202106855/1/R2.Datum uitspraak: 27 maart 2024 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Haghorst, gemeente Hilvarenbeek, en anderen, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank ZeelandWestBrabant van 17 september 2021 in zaak nr. 21/242 in het geding tussen: [appellant] en anderen en het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek. Procesverloop Bij besluit van 20 november 2020 heeft het college aan KS NL32 B.V (hierna: Kronos) een omgevingsvergunning verleend voor de duur van 25 jaar voor het bouwen van een zonnepark in het gebied aan de Oirschotsedijk en Zandstraat te Haghorst (percelen N 1676, N 1679, N 1680 en N 1670). Bij uitspraak van 17 september 2021 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld. Het college, Kronos en [appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 mei 2023, waar [appellant] en anderen, in de persoon van [gemachtigde A] en [gemachtigde B], bijgestaan door ing. P.J.M. van Leest, rechtsbijstandverlener te Biest-Houtakker, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.P. Euverman, advocaat te Breda, zijn verschenen. Verder is ter zitting Kronos, vertegenwoordigd door mr. T.A. Hubregtse, advocaat te Arnhem, en [gemachtigde C], als partij gehoord. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 18 juli 2019. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 2. De omgevingsvergunning heeft betrekking op een projectgebied van 173.200 m2. Van het grondoppervlak zal 76,5% met zonnepanelen worden bedekt (132.600 m2). De overige gedeelten worden gebruikt voor landschappelijke inpassing, recreatie en versterking van de biodiversiteit. Daarnaast zullen 8 transformatorstations worden gerealiseerd. De zonnepanelen zullen een noord-zuid-opstelling hebben met een maximale paneelhoogte van 2,59 meter. De panelen komen op 100 cm afstand van het maaiveld te staan. Het terrein zal worden begraasd door schapen. 3. De omgevingsvergunning is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. De raad heeft een verklaring van geen bedenkingen afgegeven. 4. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak. Intrekking hogerberoepsgronden 5. [ appellant] en anderen hebben op de zitting hun hogerberoepsgronden over het aantal eisers in beroep, de opstellingsrichting van de zonnepanelen en de financieel-economische uitvoerbaarheid van het project ingetrokken. Goede procesorde 6. [ appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om het verweerschrift of de bijlagen wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten. Het verweerschrift exclusief bijlagen telt 17 pagina’s met 64 aandachtspunten, en werd 8 dagen voor de zitting door hen ontvangen. Met bijlagen telt het verweerschrift 286 pagina’s en zij hebben het 6 dagen voor de zitting ontvangen. 6.1. De rechtbank heeft onder 5.3 overwogen: "Het verweerschrift is niet van die omvang dat (het voorbereiden van) een adequate reactie daarop door eisers na de ontvangst van het verweerschrift niet mogelijk zou zijn. Ten aanzien van de bijlagen bij het verweerschrift geldt dat deze grotendeels al eerder als gedingstukken aan onder meer eisers zijn verstrekt. Daarnaast zijn als bijlagen een aantal algemene en openbaar te raadplegen visie-documenten verstrekt. Daarbij heeft de gemachtigde van eisers ter zitting desgevraagd bevestigd dat hij kennis heeft genomen van het verweerschrift en daar ook op kan reageren." 6.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:379, doet strijd met de goede procesorde zich voor als nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken verwijtbaar zo laat worden ingediend, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd. Bij het indienen van nadere stukken is ook de termijn van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van tien dagen voor de zitting van belang. Maar zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is deze termijn niet bepalend voor de vraag of het overleggen van nadere stukken in strijd is met de goede procesorde. Daarvoor verwijst de Afdeling naar haar uitspraak van 15 augustus 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB1758. Voor het antwoord op die vraag is namelijk doorslaggevend of een zinvolle bespreking van de stukken op de zitting kan plaatsvinden. 6.3. Gelet op de door de rechtbank genoemde omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant] en anderen door de te late indiening van de nadere stukken zijn belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins is belemmerd, en ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat een zinvolle behandeling ter zitting niet kon plaatsvinden. De rechtbank heeft daarom het verweerschrift of de bijlagen niet wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing hoeven laten. Het betoog slaagt niet. Perceelsaanduidingen 7. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de omgevingsvergunning onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat in het besluit van 20 november 2020 tot verlening van de omgevingsvergunning op p. 1 staat dat zij de percelen N 1676, N 1679, N 1680 en N 1670 betreft, terwijl op p. 2 van de omgevingsvergunning onder het kopje "overwegingen" staat dat het om de percelen N 1676, N 1424 en N 1425 gaat. 7.1. De vermelding van de percelen op p. 2 van het besluit van 20 november 2020 bevat een kennelijke verschrijving. Uit dit besluit, waaronder de daarin opgenomen afbeeldingen, de beschrijving van de locatie in het daarvan deel uitmakende document 9ink07526 "Aanvraagformulier", alsmede het raadsvoorstel van 13 oktober 2020, blijkt dat de verleende vergunning betrekking heeft op de percelen N 1676, N 1679, N 1680 en N 1670. Het door [appellant] en anderen gestelde kan niet afdoen aan de inhoud en de strekking van het besluit. Het betoog slaagt niet. Hoekje perceel N 1676 8. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat voldoende is geborgd dat geen zonnepanelen zullen worden geplaatst op het hoekje van perceel N 1676. De opmerking van Kronos en het college op de zitting van de rechtbank, dat daar conform de tekening grondplan met PV Layout geen zonnepanelen worden geplaatst, is daarvoor onvoldoende. Met de omgevingsvergunning wordt namelijk ook het gebruik van gronden toegestaan waar dat in strijd is met het geldende bestemmingsplan, dus ook op het omstreden hoekje van perceel N 1676, aldus [appellant] en anderen. 8.1. De rechtbank heeft onder 6.2 overwogen: "De rechtbank is van oordeel dat die beroepsgrond niet kan slagen, omdat vergunninghoudster en het college ter zitting hebben bevestigd dat het zonnepark zal worden gebouwd conform de tekening grondplan met PV Layout. Die tekening maakt onderdeel uit van het bestreden besluit en op die tekening is te zien dat op het hoekje van perceel N 1676 geen zonnepanelen zullen worden geplaatst." 8.2. Blijkens het besluit van 20 maart 2020 maakt van de omgevingsvergunning mede het document 20ink09981 "Tekening grondplan met PV layout" deel uit. Volgens deze tekening zullen op het hoekje van perceel N 1676 geen zonnepanelen worden geplaatst. Omdat deze tekening deel uitmaakt van de vergunning is het niet toegestaan om op het hoekje van perceel N 1676 zonnepanelen te plaatsen, zodat dit voldoende is geborgd. Het betoog slaagt niet. Verklaring van geen bedenkingen (vvgb); kennisgeving 9. [appellant] en anderen betogen dat in de publicatie van de ontwerp omgevingsvergunning ten onrechte niet is aangegeven dat er ook zienswijzen konden worden ingediend tegen de ontwerp-vvgb, noch dat die moesten worden gericht aan de raad. 9.1. Het college stelt dat kennisgeving is gedaan dat een ontwerp van een omgevingsvergunning ter inzage lag, in de Staatscourant van 31 juli 2020. Daarin is vermeld dat het ontwerpbesluit en de daarop betrekking hebbende stukken ter inzage lagen in het gemeentehuis. Onder deze stukken bevond zich ook de ontwerp-vvgb. Volgens het college is op de juiste wijze kennisgegeven van de ontwerp-vvgb. 9.2. Artikel 3:12, eerste lid, van de Awb luidde ten tijde van belang: "Voorafgaand aan de terinzagelegging geeft het bestuursorgaan in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van het ontwerp. Volstaan kan worden met het vermelden van de zakelijke inhoud." Artikel 2.27, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) luidt: "In bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen wordt een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. […]" Het vijfde lid luidt: "De verklaring wordt vermeld in de beschikking op de aanvraag. Een exemplaar ervan wordt bij ieder exemplaar van die beschikking gevoegd." Artikel 3.11, derde lid, luidt: "Zienswijzen die overeenkomstig artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht naar voren worden gebracht […] kunnen mede betrekking hebben op het ontwerp van de verklaring [als bedoeld in artikel 2.27]. Voor zover dat het geval is, zendt het bevoegd gezag ze onverwijld aan het bestuursorgaan dat de verklaring geeft. Dit deelt zijn oordeel daarover mee aan het bevoegd gezag." Artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) luidt: "Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is." 9.3. In haar uitspraak van 19 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2734, onder 2.1.1, heeft de Afdeling onder verwijzing naar de geschiedenis van de totstandkoming van de Wabo, Kamerstukken II, 2006/07, 30844, nr. 3, blz. 28, overwogen dat het ontwerp van de beslissing over de vvgb dezelfde procedure doorloopt als het ontwerpbesluit, wat betekent dat ten aanzien van beide onderdelen (ontwerpbesluit en ontwerp van de vvgb) zienswijzen kunnen worden ingediend. 