← Nederland

ECLI:NL:RVS:2024:2065

202307213/1/V

  1. Datum uitspraak: 16 mei 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 26 oktober 2023 in zaak nr. NL23.6734 in het geding tussen: de vreemdelingen en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 27 maart 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 2 maart 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 oktober 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. M. Wiersma, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen
  2. De vreemdelingen, geboren in 1962 en 1966, hebben de Syrische nationaliteit. Hun meerderjarige zoon (hierna: referent) is geboren in 1994 en heeft een verblijfsvergunning asiel in Nederland. De staatssecretaris heeft de aanvraag om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen voor verblijf bij referent afgewezen.
  3. In hun eerste grief betogen de vreemdelingen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM niet ten onrechte in hun nadeel heeft laten uitvallen. De vreemdelingen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris in de belangenafweging ook had moeten meewegen of er tussen hen en referent hechte persoonlijke banden bestaan. 2.
  4. Gelet op wat de Afdeling in de uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, onder 5 tot en met 5.4, heeft overwogen, slaagt dit betoog niet. De staatssecretaris heeft zich in deze zaak deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er tussen de vreemdelingen en referent geen familieleven in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM bestaat. In die beoordeling heeft hij alle individuele feiten en omstandigheden van de vreemdelingen en referent betrokken. De staatssecretaris mocht daarom volstaan met de vaststelling dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Dat betekent dat hij in dit geval geen belangenafweging hoefde te maken. De vraag of de belangenafweging deugdelijk heeft plaatsgevonden, behoeft daarom geen bespreking. De grief slaagt niet.
  5. Wat de vreemdelingen in de tweede grief aanvoeren, heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft daarom geen bespreking.
  6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier. w.g. De Poorter lid van de enkelvoudige kamer w.g. Prins griffier Uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2024 363-1088

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.