202303747/1/V6. Datum uitspraak: 26 juni 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats] (Marokko), appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 mei 2023 in zaak nr. 22/3697 in het geding tussen: [appellant] en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 6 februari 2019 heeft de staatssecretaris het Nederlanderschap van [appellant] ingetrokken. Bij besluit van 25 mei 2022 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 4 mei 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met zaak nr. 202303484/1/V1 op een zitting behandeld op 18 april 2024, waar [appellant] via een videoverbinding, bijgestaan door mr. C.F. Wassenaar, advocaat te Rotterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, en J.J. van Joolingen, zijn verschenen. Verder is op verzoek van [appellant] verschenen mr. A. Kuijpers. Overwegingen 1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Inleiding 2. [appellant] heeft vanaf zijn geboorte op [geboortedatum] 1997 in Amsterdam de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit gehad. De staatssecretaris heeft zijn Nederlanderschap ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN). Aan deze intrekking heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat [appellant] bij arrest van 19 juli 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:6123, door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar wegens het plegen van meerdere terroristische misdrijven. Het gaat om het voorbereiden en bevorderen van het plegen van terroristische misdrijven en poging tot deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Ook heeft het gerechtshof bijzondere voorwaarden gesteld, waaronder reclasseringstoezicht, een contactverbod met enkele in het arrest genoemde personen en elektronische controle via een enkelband. Het arrest is op 9 augustus 2017 onherroepelijk geworden. De strafrechter heeft bewezen verklaard dat [appellant] de strafbare feiten in de periode van 14 oktober 2013 tot en met 5 oktober 2015 heeft gepleegd. Volgens de staatssecretaris heeft [appellant] hiermee de essentiële belangen van het Koninkrijk ernstig geschaad. [appellant] is op 20 augustus 2018 in vrijheid gesteld. Hij is op 5 augustus 2019 uit eigen beweging naar Casablanca, Marokko, vertrokken en verblijft daar sindsdien. Geen schending van het ne-bis-in-idembeginsel 3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat zijn beroep op het ne-bis-in-idembeginsel niet slaagt. Hij voert aan dat de staatssecretaris de handelingen die ten grondslag hebben gelegen aan zijn strafrechtelijke veroordeling, nu ook ten grondslag heeft gelegd aan de intrekking van het Nederlanderschap. Dat maakt volgens hem dat sprake is van een dubbele bestraffing. Volgens [appellant] had de rechtbank niet mogen volstaan met een verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 30 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3045, omdat het door de Afdeling gehanteerde toetsingskader in die uitspraak onvolledig is. De rechtbank had volgens hem zelf moeten toetsen aan de criteria uit het arrest van het EHRM van 8 juni 1976, Engel en anderen tegen Nederland, ECLI:CE:EHCR:1976:0608JUD000510071. Volgens [appellant] is sprake van een punitieve sanctie. 3.1. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 30 december 2020, onder 4.1 tot en met 4.5, deugdelijk gemotiveerd dat de intrekking van het Nederlanderschap geen punitieve sanctie is, maar een bestuursrechtelijke ordemaatregel. Dat [appellant] de maatregel als bestraffend ervaart, is geen reden om te oordelen dat de maatregel in zijn geval ook bestraffend is. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 5 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2861, onder 6.1. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het ne-bis-in-idembeginsel niet in de weg staat aan de intrekking van het Nederlanderschap van [appellant]. 3.2. Het betoog slaagt niet. Discriminatie 4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat sprake is van discriminatie op grond van nationaliteit. Hij voert aan dat uit de uitspraak van de rechtbank niet blijkt dat de rechtbank de "very weighty reasons"-test heeft uitgevoerd, terwijl dit wel vereist is. De rechtbank heeft verwezen naar enkele arresten van het EHRM, maar die gaan niet over discriminatie op grond van alleen de nationaliteit. Hetzelfde geldt voor de verwijzingen in de uitspraak van de Afdeling van 30 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3045. [appellant] voert verder aan dat het voorkomen van staatloosheid geen rechtvaardiging is voor het onderscheid tussen Nederlanders met meerdere nationaliteiten en Nederlanders met alleen de Nederlandse nationaliteit. Het Europees Verdrag inzake Nationaliteit (hierna: het EVN) staat volgens hem de ongelijke behandeling alleen toe voor zover Nederlanders met meerdere nationaliteiten zich niet in Nederland bevinden. Verder is de intrekking van zijn Nederlanderschap niet noodzakelijk, omdat hij al een gevangenisstraf heeft uitgezeten en daardoor de essentiële belangen van Nederland al zijn gewaarborgd. Ook heeft de rechtbank ten onrechte geen aandacht besteed aan artikel 9 van het Verdrag tot beperking der staatloosheid 1961 (hierna: het Staatloosheidsverdrag), waarin de intrekking van de nationaliteit in bepaalde gevallen is verboden. Verder volgt uit de artikelen 5 en 17 van het EVN een recht op gelijke behandeling, waarin [appellant] ook een recht op behoud van de eigen nationaliteit ziet. 4.1. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank terecht onder verwijzing naar de uitspraak van 30 december 2020, onder 6 tot en met 6.3, overwogen dat de intrekking van het Nederlanderschap niet in strijd is met het discriminatieverbod. Dat de Afdeling in die uitspraak heeft verwezen naar arresten van het EHRM waarin het niet uitsluitend over onderscheid op grond van nationaliteit ging en dat er "compelling or very weighty reasons" moeten zijn bij onderscheid op grond van nationaliteit, maakt dat niet anders. Het voorkomen van staatloosheid is immers zo'n "compelling or very weighty reason" voor het onderscheid tussen mono- en bipatriden. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2094, onder 4.3. 4.2. [appellant] voert verder aan dat de staatssecretaris ook kan voorkomen dat iemand staatloos wordt, door in het geheel geen gebruik te maken van de bevoegdheid van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN. In zoverre verplicht het Staatloosheidsverdrag niet tot het maken van onderscheid tussen mensen met een enkele en mensen met een dubbele nationaliteit. Met de intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN brengt de staatssecretaris echter tot uitdrukking dat de betrokkene zich zodanig tegen de Nederlandse belangen heeft gekeerd dat de band met Nederland niet langer kan bestaan. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 30 december 2020, is deze doelstelling op zichzelf legitiem. Dit volgt ook uit het arrest van het EHRM van 25 juni 2020, Ghoumid e.a. tegen Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2020:0625JUD005227316, paragraaf 50. Deze doelstelling wordt daarnaast niet bereikt door de betrokkene een gevangenisstraf op te leggen, zoals [appellant] betoogt, omdat dit niet het doel is van een gevangenisstraf. 4.3. Anders dan [appellant] aanvoert, leest de Afdeling niet in het EVN dat ongelijke behandeling op basis van nationaliteit alleen is toegestaan wanneer de betrokkene zich niet in Nederland bevindt. Het beroep van [appellant] op artikel 9 van het Staatloosheidsverdrag slaagt niet, gelet op de eerdergenoemde uitspraak van 31 mei 2023, onder 4.1. Voor zover al sprake is van indirecte discriminatie, volgt uit de uitspraak van 30 december 2020, onder 6.3, dat hiervoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Ook het beroep van [appellant] op de artikelen 5 en 17 van het EVN slaagt niet. De Afdeling verwijst hiervoor naar de uitspraak van 31 mei 2023, onder 4.1. 4.4. Het betoog slaagt niet. Belangenafweging 5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de staatssecretaris is gevolgd in zijn standpunt dat artikel 68a van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (hierna: het BvvN) een beperkte belangenafweging voorschrijft. [appellant] wijst op de brief van 25 juni 2020 van de minister van Justitie en Veiligheid en de staatssecretaris aan de Tweede Kamer, kenmerk 2906145, p. 3 (hierna: de Kamerbrief), waaruit volgt dat de belangenafweging alle relevante omstandigheden van het geval moet omvatten en daarnaast een actualiteitstoets inhoudt. Volgens [appellant] moet de Kamerbrief worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid. Hij wijst ook op de elementen die het EHRM in het arrest van 1 februari 2022, Johansen tegen Denemarken, ECLI:CE:ECHR:2022:0201DEC002780119, paragrafen 52 tot en met 56, heeft genoemd in het kader van de belangenafweging die op grond van artikel 8 van het EVRM plaatsvindt. Volgens [appellant] moeten die elementen ook deel uitmaken van de belangenafweging onder artikel 68a van het BvvN. [appellant] voert verder aan dat hij op een jeugdige leeftijd is veroordeeld voor poging tot deelneming aan een terroristische organisatie, wat maakt dat het misdrijf lichter is. Hij wijst erop dat hij in Nederland is geboren, hier is opgegroeid en tot de intrekking van zijn nationaliteit een hbo-opleiding heeft gevolgd. Hij was van plan om in de toekomst te werken in de transportsector, maar door het verlies van het Unieburgerschap kan hij geen gebruik maken van het recht op vrij verkeer. Daar komt bij dat hij een minderjarige zoon heeft. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte geen waarde heeft gehecht aan het wetenschappelijk onderzoek van B. de Graaf (hierna: De Graaf) en de bevindingen uit de voorlichtingsrapportage van Forensisch Maatwerk (hierna: FM) van 2 december 2021, waaruit volgt dat hij geen gevaar meer vormt voor de Nederlandse samenleving. 5.1. Het Hof van Justitie heeft in het arrest Rottmann van 2 maart 2010, ECLI:EU:C:2010:104, punten 54-56, overwogen dat, als de intrekking van de nationaliteit tot gevolg heeft dat de betrokkene het burgerschap van de Unie verliest, de autoriteiten moeten nagaan of de intrekking evenredig is. Daarom moet de rechter bij de toetsing van een intrekking van een nationaliteit rekening houden met de gevolgen voor betrokkene en zijn gezinsleden. In dit verband moet de rechter met name nagaan of het verlies van de rechten van een Unieburger gerechtvaardigd is in het licht van de ernst van het gedrag van betrokkene en het tijdsverloop tussen de naturalisatie en de intrekking. 5.2. De intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN is een discretionaire bevoegdheid van de staatssecretaris. Echter, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is de ruimte die de staatssecretaris heeft om af te zien van de intrekking beperkt. De discretionaire ruimte is nader ingevuld door artikel 68a van het BvvN. Ingevolge deze bepaling houdt de staatssecretaris bij de intrekking van het Nederlanderschap onder meer rekening met (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.