(1)Kijkduinsestraat-Machiel Vrijenhoeklaan; 2) Van Alkemadelaan-(Oude) Waalsdorperweg (de Toegangsader Scheveningen Strand); 3) Machiel Vrijenhoeklaan -De Savornin Lohmanlaan; 4) Ockenburghstraat-Laan van Meerdervoort (omleiding verkeer richting Kijkduin). In de analyse van Arcadis is aangegeven welke telgegevens per kruispunt, gedurende de periode 2017-2020, in welke richting (naar of vanaf strand), per werkdag, of weekend/ feestdagen (voor de analyse) beschikbaar waren (en welke niet). Voor het Kruispunt Kijkduinsestraat - Machiel Vrijenhoeklaan (werkdag) heeft Arcadis de telgevens voor de Machiel Vrijenhoeklaan naar het strand over de periode juli december 2017 opgenomen in de presentatie (en ook de gegevens over diezelfde periode in 2018 en 2019). Voor de N211 naar het strand zijn de gegevens over 2018 en 2019 over het hele jaar beschikbaar. Voor het kruispunt Ockenburghstraat - Laan van Meerdervoort zijn bijvoorbeeld de gegevens van maart 2017 tot en met februari 2020 voor zowel de route Kijkduin - Houtrust naar de Ockenburghstraat, als naar de Laan van Meerdervoort gebruikt.
- De Afdeling stelt vast dat Altro de beschikbare en in het rapport van Arcadis opgenomen telgegevens niet bestrijdt. Uit de telgegevens van het kruispunt Ockenburghstraat - Laan van Meerdervoort, blijkt onder meer dat er in het voorjaar 2018 en voorjaar 2019 een verschuiving plaats vindt vanaf de Ockenburghstraat naar de Laan van Meerdervoort. Dit zijn gegevens over degenen die gebruik hebben gemaakt van de omrijroute naar Kijkduin-Bad. Belang van de telgegevens uit 2019
- Altro betoogt dat Arcadis ten onrechte de telgegevens uit 2019, van na de schadeperiode, heeft betrokken bij de analyse over de invloed van de werkzaamheden in het kader de route-herinrichting. Uit het verkeersrapport volgt dat het aantal verkeersbewegingen vanaf en naar Kijkduin is blijven dalen. Volgens Altro zijn die gegevens niet bruikbaar omdat na afronding van de werkzaamheden voor de route-herinrichting de werkzaamheden ter uitvoering van het bestemmingsplan zijn voortgezet en zelfs zijn geïntensiveerd met de nodige gevolgen voor de bereikbaarheid en aantrekkelijkheid van Kijkduin. Daarbij komt dat na openstelling van de route Kijkduin-Houtrust de verkeerssituatie zich niet meteen heeft hersteld.
- De Afdeling is van oordeel dat Arcadis de (tel-)gegevens van na april 2019, dus van na de afronding van de werkzaamheden aan de route-herinrichting, terecht niet buiten beschouwing heeft gelaten. Arcadis heeft in haar analyse uitdrukkelijk onderkend dat deze gegevens dateren van na de schadeperiode, maar heeft ook aangegeven dat deze cijfers, in samenhang met andere beschikbare gegevens, wel kunnen bijdragen aan de inschatting van de hypothetische (verkeers)situatie zoals die zou zijn geweest zonder werkzaamheden ter uitvoering van de herinrichting van de route Kijkduin-Houtrust. Uit die cijfers volgt dat herstel van het aantal verkeersbewegingen van en naar het strand van Kijkduin uitbleef, nadat de werkzaamheden waren beëindigd. Altro bestrijdt dit niet. In de second opinion is terecht vermeld dat uitgaande van de veronderstelling van SAOZ en Altro dat de route-herinrichting tot minder verkeersbewegingen van en naar het strand heeft geleid, het in de rede