9.4. In de kennisgeving van het ontwerpbesluit in de Staatscourant van 31 juli 2020 is onder meer vermeld: "Burgemeester en Wethouders van Hilvarenbeek maken bekend dat zij voornemens zijn om, voor een periode van 25 jaar, met toepassing van artikel 2.12 lid 1, sub a onder 3 Wabo af te wijken van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied" voor de realisatie van een zonnepark met bijbehorende voorzieningen aan Oirschotsedijk/Zandstraat ongenummerd te Diessen. […] Het ontwerpbesluit en de daarop betrekking hebbende stukken kunnen met ingang van maandag 3 augustus 2020 gedurende zes weken door eenieder ingezien en/of digitaal geraadpleegd worden bij het team Burgerzaken/KCC van het gemeentehuis. Tevens zijn de stukken te raadplegen op de website van de gemeente Hilvarenbeek (www.hilvarenbeek.nl). De ontwerp-omgevingsvergunning is daarnaast digitaal te raadplegen op de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl via de volgende link: […]." Hiermee is in de kennisgeving de zakelijke inhoud van het ontwerpbesluit vermeld. Bovendien is vermeld dat de op het ontwerpbesluit betrekking hebbende stukken ter inzage lagen. Aangezien, zoals in de kennisgeving is vermeld, het college voornemens was vergunning te verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo, behoorde daartoe ook de ontwerp-vvgb. Ook de vermelding als bedoeld in artikel 2.27, vijfde lid, van de Wabo in het ontwerpbesluit waarborgde dat bij het inzien van het ontwerpbesluit kennis kon worden genomen van de ontwerp-vvgb en daarover zienswijzen naar voren konden worden gebracht. Hoewel in de kennisgeving niet uitdrukkelijk is vermeld dat ook over de ontwerp-vvgb zienswijzen naar voren konden worden gebracht, bestaat daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de kennisgeving niet voldeed aan artikel 3:12, eerste lid, van de Awb. Anders dan [appellant] en anderen betogen, volgt uit artikel 3.11, derde lid, van de Wabo niet dat zienswijzen over de vvgb moeten worden gericht aan de raad. Het betoog slaagt niet. Vvgb; eisen vanuit de raad 10. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de woordvoerder van de lokale partij HOI Werkt tijdens de raadsvergadering van 9 juli 2020 over de ontwerp-vvgb verschillende harde eisen heeft uitgesproken en heeft verzocht deze op te nemen in de besluitenlijst. Deze houden onder meer in dat de initiatiefnemer een voldragen participatieplan aanlevert om 50% lokale participatie te realiseren en het college die afspraken goed borgt in een anterieure overeenkomst. Volgens [appellant] en anderen kon de vvgb op grond hiervan pas worden afgegeven als aan deze eisen was voldaan. De anterieure overeenkomst moest niet alleen bij de raad bekend, maar ook getekend zijn, ook al staat dat niet expliciet in de Kadernota bij de Visie Grootschalige Opwek (hierna: VGO). 10.1. Het college stelt dat de raad met het collegevoorstel en de daarbij behorende stukken voldoende informatie had om te beoordelen of hij het plan in overeenstemming met de goede ruimtelijke ordening acht. Een ondertekende anterieure overeenkomst was niet nodig voor het afgeven van de vvgb. 10.2. De rechtbank heeft onder 8.3 overwogen: "De rechtbank ziet verder geen aanleiding om aan te nemen dat een ondertekende anterieure overeenkomst voor de gemeenteraad een vereiste zou zijn om tot afgifte van de verklaring van geen bedenkingen te kunnen besluiten. Eisers hebben die stelling niet onderbouwd. Hoewel in de Kadernota bij de VGO als algemene voorwaarde is bepaald dat een anterieure overeenkomst onderdeel is van de vergunning, is daarin niet bepaald dat de overeenkomst ondertekend moet zijn voordat de definitieve verklaring van geen bedenkingen kan worden afgegeven." 10.3. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien om aan te nemen dat een ondertekende anterieure overeenkomst, dan wel andere door bedoelde woordvoerder van een politieke partij geuite eisen, voor de raad een vereiste waren om tot afgifte van de verklaring van geen bedenkingen te kunnen besluiten. De betrokken woordvoerder van een politieke partij heeft tijdens de raadsvergadering van 9 juli 2020 gesteld op dat moment met de ontwerp-vvgb in te stemmen, maar alleen onder voorwaarden te zullen instemmen met de definitieve vvgb, en heeft verzocht deze voorwaarden in de besluitenlijst op te nemen. Dat een raadslid in de vergadering over de ontwerp-vvgb bepaalde eisen heeft genoemd waaraan de definitieve vvgb zou moeten voldoen, betekent niet dat de raad hieraan bij de afgifte van de definitieve vvgb gebonden is. Overigens blijkt uit de besluitenlijst van de raadsvergadering van 11 november 2020 dat het desbetreffende raadslid vóór de afgifte van de definitieve vvgb heeft gestemd. Het betoog slaagt niet. Zonneladder 11. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de noodzaak en behoefte van nieuwvestiging van zonnepanelen in het buitengebied onvoldoende is onderzocht. De rechtbank heeft volgens hen ten onrechte geoordeeld dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat het initiatief voldoet aan de voorwaarden van de zonneladder. 11.1. De zonneladder is neergelegd in artikel 3.41, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening van Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant houdende regels omtrent omgeving (Interim Omgevingsverordening), zoals deze luidde ten tijde van belang, en in de zogenoemde VGO en de bijbehorende Kadernota, vastgesteld door de raad op 7 februari 2019, respectievelijk 16 mei 2019. Het uitgangspunt van de zonneladder is dat eerst wordt gekeken naar de mogelijkheid van zonnepanelen op daken en gevels (trede 0) en dat vervolgens wordt gekeken naar de mogelijkheid van grondgebonden zonnepanelen in of tegen bestaand stedelijk gebied (trede 1 en 2). De mogelijkheid van zonnepanelen in het buitengebied is de laatste trede (trede 3). 11.2. Artikel 3.41, eerste lid, aanhef en onder a, van de Interim Omgevingsverordening luidde ten tijde van belang: "Binnen Landelijk gebied is nieuwvestiging mogelijk van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie als: a. uit onderzoek blijkt dat de capaciteit voor het opwekken van duurzame energie in Stedelijk gebied, op bestaande bouwpercelen en rekening houdend met de ontwikkelingsmogelijkheden van windenergie onvoldoende is;". 11.3. De rechtbank heeft onder 9.5 geoordeeld "dat voldoende onderzoek is verricht naar de behoefte aan duurzame energie binnen de gemeente Hilvarenbeek en hoe daarin kan worden voorzien. Uit dat onderzoek is gebleken dat de mogelijkheden voor de opwekking van duurzame energie binnen stedelijk gebied en op daken onvoldoende is." 11.4. In de Kadernota, is op p. 13 de volgende tabel opgenomen: 11.5. [ appellant] en anderen voeren meer specifiek het volgende aan. 11.6. [ appellant] en anderen betogen dat in de derde kolom van de tabel ten onrechte is uitgegaan van een totaal benodigde oppervlakte aan zonnepanelen van 250 ha. De oppervlakte van 250 ha is gebaseerd op de inschatting in de VGO dat de totale energiebehoefte van de gemeente Hilvarenbeek 1 petajoule per jaar bedraagt tot 2050, oftewel 278 GWh. Volgens [appellant] en anderen is niet duidelijk hoe in de VGO de inschatting van de totale energiebehoefte van de gemeente Hilvarenbeek van 1 petajoule per jaar tot 2050 tot is stand gekomen. Volgens hen is deze behoefte te hoog ingeschat. Op p. 3 van de VGO staat als toelichting dat de Rijksoverheid rekent met een jaarlijkse energiebesparing van zo'n 2%. In het Parijs-akkoord staat 20% reductie in 2030 en 50% reductie in 2050 ten opzichte van 1990. De Regionale Energie- en Klimaatstrategie, REKS bod 1.0 (hierna: REKS), Regio Hart van Brabant, vastgesteld in juli 2021, paragraaf 4.2, sluit hier bij aan. Volgens www.klimaatmonitor.databank.nl is voor de gemeente Hilvarenbeek het totale energieverbruik 1,265 petajoule in 2020. Indien de richtlijn van de Rijksoverheid van 2% reductie per jaar wordt aangehouden, resulteert dat in een totaal energieverbruik van 0,69 petajoule in 2050, oftewel 191 GWh. Daarbij komt volgens [appellant] en anderen dat er in het geheel geen nadere analyse is gemaakt van de werkelijke energieverbruikers. Daarbij wijzen zij erop dat in www.klimaatmonitor.databank.nl zo'n 40% van het energieverbruik in de gemeente Hilvarenbeek wordt toegeschreven aan "Verkeer en vervoer". Dit kan volgens hen worden verklaard doordat per jaar 1,5 à 2 miljoen bezoekers met de auto naar het Resort Beekse Bergen komen. Er wordt volgens hen ten onrechte geen rekening mee gehouden dat Beekse Bergen zelf al maatregelen neemt om energieneutraal te worden. Volgens hen had het gemeentebestuur een betere analyse moeten maken van wie de energieverbruikers zijn en hoe dat verbruik het meest efficiënt kan worden aangepakt. 11.7. De rechtbank heeft onder 9.5 geoordeeld: "In de VGO wordt de totale energiebehoefte van de gemeente ingeschat op 1 petajoule per jaar tot 2050. Deze inschatting is gebaseerd op de klimaatmonitor. Omdat sprake is van een prognose en de toekomstige energiebehoefte afhankelijk is van onzekere omstandigheden acht de rechtbank het niet onredelijk dat sprake is van een inschatting, in plaats van een vaststelling op basis van een exacte berekeningen. Bij de inschatting is ook rekening gehouden met factoren die een drukkend effect kunnen hebben op de energiebehoefte, zoals warmtepompen en betere isolatie. De rechtbank ziet op voorhand geen aanleiding om aan te nemen dat de energiebehoefte wezenlijk anders zal zijn dan in de VGO is aangenomen." 