202202119/1/R4.Datum uitspraak: 24 januari 2024 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
- appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend te Baarn,
- [ appellant sub 2], wonend te Baarn,
- [ appellant sub 3], wonend te Baarn, en anderen,
- [ appellant sub 4] en anderen, allen wonend te Soest,
- [ appellant sub 5], wonend te Baarn,
- [ appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], beiden wonend te Soest,
- Stichting Behoud het Borrebos, gevestigd te Baarn (hierna: stichting Borrebos),
- Stichting De Parel van Baarn, gevestigd te Baarn (hierna: stichting De Parel),
- Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland, gevestigd te Amersfoort, en andere (hierna: Natuurmonumenten en andere),
- Stichting Werkgroep Roofvogels Nederland, gevestigd te Wapse, gemeente Westerveld (hierna: stichting Roofvogels),
- Stichting Behoud de Eemvallei, gevestigd te Baarn (hierna: stichting Eemvallei), appellanten, en de raad van de gemeente Baarn, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 23 februari 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Landgoed Paleis Soestdijk" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de deskundige) heeft desverzocht een deskundigenverslag uitgebracht. Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben een aantal appellanten en de raad hun zienswijze daarop naar voren gebracht. Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak behandeld op de zitting van 17 april 2023, waar partijen in persoon of vertegenwoordigd door een gemachtigde zijn verschenen. Ook de raad is verschenen, vertegenwoordigd door gemachtigden. Overwegingen OVERGANGSRECHT INWERKINGTREDING OMGEVINGSWET Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 8 oktober 2021 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure de Wet ruimtelijke ordening, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. SAMENVATTING Deze uitspraak gaat over het bestemmingsplan voor de herontwikkeling van het landgoed Paleis Soestdijk en de realisatie van woningen in het aangrenzende Alexanderkwartier. Tegen het plan heeft een aantal partijen beroep ingesteld. Dit zijn zowel natuurlijke personen die wonen in de (wijde) omgeving van het plangebied en vrezen voor de gevolgen van het plan voor hun leefomgeving als rechtspersonen die opkomen voor algemene natuur- en milieubelangen. De Afdeling komt tot het oordeel dat de beroepen van drie partijen ongegrond zijn. De overige beroepen zijn gegrond. Het bestemmingsplan is op een aantal onderdelen gebrekkig. Een overzicht van de in deze uitspraak geconstateerde gebreken is weergegeven in overweging 156 aan het slot van deze uitspraak. Gelet op het aantal gebreken en de aard daarvan ziet de Afdeling geen mogelijkheid de raad met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op te dragen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Het bestemmingsplan wordt geheel vernietigd. Dat betekent dat de herontwikkeling van het landgoed en de woningbouw in het Alexanderkwartier, zoals is voorzien in het plan, geen doorgang kan vinden. Dit neemt niet weg dat de raad de herontwikkeling van het landgoed - al dan niet in gewijzigde vorm - opnieuw mogelijk kan maken. Het is aan de raad om te beslissen of hij dat doet en op welke termijn. Daarbij zal de raad rekening moeten houden met wat de Afdeling heeft geoordeeld in deze uitspraak, en de hierin vastgestelde gebreken moeten herstellen. Met het oog op de eventuele vervolgbesluitvorming heeft de Afdeling in deze uitspraak (nagenoeg) alle betogen behandeld. BIJLAGE
- De relevante wettelijke bepalingen en planregels zijn opgenomen in de bij deze uitspraak behorende bijlage. Vanwege de leesbaarheid van de uitspraak zijn bepaalde wettelijke bepalingen en planregels ook in de uitspraak zelf weergegeven. INLEIDING Omvang van het beroep
- Het college van burgemeester en wethouders van Baarn (hierna: college van B en W) heeft voor het plan bij besluit van 1 februari 2022 hogere waarden als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder vastgesteld. Deze hogere waarden hebben betrekking op de woningen in het Alexanderkwartier. Dit besluit heeft gelijktijdig met het besluit tot vaststelling van het plan ter inzage gelegen. Op de zitting is met partijen vastgesteld dat de beroepen niet tegen het hogere waarden-besluit zijn gericht. Dit besluit ligt dus niet ter beoordeling voor in deze procedure. In deze uitspraak worden de beroepsgronden tegen het plan besproken. Het plan
- Het plan heeft betrekking op de herontwikkeling van het landgoed Paleis Soestdijk in de gemeente Baarn. De oppervlakte van het landgoed bedraagt ongeveer 170 ha. Aan de zuidzijde wordt het plangebied begrensd door de Biltseweg. Langs een groot deel van de oostelijke begrenzing van het plangebied ligt de Amsterdamsestraatweg. Het plan voorziet in de restauratie van het paleis, herontwikkeling van tuin en park, de bouw van 98 appartementen in het Alexanderkwartier, de realisatie van een winkel, horecavoorziening en hotel, en de mogelijkheid delen van het landgoed te gebruiken voor evenementen. Hieronder is afbeelding 2.1 uit het deskundigenverslag overgenomen waarop de begrenzing van het plangebied is weergegeven, met de globale indeling van het landgoed.
- De planregeling is op hoofdlijnen als volgt. De gronden van het paleis en het Anna Amaliaoord zijn bestemd voor "Gemengd". Dit bestemmingsvlak heeft een oppervlakte van ongeveer 10 ha. Aan de Paleistuin, het Emmapark en het Paleisbos is de bestemming "Natuur" toegekend. Aan de vijver in de Paleistuin en de watergangen is de bestemming "Water" toegekend. De gronden van het Paleis, de Paleistuin, het Emmapark en het Anna Amaliaoord hebben ook de aanduiding "overige zone - evenementen". Ook de gronden van de Parade, ten oosten van het Paleis, aan de overzijde van de Amsterdamsestraatweg, zijn bestemd voor "Gemengd". Op deze gronden rust de aanduiding "overige zone - evenementen Parade". Het Alexanderkwartier is voor het overgrote deel bestemd voor "Wonen", met daarnaast, langs "de randen", de bestemming "Natuur".
- De gronden met de bestemming "Gemengd" zijn aangewezen voor culturele en educatieve voorzieningen, exposities, tentoonstellingen, bijeenkomsten en vergaderingen en voor evenementen, een hotel met maximaal 120 kamers, horeca van categorie 1 met maximaal 950 m² brutovloeroppervlak (hierna: bvo) per vestiging, met dien verstande dat de totale oppervlakte maximaal 1.650 m² bvo bedraagt. De gronden zijn ook aangewezen voor recreatie, kantoren tot een maximum van 1.500 m² bvo, paviljoens, ondergeschikte detailhandel tot een maximum van 750 m² bvo, ondergeschikte horeca en nutsvoorzieningen. In artikel 3.4.1, aanhef en onder c, van de planregels is bepaald dat het gebruik van de gronden met de bestemming "Gemengd" voor culturele en educatieve voorzieningen, exposities, tentoonstellingen, bijeenkomsten en vergaderingen, recreatie, kantoren, paviljoens, ondergeschikte detailhandel en ondergeschikte horeca, niet mag leiden tot meer dan 325.000 bezoekers per jaar. Deze begrenzing van het aantal bezoekers ziet dus niet op het gebruik van de gronden met de bestemming "Gemengd" voor evenementen, het hotel en de zelfstandige horeca. Evenementen zijn toegelaten op gronden met de bestemming "Gemengd" met de aanduiding "overige zone - evenementen" en "overige zone - evenementen Parade". In de planregels is vastgelegd dat het aantal evenementendagen maximaal 40 per jaar bedraagt en dat tijdens een evenement maximaal 5.000 bezoekers per dag zijn toegestaan. De gronden met de bestemming "Wonen" zijn blijkens artikel 8.1, aanhef en onder e, van de planregels aangewezen voor wonen in gestapelde vorm tot een maximum van 98 appartementen, al dan niet met zorg voor mensen die vanwege hun leeftijd, gezondheid of beperkingen aangewezen zijn op enige zorg en ondersteuning.