ligt er ook van uit te gaan dat na afloop van deze werkzaamheden er weer meer verkeersbewegingen zouden zijn. Altro heeft haar betoog dat het uitblijven van de toename van het verkeer te herleiden is tot de intensivering van werkzaamheden ter uitvoering van het bestemmingsplan niet onderbouwd. Daarbij komt dat de volgens Altro gestelde blijvende lage verkeersstroom eerder een argument is voor de stelling dat de schade grotendeels is toe te rekenen aan de uitvoering van het bestemmingsplan en dat die schadeoorzaak ook tijdens de schadeperiode dominant was. Het betoog van Altro dat de gestelde blijvende daling van verkeer naar Kijkduin na afronding van de route-herinrichting mede is te verklaren vanuit een na-ijleffect, treft geen doel. Ook als er vanuit moet worden gaan dat de verkeerssituatie zich niet meteen heeft gesteld, ligt het niet in de rede om de periode vanaf mei 2019 in zijn geheel als periode van na-ijlschade te beschouwen. De gestelde lage verkeersstroom na afronding van de werkzaamheden aan de route-herinrichting kan daardoor niet worden verklaard. Percentage gehinderden
- In het verkeersrapport van Arcadis is vermeld dat (brom)fietsers, voetgangers, degenen die gebruik maken van het openbaar vervoer en het autoverkeer via de N211 niet zijn gehinderd door de route-herinrichting. In de periode zonder werkzaamheden aan de route Kijkduin-Houtrust komt iets meer dan de helft van het verkeer naar het strand vanaf de N211 en minder dan de helft vanaf de Machiel Vrijenhoeklaan. Ruim de helft van de automobilisten die rijdt via de N211, ondervindt dus nauwelijks hinder door de route-herinrichting, aldus Arcadis.
- Volgens Arcadis is 72% van de strandgangers naar Kijkduin nauwelijks tot niet gehinderd door de werkzaamheden ter uitvoering van de herinrichting van de route Kijkduin-Houtrust. Volgens Arcadis is 28% van de bezoekers wel gehinderd door de werkzaamheden voor de route-herinrichting. Voor deze bezoekers zijn omleidingen ingesteld via onder andere de Laan van Meerdervoort. Volgens Arcadis zijn deze bezoekers terug te vinden in het gestegen aanbod vanaf de N211 en in de telgegevens van het kruispunt Ockenburghstraat - Laan van Meerdervoort. De aantallen die vanaf de strandkant komen zijn ook hoger tijdens de werkzaamheden dan in een vergelijkbare periode in 2019 toen de wegwerkzaamheden klaar waren.
- Arcadis heeft voor de beoordeling van het percentage gehinderden gebruik gemaakt van de uitkomsten van bezoekersonderzoek van zowel het strand bij Scheveningen, als van het strand bij Kijkduin. Het onderzoek voor het strand bij Scheveningen dateert uit 2012, dat voor het strand bij Kijkduin uit
- Volgens Arcadis is het onderzoek voor het strand bij Kijkduin relatief oud, maar heeft het nog steeds waarde, omdat de infrastructuur richting Kijkduin niet is gewijzigd. Daardoor kan er van worden uitgegaan dat 28% van de bezoekers hinder heeft ondervonden. Dit is, volgens Arcadis, aan de vellige kant, omdat naar andere bestemmingen met name het ‘aandeel auto' daalt. Volgens Arcadis is er in het algemeen een trend naar minder auto’s en meer OV, fietsen en voetgangers. Door de oude cijfers te gebruiken wordt de groep die hinder heeft ondervonden (28% van de bezoekers) dus mogelijk zelfs te hoog ingeschat.
