Amsterdam langs drukke wegen geen nieuwe voorzieningen worden gerealiseerd voor ouderen of mensen met een kwetsbare gezondheid en voor onderwijs of opvang voor minderjarigen. Het eerste uitgangspunt van de "Amsterdamse richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit" is dat er geen nieuwe gevoelige bestemmingen mogen worden gerealiseerd langs snelwegen (aan weerszijden een zone van 300
- m)en provinciale wegen (aan weerszijden 50 m). Het tweede uitgangspunt is dat er geen nieuwe gevoelige bestemmingen mogen worden gebouwd in de 1e-lijnsbebouwing binnen een afstand van 50 m van stedelijke wegen met meer dan 10.000 mvt/etm. Het gaat hier om de grotere drukke wegen, zo staat er in de Omgevingsvisie. 20.2. De raad heeft toegelicht dat het plangebied op ongeveer 500 m is gelegen van de Rijksweg A10 waarvoor een 300 m-buffer geldt. Van de Nieuwe Leeuwarderweg is slechts een deel aangemerkt als een "overige stadsweg", dat is een weg met meer dan 10.000 mvt/etm, niet hoofdnet. De afstand tussen deze weg en het plangebied is volgens de raad ongeveer 430 m, zodat ook hier volgens de raad wordt voldaan aan de richtlijn. Voor de Meeuwenlaan golden op het moment van het vaststellen van het plan geen richtafstanden, maar volgens tabel 3.1 in het aanvullende akoestisch onderzoek heeft het wegvak Hamerstraat-Johan van Hasseltweg een verkeersintensiteit van 10.880 mvt/etm in de referentiesituatie in 2030. Maar de afstand tussen dit wegvak en het bouwvlak is ongeveer 95 m en is daarmee eveneens in overeenstemming met de richtlijn, zo stelt de raad. 20.3. De Afdeling ziet in wat Albemarle heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de toelichting van de raad. Dit betekent dat de raad het bestemmingsplan in zoverre in overeenstemming met de Omgevingsvisie en de Amsterdamse richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit heeft vastgesteld. Het betoog slaagt niet. Belangenafweging en gezondheidslogica 21. Ook is volgens Albemarle gezondheid door de raad ten onrechte niet meegenomen in de belangenafweging, terwijl dit volgens haar wel is vereist op grond van de Omgevingsvisie. Dit omdat in de Omgevingsvisie staat dat het ontwikkelen van een gezonde stad als een kernopgave wordt gezien en gezondheid een vast onderdeel uitmaakt van de belangenafweging in ruimtelijk beleid. Tot slot stelt Albemarle dat volgens de Omgevingsvisie de "Amsterdamse Gezondheidslogica" hoort te worden gebruikt bij de plannen voor gebiedsontwikkeling. Die bevat twaalf principes voor een gezonde leefomgeving. Uit de toelichting bij het bestemmingsplan blijkt niet dat aan de Amsterdamse Gezondheidslogica is getoetst. 21.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het belang van gezondheid uitdrukkelijk is betrokken bij de vaststelling van het bestemmingsplan. Zo ligt het principe van gezondheid en duurzaamheid ten grondslag aan het plan en is in het kader van het MER het thema "gezondheid" uitgebreid onderzocht, waarbij het gemeentelijke gezondheidsbeleid als uitgangspunt is genomen. Hierbij is gekeken naar hittestress, lichthinder, stralingshinder, groen in het gebied, sport en bewegen en "manier van leven". In het bijzonder is gekeken naar gezondheidsbevordering, waarbij de focus ligt op de mate waarin groen aanwezig is, de mate waarin de omgeving sport en bewegen bevordert en de mate waarin de omgeving een gezonde "manier van leven" stimuleert. Dit komt volgens de raad overeen met de Amsterdamse Gezondheidslogica, waarin ruimtelijke principes zijn geformuleerd voor een gezonde leefomgeving. Het aspect gezondheid heeft integraal onderdeel uitgemaakt van de belangenafweging en het bestemmingsplan voorziet in een gezonde leefomgeving, zo stelt hij. 21.2. De Afdeling is van oordeel dat de gezondheidsbelangen door de raad voldoende zijn betrokken bij de vaststelling van het bestemmingsplan. Dit omdat er diverse onderzoeken zijn verricht die betrekking hebben op gezondheidsaspecten, zoals geluidshinder, hittestress, lichthinder en luchtkwaliteit, en voorts in de planregels is bepaald dat in het kader van de concrete vergunningverlening in voorkomende gevallen nog diverse onderzoeken dienen te worden verricht. Het betoog slaagt niet. Milieueffectrapport Mer-plicht 22. Albemarle betoogt dat het niet helemaal duidelijk is of sprake is van een project-MER of plan-MER en of de raad de eisen die daarvoor gelden in acht heeft genomen. Het bestemmingsplan is in zoverre onvoldoende gemotiveerd. Albemarle gaat ervan uit dat sprake is van een project-MER en hiermee de eisen van artikel 7.23 van de Wm van toepassing zijn. 22.1. Ten behoeve van de ontwikkeling van het volledige Hamerkwartier is een MER opgesteld dat ten grondslag ligt aan het eerste ruimtelijke plan dat in de ontwikkeling van het Hamerkwartier voorziet: het bestemmingsplan "Exclusiva Hamerkwartier". De raad heeft opgemerkt dat voor de gehele ontwikkeling van het Hamerkwartier een "levend" project-MER is opgesteld. Het bestemmingsplan "Exclusiva Hamerkwartier" bestrijkt een beperkt deel van het Hamerkwartier. In de plantoelichting staat dat met het oog op de transformatie van het gehele Hamerkwartier een MER is opgesteld. De ontwikkeling van het plangebied Exclusiva valt onder het begrip "stedelijk ontwikkelingsproject", zoals vermeld onder Categorie D11.2 uit de D-lijst van de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage. Hiervoor geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Voor het plangebied gaat het om een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht, omdat de drempelwaarden als daarbij vermeld niet worden overschreden. Vanwege de omvang van de totale transformatie heeft de gemeente ervoor gekozen om voor het Hamerkwartier in plaats van een m.e.r.-beoordelingsnotitie direct een MER op te stellen. Het MER is procedureel gekoppeld aan het bestemmingsplan "Exclusiva Hamerkwartier", als eerste ruimtelijke plan. In het MER zijn de milieueffecten onderzocht van de transformatie van het Hamerkwartier en er wordt expliciet ingegaan op het plan voor de locatie Exclusiva. 22.2. De Afdeling kan, gelet op de door de raad gegeven toelichting, de stelling van Albemarle niet volgen dat de raad niet heeft gemotiveerd of er sprake is van een project-MER en of de bijbehorende eisen in acht zijn genomen. De raad mocht ervoor kiezen om voor dit bestemmingsplan een volledig MER te laten opstellen. Albemarle heeft over een aantal onderwerpen van het MER betoogd dat het MER en de hieraan ten grondslag liggende onderzoeken onzorgvuldig zijn en in strijd met artikel 7.23, eerste lid, van de Wm en artikel 3:2 van de Awb zijn vastgesteld. Dit komt hierna aan de orde. Het betoog slaagt niet. Geluid 23. Albemarle betoogt dat het MER en het aan het MER ten grondslag liggende akoestisch onderzoek van Antea Group van 22 december 2021 niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand zijn gekomen. Ter onderbouwing van haar betoog heeft zij een notitie van Tauw van 15 april 2022 overgelegd. De gronden over het onderwerp geluid komen hieronder aan bod. - Aftrek bij gecumuleerde geluidbelasting op grond van artikel 110g Wgh 24. Albemarle betoogt dat ten onrechte bij de berekening van de gecumuleerde geluidbelasting de aftrek op grond van artikel 110g van de Wgh is toegepast. Dit omdat op grond van hoofdstuk 2 van bijlage 1 bij het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 bij de berekening van cumulatieve geluidbelasting de bij wegverkeerslawaai toe te passen aftrek op grond van artikel 110g van de Wgh niet mag worden toegepast. In figuur 6.2 van het akoestisch onderzoek van Antea Group van 22 december 2021 is deze aftrek van 5 dB in strijd met hoofdstuk 2 van bijlage 1 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 wel toegepast. 24.1. De raad stelt dat artikel 110g van de Wgh betrekking heeft op het stiller worden van het verkeer. Aangezien het MER uitgaat van de toekomstsituatie 2030 stelt de raad dat het zinvol is om dit effect weer te geven. Ook bij de cumulatieve geluidbelasting geeft dit volgens de raad een goed inzicht en is dit geen overschatting van toekomstige geluidbelastingen. Dit is in overeenstemming met de methodiek van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. Bij het opstellen van een MER voor een bestemmingsplan in Amsterdam is dit een gebruikelijke werkwijze en dit is afgestemd met het expertteam Geluid van de gemeente, zo stelt de raad. 24.2. In Bijlage I behorende bij de artikelen 1.2 en 1.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012, hoofdstuk 2, staat: "De ingevolge artikel 110g van de Wet geluidhinder bij wegverkeerslawaai toe te passen aftrek wordt bij de bepaling van Lvl met deze rekenmethode niet toegepast. […] Wanneer het onderzoek plaatsvindt op grond van de Wet geluidhinder en de bronsoort wegverkeer betreft, moet bovendien worden bedacht dat in de bijdrage(
- n)van de wegverkeersbron(nen) aan het cumulatieve niveau geen rekening is gehouden met de aftrek op grond van artikel 110g van de Wet geluidhinder. In het geval van een onderzoek aan een wegverkeersbron op grond van de Wet geluidhinder ligt vergelijking met de normering voor wegverkeer in de Wet geluidhinder, die betrekking heeft op geluidsbelasting waarop wel de aftrek is toegepast, daarom minder voor de hand." 24.3. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt. 24.4. Artikel 110g van de Wgh ziet op de geluidbelasting van onder meer gevels van woningen of van andere geluidsgevoelige gebouwen in verhouding tot wegverkeerslawaai. Dit artikel strekt daarmee tot bescherming van de belangen van (toekomstige) bewoners of gebruikers van nieuwbouwwoningen. Albemarle is geen eigenaar van één van de (toekomstige) woningen en niet is gebleken van concrete interesse in de koop van een van deze woningen. Gelet hierop strekt de regeling in artikel 110g van de Wgh kennelijk niet tot bescherming van de bedrijfsbelangen van Albemarle, die vreest voor belemmering van haar bedrijfsactiviteiten. Het belang van Albemarle heeft daarmee wel betrekking op industrielawaai, maar niet op wegverkeerslawaai en scheepvaartlawaai. Het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb staat om die reden aan een inhoudelijke bespreking van deze beroepsgrond in de weg. - Reflectiefactor 25. Albemarle stelt dat in het akoestisch onderzoek "Akoestisch onderzoek Hamerkwartier Amsterdam" van Antea Group van 22 december 2021, dat aan het MER ten grondslag ligt, ten onrechte is uitgegaan van een reflectiefactor van 0,00 voor alle gebouwen, zowel bestaande als geprojecteerde gebouwen. Een gevel met reflectiefactor van 0,00 houdt een volledig geluidsabsorberende gevel in. Maar de bestaande gebouwen hebben geen geluidsabsorberende gevelbekleding. De reflectiefactor voor de bestaande gebouwen is in werkelijkheid niet 0,00, maar 0,80. Het rekenen met de incorrecte reflectiefactor van 0,00 leidt tot een significante onderschatting van de geluidemissie vanaf het industrieterrein. 25.1. De raad erkent dat in de praktijk een reflectiefactor hoger dan 0,00 gebruikelijk is. In het kader van het op 13 juli 2022 vastgestelde bestemmingsplan "Draka Terrein Hamerkwartier" is een beperkte aanvulling op het MER gemaakt (geluid) waarin dit inzicht is verwerkt. Deze aanvulling leidt volgens de raad niet tot wezenlijk andere conclusies in het MER. Voor het bestemmingsplan "Exclusiva Hamerkwartier" is in het akoestisch onderzoek "Akoestisch onderzoek Herontwikkeling Exclusiva-kavel te Amsterdam revisie 2" van Antea Group van 16 december 2021 gebruik gemaakt van de juiste reflectiefactor 0,80. In paragraaf 3.3 van dit akoestisch onderzoek staat dat diverse gebouwen in de berekeningen zowel afschermend als reflecterend zijn meegenomen. In algemene zin betekent "reflecterend" een reflectiefactor van 0,80. Het achterliggend rekenmodel dat ten grondslag ligt aan het akoestisch onderzoek laat zien dat er met 0,80 is gerekend, waardoor de conclusies ten aanzien van het bestemmingsplan niet wijzigen en waardoor de stelling van Albemarle ten aanzien van het bestemmingsplan feitelijke grondslag mist, zo stelt de raad. 25.2. De Afdeling stelt vast dat er weliswaar in het aanvankelijk aan het MER ten grondslag liggende akoestisch onderzoek een onvolkomenheid zat, maar dat bij het nemen van het bestreden besluit van correcte gegevens is uitgegaan. In de besluitvorming over het bestemmingsplan "Exclusiva Hamerkwartier" zit op dit punt geen gebrek. Het betoog slaagt niet. - Motivering maximale hogere waarde van 55 dB(A) 26. Albemarle stelt dat in het akoestisch onderzoek en het MER zonder toereikende motivering is uitgegaan van een grenswaarde voor industrielawaai van 55 dB(A). Op grond van artikel 45 van de Wgh kan er weliswaar voor geprojecteerde woningen een maximale hogere waarde van 55 dB(A) worden vastgesteld, maar op grond van het vijfde lid van artikel 110a van de Wgh kan dit alleen indien maatregelen om de geluidbelasting te verminderen onvoldoende doeltreffend zijn of op overwegende bezwaren stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. 26.1. De raad stelt in het verweerschrift dat uit het aanvullende akoestische onderzoek blijkt dat op een aantal punten niet wordt voldaan aan zowel de voorkeursgrenswaarde als de maximale ontheffingswaarde. Voor deze woningen zijn aanvullende maatregelen nodig. Voor de overige woningen waar de geluidbelasting meer dan 50 dB(A) is, maar minder dan 55 dB(A) wordt volstaan met het vaststellen van hogere waarden. Bron- en overdrachtsmaatregelen zijn volgens de raad vanuit het industrieterrein namelijk ruimtelijk, visueel en financieel niet doelmatig, zeker niet als uit wordt gegaan dat het bedrijf op het gezoneerde industrieterrein met de "Beste Beschikbare Technieken" werkt. De raad stelt zich op het standpunt dat het gebruik van de wettelijke grenswaarde van 55 dB(A) deugdelijk is onderbouwd conform de Wgh en het Amsterdamse geluidbeleid. 26.2. De Afdeling stelt vast dat deze beroepsgrond feitelijk ziet op het door het college ten behoeve van dit bestemmingsplan vastgestelde besluit hogere waarden. In die beroepsprocedure zal deze beroepsgrond worden beoordeeld. - Piekgeluiden 27. Albemarle betoogt dat het akoestisch onderzoek zich ten onrechte niet richt op piekgeluiden van Albemarle. De verschillende piekgeluiden die afkomstig zijn van het industrieterrein van Albemarle zijn in het akoestisch onderzoek ten onrechte niet onderzocht. Het gaat enerzijds om piekgeluiden als gevolg van reguliere bedrijfsactiviteiten, zoals laden, lossen, schoonblazen van doekenfilters, met lucht transporteren van vaste stof en andere piekgeluiden ten gevolge van reguliere activiteiten op het terrein en installaties die continu in bedrijf zijn. Deze piekgeluiden behoren tot de akoestisch representatieve bedrijfssituatie. Anderzijds gaat het om incidentele piekgeluiden, zoals het gebruik van veiligheidsventielen. Ook zijn er nog piekgeluiden door onderhoudswerkzaamheden. 