(1984)ondertekend, waarin onder meer het belang van naleving van het beginsel van non-refoulement wordt benadrukt, en dat beginsel op nationaal niveau vastgelegd in de migratiewet van
- Verder heeft de staatssecretaris erop gewezen dat hij geen berichten heeft gevonden waaruit blijkt dat Costa Rica vluchtelingen gedwongen terugstuurt naar hun land van herkomst. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, mocht de staatssecretaris met deze motivering volstaan en hoefde hij niet nader te onderzoeken of Costa Rica het beginsel van non-refoulement in de praktijk daadwerkelijk naleeft. Voor zover de vreemdelingen van mening zijn dat dit niet het geval is, is het aan hen om dat met concrete informatie te staven. Dat hebben zij niet gedaan. Om die reden gaat de verwijzing door de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3378, niet op. De vreemdelingen in die zaak hadden namelijk verwezen naar informatie ter staving van hun standpunt dat vluchtelingen in het desbetreffende derde land niet volgens de in artikel 3.106a, eerste lid, van de Vb 2000 bedoelde beginselen worden behandeld. 3.
- De grief slaagt. Tussenconclusie
- Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist. Beroep
- De vreemdelingen betogen dat zij slechte ervaringen hebben gehad in Costa Rica waardoor zij niet terug kunnen keren. Zo wijzen zij onder meer op problemen met een werkgever, de verhuurder van het hostel waar zij verbleven, de Lutheraanse kerk en een advocatenkantoor. Ook ondervonden zij discriminatie op de woningmarkt, aldus de vreemdelingen. 5.
- In de besluiten heeft de staatssecretaris toegelicht dat hij van de vreemdelingen verwacht dat zij voor deze problemen de hulp inroepen van de Costa Ricaanse autoriteiten of andere instanties en heeft hij onder verwijzing naar openbare bronnen de mogelijkheden daarvoor uiteengezet. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdelingen, omdat zij niet of nauwelijks van deze mogelijkheden gebruik hebben gemaakt, niet aannemelijk hebben gemaakt dat de Costa Ricaanse autoriteiten hen niet kunnen of willen helpen. Dat zij weinig vertrouwen hebben in de autoriteiten of andere hulpverlenende instanties, zoals zij hebben gesteld, betekent nog niet dat het inroepen van hulp bij voorbaat zinloos of onmogelijk is. Ook de in beroep overgelegde informatie van Vluchtelingenwerk Nederland biedt daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. 5.
- De beroepsgrond faalt. Conclusie
- Het beroep is ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 6 oktober 2022, gerectificeerd op 18 oktober 2022, in zaken nrs. NL22.14011 en NL22.14013; III. verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. J.H. van Breda, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier. w.g. Steendijk voorzitter w.g. Prins griffier Uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2024 363-1024