- Voorheen gold voor het landgoed en het aangrenzende Alexanderkwartier het bestemmingsplan "Landelijk gebied", vastgesteld door de raad bij besluit van 26 augustus
- De beroepen
- De beroepen zijn ingesteld door omwonden van het plangebied. Zij komen op tegen de nadelige gevolgen van het plan voor hun directe woon- en leefomgeving. Daarnaast hebben rechtspersonen beroep ingesteld. De rechtspersonen komen op voor algemene natuur- en milieubelangen, die volgens hen door het plan worden aangetast. Hieronder zullen de posities van appellanten nader worden geduid.
- [ appellant sub 5] woont aan de [locatie 1] in Baarn, op een afstand van ongeveer 1,5 km tot het plangebied. [appellant sub 2] woont aan de [locatie 2] in Baarn, op een afstand van ongeveer 1,25 km tot het plangebied. [appellanten sub 1] wonen aan de [locatie 3] in Baarn, op een afstand van 1,4 km tot het plangebied. [appellant sub 3] en anderen wonen ten noorden en ten oosten van het plangebied, aan de Torenlaan in Baarn en de Stadhouderslaan en Praamgracht in Soest, op afstanden die variëren van ongeveer 480 m tot 600 m tot het plangebied. [appellant sub 4] en anderen zijn bewoners van de percelen [locatie 4], en [locatie 5] en [locatie 6] in Soest. Deze percelen liggen ten zuiden van het plangebied. De afstand tot de [locatie 4] bedraagt ongeveer 150 m. De andere twee percelen liggen op grotere afstanden tot het landgoed. [appellanten sub 6] zijn bewoners van de [locatie 7], op een afstand van ongeveer 600 m tot het plangebied. Stichting Borrebos komt blijkens haar statuten op voor natuurbelangen welke door ontwikkelingen in de (bos)gebieden op en rond het binnen het Natuurnetwerk Nederland gelegen landgoed Paleis Soestdijk worden bedreigd. Stichting Eemvallei heeft als statutaire doelstelling het behoud en de versterking van natuur en landschap van de Eemvallei en omgeving. Stichting De Parel is een stichting die blijkens artikel 2 van haar statuten als doelstelling heeft "het behoud van het historisch ensemble "Paleis Soestdijk", te weten het paleis met park, bijgebouwen, intendance en verdere aanhorigheden, het volgen van ontwikkelingen op het gebied van ruimtelijke ordening, verkeer en milieu en daaraan gerelateerde vergunningen". Stichting Roofvogels heeft als statutaire doelstelling het beschermen van roofvogels in Nederland. Natuurmonumenten en andere zijn verenigingen die onder meer tot doel hebben het behoud en beheer van in natuurwetenschappelijk en landschappelijk opzicht belangrijke terreinen in Nederland met het zich daarop bevindende cultureel erfgoed.
- [ partij] is eigenaar van het landgoed en initiatiefnemer van het project. Voor de herontwikkeling van het landgoed hebben de gemeente en [partij] een zogenoemde anterieure overeenkomst gesloten (versie 17 februari 2022). In artikel 5.1 van deze overeenkomst staat dat de woningbouwontwikkeling op het Alexanderkwartier in het plan is opgenomen om uit de netto-opbrengsten daarvan de restauratie van Paleis Soestdijk te kunnen bekostigen. In artikel 5.4 is bepaald dat de restauratie van het paleis in beginsel binnen vijf jaar na het in rechte onaantastbaar worden van het bestemmingsplan afgerond moet zijn. [partij] heeft ook een (driepartijen) overeenkomst gesloten met de provincie Utrecht en de gemeente Baarn. Dit is de "Overeenkomst restauratie Paleis Soestdijk in relatie met de woningbouw" van 28 januari
- In deze overeenkomst zijn vergelijkbare bepalingen opgenomen als in de genoemde anterieure overeenkomst met de gemeente Baarn. Ten slotte is van belang dat de provincie Utrecht bij beschikking van 15 december 2020 aan [partij] een subsidie heeft verstrekt voor de restauratie van het paleis(terrein). Opzet uitspraak
- De opzet van de uitspraak is als volgt, met tussen haakjes het nummer van de overweging(en): - Wijze van toetsen
(11); - Goede procesorde
(12); - De beroepen van [appellant sub 5], [appellant sub 2], en [appellanten sub 1] (13-19); - Vooringenomenheid (20-21); - Voorbereiding en inspraak (22-24); - Behoefte woningen en evenementen (25-26); - Restauratieverplichting
(27); - Milieueffectbeoordeling (28-33); - Verkeer (regulier gebruik) (34-46); - Parkeren (regulier gebruik)
(47); - Geluid (regulier gebruik) (48-49); - Luchtkwaliteit (regulier gebruik) (50-51); - Evenementen (52-75); - Ruimtelijke kwaliteit (76-80); - Rijksbeleid
(76)- Provinciale verordening (77-78) - Gemeentelijk beleid (79-80) - Natuur (81-148) - Gebiedsbescherming (83-100) - Natuurnetwerk Nederland (101-117) - Soortenbescherming (118-144) - Houtopstanden (145-148) - Conclusie milieueffectbeoordeling
(149); - Financiële uitvoerbaarheid (150-153); - Overige beroepsgronden
(154). Ten slotte volgen de conclusie en de proceskosten (155-160). BEOORDELING VAN DE BEROEPEN Wijze van toetsen
- Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen. Goede procesorde
- Natuurmonumenten en andere hebben bij brief van 3 april 2023 hun beroep aangevuld. Als bijlage bij deze brief hebben zij de notitie "Kanttekeningen bij de ontwikkelingen rond landgoed paleis Soestdijk" van Royal HaskoningDHV van 28 maart 2023 overgelegd. In deze notitie wordt het aan het plan ten grondslag gelegde verkeersonderzoek bestreden. De notitie van HaskoningDHV van 28 maart 2023 bevat nieuwe, niet eerder aangevoerde beroepsgronden. De Afdeling overweegt dat op het plan de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) van toepassing is omdat het plan de bouw mogelijk maakt van meer dan elf woningen in een aaneengesloten gebied (bijlage I, onderdeel 3.1 Chw). In artikel 1.6a van de Chw is bepaald dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. Ook geldt overigens dat het indienen van nieuwe beroepsgronden na het uitbrengen van het deskundigenverslag in strijd is met de goede procesorde. 12.
- Voor zover in de notitie van HaskoningDHV (nieuwe) argumenten worden aangevoerd die kunnen worden gerelateerd aan de beroepsgronden die Natuurmonumenten en andere hebben aangevoerd in hun initiële beroepschrift van 14 april 2022, heeft de raad gesteld dat de notitie in een te laat stadium van de procedure is overgelegd en wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten. De Afdeling overweegt dat nieuwe argumenten en stukken, ter motivering van een eerdere beroepsgrond, in beginsel ook kunnen worden ingediend na afloop van de beroepstermijn. De mogelijkheid hiertoe wordt evenwel begrensd door de goede procesorde. Strijd met de goede procesorde doet zich voor als die nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken verwijtbaar zo laat worden ingediend, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd. Bij het indienen van nadere stukken is ook de termijn van artikel 8:58 van de Awb van tien dagen voor de zitting van belang. Maar zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is deze termijn niet bepalend voor de vraag of het overleggen van nadere stukken in strijd is met de goede procesorde. Daarvoor verwijst de Afdeling naar haar uitspraak van 15 augustus 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB
- Voor het antwoord op die vraag is namelijk doorslaggevend of een zinvolle bespreking van de stukken ter zitting kan plaatsvinden. De Afdeling heeft de notitie van HaskoningDHV op 4 april 2023 ontvangen. De beroepen tegen het bestemmingsplan zijn behandeld op de zitting van de Afdeling van 17 april
- In de notitie van HaskoningDHV worden de uitgangspunten bestreden die ten grondslag liggen aan het onderzoek naar de verkeersgeneratie en -afwikkeling. De Afdeling volgt het standpunt van de raad dat hij niet adequaat heeft kunnen reageren op de notitie van HaskoningDHV. Op de zitting hebben Natuurmonumenten en andere gesteld dat zij al in 2022 opdracht hebben gegeven aan HaskoningDHV, maar dat het vervolgens lang heeft geduurd totdat de notitie gereed was. Deze omstandigheid behoort echter voor risico van Natuurmonumenten en andere te blijven. De Afdeling is van oordeel dat de notitie van HaskoningDHV wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten. Dat betekent dat ook de argumenten die in deze notitie worden aangevoerd als onderbouwing van al eerder aangevoerde beroepsgronden, niet zullen worden besproken. De beroepen van [appellant sub 5], [appellant sub 2], en [appellanten sub 1]
- Zoals hiervoor onder 8 is vermeld wonen [appellant sub 5], [appellant sub 2], en [appellanten sub 1] op afstanden van onderscheidenlijk ongeveer 1,5 km, 1,4 km en 1,25 km tot het plangebied.