27.1. De raad wijst erop dat in de omgevingsvergunning van januari 2018 geluidvoorschriften zijn opgenomen. Deze voorschriften zijn opgesteld aan de hand van het "Akoestisch rapport Albemarle, actualisatie 2015, revisie A. uitgevoerd door Akzo Nobel, Projects & Engineering B.V." van 9 juli 2015. Uit dit onderzoek is op te maken dat op immissiepunt ’06 contr. Scheepshelling’ het maximale geluidniveau 72 dB(A) in de dagperiode en 64 dB(A) in de avond- en nachtperiode bedraagt. Dit immissiepunt 06 ligt ten westen van het terrein van Albemarle en dus in de richting van het plangebied. Door onder meer afscherming, reflecties en bodemdemping is middels het akoestisch rekenmodel vastgesteld dat het geluidniveau in het plangebied ongeveer 18 dB(A) lager is dan het niveau ter plaatse van immissiepunt 06. De maximale geluidniveaus bedragen daarmee ongeveer 54 dB(A) in de dagperiode en 46 dB(A) in de avond- en nachtperiode. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan het gangbare toetsingskader in het Activiteitenbesluit milieubeheer van 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Verder rust op Albemarle uit hoofde van de vigerende Wm-vergunning een zorgplicht om calamiteiten en de bijbehorende piekgeluiden zoveel als mogelijk te voorkomen. Vastgesteld is dat de situatie waarbij veiligheidsventielen gebruikt dienen te worden niet vaker voorkomt dan 12 keer per jaar en daarmee geen onderdeel uitmaakt van de representatieve bedrijfssituatie en dus ook geen onderdeel van het zonemodel. Deze piekgeluiden komen volgens de raad alleen incidenteel voor bij een calamiteit en zijn dus geen onderdeel van de reguliere bedrijfsvoering. Deze zijn daarom terecht niet meegenomen in de beoordeling van de milieueffecten, zo stelt de raad. Andere dan reguliere onderhoudswerkzaamheden, zoals door Albemarle genoemd, vallen volgens de raad evenmin onder de representatieve bedrijfssituatie. Hierop is bouwregelgeving van toepassing waarvoor hogere toegestane emissies gelden. Daarnaast heeft de raad opgemerkt dat geluid ten gevolge van incidenteel onderhoud of calamiteiten niet is te voorspellen en daarmee niet te regelen is in een milieuvergunning. Piekgeluiden die het gevolg zijn van die activiteiten, zijn volgens de raad niet vergund en calamiteiten hoeven bij de beoordeling van geluid niet te worden meegenomen. 27.2. Mede gelet op de hiervoor weergeven toelichting en onderbouwing door de raad ziet de Afdeling in wat Albemarle heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad is uitgegaan van een onjuiste representatieve bedrijfssituatie wat betreft de piekgeluiden. Het akoestisch onderzoek is in zoverre dus niet onjuist of onvolledig. Het betoog slaagt niet. - Zonemodel Johan van Hasseltkanaal Oost 28. Albemarle voert aan dat de tekst, figuren en conclusies in het MER niet zijn aangepast na aanvullend akoestisch onderzoek. Deze zijn nog steeds gebaseerd op het eerdere akoestisch onderzoek waarin een verouderd zonemodel is gebruikt voor Johan van Hasseltkanaal Oost, terwijl het aanvullend akoestisch onderzoek is gebaseerd op een nieuw zonemodel voor Johan van Hasseltkanaal Oost. 28.1. De raad stelt dat de analyse die Albemarle noemt is opgenomen in paragraaf 6.3.5 van het MER waar wordt verwezen naar aanvullende onderzoeken. Voor verkeer, geluid, stikstof en externe veiligheid zijn aanvullende onderzoeken uitgevoerd die ook relevant zijn voor het bestemmingsplan "Exclusiva Hamerkwartier". Deze onderzoeken zijn als bijlagen toegevoegd. Bij deze onderzoeken is gebruik gemaakt van het opgevulde zonemodel van de Omgevingsdienst. Daarmee bevat het MER volgens de raad de meest recente inzichten en alle milieu-informatie die nodig is om tot vaststelling van dit bestemmingsplan te komen. 28.2. Mede gelet op de hiervoor weergeven toelichting en onderbouwing door de raad ziet de Afdeling in wat Albemarle heeft aangevoerd over het zonemodel geen aanleiding voor het oordeel dat het MER onjuist of onvolledig is. Het betoog slaagt niet. - Effectbeoordeling 29. Albemarle voert aan dat het MER onzorgvuldig is, omdat de effectbeoordeling op nieuwe woningen in het Hamerkwartier bij industrielawaai uitgaat van het percentage van de kavels in plaats van het percentage geluidgehinderden. Dit is volgens Albemarle onzorgvuldig omdat kavels met hoge woontorens meer geluidgehinderden hebben dan kavels met laagbouw. 