(2028). Voor [appellant] is in het bijzonder het wegvak Boshoek - Knooppunt N343 (Haardijk) van belang. Uit tabel 3.1 blijkt van een toename van de verkeersintensiteit als gevolg van de planologische verandering van 15.669 naar 17.641 motorvoertuigen per etmaal. Zonder nadere motivering, die vooralsnog ontbreekt, valt niet in te zien dat, zoals in een nader advies van Langhout van 6 april 2023 is gesteld, van een toename van verkeer als gevolg van de planologische verandering niet of nauwelijks sprake is. 11.
- Uit het voorgaande blijkt van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de conclusie van Langhout dat de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan voor [appellant] niet heeft geleid tot een planologische verslechtering in de vorm van een toename van de geluidbelasting op de woning. Zonder nadere motivering, die vooralsnog ontbreekt, valt niet in te zien dat het in aanmerking genomen voordeel van de geringere geluidemissie door verkeersbewegingen op de N43 groter is dan de nadelen van de kortere afstand van de N43 tot de woning en de toename van de verkeersintensiteit op de N
- Het betoog slaagt.
- [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat Gloudemans de gestelde mate van geluidoverlast op de gronden van perceel 3833 niet heeft onderbouwd en dat de beroepsgrond over de toename van geluidhinder op deze gronden alleen al hierom niet slaagt. In het rapport van Tauw van 29 mei 2015 zijn geen resultaten opgenomen voor deze gronden. Tevens is ten aanzien van deze gronden geen onderzoek gedaan naar de geluidtoename bij een dunne deklaag in de oude en nieuwe planologische situatie. Voor de geluidtoename op de gronden van perceel 3833 acht Gloudemans het eveneens redelijk om, net als ten aanzien van de woning, aan te sluiten bij de resultaten van het akoestisch onderzoek van Tauw, waarbij in geval van een gelijkwaardige deklaag de conclusie is getrokken dat de planologische wijziging heeft geleid tot een toename van de geluidbelasting op de gevel van de woning. Omdat de gronden van perceel 3833 dichter bij het plangebied zijn gelegen, volgt uit dit onderzoek dat, bij een gelijkwaardige deklaag, ook voor deze gronden sprake is van een toename van het geluidniveau als gevolg van de planologische verandering. Net als bij de woning is ook voor deze gronden geen onderzoek beschikbaar, waaruit blijkt dat geen sprake is van een toename van het geluidniveau, aldus [appellant]. 12.
- Zonder nadere motivering, die vooralsnog ontbreekt, valt niet in te zien dat, zoals Langhout op de zitting van de rechtbank heeft gesteld, de planologische verandering niet heeft geleid tot een toename van de geluidbelasting op de gronden van perceel
- Deze gronden liggen dichter bij de N43 dan de woning. Niet valt uit te sluiten dat het voordeel van de geringere geluidemissie door verkeersbewegingen op de N43 kleiner is dan de nadelen van de kortere afstand tussen de gronden van perceel 3833 en de N43 en de toename van de verkeersintensiteit op de N
- Het betoog slaagt. schadetaxatie
- [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in het rapport van Gloudemans van 16 november 2021 geen onderbouwing is gegeven voor de waardering van de woning en de daarbij behorende gronden en dat daarom in dat rapport geen aanknopingspunt is te vinden voor het oordeel dat de taxatie van Langbout niet juist is. Uit pagina 34 van het advies van 8 december 2020 volgt dat Langhout van perceel 3833 alleen de gronden met een bestemming voor woondoeleinden in de taxatie heeft betrokken. Circa 840 m² van dat perceel heeft echter een agrarische bestemming. Rekening houdend met de planologische mogelijkheden wordt de waarde van perceel 3833 op de peildatum onder de oude planologische situatie op € 5.000,00 vastgesteld, zodat de onroerende zaken destijds een totale waarde van € 380.000,00 hadden, aldus [appellant]. 13.