- In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb staat dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium "gevolgen van enige betekenis" van de activiteit dient als correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft betrokkene geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene zijn, wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. De Afdeling is van oordeel dat [appellant sub 5], [appellant sub 2], en [appellanten sub 1], gelet op de hiervoor genoemde afstanden tussen het plangebied en hun percelen, geen gevolgen van enige betekenis ondervinden van de herontwikkeling van Paleis Soestdijk. Dat betekent dat deze appellanten geen belanghebbende zijn bij het bestreden besluit.
- Het vorenstaande neemt niet weg dat [appellant sub 5], [appellant sub 2], en [appellanten sub 1] beroep kunnen instellen tegen het plan, nu zij zienswijzen naar voren hebben gebracht over het ontwerpplan (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953). In haar uitspraak van 4 mei 2021 heeft de Afdeling er echter al op gewezen dat te voorzien is dat de beroepsgronden van degene die als niet-belanghebbende toegang tot de bestuursrechter verkrijgt, vanwege het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste in voorkomende gevallen niet tot vernietiging van het bestreden besluit zullen kunnen leiden.
- Artikel 8:69a van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept." Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.
- [ appellant sub 5], [appellant sub 2], en [appellanten sub 1] hebben beroepsgronden aangevoerd over de gevolgen van het plan voor de verkeers- en parkeersituatie in de omgeving van hun percelen en de gevolgen van de op het landgoed voorziene evenementen voor de kwaliteit van hun directe woon- en leefomgeving. Ook betogen zij dat het plan nadelige gevolgen heeft voor de natuurwaarden in en nabij het plangebied en dat de beoogde ontwikkeling financieel-economisch niet-uitvoerbaar is. Met deze betogen doen appellanten een beroep op de norm van artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), dat wil zeggen de norm dat een bestemmingsplan moet strekken tot een goede ruimtelijke ordening. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar overzichtsuitspraak over het relativiteitsvereiste van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, beschermt de norm van artikel 3.1 van de Wro in voorliggende context het belang van omwonenden bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe woon- en leefomgeving. Hoewel de norm van artikel 3.1 strekt tot de bescherming van het woon- en leefklimaat in de omgeving van het plangebied, zijn de percelen van appellanten dermate ver verwijderd van het landgoed dat hun directe woon- en leefomgeving niet samenvalt met de omgeving van het plangebied. De norm van artikel 3.1 van de Wro strekt daarom niet tot de bescherming van het belang van appellanten bij het voorkomen van een aantasting van de kwaliteit van hun directe woon- en leefomgeving.
- De conclusie is dat de betogen van [appellant sub 5], [appellant sub 2], en [appellanten sub 1] over de gevolgen van de herontwikkeling van het paleis voor de verkeers- en parkeersituatie en de gevolgen van de op het landgoed voorziene evenementen, vanwege het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb niet kunnen leiden tot vernietiging van het plan. Daarom zal de Afdeling deze betogen van [appellant sub 5], [appellant sub 2], en [appellanten sub 1] niet inhoudelijk bespreken.
- De Afdeling overweegt dat andere appellanten vergelijkbare beroepsgronden hebben aangevoerd over de gevolgen van de herontwikkeling voor onder meer de verkeers- en parkeersituatie en de gevolgen van evenementen. Deze appellanten wonen wel in de nabijheid van het plangebied en daarom kan hen het relativiteitsvereiste niet worden tegengeworpen. De beroepsgronden van deze appellanten zullen elders in deze uitspraak inhoudelijk worden besproken. Vooringenomenheid
- Stichting De Parel betoogt dat de raad vooringenomen en daarom in strijd met artikel 2:4 van de Awb heeft gehandeld bij het voorbereiden en vaststellen van het plan. Zij voert hiertoe aan dat bij de verkoop van het paleisterrein aan [partij] is bedongen dat zij gedurende een termijn van vijftien jaar na de overdracht deze gronden niet mag vervreemden. In 2021 heeft [partij] echter een deel van de gronden verkocht aan de gemeente Baarn voor het realiseren van een fietspad. Het college van B en W heeft de raad niet geïnformeerd over deze transactie voorafgaande aan het vaststellen van het plan. Verder stelt stichting De Parel dat het college van B en W in januari 2020 opdracht heeft gegeven aan een oud-wethouder om te "bemiddelen" met de provincie Utrecht over de verenigbaarheid van het plan met de provinciale verordening. Deze bemiddeling diende het belang van de projectontwikkelaar, maar is betaald door de gemeente. Het college van B en W heeft de raad hierover niet tijdig geïnformeerd, dat wil zeggen voor het vaststellen van het plan. Ten slotte wijst stichting De Parel erop dat niet de ontwikkelaar, maar de gemeente, de kosten heeft gedragen van het organiseren van het overleg met de buurtbewoners en andere (potentiële) belanghebbenden. 20.
- Artikel 2:4, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan zijn taak vervult zonder vooringenomenheid. Het tweede lid bepaalt dat het bestuursorgaan ertegen waakt dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, strekt artikel 2:4, tweede lid, van de Awb ertoe de burger een waarborg te bieden voor naleving van de in het eerste lid neergelegde norm. Daartoe wordt, niet aan de in de bepaling bedoelde personen individueel, maar aan het tot besluiten bevoegd bestuursorgaan, een zorgplicht opgelegd die in elk geval inhoudt dat door het orgaan wordt voorkomen dat de besluitvorming niet meer voldoet aan de in het eerste lid neergelegde norm. Met het begrip "persoonlijk" is blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 2:4 van de Awb gedoeld op ieder belang dat niet behoort tot de belangen die het bestuursorgaan uit hoofde van de hem opgedragen taak behoort te behartigen. 20.
- De Afdeling overweegt dat wat stichting De Parel heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad bij het voorbereiden van het plan in strijd heeft gehandeld met het verbod van vooringenomenheid. Stichting de Parel heeft niet nader toegelicht waarom de gestelde verkoop van een deel van de gronden in strijd met de verkoopovereenkomst tussen het Rijk en de projectontwikkelaar blijkt geeft van een persoonlijk belang als bedoeld in artikel 2:4, tweede lid Awb van de tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen. Niet valt in te zien dat de eventuele schending van een verbintenis uit de (ver)koopovereenkomst door [partij] maakt dat met het vaststellen van het plan een oneigenlijk belang van de raad is gediend. Dat de gemeente geheel of gedeeltelijk de kosten van het organiseren van het vooroverleg en de genoemde bemiddeling voor haar rekening heeft genomen geeft evenmin blijk van een oneigenlijk belang van de raad bij het vaststellen van het plan waaruit vooringenomenheid zou blijken. Met de herontwikkeling van het paleisterrein is naast het belang van [partij] ook een algemeen belang gemoeid, onder meer het belang van het behoud en restauratie van het landgoed. Niet is gebleken dat de inspanningen die de gemeente heeft verricht en de kosten die zij heeft gemaakt om tot overeenstemming te komen met de provincie en om de weerstand bij de omwonenden weg te nemen of te verkleinen, in overwegende mate waren ingegeven door de belangen van de ontwikkelaar. Het betoog slaagt niet.