- De stelling van Altro op de zitting dat Kijkduin niet met openbaar vervoer bereikbaar was, is weersproken door het college. De tram is, anders dan Altro stelt, niet opgehouden met rijden tijdens de werkzaamheden, maar volgde een andere route. De enkele stelling van Altro dat het niet geloofwaardig is dat autogebruik niet is toegenomen sinds 2005, treft geen doel. Het betoog van Arcadis berust immers op de stelling dat, binnen de verdeling tussen de verschillende vervoerswijzen, er geen trend naar meer autogebruik is geweest. Daarom is ook niet aannemelijk dat op de route Kijkduin-Houtrust gedurende de herinrichting meer autoverkeer heeft plaatsgevonden dan Arcadis heeft vastgesteld. Altro heeft verder geen concrete aanknopingspunten aangevoerd voor twijfel aan de conclusie dat slechts een relatief gering deel van de bezoekers van Kijkduin hinder heeft ondervonden als gevolg van de uitvoering van de werkzaamheden voor de herinrichting van de route Kijkduin-Houtrust. De vergelijking met Scheveningen
- Volgens het verkeersrapport was Kijkduin gedurende de uitvoering van de werkzaamheden voor de herinrichting van de route Kijkduin-Houtrust bereikbaar, maar kostte de omrijroute meer tijd. Arcadis heeft onderzocht of dat een reden is geweest om Kijkduin niet te bezoeken en te kiezen voor Scheveningen, dat dichtbij Kijkduin ligt, dezelfde weersomstandigheden en het zelfde achterland heeft. In het verkeersrapport is vermeld dat er niet alleen in absolute cijfers voor de periode april 2018 - april 2019 geen merkbare achteruitgang is van autoverkeer van en naar Kijkduin in relatie tot de voorgaande jaren en in relatie tot 2019, maar dat in vergelijking tot Scheveningen het autoverkeer van en naar Kijkduin in de herinrichtingsperiode april 2018-2019 relatief hoger lag. Alleen de maand augustus 2018, toen er overigens ver van Kijkduin aan de herinrichting werd gewerkt, was er iets meer autoverkeer in Scheveningen dan in Kijkduin, aldus Arcadis. Uit de telgegevens bij het kruispunt Van Alkemadelaan-(Oude) Waaldorpseweg, de toegangsader tot Scheveningen Strand, leidt Arcadis onder meer af dat de verkeersdrukte op deze weg op zowel werkdagen, als op weekend/feestdagen in 2018 vergelijkbaar is met
- Dit duidt erop dat in 2018 geen (strand-)verkeer naar Scheveningen is gegaan in plaats van naar Kijkduin, aldus Arcadis.
- Altro heeft deze analyse en de daaraan ten grondslag liggende gegevens niet concreet bestreden. De verwijzing naar het advies van SAOZ volstaat niet. SAOZ merkt alleen op dat de vergelijking met Scheveningen niet opgaat, omdat Scheveningen internationale allure heeft en Kijkduin met name een nationale uitstraling heeft. Niet duidelijk is waarom dat relevant zou zijn voor het weerleggen van de door Arcadis gemaakte verkeersanalyse. Het betoog van Altro dat Scheveningen en Kijkduin wat betreft verkeersintensiteiten niet met elkaar te vergelijken zijn en dat de Van Alkemadelaan niet de enige toegangsweg tot Scheveningen is, is daarvoor evenmin voldoende. Altro onderbouwt niet waarom deze gestelde verschillen voor de analyse van belang zouden zijn. Omrijroutes
- De door Altro gestelde problematische aspecten van de omrijroutes die, tijdens de herinrichting van de route Kijkduin-Houtrust, een alternatief boden voor het volgen van deze route, leiden niet tot een andere conclusie, omdat uit de telgegevens en de analyse van Arcadis daarvan, blijkt dat de omrijroutes wel hebben gewerkt. De zomer van 2018
- Altro betoogt verder, onder verwijzing naar het advies van de SAOZ, dat de verkeersanalyse van Arcadis niet correspondeert met het aanzienlijke omzetverlies in 2018, terwijl menig strandpaviljoen in Nederland door het mooie weer in 2018 omzetstijgingen tot wel 30% kende.
- De Afdeling volgt dit betoog niet. Anders dan in het advies van SAOZ is vermeld, is Arcadis niet voorbij gegaan aan de bijzonder goede zomer in
- Arcadis heeft in haar rapport expliciet aandacht besteed aan (een vergelijking van) weersomstandigheden, en meer in het bijzonder aan de gemiddelde zonuren per maand. Daarbij is onder meer vastgesteld dat de tweede helft van 2018 erg zonnig is geweest. Arcadis motiveert op basis van een vergelijking van Kijkduin met Scheveningen (hetzelfde weer en hetzelfde achterland van twee nabijgelegen locaties aan het strand) dat er tijdens het goede badseizoen van 2018 en tijdens de werkzaamheden voor de herinrichting van de route Kijkduin- Houtrust, vergeleken met 2017 en 2019, meer verkeer vanuit Kijkduin is gekomen dan vanuit Scheveningen.