- Dat, zoals [appellant] benadrukt, op pagina 34 van het advies van 8 december 2020 is vermeld dat de schadegevoeligheid zich volgens Langhout in hoofdzaak beperkt tot perceel 2885, brengt niet met zich dat [appellant] aannemelijk heeft gemaakt dat Langhout de agrarische gronden van perceel 3833 niet heeft betrokken in de taxatie van de waarde van de onroerende zaken op de peildatum onder het oude planologische regime. Op pagina 33 van het advies is in het kader van die taxatie uitdrukkelijk melding gemaakt van perceel 3833 en de agrarische bestemming van - een deel van - de gronden van dat perceel. Uit het advies valt niet af te leiden dat Langhout de waarde van deze gronden niet heeft meegenomen in de taxatie van de waarde van het geheel. Verder heeft Langhout op de zitting van de rechtbank te kennen gegeven dat hij ook perceel 3833 in deze taxatie heeft betrokken. Het betoog slaagt niet. slotsom
- Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. oordeel van de Afdeling over het beroep
- Uit het oordeel van de Afdeling over het hoger beroep van [appellant] volgt dat het college in het besluit van 8 juni 2021 onvoldoende heeft gemotiveerd dat het besluit van 12 januari 2021, voor zover daarbij aan [appellant] een tegemoetkoming in planschade is toegekend van € 3.750,00, in stand kan blijven. Daarom zal de Afdeling het tegen het besluit van 8 juni 2021 ingestelde beroep gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen. definitieve beslechting van het geschil
- De Afdeling ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien.
- In het advies van Langhout van 8 december 2020 is de waarde van de onroerende zaken onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan vastgesteld op € 375.000,
- Dat Gloudemans die waarde hoger dan Langhout heeft vastgesteld, betekent niet dat het advies van Langhout op dit punt onjuist is, reeds omdat het verschil tussen de taxaties binnen in beginsel aanvaardbare marges valt. In het advies van Langhout is onvoldoende gemotiveerd dat de planologische verandering niet tot een toename van de geluidbelasting op de onroerende zaken heeft geleid. De Afdeling acht het, mede gezien het tijdsverloop in de procedure, niet wenselijk om het college opdracht te geven om dat gebrek te herstellen door middel van een nader onderzoek naar de vraag of [appellant] door de planologische verandering ook nadeel in de vorm van een toename van de geluidbelasting op onroerende zaken heeft en zo ja, of dat nadeel tot een verdere waardevermindering van de onroerende zaken heeft geleid. De Afdeling ziet in plaats daarvan aanleiding het geschil definitief te beslechten door de waarde van de onroerende zaken onmiddellijk na de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan naar redelijkheid en billijkheid vast te stellen op € 357.500,
- De waardevermindering is dus € 17.500,
- Niet in geschil is dat een deel van de schade, gelijk aan 3 procent van de waarde van de onroerende zaken onmiddellijk vóór het ontstaan van de schade, onder het normale maatschappelijke risico valt. De drempel is gelijk aan € 11.250,
- Dat betekent dat voor [appellant] een tegemoetkoming in planschade van € 6.250,00 resteert en dat het besluit van 12 januari 2021 niet in stand kan blijven.
- De Afdeling zal het besluit van 12 januari 2021 herroepen. Zij zal de door het college aan [appellant] te betalen tegemoetkoming in planschade vaststellen op € 6.250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 11 juni 2020, de dag van ontvangst van de aanvraag, tot aan de dag van algehele voldoening. Dit brengt ook met zich, gelet op artikel 6.4, vierde lid, van de Wro, dat het college het door [appellant] betaalde recht van € 300,00 moet terugstorten, voor zover het dat nog niet heeft gedaan. proceskosten
- Het college moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 26 januari 2023 in zaak nr. 21/1186; III. verklaart het door [appellant] bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg van 8 juni 2021 gegrond; IV. vernietigt dat besluit; V. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg van 12 januari 2021; VI. bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg aan [appellant] een tegemoetkoming in planschade toekent van € 6.250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 11 juni 2020 tot aan de dag van algehele voldoening; VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg aan [appellant] het door hem betaalde recht van € 300,00 terugbetaalt; VIII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 8 juni 2021; IX. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 7.646,94, waarvan € 3.500,00 is toe te rekenen aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, € 4.083,75 aan kosten van een deskundige en € 63,19 aan reiskosten; X. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.998,20, waarvan € 1.248,00 is toe te rekenen aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en € 750,20 aan kosten van een deskundige; XI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 455,00 voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. J.F. de Groot, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier. w.g. Daalder voorzitter w.g. Hazen griffier Uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2024 452