11.8. In de VGO staat op p. 3: "Niemand weet met zekerheid hoe de vraag naar energie in het algemeen en die naar elektriciteit in het bijzonder zich gaat ontwikkelen. […] Voor de Hilvarenbeekse visie hanteren we vooralsnog als vuistregel dat de gemeente in de jaren tot 2050 ongeveer 1 petajoule aan elektriciteit per jaar nodig zal (blijven) hebben. Dit is, omgerekend naar een voor stroom gemakkelijker hanteerbare eenheid, gelijk aan 278 gigawatturen (GWh)." In voetnoot 1 op p. 3 is vermeld: "de Rijksoverheid rekent met een jaarlijkse elektriciteitsbesparing van zo’n 2%." In voetnoot 2 op p. 3 is vermeld: "De inschatting van de in de toekomst benodigde hoeveelheid elektriciteit in Hilvarenbeek is gebaseerd op de website klimaatmonitor.databank.nl. (De klimaatmonitor telt ook 'warmte’ en 'kinetische energie' mee.)" 11.9. De Afdeling overweegt dat, zoals in de VGO is vermeld, de in de toekomst benodigde hoeveelheid elektriciteit in Hilvarenbeek is gebaseerd op de website klimaatmonitor.databank.nl. Hieruit blijkt dat het totale energieverbruik in Hilvarenbeek 1.267 TJ bedroeg in het jaar 2019 en 1.269 TJ in het jaar 2020. Zoals voorts in de VGO is vermeld, rekent de Rijksoverheid met een jaarlijkse elektriciteitsbesparing van zo’n 2%. Maar anders dan [appellant] en anderen betogen, betekent dit niet dat de inschatting voor het jaar 2050 kan worden bepaald door het verbruik in 2019, het jaar van vaststelling van de VGO, jaarlijks met 2% te reduceren. Het college heeft toegelicht dat de totale energievraag minder snel daalt door de overgang van aardgas naar elektriciteit in het kader van de energietransitie en door bevolkingsgroei. Het betoog van [appellant] en anderen over het werkelijke energieverbruik in de gemeente Hilvarenbeek geeft geen aanknopingspunten voor een gewijzigde inschatting, omdat het daarvoor niet voldoende concreet is. Wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd, leidt daarom niet tot het oordeel dat de rechtbank ten onrechte op voorhand geen aanleiding heeft gezien om aan te nemen dat de energiebehoefte wezenlijk anders zal zijn dan in de VGO is aangenomen. Het betoog slaagt niet. 12. Verder is volgens [appellant] en anderen het percentage van 10-20% van de daken van de woningen in Hilvarenbeek die geschikt zijn voor een goede opbrengst van zonne-energie te laag. Zij voeren aan dat de directeur van het bedrijf Zonatlas hun heeft laten weten dat een percentage van 60% realistischer is. Dit blijkt volgens hen ook uit gegevens van het CBS. Gelet hierop heeft de raad de mogelijkheden van zon op het dak, trede 0 van de zonneladder, onderschat. Volgens hen is sprake van 50 ha aan potentie in plaats van de genoemde 20 ha. 12.1. Het college stelt dat een percentage van 10% tot 20% wel degelijk representatief is voor het aantal daken waar zonnepanelen geplaatst kunnen worden tot 2030. 12.2. De rechtbank heeft onder 9.5 geoordeeld: "De zonatlas geelt aan dat voor Hilvarenbeek van 10-20% van de daken een goede opbrengst te verwachten is." 12.3. In de Kadernota, wordt op p. 21 vermeld: "Kijkend naar de zonneatlas van Hilvarenbeek, dan is de potentie van de opbrengst van daken beduidend lager dan gemiddeld in Nederland. Oriëntatie van de daken, veel groen en weinig seriebebouwing zijn de belangrijkste belemmeringen. De zonneatlas geeft aan dat er voor Hilvarenbeek 10-20% van de daken een goede opbrengst te verwachten is." 12.4. De Afdeling overweegt dat [appellant] en anderen hun stelling dat meer dan 10-20% van de daken van de woningen in Hilvarenbeek geschikt is voor een goede opbrengst van zonne-energie, niet met concrete gegevens hebben onderbouwd. Van de uitspraken die de directeur van Zonatlas hierover zou hebben gedaan, en die het college betwist, is geen bevestiging beschikbaar. De gegevens van het CBS bestaan uit een kaart van Nederland waarop per gemeente de aanwezigheid en plannen voor zonnepanelen in het jaar 2020 zijn aangegeven. Wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd, geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het gemeentebestuur heeft mogen uitgegaan van 10-20% aan daken van woningen dat geschikt is voor een goede opbrengst van zonne-energie, en dat het gemeentebestuur aldus de mogelijkheden in trede 0 niet heeft onderschat. Het betoog slaagt niet. 13. [appellant] en anderen vragen zich verder af waar het maximum van 3 windmolens in de Kadernota op is gebaseerd. Uit de windkansenkaart op p. 19-20 van de VGO blijkt dat er rondom de A58 en de Beekse Bergen kansen liggen voor windmolens. Bovendien volgt uit de REKS dat in de regio Hart van Brabant ingezet moet worden op grootschalige zonne- en windenergie in de aangewezen zoekgebieden, zogeheten energiehubs. De clustercombinaties "De Baars" en "Kattenberg" zijn deels gelegen op het grondgebied van de gemeente Hilvarenbeek. In de nieuwe bosontwikkeling in het zuidelijke deel van de gemeente Hilvarenbeek na 2030 zijn volgens de REKS ook een tiental windmolens