29.1. De raad heeft toegelicht dat het MER voor het Hamerkwartier uitgaat van een toekomstsituatie waarbij een stedenbouwkundig plan op hoofdlijnen is gebruikt. Dit betekent volgens de raad dat nog veel ruimte bestaat in de invulling van de kavels. De geluidbelasting per kavel geeft een goed beeld van de geluidbelasting die optreedt bij de realisatie van het totale plan, zo stelt de raad. 29.2. De raad mocht een stedenbouwkundig plan op hoofdlijnen hanteren bij het bepalen van de toekomstsituatie voor het Hamerkwartier. Omdat er voor het volledige Hamerkwartier in deze fase nog geen concreet bouwplan hoeft te zijn, hoefde de raad in dit geval niet uit te gaan van het aantal geluidgehinderden, maar heeft het ervoor mogen kiezen om uit te gaan van de geluidbelasting per kavel. Het betoog slaagt niet. - Classificeringscategorieën 30. Albemarle voert aan dat het MER onzorgvuldig is, omdat de figuren in het MER uitgaan van classificeringscategorieën in stappen van 5 dB(A) die niet inzichtelijk maken of de grenswaarden voor cumulatieve geluidbelasting worden overschreden. Op grond van het zesde lid van artikel 110a van de Wgh mag alleen een hogere waarde worden vastgesteld als de gecumuleerde geluidbelastingen niet leiden tot een onaanvaardbare geluidbelasting. Volgens het Amsterdams geluidbeleid treedt, wanneer een locatie door verschillende geluidbronnen wordt belast tot boven de voorkeursgrenswaarde, een onaanvaardbare geluidbelasting op als de gecumuleerde waarde meer dan 3 dB(A) hoger is dan de hoogste van de maximaal toegestane ontheffingswaarden. Voor gevels met een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van wegverkeerslawaai geldt daarom een bovengrens voor aanvaardbare cumulatieve geluidbelasting van 63 dB(A) + 3 dB(A) = 66 dB(A) en voor gevels met een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van industrielawaai van 55 dB(A) + 3 dB(A) = 58 dB(A). Verschillende figuren in het MER die de gecumuleerde geluidbelasting weergeven, gaan uit van classificeringscategorieën in stappen van 5 dB(A). Hierdoor is volgens Albemarle niet inzichtelijk of de grenswaarden van 66 dB(A) en 58 dB(A) worden overschreden en of het plan uitvoerbaar is. 30.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat in het MER de geluidbelasting bij volledige ontwikkeling van het Hamerkwartier inzichtelijk is gemaakt. Vervolgens dient op planniveau onderzoek verricht te worden naar de geluidbelasting vanwege industrielawaai, wegverkeerslawaai en scheepvaartlawaai. Aan de hand van de uitkomsten kunnen specifieke maatregelen genomen worden om deze geluidbelasting te verminderen. Ten behoeve van het bestemmingsplan is akoestisch onderzoek verricht naar het concrete initiatief voor de locatie Exclusiva. De berekeningsresultaten voor wegverkeerslawaai zijn opgenomen in tabel 4.1 t/m 4.5 en tabel 4.6 bevat de resultaten voor industrielawaai. Daarnaast volgt uit afbeelding 4.2 dat scheepvaartlawaai op een hoogte van ongeveer 40 m boven de 50 dB uitkomt. Op geen enkele hoogte wordt de 55 dB-grens overschreden. De raad stelt dat hiermee voldoende inzichtelijk is gemaakt of de grenswaarden op het niveau van Exclusiva worden overschreden. Omdat alleen sprake is van een overschrijding van de voorkeurswaarde door industrielawaai, bepaalt zowel de Wgh als het Amsterdams geluidbeleid dat cumulatie van geluid niet in beoordeling hoeft te worden betrokken, zo stelt de raad. 30.2. De Afdeling is van oordeel dat de raad, gelet op de hiervoor weergeven toelichting en onderbouwing, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt of sprake is van overschrijding van de voorkeursgrenswaarden. Het betoog slaagt niet. - Industrielawaai Hamerkop 31. Albemarle betoogt dat in het MER niet gesproken kan worden van een goede ruimtelijke ordening, omdat de paarse contour bij industrielawaai (>65 dB(A)) vanaf 25 m hoogte over enkele ontwikkelvelden aan de oostkant van het Hamerkwartier komt te liggen. Dit betekent dat er aan de oostkant vooral met dove gevels gewerkt zal moeten worden en dat de raad moet kijken of er niet vooral niet-woonfuncties aan de oostkant van het Hamerkwartier, dat het dichtstbij het terrein van Albemarle ligt, moeten komen. Ook wat betreft de gecumuleerde geluidbelasting ligt de 65 dB(A)-contour over de oostelijke ontwikkelvelden. Momenteel staan op deze oostelijke ontwikkelvelden nabij het terrein van Albemarle enkele hoge woontorens gepland. Gezien de hoge industrielawaaibelasting zijn de mogelijkheden voor het realiseren van woningen aan de oostkant van het Hamerkwartier beperkt. Het wordt daardoor onzeker of het plan voor het volledige Hamerkwartier haalbaar is, zo betoogt Albemarle. 