(2013)toont aan dat de meeste verhuisbewegingen op bedrijventerreinen plaatsvinden binnen de eigen regio. Uit de confrontatie van vraag en aanbod van bedrijfsruimte in het onderzoeksgebied volgt een behoefte van 85 ha aan bedrijventerreinen. Ook kwalitatief is er behoefte aan bedrijventerrein in het reguliere segment. De behoefte aan het reguliere segment bedraagt 16 ha. De met het plan beoogde uitbreiding van 6,25 ha aan bedrijfsruimte past zowel kwantitatief als kwalitatief binnen de in het onderzoeksgebied aanwezige marktruimte. In de regio is de vraag naar bedrijventerreinen groter dan het beschikbare planaanbod. Zelfs als het volledige bestaande planaanbod wordt ontwikkeld blijft er nog meer dan 6,25 ha marktvraag over. Dat de behoefte aan bedrijventerrein groot is, blijkt bijvoorbeeld ook uit de ontwikkeling van de Mechatronica Innovatie Campus Schiedam (MICS) op ’s-Graveland-Zuid. De conclusie van de Ladderonderbouwing is dat de beoogde ontwikkeling van bedrijfsruimte in de A20-zone en de twee locaties met wijzigingsbevoegdheden niet zorgen voor onaanvaardbare ruimtelijke effecten (leegstand). Kwantitatief is er voldoende marktruimte in zowel de gemeente Schiedam als in het gehele onderzoeksgebied. Kwalitatief is er voor het beoogde werkmilieu, regulier, ook voldoende marktruimte in het reguliere segment. De leegstand van bedrijfsruimte in Schiedam en Groot Rijnmond ligt onder het frictieniveau, waardoor de toevoeging van nieuwe voorraad aan bedrijfsruimte niet zorgt voor ongewenste leegstand.
- De Afdeling stelt vast dat in de Ladderonderbouwing de keuze voor de onderzoeksgebieden voor de beoordeling van zowel de behoefte aan kantoorruimte als bedrijfsruimte toereikend is gemotiveerd. Uit de Ladderonderbouwing blijkt - anders dan de vereniging en anderen in hun nadere reactie hebben gesteld - dat bij de beoordeling van de behoefte van zowel kantoorruimte als bedrijfsruimte ook het aanbod in Rotterdam is meegenomen. Voor zover de vereniging en anderen hebben gewezen op de situatie op het bedrijventerrein Nieuw-Mathenesse en de volgens hen daarin voorziene hoeveelheid m2 aan kantoorruimte, heeft de raad onweersproken verklaard dat op deze locatie geen nieuwe kantoorruimte mogelijk wordt gemaakt. Er is daar een transformatie beoogd van een bestaand bedrijventerrein naar een gemengd woon-werkgebied. Door de raad is verder onweersproken gesteld dat - anders dan de vereniging en anderen menen - in de Ladderonderbouwing wel rekening is gehouden met eventuele leegstand van bedrijfsruimte op het bedrijventerrein ’s-Gravelandse Polder en Spaanse Polder als gevolg van de beëindiging van bestaande erfpachtovereenkomsten. Op dit moment is er weinig leegstand op het bedrijventerrein en er is ook geen leegstand te verwachten van erfpachters van bedrijfsruimte die gaan vertrekken. Deze bestaande bebouwing wordt gesloopt en er wordt nieuw gebouwd of er vindt herontwikkeling plaats. Voor alle vrijkomende locaties zijn er door geïnteresseerden concrete plannen ingediend en de gronden zijn ook al uitgegeven of gereserveerd. Anders dan de vereniging en anderen kennelijk menen, wordt met de Ladderonderbouwing inzicht gegeven in de totale behoefte aan kantoren en bedrijfsruimte in relatie tot de met het plan voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling.
- Gezien vorenstaande, ziet de Afdeling in wat de vereniging en anderen hebben betoogd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de Ladderonderbouwing zodanig gebrekkig is of zodanige leemten in kennis of dusdanige onjuistheden vertoont dat de raad zich hierop niet heeft mogen baseren. De raad heeft zich in het herstelbesluit dan ook redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat de in het plan voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, en dat het plan geen onaanvaardbare structurele leegstand in het desbetreffende gebied tot gevolg heeft. Het betoog slaagt niet.