gepland. Ook heeft de raad in zijn vergadering van 10 juni 2021 door middel van een amendement aangegeven dat grootschalige energie-opwek, waaronder zonneparken groter dan 0,5 hectare en windturbines, begrensd tot maximaal 750 meter ten zuiden van de A58, mogelijk is. 13.1. De rechtbank heeft onder 9.5 geoordeeld: "In de Kadernota is voor het becijferen van de verhouding tussen zonne-energie en windenergie uitgegaan van drie windmolens. […] De rechtbank ziet onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de gemeenteraad bij het vaststellen van de verhouding tussen zonne-energie en windenergie in de VGO en de bijbehorende Kadernota in redelijkheid niet heeft kunnen uitgaan van drie windmolens. Dat in het concept-bod REKS voor het zuidelijke deel van de gehele regio Hart van Brabant tien windmolens na 2030 zijn opgenomen doet daar niet aan af. Dat concept-bod is van later datum dan de VGO. Bovendien betrof het een concept." 13.2. Het uitgangspunt van 3 windmolens is vervat in de onder 11.4 weergegeven tabel uit de Kadernota, p. 13 (5e kolom: "Met 3 windmolens"). Het college heeft op de zitting toegelicht dat het aantal van 3 windmolens berust op een beleidskeuze van de raad ten tijde van de vaststelling van de VGO en het Kaderbesluit. Uit de windkansenkaart van de VGO, waar [appellant] en anderen op hebben gewezen, blijkt op welke locaties het plaatsen van windturbines mogelijk is, onder voorwaarden mogelijk is en niet mogelijk is. Maar hieruit kan geen aantal worden afgeleid. In de REKS zijn onder meer clustercombinaties voor zonne- en windenergie opgenomen op de locaties "De Baars" en "Kattenberg", die deels in de gemeente Hilvarenbeek zijn gelegen, en zijn voor het zuidelijke deel van de regio Hart van Brabant tien windmolens opgenomen na 2030. De REKS dateert echter van na het besluit van 20 november 2020. Dit geldt ook voor vergadering van de raad van 10 juni 2021. Wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd, leidt, gegeven het feit dat de raad op het punt van deze keuze beleidsruimte heeft, dan ook niet tot het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de raad bij het vaststellen van de verhouding tussen zonne-energie en windenergie in de VGO en de bijbehorende Kadernota niet heeft mogen uitgaan van drie windmolens. Het betoog slaagt niet. 14. [appellant] en anderen betogen dat het gemeentebestuur er ten onrechte van uitgaat dat één windmolen equivalent is aan 10 ha zonneparken, terwijl dat voor een moderne windmolen (die 15 miljoen tot 20 miljoen kWh kan opwekken) 15 tot 20 ha is. Daartoe verwijzen zij naar www.pure-energie.nl. Als de gemeente besluit om 3 windmolens te plaatsen op haar grondgebied, kan dus worden volstaan met 45 ha zonnepanelen in het buitengebied. Alleen al omdat de inmiddels onherroepelijk vergunde twee zonneparken in Hilvarenbeek samen met de zonneparken Oirschotsedijk/Zandstraat en Ansbaldweg een oppervlakte hebben van in totaal 64,7 ha, is de behoefte aan het onderhavige zonnepark volgens hen niet aangetoond. 14.1. De rechtbank heeft onder 9.5 geoordeeld: "Verder geldt als uitgangspunt dat één windmolen gelijk staat aan 10 ha zonnepark." 14.2. In de Kadernota, p. 12, wordt vermeld: "Voor elke windturbine is 10 ha minder zonnepark nodig." Www.pure-energie.nl is een website van een energiebedrijf en niet van een onafhankelijk onderzoeksinstituut. Het enkele feit dat modernere windmolens meer kilowattuur per jaar kunnen opwekken, leidt niet tot het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de raad ten tijde van het vaststellen van de VGO uit 2019, die in deze het toetsingskader vormt, niet het uitgangspunt heeft mogen hanteren dat één windmolen gelijk staat aan 10 ha zonnepark. Wat zij hebben aangevoerd leidt dan ook niet tot de conclusie dat, bij toepassing van 3 windmolens, kan worden volstaan met 45 ha in plaats van 70 ha zonnepanelen in het buitengebied (trede 3). Het college heeft op de zitting toegelicht dat de inmiddels onherroepelijk vergunde twee zonneparken in Hilvarenbeek samen met de zonneparken Oirschotsedijk/Zandstraat en Ansbaldweg, na aftrek van de landschappelijke inpassing, een netto-oppervlakte hebben van in totaal 49,2 ha, zodat de ruimte binnen trede 3 niet wordt overschreden met dit zonnepark. Wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank dit heeft miskend. Het betoog slaagt niet. 15. [appellant] en anderen betogen dat het college ten onrechte geen actuele gegevens heeft verstrekt over de daadwerkelijke benutting van de treden 0, 1 en 2, zodat niet duidelijk is of aan benutting van trede 3 kan worden toegekomen. 