31.1. De raad heeft toegelicht dat uitgaande van het nieuwe zonemodel, te zien is dat een hogere belasting in het oostelijke deel van het Hamerkwartier zal optreden. Dit betreft met name de Hamerkop. Volgens de raad laat dit echter onverlet dat woningbouw mogelijk is met gebruikmaking van hogere waarden en dove gevels. Dit laat de ontwikkeling van Exclusiva ook zien. Zo zullen er voor enkele gevels een hogere waarde worden bepaald en een geluidluwe zijde worden gecreëerd. Verder heeft de raad gesteld dat voor de ontwikkeling van de Hamerkop nader onderzoek zal worden verricht naar de gevelbelasting op basis van stedenbouwkundige modellen. Die ontwikkeling is volgens de raad nu echter niet aan de orde. Over de 65-dB(A)-contour die over de oostelijke ontwikkelvelden in het Hamerkwartier komt te liggen, heeft de raad ook gesteld dat deze beroepsgrond niet ziet op het bestemmingsplan "Exclusiva Hamerkwartier". Dit omdat die ontwikkelvelden nu niet ter discussie staan aangezien het bestemmingsplan betrekking heeft op verder van het terrein van Albemarle gelegen gronden. Uit het MER volgt dat de ontwikkeling van het Hamerkwartier om keuzes vraagt wat betreft positionering en functies, maar op voorhand niet onmogelijk is, zo stelt de raad. Verder heeft de raad toegelicht dat weliswaar voor het MER rekening is gehouden met de afschermende werking van hoogbouw, maar dit is niet het geval voor het akoestisch rapport dat ten grondslag ligt aan het bestemmingsplan "Exclusiva Hamerkwartier". 31.2. De raad heeft, gelet op de hiervoor weergegeven toelichting en onderbouwing, voor de vaststelling van het bestemmingsplan "Exclusiva Hamerkwartier" kunnen volstaan met de beoordeling van het industrielawaai op de Hamerkop, zoals het in het MER is gedaan. Bij een eventueel toekomstig plan voor de Hamerkop en waaraan dit MER weer ten grondslag wordt gelegd, zal uit het oogpunt van zorgvuldigheid gekeken moeten worden of dit MER nog toereikend is en kan zo nodig worden gewerkt met een aanvulling op het MER. Het betoog slaagt niet. Luchtkwaliteit en geur- en stofemissies 32. Albemarle betoogt dat het MER en het hieraan ten grondslag liggende luchtkwaliteitsonderzoek van 5 december 2021 en het onderzoek naar geur- en stofemissies van eveneens 5 december 2021 het effect van de emissies van Albemarle op een hoogte vanaf 50 m ondeugdelijk in kaart brengen. Dit terwijl de voorziene hoogbouw in het oostelijke deel van het Hamerkwartier, nabij Albemarle, een hoogte heeft van 120 m. Daartoe voert zij aan dat het in het onderzoek naar geur- en stof(fen)emissies gehanteerde rekenmodel Safeti-NL ongeschikt is. Daarnaast worden in het MER en het hieraan ten grondslag liggende onderzoek geur- en stofemissies in relatie tot de stoffen platina, koper en vanadium getoetst aan grenswaarden die bedoeld zijn voor Arbo-onderzoek naar het professioneel werken met gevaarlijke stoffen (8 uur per dag, 5 dagen per week) en niet voor wonen in de buurt van een bedrijf dat werkt met gevaarlijke stoffen (24 uur per dag, 7 dagen per week). 32.1. Volgens de raad is Safeti-NL het voorgeschreven pakket voor het berekenen van de omgevingsveiligheidsrisico’s van inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden gebruikt, verpakt, bewerkt of opgeslagen. Ook heeft het RIVM, als beheerder van het programma, bevestigd dat de berekeningen die met behulp van dit programma zijn gemaakt, correct zijn uitgevoerd. In het onderzoek geur- en (stoffen)emissies van LPB Sight van 5 december 2021 is in paragraaf 2.3 uiteengezet op welke manier blootstelling aan emissies op grote hoogte is berekend. Verder heeft de raad toegelicht dat met Safeti-NL niet een representatieve blootstelling door de tijd wordt berekend, maar er wordt wel berekend tot welke hoogte de concentratie toeneemt en vanaf welke hoogte zij weer afneemt. Daartoe is in Safeti-NL een bron gemodelleerd overeenkomstig de hoogste bron bij Albemarle op 43 m hoog met tevens de hoogste emissie NOx van alle bronnen van Albemarle. In bijlage II van de Beoordeling geur- en stof(fen)emissies Albemarle zijn de resultaten van de berekeningen in Safeti-NL weergegeven. Daaruit volgt dat de omvang van de arbitrair gekozen 4 µg/m3-contour steeds tot een hoogte tussen 40 en 50 m toeneemt, om daarna weer af te nemen tot grotere hoogte. Dit betekent volgens de raad dat de blootstellingsconcentraties vanaf een hoogte van 50 m altijd lager zullen zijn dan daaronder. Uit het onderzoek geur- en (stoffen)emissies van LPB Sight van 5 december 2021 is per stof(groep) ingegaan op de emissies, en wat deze betekenen voor de omgeving van Albemarle. Daarbij is gebruik gemaakt van de gegevens uit de vergunning en de specifieke emissiegegevens die door Albemarle zijn aangeleverd. De gehanteerde emissiegrenswaarden zijn gebaseerd op de waarden die voortvloeien uit Afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, BBT-conclusies en BREF-documenten. In paragraaf 2.8 van dat onderzoek is ingegaan op overige metalen zoals platina, koper en vanadium. In die paragraaf is uiteengezet dat voor deze metalen geen blootstellingsgrenswaarden voor langdurig verblijf gelden. Om die reden wordt daarvoor aangesloten bij Arbo-grenswaarden die wel gelden. Indien aangesloten wordt bij de Arbo-grenswaarden, dan geldt dat de maximale blootstellingsconcentratie een factor 10-100 beneden die grenswaarde ligt. In dat opzicht legt dit geen beperking op aan de invulling van het transformatiegebied, noch werkt het plan beperkend op de activiteiten van Albemarle, zo stelt de raad. 32.2. Deze beroepsgrond heeft voornamelijk betrekking op de