- Over het betoog van stichting De Parel dat de door het plan voorziene herontwikkeling afwijkt van wat initieel, dat wil zeggen bij het verwerven van het terrein, is besproken of afgesproken tussen [partij] en het Rijksvastgoedbedrijf, overweegt de Afdeling als volgt. In deze procedure staat de rechtmatigheid van het vastgestelde bestemmingsplan ter toetsing. De gestelde omstandigheid dat er discrepantie bestaat tussen de afspraken bij de totstandkoming van de (ver)koopovereenkomst en wat het plan mogelijk maakt, betekent niet dat de raad heeft gehandeld in strijd met artikel 2:4, eerste lid, van de Awb. Voorbereiding en inspraak
- Stichting De Parel betoogt dat de raad een brief van 28 april 2020 van gedeputeerde staten van Utrecht aan provinciale staten - de zogenoemde statenbrief - ten onrechte niet beschikbaar heeft gesteld in het kader van de inspraakprocedure over de beoogde herontwikkeling. In deze brief zijn de resultaten van het overleg tussen onder meer de gemeente en de provincie over de herontwikkeling van het landgoed beschreven. 22.
- Volgens de raad heeft de brief van gedeputeerde staten van 28 april 2020 ter inzage gelegen met de (overige) bij het voorontwerp van het bestemmingsplan behorende stukken. 22.
- De Afdeling overweegt dat stichting De Parel niet heeft bestreden dat de brief van 28 april 2020 ter inzage heeft gelegen met het voorontwerp van het bestemmingsplan. Reeds gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onzorgvuldig heeft gehandeld door deze brief niet anderszins te delen, dat wil zeggen in de fase voor de terinzagelegging van het ontwerpplan. Het betoog slaagt niet.
- De Afdeling ziet geen aanleiding om in te gaan op het betoog van stichting De Parel over de volgens haar niet neutrale informatieverstrekking over de beoogde herontwikkeling van het paleisterrein, omdat dit, wat daar verder ook van zij, niet van belang is voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het plan.
- Ook wat stichting De Parel voor het overige heeft aangevoerd over de voorbereiding van het plan voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpplan geeft geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is geweest van schending van concrete inspraakverplichtingen. Het betoog slaagt niet. Behoefte woningen en evenementen Woningen
- Stichting Eemvallei betoogt dat het plan, wat betreft de voorziene 98 woningen in het Alexanderkwartier, in strijd is met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). Het plangebied ligt buiten bestaand stedelijk gebied. Er moet daarom worden gemotiveerd waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in de behoefte aan woningen kan worden voorzien. Bij de gegeven onderbouwing dat alternatieve locaties in stedelijk gebied ontbreken is de raad ten onrechte uitgegaan van zeer specifieke kenmerken van het beoogde woonmilieu, aldus stichting Eemvallei. 25.
- Volgens de raad is de behoefte aan de 98 woningen in het Alexanderkwartier onderzocht en onderbouwd in het rapport "Ladderonderbouwing wonen en hotel paleis Soestdijk" van Bureau Stedelijke Planning van 9 juni 2021 (hierna: rapport Ladderonderbouwing). 25.
- De Afdeling overweegt dat niet in geschil is dat er behoefte is aan de voorziene 98 woningen. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar overzichtsuitspraak over de "ladder voor duurzame verstedelijking" van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, moet de toelichting, indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Dit betekent dat bij een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied een nadrukkelijke motivering nodig is waarom niet in het bestaand stedelijk gebied in de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt voorzien. Daarbij kunnen de beschikbaarheid en geschiktheid van de ontwikkelingsmogelijkheden in bestaand stedelijk gebied een rol spelen. 25.
- De raad heeft toegelicht dat het Alexanderkwartier specifieke kenmerken heeft die bijdragen aan de kwaliteit van de appartementen en het woongenot van de toekomstige bewoners. Van belang is dat de herontwikkeling van het plangebied moet worden gezien als één geheel. De onderlinge plandelen zijn op diverse manieren met elkaar verbonden en kunnen niet los van elkaar worden gezien. Er zijn volgens de raad geen geschikte alternatieve locaties binnen bestaand stedelijk gebied. De raad verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:252, waaruit volgt dat bij de "laddertoets" betrokken mag worden dat een ontwikkeling niet op zichzelf staat, maar dient als economische en financiële basis voor een andere ontwikkeling of de grotere ontwikkeling als geheel. Deze samenhang kan meebrengen dat de diverse ontwikkelingen op zichzelf in één bestemmingsplan in hetzelfde gebied mogelijk worden gemaakt en niet op een andere locatie, aldus de raad. 25.
- Het Alexanderkwartier is voorzien op de gronden van het (voormalige) marechausseeterrein. Deze gronden liggen direct aangrenzend aan de westkant van het landgoed en aan/nabij de Amsterdamsestraatweg. De Afdeling volgt het standpunt van de raad dat de voorziene woningbouw in nauw verband staat met de herontwikkeling van het landgoed en dat in zoverre geen sprake is van een op zichzelf staande ontwikkeling. De herontwikkeling van het landgoed wordt mede gefinancierd met de opbrengsten van de voorziene woningen en vormt een noodzakelijke financiële basis voor de ontwikkeling waarop het plan ziet. . De Afdeling is gelet hierop van oordeel dat de raad bij het beantwoorden van de vraag of er alternatieve locaties - binnen bestaand stedelijk gebied - beschikbaar zijn voor de woningen rekening mag houden met de omstandigheid dat de woningen niet op zichzelf staan, maar een onderdeel zijn van de herontwikkeling van het landgoed Paleis Soestdijk, en dat daarom locaties die ruimtelijk bezien - bijvoorbeeld vanwege de afstand tot het landgoed - geen enkele relatie hebben met het landgoed, geen geschikt alternatief zijn. Vergelijk in dit verband de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:25 Stichting Eemvallei heeft ook niet gewezen op concrete andere locaties binnen bestaand stedelijk gebied die, gelet ook op het integrale karakter van de herontwikkeling, geschikt zijn voor de beoogde woningbouw. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen geschikte locaties zijn binnen bestaand stedelijk gebied voor de voorziene woningen. Het betoog slaagt niet. Evenementen
- Over het betoog van Stichting Eemvallei dat er geen behoefte is aan het gebruik van het landgoed voor evenementen, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft onweerspoken toegelicht dat delen van het paleisterrein ook voorheen, in het bijzonder in de periode voor 2020, zijn gebruikt voor grootschalige evenementen. In de plantoelichting staat dat er al voor de verkoop van het landgoed geregeld evenementen hebben plaatsgevonden. In 2010 en 2011 was dit de opera "Orfeo ed Euridice". Later werden "Royal Park Live" en de "Royal Run" steeds terugkerende evenementen. In 2018 werd eenmalig de musical "Elisabeth in Concert" geprogrammeerd en in 2019 de "Concours d’ Élégance", aldus de plantoelichting. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad aannemelijk heeft gemaakt dat er behoefte bestaat aan de mogelijkheid delen van het landgoed te gebruiken als evenemententerrein. Het betoog slaagt niet. Restauratieverplichting
- Stichting De Parel en [appellant sub 3] en anderen betogen dat de afspraken die zijn gemaakt over de restauratie van Paleis Soestdijk niet voldoende concreet zijn. Bovendien is nakoming ervan niet of onvoldoende publiekrechtelijk, dat wil zeggen in het plan, geborgd. De restauratie van het paleis is geregeld in de tussen de gemeente en [partij] gesloten anterieure overeenkomst. Dit is een privaatrechtelijke overeenkomst. Omwonenden zijn geen partij bij deze overeenkomst. Zij kunnen daarom niet in rechte afdwingen dat [partij] de op haar rustende verplichtingen nakomt. Bovendien kan een privaatrechtelijke overeenkomst volgens appellanten eenvoudig worden gewijzigd of beëindigd. 27.