- Daarbij komt dat SAOZ zelf weinig aandacht heeft besteed aan de voor de hand liggende gedachte dat het niet kunnen profiteren van de zon in 2018 in belangrijke mate, zo niet geheel valt toe te rekenen aan de ingrijpende uitvoering van het bestemmingsplan, die in de onmiddellijke nabijheid van de boulevard en het restaurant van Altro gaande was. Tussentijdse conclusie over het verkeersrapport
- Altro heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college het verkeersrapport en de daarin opgenomen gegevens en analyses, niet bij de beoordeling van de toerekening van de schade aan de werkzaamheden ter uitvoering van de herinrichting van de route Kijkduin-Houtrust heeft mogen betrekken.
- Uit het verkeersrapport volgt dat het autoverkeer en het bezoek aan Kijkduin niet zijn teruggelopen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden aan deze herinrichting, ook niet als de desbetreffende gegevens worden vergeleken met gegevens betreffende het bezoek aan andere locaties aan de Noordzeekust in Den Haag. Daarbij is ook van belang dat maar een beperkt deel van de bezoekers hinder heeft ondervonden van de herinrichting. Altro heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de omrijroutes niet hebben gewerkt.
- Het betoog slaagt niet. De second opinion van Steenhuijs
- Volgens de second opinion heeft SAOZ bij de advisering over de schadeverdeling de invloed van de verwezenlijking van het bestemmingsplan bij deze verdeling onderschat en de invloed van de herinrichting van de route Kijkduin-Houtrust overschat. Steenhuijs verwijst ter onderbouwing naar het verkeersrapport van Arcadis en merkt op dat uit het verkeersrapport van Arcadis blijkt dat de werkzaamheden ter uitvoering van de herinrichting van deze route niet of nauwelijks hebben geleid tot minder bezoek aan Kijkduin. De bruikbaarheid van dit rapport ter onderbouwing van de schadeverdeling heeft de Afdeling hiervoor beoordeeld. Steenhuijs geeft nog een aantal aanvullende beschouwingen ter weerlegging van de door SAOZ voorgestelde schadeverdeling en ter onderbouwing van de door Steenhuijs voorgestane schadeverdeling.
- Steenhuijs merkt op dat SAOZ er in dit verband ten onrechte vanuit gaat dat de werkzaamheden voor de herinrichting van de route Kijkduin-Houtrust en de werkzaamheden ter uitvoering van het bestemmingsplan Kijkduin-Ockenburgh zich gelijktijdig hebben gemanifesteerd in de schadeperiode (van eind maart 2018 tot april 2019). Uit het advies van SAOZ blijkt niet dat dat de (voorbereidende) werkzaamheden voor de uitvoering van het bestemmingsplan zo'n vijf maanden eerder waren begonnen dan de werkzaamheden in het kader van de route-herinrichting (namelijk vanaf november 2017 tot begin mei 2018). Bovendien duurden de werkzaamheden ter uitvoering van het bestemmingsplan voort na afronding van de route-herinrichting.