toekomstige ontwikkeling van de Hamerkop en niet op het bestemmingsplan "Exclusiva Hamerkwartier". Zoals ook hiervoor overwogen kan, bij een opvolgend plan waaraan dit MER weer grondslag wordt gelegd, worden gekeken of het MER nog toereikend is. In wat Albemarle heeft aangevoerd over luchtkwaliteit en geur- en stofemissies ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het MER niet aan het bestemmingsplan "Exclusiva Hamerkwartier" ten grondslag mocht worden gelegd. Het betoog slaagt niet. Beschrijving van de doelstellingen in het MER 33. Albemarle betoogt dat de beschrijving van de doelstellingen in het MER gebrekkig is. Op grond van artikel 7.23, eerste lid, onder a, van de Wm bevat een milieueffectrapport een beschrijving van de activiteit met informatie over de locatie, het ontwerp, de omvang en andere relevante kenmerken van de activiteit. In dit kader is ook vereist dat een milieueffectrapport de doelstelling van de activiteit beschrijft. De beschrijving van de doelstelling in het MER is volgens Albemarle gebrekkig, omdat in de beschrijving van de doelstelling "leefbaarheid" ten onrechte het aspect veiligheidsbeleving ontbreekt. Dit terwijl het Hamerkwartier wordt ontwikkeld op slechts 150 m afstand van het terrein van Albemarle. Het is daarom van belang dat veiligheidsbeleving van het wonen in de nabijheid van Albemarle goed wordt onderzocht. 33.1. De raad stelt zich op het standpunt dat veiligheidsbeleving geen onderdeel vormt van het beoordelingskader voor een goede ruimtelijke ordening. Externe veiligheid als zodanig wel en daar is het bestemmingsplan volgens de raad ook op beoordeeld. In het MER staat dat gezien de ligging van Hamerkwartier naast een chemische fabriek, de veiligheidsbeleving van de nieuwe bewoners van het Hamerkwartier wordt gemonitord. Daarbij zal de samenwerking met de GGD worden gezocht. 33.2. Gelet op de toelichting van de raad ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de beschrijving van de doelstellingen in het MER voor wat betreft het bestemmingsplan "Exclusiva Hamerkwartier" ontoereikend is. Het betoog slaagt niet. Beschrijving van de referentiesituatie in het MER 34. Albemarle betoogt dat in de beschrijving van de referentiesituatie in het MER verschillende autonome ontwikkelingen ten onrechte niet zijn meegenomen. Op grond van artikel 7.23, eerste lid, onder b, van de Wm bevat een milieueffectrapport een beschrijving van de waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben. Onderdeel hiervan is een beschrijving van de referentiesituatie. Het MER baseert zich op de referentiesituatie in het jaar 2030. Albemarle voert aan dat de autonome ontwikkelingen in het kader van de energietransitie ten onrechte niet in de referentiesituatie zijn meegenomen. Zij stelt dat de energietransitie Albemarle noodzaakt tot het nemen van ingrijpende maatregelen op korte termijn, omdat zij op grond van gemeentelijk beleid haar emissie moet reduceren tot 55% in 2030. Daarom moet Albemarle maatregelen nemen. Die maatregelen zijn voldoende zekere ontwikkelingen die in de referentiesituatie moeten worden meegenomen. Zij verwijst hiervoor naar haar Toekomstvisie in 6.2 van de door haar ingediende zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan. Ook wijst Albemarle hierbij op het Klimaatakkoord van Parijs, het Nationale Klimaatakkoord, de Klimaatwet, het Klimaatplan 2021-2030, de concept Klimaatnota 2022, de Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050 en de Transitievisie warmte Amsterdam. Verder voert Albemarle aan dat de wijziging van de HPC-3 fabriek ten onrechte niet als autonome ontwikkeling in de referentiesituatie is meegenomen. Volgens haar kan redelijkerwijs worden aangenomen dat deze vergunning verleend zal worden. Deze vergunning zal leiden tot extra NHC-opslag en een verhoging van het aantal verladingen NHC, zodat de plaatsgebonden risicocontouren en het groepsrisico toenemen. Ook voert Albemarle aan dat de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor transport over water ten onrechte niet als autonome ontwikkeling in de referentiesituatie is meegenomen. Deze aanvraag ziet op het deels overbrengen van wegtransport naar transport over het water en kan volgens haar worden gezien als autonome ontwikkeling die van invloed is op het referentiescenario. De raad stelt volgens Albemarle ten onrechte dat de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan. Een redelijke uitleg van het begrip "water" brengt volgens haar met zich mee dat hieronder ook transport over water, het aan- en afmeren van schepen en overslagfaciliteiten moeten worden begrepen. Albemarle heeft dan ook bezwaar gemaakt tegen het besluit om omgevingsvergunning te weigeren. 