- De vereniging en anderen hebben in hun zienswijze tegen het herstelbesluit nog naar voren gebracht dat zij eraan twijfelen of de Ladderonderbouwing onderdeel is geweest van de besluitvorming over het herstelbesluit. De raad heeft hierover onweersproken toegelicht dat de Ladderonderbouwing een onderdeel vormt van de onderbouwing van het herstelbesluit en dat de Ladderonderbouwing in het raadsvoorstel is benoemd en als bijlage 9 bij de toelichting van het herstelbesluit is gevoegd. Daarmee is het ook onderdeel geweest van de besluitvorming door de raad. Gelet hierop slaagt het betoog niet.
- In hun zienswijze voeren de vereniging en anderen ook aan dat het opmerkelijk is en blijft dat in de plantoelichting het plan door de raad als consoliderend is aangemerkt, maar dat in werkelijkheid een forse uitbreiding mogelijk wordt gemaakt. Zoals de raad terecht stelt, hebben de vereniging en anderen deze grond niet eerder aangedragen in hun beroepschrift tegen het oorspronkelijke besluit. Dit is door hen echter wel als zodanig gesteld in de pleitnota die zij hebben voorgedragen op de zitting voorafgaand aan de tussenuitspraak. Gelet hierop en nu de raad naar aanleiding van deze zienswijze daarop alsnog adequaat heeft kunnen reageren, ziet de Afdeling voldoende aanleiding deze grond bij de beoordeling van het herstelbesluit te betrekken. De Afdeling is van oordeel dat de bedoelde opmerking van de raad in de plantoelichting als zodanig geen juridisch bindend onderdeel van het plan is, zodat daaraan voor de rechtmatigheid van het plan geen betekenis toekomt. Dat het plan volgens de raad hoofdzakelijk een consoliderend karakter heeft, betekent verder niet dat de raad hierin niet kan voorzien in nieuwe ontwikkelingen die hij in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening acht. Het betoog slaagt niet.
- In aanmerking genomen de door de vereniging en anderen tegen het herstelbesluit ingediende zienswijze, is de Afdeling van oordeel dat de raad in het herstelbesluit in zoverre voldaan heeft aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht. Conclusie
- Omdat de Afdeling over de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken heeft geoordeeld dat het besluit van 15 december 2020 in strijd is met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro en artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit m.e.r. en de daar genoemde artikelen uit de Wm, zijn de beroepen van De Vlist Vastgoed B.V. en de vereniging en anderen tegen dat besluit gegrond. Dit besluit moet worden vernietigd.
- De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening.
- De van rechtswege ontstane beroepen van De Vlist Vastgoed B.V. en de vereniging en anderen tegen het besluit van 31 oktober 2023 zijn ongegrond.
- De raad moet de proceskosten van De Vlist Vastgoed B.V. en de vereniging en anderen vergoeden. Van de vereniging en anderen zijn ook [gemachtigde A], [gemachtigde B] en [gemachtigde C] op de zitting verschenen. Voor zover zij hebben gevraagd om de door hen voor het bijwonen van de zitting gemaakte verletkosten te vergoeden, hebben zij de hoogte van de gestelde verletkosten niet met stukken nader onderbouwd. Daarom komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking. Voor de gemaakte reiskosten geldt dat deze voor de aanwezigheid van één van hen kunnen worden vergoed. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart de beroepen van De Vlist Vastgoed B.V. en de Vereniging van eigenaren Bokelweg en anderen tegen het besluit van de raad van de gemeente Schiedam van 15 december 2020 gegrond; II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Schiedam van 15 december 2020 tot vaststelling van het bestemmingsplan "'s-Graveland & Spaanse Polder 2020"; III. draagt de raad van de gemeente Schiedam op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt op de landelijke voorziening; IV. verklaart de beroepen van De Vlist Vastgoed B.V. en deVereniging van eigenaren Bokelweg en anderen tegen het besluit van de raad van de gemeente Schiedam van 31 oktober 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "'s-Graveland & Spaanse Polder 2020" ongegrond; V. veroordeelt de raad van de gemeente Schiedam tot vergoeding van de bij De Vlist Vastgoed B.V. opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.750,00, geheel toe te rekenen aan een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VI. veroordeelt de raad van de gemeente Schiedam tot vergoeding van de bij de Vereniging van eigenaren Bokelweg en anderen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.640,58, waarvan € 2.625,00 is toe te rekenen aan een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; VII. gelast dat de raad van de gemeente Schiedam aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van: a. € 360,00 aan De Vlist Vastgoed B.V.; b. € 360,00 aan de Vereniging van eigenaren Bokelweg en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, voorzitter, en mr. W. den Ouden en mr. H. Benek, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, griffier. w.g. Van Ravels voorzitter w.g. Plambeck griffier Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2024 159