(10)voor de motivatiebrief, zou leiden tot het rangnummer 95 voor [appellante]. Plaatsingsbewijzen voor het studiejaar 2023-2024 zijn uitgegeven tot rangnummer
- Het college geeft daarmee aan dat ook als die 1,5 punt alsnog wordt toegekend en bovendien haar motivatiebrief met een 10 zou zijn beoordeeld, [appellante] nog geen aanspraak kan maken op een plaatsingsbewijs. Het college benadrukt daarbij dat [appellante] in werkelijkheid slechts 6 van de 10 punten heeft gekregen voor de motivatiebrief. 3.
- In haar reactie stelt [appellante] dat omdat het rangnummer uit de brief van 12 januari 2024 verschilt van het rangnummer dat is toegekend na de beslissing van 7 juli 2023, er moet worden getwijfeld aan de juistheid en de volledigheid van de werkwijze van de selectiecommissie. De geslotenheid van de selectieprocedure brengt grote verantwoordelijkheid met betrekking tot de zorgvuldigheid mee. De selectiecommissie heeft deze zorgvuldigheid aantoonbaar niet betracht, aldus [appellante]. Beoordeling van het beroep door de Afdeling
- In de brief van de selectiecommissie van 13 juli 2023 is aangegeven dat de motivatiebrief alsnog is beoordeeld in het kader van het persoonlijk dossier en er daarom 6 punten zijn opgeteld bij het al vergeven puntenaantal voor het persoonlijk dossier. Het college heeft daarbij echter geen rekening gehouden met de omstandigheid dat door het los insturen van de motivatiebrief en de beoordeling daarvan, er geen punten zijn toegekend voor de volledigheid van het dossier. Daardoor heeft [appellante] een hoger rangnummer toegekend gekregen dan haar behoort toe te komen. Dat maakt naar het oordeel van de Afdeling dat het college zijn beslissing niet zorgvuldig heeft voorbereid. Een zorgvuldige voorbereiding door het college had met zich gebracht dat aan [appellante] in de bestreden beslissing een lager (fictief) rangnummer was toegekend. Daarbij neemt de Afdeling ook in aanmerking dat dit pas is gebleken nadat de Afdeling naar aanleiding van het betoog van [appellante] daarover aan het college nadere schriftelijke vragen heeft gesteld. 4.
- Gelet op het vorenstaande komt de beslissing van 7 juli 2023 wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van de te vernietigen beslissing in stand te laten. Gelet op de nadere schriftelijke toelichting van het college is de Afdeling van oordeel dat het opnieuw door het college nemen van een beslissing op het bezwaar van [appellante], inhoudelijk niet tot een andere uitkomst kan leiden dan dat zij niet in aanmerking komt voor een plaatsingsbewijs. De Afdeling gaat uit van de juistheid van de beoordeling van de algemene kwaliteit van het persoonlijk dossier in deze toelichting. De beoordeling van het kennen en kunnen van [appellante] is ingevolge artikel 8:4, lid 3, onder b van de Awb aan het oordeel van de Afdeling onttrokken. Zelfs bij de meest positieve beoordeling van de motivatiebrief met 10 punten, de volledigheid van het persoonlijk dossier en het taalgebruik in de motivatiebrief wordt aan [appellante] niet een zodanig aantal punten toegekend dat zij een plaatsingsbewijs kan verkrijgen. Met het puntenaantal waar zij daadwerkelijk recht op heeft (dus met 6 punten voor haar motivatiebrief), staat zij bovendien relatief ver verwijderd van een rangnummer waarbij een plaatsingsbewijs wordt toegekend. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om het college op te dragen om opnieuw een beslissing op het bezwaar van [appellante] te nemen en laat daarom de rechtsgevolgen van de beslissing van 7 juli 2023 in stand. Conclusie
- Het beroep is gegrond. De beslissing van het college van 7 juli 2023 wordt vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van de te vernietigen beslissing van 7 juli 2023 in stand te laten.
- Het college moet op de hierna vermelde wijze de proceskosten van [appellante] die daarvoor in aanmerking komen, vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep gegrond; II. vernietigt de beslissing van het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam van 7 juli 2023, met kenmerk 2023-089465; III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van de onder II. genoemde beslissing geheel in stand blijven; V. veroordeelt het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten van € 40,52, geheel toe te rekenen aan gemaakte reiskosten; VI. bepaalt dat het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht van € 50,00 vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. van Zanten, griffier. w.g. Polak lid van de enkelvoudige kamer De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2024 97-1089