- De Afdeling overweegt dat de wijze waarop de restauratie moet worden uitgevoerd onder meer is vastgelegd in de beschikking van de provincie Utrecht van 15 december 2020 waarbij aan [partij] subsidie is verleend voor de restauratie van het landgoed (hoofgebouw en buitenplaats). In de tussen de gemeente en [partij] gesloten anterieure overeenkomst, versie 17 februari 2022, wordt gerefereerd aan de inhoud van die subsidiebeschikking. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de wijze waarop de restauratie moet worden uitgevoerd in het bestemmingsplan zelf had moeten worden vastgelegd, aangezien het hier om een uitvoeringsaspect gaat. De Afdeling wijst er nog op dat voor de werkzaamheden aan het paleis een omgevingsvergunning is vereist voor een rijksmonumentenactiviteit (voorheen: omgevingsvergunning voor het wijzigen van een rijksmonument). De wijze waarop de restauratie wordt uitgevoerd zal in dat kader worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Belanghebbenden kunnen tegen die vergunning in rechte opkomen. Het betoog slaagt niet. 27.
- De Afdeling overweegt dat in het plan een zogenoemde voorwaardelijke verplichting is opgenomen over de restauratie van het paleis in relatie tot het vellen van houtopstanden (artikel 8.4.4). Een verplichting over de termijn voor de restauratie van het paleis ontbreekt. De raad heeft daarover gesteld dat in de subsidiebeschikking van 15 december 2020 voorschriften zijn opgenomen over de termijn en instandhouding van de restauratie. Deze voorschriften hebben naar het oordeel van de Afdeling echter een beperkte betekenis, in die zin dat het niet voldoen daaraan (alleen) tot gevolg kan hebben dat de provincie de subsidie intrekt. In de anterieure overeenkomst tussen [partij] en de gemeente, versie 17 februari 2022, zijn in artikel 3 en 5 bedingen opgenomen over de restauratie van het paleis. De bepalingen van artikel 5 van de overeenkomst gaan over "voorwaardelijke verplichtingen". Zo staat in artikel 5.3 een beding over het vellen van de houtopstand die correspondeert met de voorwaardelijke verplichting van artikel 8.4.4 van de planregels. In artikel 5.4 van de overeenkomst is vastgelegd - verkort weergegeven - dat de ontwikkelaar de restauratie moet voltooien binnen vijf jaar na het in rechte onaantastbaar worden van het bestemmingsplan. Dit laatste beding over de termijn voor de voltooiing van de restauratie is niet in het plan overgenomen als een voorwaardelijke verplichting. In de anterieure overeenkomst zijn verder ketting- en boetebedingen opgenomen. Stichting De Parel en [appellant sub 3] en anderen stellen terecht dat derden geen beroep kunnen doen op de verbintenissen uit de anterieure overeenkomst. Nu de raad, zoals volgt uit de overeenkomst, het wel van ruimtelijk belang acht dat de restauratie binnen een termijn van vijf jaren na het in rechte onaantastbaar worden van het bestemmingsplan wordt voltooid, had dit publiekrechtelijk geborgd moeten worden in het bestemmingsplan door een daartoe strekkende voorwaardelijke verplichting op te nemen in de planregels. Het plan is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het betoog slaagt. Milieueffectbeoordeling
- [ appellant sub 3] en anderen, stichting Eemvallei, en Natuurmonumenten en andere betogen dat voor het plan een milieueffectrapport (hierna: MER) had moeten worden gemaakt. De milieueffectbeoordeling (hierna: m.e.r.-beoordeling) die voor het plan is opgesteld en waarin wordt geconcludeerd dat de herontwikkeling van het landgoed niet leidt tot belangrijke nadelige milieugevolgen, is volgens deze appellanten onjuist. De onderscheidenlijke onderzoeken naar de milieugevolgen van de herontwikkeling zijn namelijk gebrekkig. Daarnaast betogen Natuurmonumenten en andere en [appellant sub 3] en anderen dat het plan reeds m.e.r.-plichtig is op grond van artikel 7.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm). Negatieve significante gevolgen voor beschermde natuurgebieden zijn niet uitgesloten, zodat het plan passend beoordeeld had moeten worden. Daarom had ook een MER moeten worden gemaakt.
- De raad heeft voor het plan een m.e.r.-beoordeling gemaakt. Aan die beoordeling ligt het rapport "Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling Landgoed Paleis Soestdijk" van Aveco de Bondt van 23 december 2021 (hierna: Aanmeldnotitie) ten grondslag. Volgens de Aanmeldnotitie voorziet het plan in een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie D11.2 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.). De omvang van de voorziene activiteit ligt onder de drempelwaarden van kolom
- De oppervlakte van het landgoed is weliswaar groter dan 100 ha, maar de oppervlakte van het deel waar ontwikkelingen/activiteiten plaatsvinden is ongeveer 45 ha. Het plan voorziet in 98 nieuwe woningen, wat ruim onder de drempel van 2.000 woningen ligt. De activiteiten heeft geen betrekking op een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer, aldus de Aanmeldnotitie.
- De beoordeling of het plan belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu is verricht aan de hand van de criteria van bijlage III van de Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2014/52/EU, PbEU 2014, L
- In de Aanmeldnotitie wordt geconcludeerd dat het plan niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Op grond hiervan heeft de raad besloten af te zien van het maken van een MER.
- Op de zitting heeft stichting Eemvallei de beroepsgrond dat ten onrechte niet is onderkend dat de voorziene ontwikkeling moet worden aangemerkt als een "themapark" als bedoeld in categorie D.10, onder e, van de bijlage bij het Besluit m.e.r., ingetrokken.
- De Afdeling overweegt dat [appellant sub 3] en anderen, stichting Eemvallei, en Natuurmonumenten en andere de verrichte onderzoeken naar de milieugevolgen van het plan bestrijden, zodat die onderzoeken volgens hen de conclusie niet kunnen dragen dat de herontwikkeling "geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft". In deze uitspraak zullen de onderscheidenlijke beroepsonderdelen van [appellant sub 3] en anderen, stichting Eemvallei, en Natuurmonumenten en andere worden besproken en beoordeeld. De uitkomst van deze beoordeling is doorslaggevend voor het antwoord op de vraag of de conclusie uit de Aanmeldnotitie dat het plan niet leidt tot belangrijke nadelige milieugevolgen deugdelijk is gemotiveerd. De verplichting om een MER te maken kan echter al voortvloeien uit artikel 7.2a, eerste lid, van de Wm. Daarin is bepaald dat als een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, een MER is vereist. De Afdeling zal aan het slot van deze uitspraak oordelen over de vraag of de raad op juiste gronden heeft geconcludeerd dat een MER niet is vereist.
- De Afdeling overweegt dat het betoog van Natuurmonumenten en andere dat de herontwikkeling van het landgoed leidt tot een aantasting van het Natuurnetwerk Nederland door stikstofdepositie en dat dit niet deugdelijk is onderzocht, niet kan leiden tot het oordeel dat voor het plan een passende beoordeling had moeten worden gemaakt en dus (op die grondslag) ook een MER is vereist. Artikel 7.2a, eerste lid, van de Wm, heeft namelijk uitsluitend betrekking op Natura 2000-gebieden. Het betoog van Natuurmonumenten en andere over de gevolgen van de stikstofdepositie op het Natuurnetwerk Nederland zal elders in de uitspraak inhoudelijk worden besproken. Verkeer (regulier gebruik) Inleiding
- In dit onderdeel van de uitspraak bespreekt de Afdeling de beroepsgronden van appellanten die gericht zijn tegen het onderdeel "verkeer", dat wil zeggen de verkeersgeneratie van het plan en de gevolgen daarvan voor de verkeersafwikkeling en -veiligheid in de omgeving. De behandeling in dit onderdeel is beperkt tot de verkeersgevolgen van het plan met uitzondering van de bijdrage van het houden van evenementen. In de uitspraak wordt in dit verband gesproken van "de reguliere gevolgen van het plan". De verkeersgeneratie heeft ook gevolgen voor het akoestisch klimaat in de omgeving, de luchtkwaliteit, het parkeren, en beschermde natuur. Deze onderwerpen zullen elders in de uitspraak afzonderlijk worden besproken. Waar nodig zullen er verbanden worden gelegd met dit deel over de verkeersgeneratie en -afwikkeling, omdat in het bijzonder de verkeersgeneratie van het plan het vertrekpunt is voor het beoordelen van de aanvaardbaarheid van de genoemde ruimtelijke gevolgen. Het plan voorziet in de mogelijkheid om delen van het plangebied te gebruiken voor evenementen. Deze zogenoemde evenementenregeling - de ruimtelijke gevolgen daarvan - wordt besproken in een afzonderlijk onderdeel van de uitspraak. De gevolgen van evenementen voor onder meer de verkeersafwikkeling, het geluid, en de luchtkwaliteit komen dus afzonderlijk aan de orde in het onderdeel "Evenementen" van deze uitspraak.