- Volgens Steenhuijs heeft SAOZ bij de advisering over de schadeverdeling ook te weinig gewicht toegekend aan de fasering van zowel de werkzaamheden voor de herinrichting van de route Kijkduin-Houtrust, als van de werkzaamheden ter uitvoering van het bestemmingsplan. Ook deze fasering kan volgens Steenhuijs bijdragen aan een objectivering van de schadeverdeling. Zoals door De Bont van Steenhuijs op de zitting is bevestigd, biedt wat in het advies van Steenhuijs naar voren is gebracht over het ondernemersklimaat in Kijkduin voordat de werkzaamheden plaats vonden een bijdrage aan de onderbouwing van de relatief grote invloed van de werkzaamheden ter uitvoering van het bestemmingsplan op het ontstaan van de schade. Uit de negatieve ontwikkelingsschade, te weten de schade die is veroorzaakt door de schaduw die de uitvoering van het bestemmingsplan Kijkduin-Ockenburg ter plaatse van het Deltaplein en omgeving vooruit heeft geworpen, is volgens Steenhijs af te leiden dat de invloed van dit plan op de omvang van de schade relatief groot was. Voor november 2017, dat wil zeggen vóór aanvang van de uitvoering van de voorbereidende werkzaamheden voor de verwezenlijking van het bestemmingsplan, was het recreatieklimaat in Kijkduin al niet optimaal. Steenhuijs wijst in dit verband op het achterblijven van investeringen, leegstand van winkels, verpaupering en parkeerproblematiek. Het gebied was al geruime tijd toe aan een ‘facelift’ en dat was, volgens Steenhuijs, mede gelet op mededelingen daarover van betrokken ondernemers, in belangrijke mate te herleiden tot het bestemmingsplan en de aanstaande uitvoering daarvan. Omdat het recreatieklimaat en het beeld van Kijkduin al geruime tijd niet positief waren, is dit - ook blijkens de omzetcijfers van de op of nabij het Deltaplein gevestigde ondernemingen - van invloed geweest op de welwillendheid van strandgangers en vaste klanten om het restaurant te bezoeken toen vanaf november 2017 ook nog eens de (voorbereidende) werkzaamheden ter plaatse begonnen. Steenhuijs merkt op dat deze voorbereidende werkzaamheden niet beschreven zijn in het advies van SAOZ en dat daarin is volstaan met een verwijzing naar het advies inzake Tios y Tias, terwijl dat advies op dit punt incompleet was. In november 2017 is, volgens Steenhuijs, een aanvang gemaakt met de voorbereidende werkzaamheden voor de uitvoering van het bestemmingsplan. Daarbij ging het om het plaatsen van bouwhekken rond een bouwplaats voor het bouwen van een ondergrondse parkeergarage en appartementen ter hoogte van het Deltaplein 401 en werkzaamheden aan het gasnet, het wijzigen van looproutes, de verplaatsing van bushaltes en het gebruik van een deel van het parkeerterrein als bouwplaats. Hierdoor kreeg het gebied een wezenlijk andere aantrekkingskracht. Het gebied veranderde nog verder in een grote bouwplaats met de intensivering van deze uitvoeringswerkzaamheden, toen de sloop- en bouwwerkzaamheden in mei 2018 op en in de directe nabijheid van het Deltaplein begonnen. Volgens Steenhuijs heeft SAOZ ook onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat de werkzaamheden voor de herinrichting van de route Kijkduin-Houtrust, volgens planning, gedurende de periode van eind maart 2018 tot april 2019 in 6 fases zijn uitgevoerd en dat de afstanden van de plaatsen waar deze werkzaamheden werden uitgevoerd, ten opzichte van het Deltaplein in Kijkduin, per fase aanzienlijk varieerden, van 400 meter tot 2,9 kilometer. Steenhuijs tekent daarbij aan dat ook dit een, voor wat betreft de invloed op de omzet van de ondernemingen, aanzienlijk verschil oplevert ten opzichte van de werkzaamheden ter uitvoering van het bestemmingsplan. Begin mei 2018 zijn namelijk de werkzaamheden ter uitvoering van het bestemmingsplan op of nabij het Deltaplein aanzienlijk geïntensiveerd met de aanvang van de feitelijke sloop- en bouwwerkzaamheden in de directe omgeving van het restaurant van Altro.