34.1. Ten aanzien van maatregelen in het kader van de energietransitie stelt de raad dat de door Albemarle genoemde noodzakelijke aanpassingen onvoldoende concreet zijn om als autonome ontwikkeling mee te kunnen nemen in het MER. De referentiesituatie voor Albemarle in het MER is bepaald door de autonome situatie die is afgeleid uit alle verleende vergunningen en meldingen, en de voldoende concreet uitgewerkte beoogde uitbreidingen als representatieve invulling van de maximaal planologische ruimte die het bestemmingsplan "Nieuwendam Zuid II" en het bestemmingsplan "Hamerstraatgebied" aan Albemarle geven. De raad stelt dat de representatieve invulling mede is bepaald op basis van de lopende aanvragen terwijl ook de door Albemarle overgelegde Toekomstvisie bij de beoordeling is betrokken. Maar volgens de raad zijn de in de Toekomstvisie opgenomen ontwikkelingen niet vervat in een concrete aanvraag, noch is door Albemarle concreet gemaakt wat deze ontwikkelingen exact behelzen en wanneer hiertoe een aanvraag wordt ingediend. Om die reden zijn de ontwikkelingen in de Toekomstvisie in het kader van het MER voor het Hamerkwartier buiten beschouwing gelaten. De klimaatdoelstellingen kunnen wel als autonome ontwikkeling worden aangemerkt, maar niet de maatregelen om die klimaatdoelstellingen te bereiken. De uitspraak van 11 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG4085, waar Albemarle naar verwijst, kan volgens de raad niet leiden tot een ander oordeel. In dat geval was in het MER geen rekening gehouden met onder meer de ontwikkelingen van de Spoorzone in Breda, terwijl de kans groot was dat deze in de toekomst werden gerealiseerd. Niettemin oordeelde de Afdeling dat het MER volledig was. Dit omdat in het MER geen rekening hoeft te worden gehouden met ontwikkelingen waarover nog geen besluitvorming heeft plaatsgevonden. Dit is ook de situatie in het voorliggende geval, zo stelt de raad, want van concrete plannen van Albemarle is geen sprake. Wat betreft de aanvraag voor extra NHC-opslag en verhoging van het aantal verladingen NHC stelt de raad dat hier rekening mee is gehouden doordat in het MER een gevoeligheidsanalyse is opgenomen voor de in 2020 ingediende aanvraag Wm-vergunning voor het wijzigen van de HPC-3 fabriek. Ten aanzien van emissies van stoffen (luchtkwaliteit) is geen rekening gehouden met de in 2020 ingediende aanvraag voor het wijzigen van de HPC-3 fabriek omdat Albemarle zelf bij haar aanvraag heeft aangegeven dat toekomstige emissies verwaarloosbaar zijn. Over het transport over water stelt de raad dat de door Albemarle aangevraagde activiteit in strijd is met het bestemmingsplan. Dit omdat uit artikel 25.1 van de regels van het bestemmingsplan "Nieuwendam Zuid II" blijkt dat voor "water" aangewezen gronden zonder nadere aanduiding slechts zijn bestemd voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Bruggen, plezierboten of woonschepen zijn alleen toegestaan met een nadere aanduiding op de verbeelding. Die nadere aanduiding ontbreekt bij het water dat de inrichting van Albemarle omsluit. Omdat watertransport zonder mogelijkheid om ter plaatse aan te leggen onmogelijk is, is van onlosmakelijke activiteiten geen sprake. Van een autonome ontwikkeling is volgens de raad dan ook geen sprake. De raad ziet in het weigeringsbesluit van 28 juli 2022 van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland bevestiging dat de aangevraagde activiteit in strijd is met het bestemmingsplan. Daarnaast is de vergunning geweigerd wegens een evidente privaatrechtelijke belemmering. 34.2. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is en tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. De Afdeling overweegt dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de in de zienswijze van Albemarle genoemde en in het kader van de beroepsprocedure toegelichte ontwikkelingen over de energietransitie, onvoldoende concrete initiatieven zijn om te betrekken in de referentiesituatie. Het betoog van Albemarle biedt geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat door de energietransitie de situatie voor de omgeving in aanmerkelijke mate wijzigt. Ten tijde van de vaststelling van het plan lag alleen de aanvraag voor 90 verladingen NHC per jaar voor. Dit is wel een voldoende concreet initiatief dat in de referentiesituatie voor het MER betrokken moet worden. Gelet op wat er op pagina 20 van het MER staat is dit in het MER als gevoeligheidsanalyse bij de relevante milieuaspecten meegenomen. Over de in november 2021 ingediende aanvraag van Albemarle voor transport over water is in het MER vermeld dat deze activiteit niet vergund kan worden wegens strijd met het bestemmingsplan. De Afdeling stelt vast dat hierover veel discussie is tussen de raad en Albemarle. Maar wat daar ook van zij, gelet op het weigeringsbesluit van het college van gedeputeerde staten van 28 juli 2022 mocht de raad zich op het standpunt stellen dat de activiteiten waarop de desbetreffende aanvraag betrekking had, niet als autonome ontwikkeling in het MER hoefden te worden betrokken. Het betoog slaagt niet. Beschrijving van de milieueffecten in het MER 35.