15.1. Het college stelt dat het niet nodig is dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een zonneparkproject in een hogere trede, met actuele cijfers wordt aangetoond dat de lagere treden al gevuld zijn. In de Kadernota is in kaart gebracht welke mogelijkheden de verschillende treden bieden en is geconcludeerd dat er een aanzienlijke opgave overblijft voor trede 3. Het is dan ook in overeenstemming met het beleid om voor een zonneparkproject, vallend in die categorie, een omgevingsvergunning te verlenen. Daarbij wijst het college erop dat de zonneladder van 3.41, eerste lid, aanhef en onder a, van de Interim Omgevingsverordening, de VGO en het Kaderbesluit een motiveringseis betreft. 15.2. De rechtbank heeft onder 9.5 over de in 11.4 weergegeven tabel geoordeeld: "Dit schema is gebaseerd op de potentie in de verschillende treden. In zoverre zijn actuele cijfers over het daadwerkelijk aantal gerealiseerde aantal ha binnen een trede, en dus ook de actuele cijfers van zon op dak, niet relevant. Dat zou anders kunnen zijn als uit actuele cijfers zou blijken dat binnen een bepaalde trede feitelijk meer hectare zijn gerealiseerd dan in potentie mogelijk werd geacht, maar indicaties daarvoor ontbreken." 15.3. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3624, onder 14.3, geoordeeld dat de onder meer in de IOV opgenomen zonneladder niet vereist dat eerst daadwerkelijk alle mogelijkheden op eerdere treden van de zonneladder zijn benut, maar het toestaan van een zonnepark op een locatie die de laatste voorkeur heeft, zoals hier, vereist wel een deugdelijke motivering. In het besluit van 20 november 2020 heeft het college overwogen: "Uit de bij de lov behorende toelichting volgt dat er - kort gezegd - een voorkeur bestaat voor zonnepanelen in en aansluitend op stedelijk gebied. In de VGO/Kadernota is gemotiveerd dat er onvoldoende mogelijkheden bestaan om binnen stedelijk gebied en op daken te komen tot een energie-neutrale gemeente (een potentie van ongeveer 20 hectare). Het voorliggende project past binnen de aanvullende opgave die gezocht zal moeten worden buiten het stedelijk gebied." De Afdeling constateert dat deze motivering erop neerkomt dat alleen wordt overwogen dat in de VGO en de Kadernota is onderbouwd dat de mogelijkheden in de treden 0 en 1 in de gemeente niet voldoende zijn om te voorzien in de totale gemeentelijke behoefte aan zonnepanelen, zodat er ook behoefte is aan de treden 2 en 3. Maar het college heeft niet gemotiveerd waarom in dit geval een zonnepark wordt toegestaan op een plek die in de voorkeursvolgorde op de laatste plaats komt, zonder eerst de mogelijkheden in de treden 0, 1 en 2 ten volle te benutten. Daarmee is het besluit in strijd met artikel 3.41, eerste lid, van de IOV, en - wegens strijd met de VGO en het Kaderbesluit - ook in strijd met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog slaagt. Definitieve geschilbeslechting 16. Met het oog op een definitieve geschilbeslechting ziet de Afdeling aanleiding om ook op de hierna volgende betogen in te gaan. Deze zijn relevant wanneer het college er in slaagt te motiveren waarom in dit geval een zonnepark wordt toegestaan op een plek die in de voorkeursvolgorde op de laatste plaats komt, zonder eerst de mogelijkheden in de treden 0, 1 en 2 ten volle te benutten. Locatiekeuze 17. [ appellant] en anderen betogen dat de locatiekeuze onvoldoende is gemotiveerd. Zij betogen dat de locatie puur op basis van de grondpositie van de eigenaar is gekozen. Er is in de gemeente Hilvarenbeek buiten de door de rechtbank genoemde gebieden een groot aantal alternatieve locaties beschikbaar. [appellant] en anderen betogen verder dat de rechtbank over de afwijking van de kaart "Zoekgebieden voor zonne-energie, van Groenontwikkelfonds", die als bijlage 3 bij de Kadernota is gevoegd, ten onrechte heeft geoordeeld dat het college alsnog een toereikende motivering heeft gegeven en dat de rechtbank op grond daarvan ten onrechte de rechtsgevolgen in stand heeft gelaten. Daarvoor is volgens hen onvoldoende dat in de VGO niet nadrukkelijk is bepaald dat het college uitsluitend zonneprojecten mag toestaan die op deze kaart staan gemarkeerd. Afwijking van de overgelegde kaart vraagt juist om een nadere motivering, aldus [appellant] en anderen. Dat, zoals de rechtbank tevens overweegt, een legenda bij de kaart ontbreekt, kan volgens hen ook niet dienen als argument voor het in stand laten van de rechtsgevolgen. 