- Steenhuijs heeft in zijn rapport over Altro onder meer een gedetailleerde analyse gegeven van de ontwikkeling van de beschikbare (maand-)omzetcijfers van Altro over de periode van 2014 tot en met augustus 2018 (toen Altro haar activiteiten aan het Deltaplein staakte) en daarbij aandacht besteed aan de verschillende factoren die gedurende deze periode invloed konden hebben op de omzetontwikkeling. Uit deze omzetcijfers komt op hoofdlijnen naar voren dat de omzetten van Altro vanaf 2016 daalden en dat de resultaten van Altro achterbleven bij landelijke trends. Door Altro is de verslechtering van het ondernemingsklimaat op en rond het Deltaplein en de verpaupering aldaar als oorzaak daarvoor aangewezen. De omzet begon volgens Steenhuijs nog sneller terug te lopen vanaf november 2017, toen de voorbereidende werkzaamheden ter uitvoering van het bestemmingsplan aanvingen. Volgens Altro werd de teruggang in de omzet eind 2017 in belangrijke mate veroorzaakt door privéomstandigheden. Steenhuijs geeft aan dat de invloed van de privéomstandigheden op de omzetontwikkeling in het jaar 2018 niet duidelijk is. Vanaf november 2017 tot april 2018 (toen de werkzaamheden voor de herinrichting van de route Kijkduin-Houtrust aanvingen) was de omzet al gedaald met 31,5% ten opzichte van dezelfde periode een jaar eerder. In de daarop volgende periode tot augustus 2018, gedurende welke de werkzaamheden ter uitvoering van het bestemmingsplan in de directe nabijheid van het restaurant met ingang van 4 mei 2018 aanzienlijk waren geïntensiveerd en de werkzaamheden ter uitvoering van de herinrichting van de route per eind maart 2018 waren aangevangen, daalde de omzet nog verder, en wel met 52,5% ten opzichte van dezelfde periode een jaar daarvoor. De omzet daalde in de periode november 2017 tot augustus 2018 met 41,5% ten opzichte van de omzet van dezelfde periode in het jaar daarvoor. Volgens Steenhuijs is het niet meer voor te stellen dat van alle in beeld gebrachte omzetdaling in de door SAOZ aangehouden schadeperiode van april 2018 tot april 2019, er nog een wezenlijk additionele omzetdaling heeft plaatsgevonden als gevolg van de werkzaamheden ter uitvoering van de herinrichting van de route Kijkduin-Houtrust. De redeneringen en berekeningen van Steenhuijs geven volgens Steenhuijs eerder aanleiding om te veronderstellen dat de toerekening van de omzetdaling daaraan op nihil of hooguit wellicht op 10% moet worden gesteld.
- Steenhuijs komt op basis hiervan tot de conclusie dat het redelijk is om uit te gaan van een schadeverdeling van 10% (route-herinrichting) - 90% (bestemmingsplan). Het college heeft de, mede op het verkeersonderzoek van Arcadis gebaseerde, conclusie van Steenhuijs over de vergaande dominante invloed van het bestemmingsplan en de onderbouwing daarvan, aan het in beroep bestreden besluit van 21 maart 2022 ten grondslag gelegd. De Afdeling is van oordeel dat het college dit terecht heeft gedaan en zij volgt de motivering over de schadeverdeling van het door het college overgenomen advies van de bezwaarcommissie. In wat Altro tegen deze motivering heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze motivering niet kan worden gevolgd.
- Het betoog slaagt niet. Gelijkheidsbeginsel Betoog Altro
- Altro betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door aan haar geen nadeelcompensatie toe te kennen, terwijl eerder in de vergelijkbare zaak van Eetcafé Tios y Tias op basis van een vergelijkbaar advies van SAOZ wel nadeelcompensatie is toegekend. Het is volgens Altro willekeurig dat de ene ondernemer wel compensatie ontvangt, terwijl in haar geval het voor haar gunstige advies van SAOZ opzij is geschoven. Volgens Altro vereist het gelijkheidsbeginsel een consistent en doordacht bestuursbeleid. Het veronderstelt dat het bestuur welbewust richting geeft en dus een algemene gedragslijn volgt ten aanzien van zijn optreden in rechtens vergelijkbare gevallen. Altro wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:
- Op de zitting bij de Afdeling heeft Altro in dit verband benadrukt dat het in deze zaak bestreden besluit het vertrouwen dat de burger in de overheid mag hebben aantast en dat het college dat had moeten voorkomen. Beoordeling door de Afdeling
- De Afdeling begrijpt dat Altro teleurgesteld is dat het voor haar gunstige advies van SAOZ over de op haar aanvraag om nadeelcompensatie te nemen beslissing niet door het college is gevolgd en dat zij daardoor geen nadeelcompensatie heeft gekregen, terwijl in een andere zaak die ook ging over compensatie van nadeel veroorzaakt door de uitvoering van de werkzaamheden voor de herinrichting van de route Kijkduin-Houtrust, op basis van een advies van SAOZ, wel nadeelcompensatie is toegekend aan een in Kijkduin gevestigde horeca onderneming. De Afdeling begrijpt ook dat zij daardoor vraagtekens plaatst bij het handelen van het college.