- De Afdeling gaat hierna eerst in op de verkeersstructuur in de omgeving van het plangebied, de planregeling, de beoogde ontsluiting van het plangebied, en de uitkomsten van het verrichte verkeersonderzoek. Deze beschrijving is hoofdzakelijk ontleend aan het deskundigenverslag. Vervolgens bespreekt de Afdeling de beroepsgronden van appellanten.
- Het plangebied wordt in de huidige situatie ontsloten door een aantal in- en uitgangen aan de Amsterdamsestraatweg. Zo zijn er een ingang en een uitgang in het historische hekwerk bij het paleis. Bij de zuidelijke bushalte aan de Amsterdamsestraatweg is er een ingang voor langzaam verkeer die naar het park en bos bij het paleis leidt. Ten noorden daarvan is een ontsluiting die van en naar het bestaande parkeerterrein (De Dries) leidt, de Koninginnelaan. Ruim 200 m ten noorden van deze ontsluiting is de ontsluiting van het Marechausseeterrein. Hieronder is afbeelding 9.1 uit het deskundigenverslag overgenomen, waarop de (bestaande) verkeersstructuur in de omgeving van het plangebied is weergegeven.
- Direct ten noordoosten van het landgoed loopt de Amsterdamsestraatweg. Een deel hiervan met een lengte van ongeveer 600 m ligt in het plangebied. Aan deze gronden is de bestemming "Verkeer" toegekend. In artikel 6.1 van de planregels is vastgelegd dat deze gronden onder meer zijn bestemd voor wegen met maximaal 2x2 rijstroken en de benodigde opstelstroken, en kruisingen en aansluitingen. In de bestaande situatie zijn er ten noorden en ten zuiden van het deel van de Amsterdamsestraatweg dat in het plangebied ligt, twee kruispunten, namelijk het kruispunt met de Hilversumsestraatweg/Lt. Gen. van Heutszlaan, en het kruispunt met de Biltsestraatweg, Vredehofstraat en Praamgracht. Het plan voorziet in twee nieuwe kruispunten. Het gaat om een nieuw kruispunt voor de ontsluiting van het Alexanderkwartier; dat is het deelgebied waarin de woningen zijn voorzien. Het tweede nieuwe kruispunt wordt gerealiseerd voor de ontsluitingen voor de Parade en het Paleis. Deze nieuwe kruispunten komen dus te liggen tussen de al genoemde bestaande kruispunten. Afbeelding 9.3 van het deskundigenverslag, die hieronder is overgenomen, geeft de ligging van de bestaande en nieuwe kruispunten weer.
- Voor de onderbouwing van de aanvaardbaarheid van het plan voor de verkeers- en parkeersituatie in de omgeving is een aantal onderzoeken uitgevoerd. De uitgebrachte rapporten zijn gevoegd als bijlagen bij de plantoelichting. De reguliere gevolgen van het plan zijn onderzocht en beoordeeld in het rapport Mobiliteitsonderzoek Paleis Soestdijk, actualisatie 2021, van Goudappel van 21 december 2021 (hierna: "Mobiliteitsonderzoek"). Mobiliteitsonderzoek
- Hierna worden eerst de opzet en bevindingen van het Mobiliteitsonderzoek samengevat weergegeven. Daarna worden de beroepsgronden besproken die gericht zijn tegen dit rapport.
- Het Mobiliteitsonderzoek heeft betrekking op de reguliere verkeersgevolgen van het plan. Bij dit onderzoek is dus geen rekening gehouden met de gevolgen van de evenementenregeling. Onderzocht zijn de gevolgen van het plan voor het prognosejaar
- In het rapport komen aan de orde de verkeersgeneratie door het plan en de gevolgen daarvan voor de verkeersafwikkeling en -veiligheid. Daarnaast wordt ingegaan op de te nemen maatregelen voor het borgen van een efficiënte en veilige verkeersafwikkeling. Voor het berekenen van de totale verkeersgeneratie en de aantallen vertrekken en aankomsten per etmaal voor de verschillende functies is in het rapport gebruikgemaakt van kengetallen van CROW en eigen aannamen. De bestemmingen die verkeersbewegingen genereren zijn "Gemengd" en "Wonen". De gemiddelde verkeersgeneratie voor alle functies gezamenlijk is berekend op 2.403 verkeersbewegingen per etmaal. De routekeuzes van het komende en vertrekkende verkeer naar en van het plangebied zijn ook onderzocht. Verwacht wordt dat de helft van het verkeer komt en vertrekt via de Amsterdamsestraatweg-Biltsestraatweg. De andere helft van het verkeer komt vanuit of gaat in noordelijke richting; 45 procent van het door het plan gegenereerde verkeer rijdt over de Amsterdamstraatweg-Noord en dus door de bebouwde kom van Baarn. Het bestemmingsplan leidt tot een gemiddelde toename van ongeveer 1.082 verkeersbewegingen per etmaal op dit deel van de Amsterdamsestraatweg. In het Mobiliteitsonderzoek zijn eerst de bestaande verkeersintensiteiten en de afwikkeling van dat verkeer op de kruisingen in kaart gebracht. Het gaat hierbij concreet om de situatie in
- Vervolgens is dat gedaan voor de "referentiesituatie" in
- Onder referentiesituatie wordt verstaan de situatie bij een autonome groei van het verkeer, dus zonder het plan. Ten slotte zijn berekeningen gedaan voor 2040 na uitvoering van het plan. De verkeersintensiteiten zijn berekend met behulp van een statisch verkeersmodel, namelijk het "Verkeersmodel voor de regio Utrecht (VRU)" versie 3.
- Op basis van deze berekeningen zijn de Intensiteit/Capaciteit-verhoudingen (hierna: I/C-verhoudingen) berekend voor de diverse wegvakken in de omgeving van het landgoed. Een I/C-verhouding van 0,8 of hoger wordt gewoonlijk als problematisch aangemerkt. In het Mobiliteitsonderzoek zijn aparte berekeningen uitgevoerd om de verkeersafwikkelingen op de geregelde kruispunten te beoordelen. Hierbij is gebruikgemaakt van de software "Cocon". De efficiëntie van de verkeersafwikkeling op een geregeld kruispunt wordt uitgedrukt in de maximale verliestijd voor automobilisten. Een verliestijd kleiner dan 90 seconden wordt als een goede afwikkeling gezien, een verliestijd van 90 seconden tot en met 120 seconden wordt aangemerkt als matig, en een verliestijd groter dan 120 seconden wordt in de regel gekwalificeerd als problematisch.