17.1. Het college stelt dat in de Kadernota is weergegeven welke locaties binnen de gemeente geschikt zijn voor de realisering van grondgebonden zonneparkprojecten. De gronden die behoren tot het Natuurnetwerk Brabant, de Beekdalen, Bos en natuurgebieden uit het Landschapsontwikkelingsplan zijn uitgesloten voor de realisering van zonnepanelen, gelet op zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit. Het zonnepark is gelegen in het landschapstype 'jonge ontginningsgronden' aan de oostkant van de gemeente, waar volgens de Kadernota zonneparken tot maximaal 20 ha mogelijk zijn. Het college erkent dat de locatie niet is gelegen in een zoekgebied volgens de kaart "Zoekgebieden voor zonne-energie, van Groenontwikkelfonds", die als bijlage 3 bij de Kadernota is gevoegd. Het college stelt dat dit een door een private partij opgestelde indicatieve kaart betreft. Dat deze bij de Kadernota is gevoegd, betekent nadrukkelijk op zichzelf nog niet dat alleen op die kaart aangegeven locaties voor vergunningverlening in aanmerking komen. Als een project(locatie) op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van een alternatief alleen tot weigering van een aangevraagde omgevingsvergunning leiden, als vooraf duidelijk is dat dit alternatief tot een gelijkwaardig resultaat zal leiden en voor derden aanmerkelijk minder bezwaren oplevert. Die situatie doet zich hier niet voor, aldus het college. 17.2. Artikel 3.41, eerste lid, aanhef en onder b, van de Interim Omgevingsverordening luidt: "Binnen Landelijk gebied is nieuwvestiging mogelijk van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie als: b. de nieuw vestiging past in het onderzoek naar geschikte locaties voor zelfstandige opstellingen van zonnepanelen, gelet op zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit;". 17.3. De rechtbank heeft onder 9.8 overwogen: "De rechtbank stelt vast dat uit de Kadernota bij de VGO blijkt dat wel degelijk is afgewogen welke locaties binnen de gemeente Hilvarenbeek al dan niet geschikt zijn voor het plaatsen van zonneparken. Gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Brabant, Beekdalen, Bos en natuurgebieden uit het Landschapsontwikkelingsplan zijn ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit uitgesloten voor het plaatsen van zonneparken. In het ‘Kampen en Hoevenlandschap' en het 'Oude ontginningslandschap' zijn zonneparken groter dan 3 ha uitgesloten en in kleinschalige ‘jonge ontginningsgronden’ aan de west- en zuidkant van de gemeente Hilvarenbeek zijn zonneparken groter dan 8 ha uitgesloten. In grootschalige ‘jonge ontginningsgronden' aan de oostkant van de gemeente, zoals de locatie waarop dit zonnepark zal worden gerealiseerd, behoren volgens de Kadernota zonneparken tot maximaal 20 ha tot de mogelijkheden." 17.4. De Afdeling overweegt dat in de Kadernota bij de VGO is onderzocht welke locaties binnen de gemeente Hilvarenbeek al dan niet geschikt zijn voor zelfstandige opstellingen van zonnepanelen. [appellant] en anderen hebben niet onderbouwd dat in de Kadernota in zoverre geen deugdelijke afweging heeft plaatsgevonden. Volgens de Kadernota zijn in grootschalige ‘jonge ontginningsgronden' aan de oostkant van de gemeente zonneparken tot maximaal 20 ha mogelijk. De locatie waarop het betrokken zonnepark zal worden gerealiseerd past hierbinnen. Voor zover [appellant] en anderen zich op het standpunt stellen dat binnen de Kadernota ook andere geschikte alternatieve locaties beschikbaar waren, overweegt de Afdeling dat niet op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. 17.5. Onder 9.9 heeft de rechtbank geoordeeld dat het college in de zienswijzennota onvoldoende heeft gemotiveerd dat de kaart met zoekgebieden alleen maar een indicatieve kaart is. Onder 9.10 heeft de rechtbank aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat het college er in het verweerschrift terecht op heeft gewezen dat in de VGO nadrukkelijk niet is bepaald dat het college uitsluitend zonneparkprojecten mag toestaan die op de kaart zijn gemarkeerd. Dat zou naar het oordeel van de rechtbank ook niet stroken met de onder 9.8 genoemde afbakening van geschikte gebieden en die afbakening strookt niet met de markeringen op de kaart. Daar komt bij dat een legenda bij de kaart ontbreekt, zodat niet duidelijk is wat met de rode en groene markeringen van verschillende grootte beoogd is aan te geven. 17.6. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank naar aanleiding van de nadere motivering van het college terecht overwogen dat niet kan worden geoordeeld dat de locaties voor zonneparken beperkt zouden zijn tot de op de kaart met zoekgebieden gemarkeerde locaties. Daarbij heeft de rechtbank terecht betrokken dat in de VGO niet is bepaald dat het college uitsluitend zonneparkprojecten mag toestaan die op de kaart zijn gemarkeerd en dat de markeringen op de kaart ook niet stroken met de afbakening van gebieden waar volgens de Kadernota de komst van zonneparken mogelijk is. 17.7. Het betoog slaagt niet. Landschappelijke inpassing 18. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat met de omgeving is afgestemd welke balans tussen zichtbaarheid en onzichtbaarheid van het zonnepark gewenst is. Zij voeren aan dat met hen geen overleg heeft plaatsgevonden. De hoogte van de tafels met zonnepanelen (2,59
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.