- Toch heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college het gelijkheidsbeginsel niet heeft geschonden. Dat het college in de zaak van het Eetcafé Tios y Tias wel overeenkomstig het advies van de SAOZ nadeelcompensatie heeft toegekend, betekent niet dat het college dat in dit geval ook had moeten doen. In het aan Tios Y Tias gerichte besluit over nadeelcompensatie van 30 januari 2020 vermeldt het college dat het advies van de SAOZ in die zaak wordt gevolgd voor wat betreft de berekening van de hoogte van het toe te kennen nadeel. In dit besluit neemt het college echter ook expliciet afstand van het advies van de SAOZ voor zover dat gaat over de schadeverdeling - ex aequo et bono - aan de twee schadeoorzaken. SAOZ had ook in die zaak geadviseerd de schade voor 50% toe te rekenen aan de uitvoering van de werkzaamheden voor de herinrichting van de route Kijkduin-Houtrust en voor 50% aan de uitvoering van de werkzaamheden voor de uitvoering van het bestemmingsplan Kijkduin-Ockenburgh. In het besluit over de aanvraag van Tios y Tias heeft het college te kennen gegeven dat het daaraan in die zaak geen consequenties verbond, omdat deze schadeverdeling volgens het college geen invloed had op de hoogte van het toe te kennen bedrag. Op de zitting heeft het college toegelicht dat deze motivering in belangrijke mate was ingegeven door de tijdsdruk waarin het bij de afhandeling van die aanvraag verkeerde. Het college heeft verder toegelicht er dat op dat moment slechts twee aanvragen lagen en dat het inwinnen van een nader advies tot onwenselijk geachte verdere vertraging in de besluitvorming zou leiden. Omdat er na de toekenning van nadeelcompensatie een veelvoud aan nieuwe aanvragen volgde, heeft het college alsnog een contra-expertise laten verrichten, om nader te bezien welke consequenties de bedenkingen die het had bij het advies van de SAOZ over de schadeverdeling zouden hebben voor de latere besluitvorming. Daarbij heeft het college ook van belang geacht dat het zo veel mogelijk moet letten op de rechtmatigheid van de uitgave van financiële middelen. Het college heeft op de zitting verklaard dat de door haar al in het besluit in de zaak Tios y Tias geuite bedenkingen tegen de door SAOZ geadviseerde 50/50 verdeling juist waren, maar dat het niet juist was om daar in de zaak Tios y Tias geen consequenties aan te verbinden voor de toe te kennen compensatie.
- Het betoog van Altro dat het college inconsistent heeft gehandeld om ondanks twijfel aan de 50% (ex aequo et bono) toerekening aan de route-herinrichting nadeelcompensatie toe te kennen aan Tios y Tias, leidt niet tot het oordeel dat het college het advies van de SAOZ op het punt van de schadeverdeling in deze zaak zonder meer ook moet volgen. Het gelijkheidsbeginsel strekt immers niet zo ver dat het college, omdat het eerder in de zaak Tios y Tias de incidentele fout heeft gemaakt om haar bedenkingen tegen de door SAOZ geadviseerde schadeverdeling niet tot uitdrukking te laten komen in het besluit op de aanvraag om nadeelcompensatie, verplicht is diezelfde fout in andere vergelijkbare zaken - waaronder de zaak van Altro - te herhalen en dat het daarom in deze andere zaken een niet op de toepassing van het beginsel van de gelijkheid voor de openbare lasten terug te voeren, voordeel zou moeten toekennen aan aanvragers, waaronder Altro. De uitspraak van de Afdeling van 25 september 2019 ziet op een geval van bestuursrechtelijke handhaving en leidt niet tot een ander oordeel in deze zaak.