- De resultaten van de analyse voor de verschillende wegvakken en kruispunten zoals gemaakt in het Mobiliteitsonderzoek zijn weergegeven in tabellen 9.1 tot en met 9.3 van het deskundigenverslag. Tabel 9.1 heeft betrekking op de verkeersintensiteiten, tabel 9.2 op de I/C-verhouding op de diverse wegvlakken in en nabij het plangebied en tabel 9.3 op de cyclustijd in seconden bij de vier kruispunten in het plangebied. Uit deze tabellen leidt de deskundige af dat het plan ten opzichte van de referentiesituatie tot grotere verkeersintensiteiten in de avondspits leidt op de wegvakken Amsterdamsestraatweg-Zuid, Amsterdamsestraatweg-Noord, Hilversumsestraatweg, en de Biltsestraatweg. De verkeersintensiteiten op deze wegdelen groeien met 4,5 procent tot 6,9 procent als gevolg van het plan. Het plan leidt ook tot grotere verkeersintensiteiten in de weekendspits op de wegvakken Amsterdamsestraatweg-Zuid, Amsterdamsestraatweg-Noord en de Biltsestraatweg. Echter de groeipercentages zijn volgens het deskundigenverslag zo gering, dat dit niet leidt tot ongunstigere I/C-verhoudingen op de genoemde wegvakken. Van de onderzochte wegvakken heeft de Amsterdamsestraatweg-Noord de minst gunstige I/C-verhouding, namelijk 0,6 in de ochtendspits en avondspits, maar dit is niet toe te schrijven aan het plan. In de referentiesituatie zijn deze verhoudingen namelijk dezelfde als in de situatie dat het plan wordt gerealiseerd. De afwikkeling van het verkeer bij het bestaande kruispunt van de Amsterdamsestraatweg met de Hilversumsestraatweg en de Lt. Gen. van Heutszlaan wijzigt in de drie drukste periodes van de week als gevolg van het plan. In drie spitsperiodes wordt het verkeer op dit bestaande kruispunt in 2040 sneller afgewikkeld in de situatie met het plan dan in de referentiesituatie. Dit heeft te maken met de twee extra geregelde kruispunten op de Amsterdamsestraatweg, die zijn voorzien voor de ontsluiting van het Paleis en de Parade en van het Alexanderkwartier. Deze nieuwe kruispunten worden uitgevoerd met een verkeersregelinstallatie (hierna: VRI) die het verkeer "doseert", waardoor de verkeersafwikkeling bij het bestaande noordelijke kruispunt verbetert. Dit betekent wel dat de totale verliestijd voor automobilisten op de Amsterdamsestraatweg tussen de Biltsestraatweg en de Hilversumsestraatweg toeneemt als gevolg van de nieuwe geregelde kruispunten, aldus het deskundigenverslag. Bespreking beroepsgronden Algemene uitgangspunten Mobiliteitsonderzoek
- Over het betoog van stichting Eemvallei dat in het Mobiliteitsonderzoek de verkeersgevolgen van de evenementenregeling ten onrechte buiten beschouwing zijn gelaten, overweegt de Afdeling als volgt. De gevolgen van evenementen voor de verkeersafwikkeling en het parkeren zijn nader beschouwd in het rapport "Paleis Soestdijk blauwdruk evenementenverkeer" van Kenniscentrum Evenementenveiligheid van 9 juni 2021 (hierna: rapport Evenementenverkeer). De raad heeft aanleiding gezien de gevolgen van de evenementen niet integraal te betrekken bij de reguliere verkeerseffecten van het plan, omdat voor het beoordelen van de aanvaardbaarheid van de reguliere verkeersgeneratie is uitgegaan van het aantal verkeersbewegingen per dag, verdeeld over verschillende dagdelen. Bij evenementen gaat het niet om een "voortdurend gebruik" van het plangebied. In artikel 16.1.1, onder a, van de planregels is immers vastgelegd dat er maximaal 40 dagen per jaar evenementen gehouden mogen worden, op de gronden met de aanduidingen "overige zone - evenementen" en "overige zone - evenementen Parade". In het deskundigenverslag staat dat het niet wenselijk is om bij het beoordelen van de verkeerseffecten van het plan de extra verkeersbewegingen door evenementen "uit te middelen" over het hele jaar. Deze gevolgen doen zich immers maximaal 40 dagen per jaar voor. Daarom is het volgens de deskundige juist om de verkeersgeneratie van de evenementen afzonderlijk te onderzoeken en beoordelen. De Afdeling sluit zich voor haar oordeel aan bij deze conclusie van de deskundige. Het betoog slaagt niet. De beroepsgronden tegen het onderzoek naar de verkeersgevolgen van de evenementenregeling zullen elders in de uitspraak afzonderlijk worden besproken.
- [ appellant sub 3] en anderen betogen dat niet duidelijk is waarom in het Mobiliteitsonderzoek gekozen is voor 2040 als prognosejaar. Ook stellen zij dat onduidelijk is of het gebruikte verkeersmodel is geverifieerd met gegevens van recente verkeerstellingen. 43.
- Volgens de raad is het voor het beoordelen van de verkeerseffecten van een bestemmingsplan gebruikelijk om minimaal 10 jaar vooruit te kijken. Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van een verkeersmodel dat "standaard" werkt met het toekomstjaar
- Vanuit praktisch en technisch oogpunt lag het, gelet ook op de aard en omvang van de ontwikkeling, voor de hand om hierbij aan te sluiten. De Afdeling is gelet op deze toelichting van oordeel dat de raad deugdelijk heeft toegelicht waarom de verkeersgevolgen van het plan zijn onderzocht voor het prognosejaar
- Het betoog slaagt niet. 43.
- Volgens de raad is het verkeersmodel gevalideerd. De raad verwijst hiertoe naar paragraaf 1.5 van het Mobiliteitsonderzoek. Daarin staat het volgende: "om een goed beeld van de huidige verkeerssituatie te verkrijgen, is daarnaast gebruik gemaakt van actuele verkeerstellingen van de gemeenten Soest, Baarn en de Provincie Utrecht. Deze tellingen zijn gebruikt om de huidige situatie in het verkeersmodel te verifiëren." De Afdeling overweegt dat in pararaaf 1.1, van bijlage 1 van het Mobiliteitsonderzoek een verantwoording is gegeven van de validatie van het verkeersmodel. Op elf locaties in de omgeving van het plangebied zijn de met het verkeersmodel berekende waarden (intensiteiten) vergeleken met verkeerstellingen die zijn aangeleverd door de gemeenten Baarn en Soest en de provincie Utrecht. Aangenomen wordt dat het model representatief is als de maximale afwijking tussen de modelwaarde en de verkeerstelling niet meer bedraagt dan 15 procent. Voor de elf vergeleken locaties wordt hieraan voldaan. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het gebruikte verkeersmodel niet is geverifieerd met gegevens van recente verkeerstellingen. Het betoog slaagt niet. Verkeersgeneratie
- [appellant sub 3] en anderen en stichting Eemvallei betogen dat de verkeersgeneratie door het plan is onderschat. Het plan leidt volgens [appellant sub 3] en anderen tot 1.486.305 extra verkeersbewegingen per jaar, waarvan 668.837 op de Amsterdamsestraatweg-Noord. Volgens [appellant sub 3] en anderen en stichting Eemvallei houdt het Mobiliteitsonderzoek geen rekening met alle verkeersaantrekkende functies in het plangebied. Zij wijzen op de mogelijkheid om de gronden met de bestemming "Wonen" in gebruik te nemen voor zorgvoorzieningen. Daarnaast is ten onrechte geen rekening gehouden met het gebruik van de gronden met de bestemming "Gemengd" voor de kantoorfunctie en (ondergeschikte) detailhandel. Evenmin is rekening gehouden met de verkeersbewegingen die zijn toe te rekenen aan het personeel van de functies die zijn toegelaten op gronden met de bestemming "Gemengd". Ten slotte stellen appellanten dat het aantal horecabezoekers is onderschat en dat geen rekening is gehouden met de verkeersbewegingen door de bezoekers van het hotel. 44.
- In het deskundigenverslag staat dat voor het berekenen van de verkeersgeneratie in het Mobiliteitsonderzoek onderscheid is gemaakt tussen de (plan)functies "platform", "educatie", "hotel", "horeca" en "appartementen". De toegekende bestemmingen en de reële maximale invulling daarvan leiden volgens de deskundige tot een grotere verkeersgeneratie dan is berekend in het Mobiliteitsonderzoek. Uit paragraaf 9.8.2 van het deskundigenverslag volgt dat de deskundige het met appellanten eens is over de verkeersgeneratie door het gebruik van de gronden met de bestemming "Wonen" voor zorgvoorzieningen. Een reële maximale invulling van deze bestemming leidt volgens de deskundige tot 47,3 verkeersbewegingen meer dan berekend in het Mobiliteitsonderzoek. Daarnaast is volgens de deskundige de verkeersgeneratie van het gebruik van de gronden met de bestemming "Gemengd" voor kantoordoeleinden niet betrokken bij de berekening. Het gaat hierbij om maximaal 248 extra verkeersbewegingen. Het aantal verkeersbewegingen door de hotelfunctie is volgens de deskundige echter (licht) overschat met 12,
- Voor het overige kan de deskundige zich verenigen met de berekening van het Mobiliteitsonderzoek. De deskundige komt tot de conclusie dat de reguliere verkeersgeneratie van het plan afgerond 2.686 verkeersbewegingen per etmaal bedraagt. Dat zijn 283 verkeersbewegingen per etmaal meer dan berekend in het rapport Mobiliteitsonderzoek. 44.
