(2010)vastgelegd dat expliciet moet worden aangetoond dat er geen plaats is in het centrum of in de centrumrand. 15.3. De Afdeling stelt vast dat Varensa de door haar gewenste ‘bredere branchering’ niet heeft gespecificeerd. Voor de branches fietsen en autoaccessoires geldt - evenals voor supermarkten, dat moet worden aangetoond dat er geen plaats is in het centrum of de centrumrand. 15.4. In de Seinpost-notitie staat dat de territoriale beperking voor Varensa onderdeel uitmaakt van een breed pakket aan maatregelen om de detailhandelstructuur van Heerenveen te versterken. Het Programma Centrum Heerenveen is een voorbeeld van zo’n breed pakket aan maatregelen. Er wordt winkelconcentratie nagestreefd en er wordt versnippering van detailhandel voorkomen. De locatiekeuze en territoriale beperking zijn structuurbepalende en harde maatregelen. Voorbeelden van zachte maatregelen zijn een verbetering van een gevel, de aanpak van de openbare ruimte om het verblijfsklimaat te verbeteren, marketing en promotie, verplaatsing van een kleinere winkel of de acquisitie van een nieuw winkelconcept. 15.5. De Afdeling stelt vast dat er in Heerenveen een combinatie van harde en zachte maatregelen wordt ingezet. Alleen zachte maatregelen leiden niet tot het gewenste resultaat. Daarom wordt ook ingezet op bestemmingsplanregels met een territoriale beperking. Voor zover Varensa stelt dat de doelen op minder ingrijpende wijze kunnen worden bereikt, heeft zij dat niet met concrete gegevens onderbouwd. De Afdeling acht het dan ook niet aannemelijk dat het genoemde doel op een minder ingrijpende wijze kan worden geëffectueerd. Voor zover Varensa stelt dat de raad ten onrechte niet de door haar genoemde mogelijkheden, zoals minder vierkante meters supermarktruimte, heeft onderzocht, dan wel of een bredere brancheringsregeling mogelijk is, stelt de Afdeling vast dat daartoe geen concrete aanvraag voorlag. 15.6. Gelet hierop volgt de Afdeling de raad in zijn conclusie dat de opgenomen regeling niet verder gaat dan nodig is om de beoogde doelen te bereiken, terwijl die doelen niet met andere, minder beperkende maatregelen kunnen worden bereikt. Conclusie Dienstenrichtlijn 16. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de planregeling niet voldoet aan de eisen van artikel 15, derde lid, onder b en c, van de Dienstenrichtlijn. De beroepsgronden over de Dienstenrichtlijn slagen niet. Conclusie 17. Het beroep is ongegrond. 18. Gelet op overweging 4.4. dient de raad op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk; II. verklaart het beroep tegen het besluit van 9 juni 2022 ongegrond; III. veroordeelt de raad van de gemeente Heerenveen tot vergoeding van bij Varensa B.V. in verband met de behandeling van het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; IV. gelast dat de raad van de gemeente Heerenveen aan Varensa B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 365,00 vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. H.C.P. Venema, voorzitter, mr. G.O. van Veldhuizen en mr. J.C.A. de Poorter, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Heinen, griffier. w.g. Venema voorzitter w.g. Heinen griffier Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2024 632 Bijlage Algemene wet bestuursrecht Artikel 6:12 1. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking, is het niet aan een termijn gebonden. 2. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra:
- a)het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en
- b)twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. 3. Indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, kan het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen. 4. Het beroep is niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend. Artikel 7:10 1. Het bestuursorgaan beslist binnen zes weken of - indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld - binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. [..] Artikel 7:13 1. Dit artikel is van toepassing indien ten behoeve van de beslissing op het bezwaar een adviescommissie is ingesteld:
- a)die bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden,
- b)waarvan de voorzitter geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan en
- c)die voldoet aan eventueel bij wettelijk voorschrift gestelde andere eisen. 2. Indien een commissie over het bezwaar zal adviseren, deelt het bestuursorgaan dit zo spoedig mogelijk mede aan de indiener van het bezwaarschrift. 3. Het horen geschiedt door de commissie. De commissie kan het horen opdragen aan de voorzitter of een lid dat geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan. 4. De commissie beslist over de toepassing van artikel 7:4, zesde lid, van artikel 7:5, tweede lid, en, voor zover bij wettelijk voorschrift niet anders is bepaald, van artikel 7:3. 5. Een vertegenwoordiger van het bestuursorgaan wordt voor het horen uitgenodigd en wordt in de gelegenheid gesteld een toelichting op het standpunt van het bestuursorgaan te geven. 6. Het advies van de commissie wordt schriftelijk uitgebracht en bevat een verslag van het horen. 7. Indien de beslissing op het bezwaar afwijkt van het advies van de commissie, wordt in de beslissing de reden voor die afwijking vermeld en wordt het advies met de beslissing meegezonden. Dienstenrichtlijn Artikel 15 1. De lidstaten onderzoeken of in hun rechtsstelsel de in lid 2 bedoelde eisen worden gesteld en zien erop toe dat eventueel bestaande eisen verenigbaar zijn met de in lid 3 bedoelde voorwaarden. De lidstaten passen hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen aan om de eisen met die voorwaarden in overeenstemming te brengen. 2. De lidstaten onderzoeken of de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit in hun rechtsstelsel afhankelijk wordt gesteld van de volgende niet-discriminerende eisen:
- a)kwantitatieve of territoriale beperkingen, met name in de vorm van beperkingen op basis van de bevolkingsomvang of een geografische minimumafstand tussen de dienstverrichters; […]
- d)eisen, niet zijnde eisen die betrekking hebben op aangelegenheden Cdie vallen onder Richtlijn 2005/36/EG of die in andere communautaire instrumenten zijn behandeld, die de toegang tot de betrokken dienstenactiviteit wegens de specifieke aard ervan voorbehouden aan bepaalde dienstverrichters; [...]
- h)een verplichting voor de dienstverrichter om in combinatie met zijn dienst andere specifieke diensten te verrichten. 3. De lidstaten controleren of de in lid 2 bedoelde eisen aan de volgende voorwaarden voldoen:
- a)[…];
- b)noodzakelijkheid: de eisen zijn gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang;
- c)evenredigheid: de eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken; zij gaan niet verder dan nodig is om dat doel te bereiken en dat doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt. […]