- De op de zitting door Altro benadrukte stelling dat het in deze zaak bestreden besluit het vertrouwen dat de burger in de overheid mag hebben aantast en dat het college dat had moeten voorkomen, brengt in zijn algemeenheid niet mee dat het college in dit geval gehouden is de door Altro gewenste compensatie aan haar toe te kennen. Het recht, in het bijzonder het beginsel van de gelijkheid voor de openbare lasten en het vertrouwensbeginsel, biedt daarvoor geen grondslag.
- Het betoog slaagt niet. Normaal ondernemersrisico
- Altro betoogt onder verwijzing naar het tegenadvies van BoVee dat het college een onjuiste toepassing heeft gegeven aan het normaal ondernemersrisico. Het college had de drempel van 8% niet mogen berekenen over de hele (referentie)omzet van
- Omdat de inkomstenderving is toe te rekenen aan meerdere maatregelen, moet ook ten aanzien van de referentieomzet eenzelfde onderscheid worden gemaakt. Als dat niet wordt gedaan, zou dat betekenen dat het normale ondernemersrisico tot tweemaal toe wordt berekend over de gehele referentieomzet. Altro bepleit een, wat zij noemt, evenredige verdeling van het normale ondernemersrisico over de planschade en de nadeelcompensatie.
- De Afdeling stelt, ook gelet op wat op de zitting besproken is, vast dat Altro in hoger beroep de vraag heeft opgeworpen of in dit geval een correctie zou moeten plaats vinden op de door het college gehanteerde drempel van 8% van de referentieomzet over
- Volgens Altro zou hantering van deze drempel bij de beslissing omtrent toekenning van nadeelcompensatie in dit geval leiden tot een onaanvaardbare cumulatie van verrekening van het normale ondernemersrisico, aangezien dat zowel verrekend zou worden bij de tegemoetkoming in planschade die is veroorzaakt door het bestemmingsplan, als bij de beslissing over toekenning van nadeelcompensatie wegens de uitvoering van de werkzaamheden aan de herinrichting van de route Kijkduin-Houtrust. De Afdeling stelt vast dat niet in geschil is dat het bestemmingsplan Kijkduin-Ockenburgh niet tot een planologische verslechtering en dus niet tot planschade bij Altro heeft geleid. Daaruit volgt dat geen normaal ondernemersrisico is verrekend bij de beslissing over toekenning van planschade. Daaruit volgt ook dat er in dit geval geen cumulatie van verrekeningen van het normale ondernemersrisico kan hebben plaatsgevonden. Het betoog van Altro berust dus op de onjuiste veronderstelling dat cumulatie heeft plaatsgevonden. Daarbij komt dat voor een correctie wegens cumulatie in een geval als dit aanleiding zou kunnen zijn, indien de werkzaamheden ter uitvoering van de herinrichting van de route Kijkduin-Houtrust en de werkzaamheden ter uitvoering van het bestemmingsplan zo nauw met elkaar verweven zijn dat de voor- en nadelen die uit deze schadeoorzaken voortvloeien geacht moeten worden voort te vloeien uit een en dezelfde maatregel. Daarvan is in dit geval geen sprake. Er bestaat dus (ook) daarom geen reden om af te wijken van het uitgangspunt dat per schadeveroorzakende maatregel, het normale ondernemersrisico op de daardoor veroorzaakte schade in mindering moet worden gebracht. Vergelijk de overzichtsuitspraak planschade van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2583, onder 5.
- Het college heeft terecht de omvang van het normale ondernemersrisico berekend door de drempel van 8% te nemen over de omzet van 2017 (het referentiejaar). In het betoog van Altro is geen grond te vinden voor een ander oordeel. Conclusie
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
- Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier. w.g. Jurgens voorzitter w.g. Planken griffier Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2024 299-1033