- De Afdeling ziet geen reden om de door de deskundige verrichte berekening niet te volgen. Dit betekent dat de Afdeling tot de tussenconclusie komt het plan leidt tot een hogere (reguliere) verkeersgeneratie dan is berekend in het Mobiliteitsonderzoek. Hiermee staat echter niet bij voorbaat vast dat de conclusies over de aanvaardbaarheid van de verkeersgevolgen onjuist zijn, gelet op de betrekkelijk geringe onderschatting. Bij het bespreken van de beroepsgronden over de doorstroming en de verkeersveiligheid hierna, en vervolgens die over de andere ruimtelijke gevolgen van het plan waaraan de verkeersgeneratie ten grondslag ligt (bijvoorbeeld de onderdelen parkeren, geluid, luchtkwaliteit, natuur), zal de Afdeling nader beoordelen welke betekenis moet worden toegekend aan deze onderschatting van het aantal verkeersbewegingen. Doorstroming en veiligheid
- [appellanten sub 6] betogen dat ten onrechte niet is onderzocht wat de gevolgen zullen zijn van de toename van de verkeersintensiteit voor de gelijkvloerse voetgangersoversteekplaats op de Amsterdamsestraatweg (Paleis en Parade) voor de doorstroming en de verkeersveiligheid ter plaatse. Op deze plek zal naar verwachting sprake zijn van grote groepen voetgangers die de weg oversteken. De raad had moeten kiezen voor een voetgangerstunnel in plaats van een oversteekplaats, aldus [appellanten sub 6]. 45.
- Volgens de raad wordt de voetgangersoversteekplaats bij het nieuwe kruispunt voor de ontsluiting van het Paleis en de Parade voorzien van een VRI. Gelet op de berekende cyclustijd van de VRI zal de afwikkeling van het verkeer ter plaatse goed en veilig verlopen. Een voetgangerstunnel is daarom niet nodig, aldus de raad. 45.
- De Afdeling overweegt dat hiervoor in 41 al is toegelicht dat in het Mobiliteitsonderzoek de cyclustijden voor de vier kruispunten in het plangebied zijn berekend. In tabel 9.3 van het deskundigenverslag zijn deze tijden weergegeven. Het kruispunt bij de oversteekplaats (Paleis en Parade) is "kruispunt Z" in deze tabel. Uit de tabel blijkt dat de cyclustijd bij dit kruispunt 70, 70 en 65 seconden zal bedragen tijdens onderscheidenlijk de ochtend-, avond- en weekendspits. Een cyclustijd van minder dan 90 seconden wordt aangemerkt als "goed". De doorstroomtijd op dit kruispunt ligt dus ruim onder deze norm van 90 seconden in alle relevante periodes. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat bij het (nieuwe) kruispunt geen sprake zal zijn van een onaanvaardbare afwikkeling van het verkeer. Wat hiervoor is overwogen over de onderschatting van de verkeersgeneratie geeft geen aanleiding om hierover anders te oordelen, gelet op de geringe omvang van de onderschatting en de omstandigheid dat de cyclustijden ruimschoots onder de "norm" van 90 seconden liggen. Het betoog slaagt niet. 45.
- In het deskundigenverslag staat dat de verkeersveiligheid kan worden bevorderd door de weg in te richten op een wijze die duidelijkheid verschaft aan de weggebruiker over welk verkeersgedrag van hem of haar wordt verwacht. Dit is een duidelijke, logische en herkenbare opzet en samenhang van wegen overeenkomstig de aanbevelingen van "Duurzaam Veilig Wegverkeer". In dit verband worden er drie soorten wegen onderscheiden: stroomwegen, gebiedsontsluitingswegen en erftoegangswegen. De Amsterdamsestraatweg is een gebiedsontsluitingsweg waarbij doorstroming op de wegvakken en uitwisseling op de kruisingen worden verwacht. In beginsel worden er dus geen erven ontsloten op gebiedsontsluitingswegen. Tussen de Biltsestraatweg en Hilversumsestraatweg heeft de Amsterdamsestraatweg een inrichting van 2x2 rijstroken en vrijliggende fietspaden aan weerszijden van de weg. Daarmee heeft deze weg een inrichting overeenkomstig de richtlijnen van een gebiedsontsluitingsweg. De huidige kruisingen zijn voorzien van een VRI. Dit duidelijke wegbeeld geldt in zijn algemeenheid als verkeersveilig. De twee nieuwe kruispunten in het plangebied, waaronder dus het kruispunt ter ontsluiting van het Paleis en de Parade, worden voorzien van een VRI. Deze nieuwe kruispunten leiden ertoe dat de Amsterdamsestraatweg in drie delen van ongeveer 400 m lang wordt "geknipt". Voor de doorstroming is dat niet gunstig, maar dit leidt wel tot lagere rijsnelheden, wat bevorderlijk is voor de verkeersveiligheid, aldus de deskundige. Gelet op wat hiervoor is overwogen volgt de Afdeling het standpunt van de raad dat bij het nieuwe kruispunt ter ontsluiting van het Paleis en de Parade geen sprake zal zijn van een verkeersonveilige situatie. Het betoog slaagt niet.
- [appellant sub 3] en anderen betogen dat het plan leidt tot een verkeersonveilige situatie op de kruising van de Amsterdamsestraatweg (N221) met de Hilversumsestraatweg (N415). Volgens hen is dit kruispunt al in de bestaande situatie niet veilig en dit zal verslechteren als gevolg van de toename van het verkeer. Weliswaar zijn er infrastructurele maatregelen voorgesteld, onder meer de verlaging van de maximumsnelheid voor het deel van de Amsterdamsestraatweg buiten de bebouwde kom, maar deze maatregelen zijn onvoldoende en bovendien niet geborgd in het plan, aldus [appellant sub 3] en anderen. 46.
- De Afdeling overweegt dat de kruising van de Amsterdamsestraatweg met de Hilversumsestraatweg niet binnen het plangebied ligt, maar op een afstand van ongeveer 650 m ten noorden van het plangebied. Dat betekent dat het plan niet voorziet in een fysieke aanpassing van dit kruispunt. Dit neemt niet weg dat het extra verkeer door het plan gevolgen kan hebben voor de situatie ter plaatse. Het kruispunt is al in de bestaande situatie voorzien van een VRI en in het deskundigenverslag staat dat dergelijke kruispunten in beginsel als veilig worden beschouwd. Een onveilige situatie kan ontstaan als verkeersdeelnemers doorrijden bij rood licht. Omdat als gevolg van het plan de cyclustijd op dit kruispunt korter wordt dan in de bestaande situatie, verwacht de deskundige dat de kans op "roodlichtnegatie" na de realisatie van het plan juist afneemt. De Afdeling ziet gelet hierop geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op onjuiste gronden heeft geconcludeerd dat het plan niet zal leiden tot een verkeersonveilige situatie bij het kruispunt van de Amsterdamsestraatweg met de Hilversumsestraatweg. De Afdeling ziet daarom ook geen aanleiding voor het oordeel dat in de planregels bepaalde verkeerskundige maatregelen geborgd hadden moeten door voorwaardelijke verplichtingen of anderszins. Het betoog slaagt niet. Parkeren (regulier gebruik)
- [appellant sub 3] en anderen vrezen voor ernstige parkeeroverlast in de omgeving van het plangebied, in het bijzonder aan de Praamgracht en de Stadhouderslaan. De berekende parkeerbehoefte is volgens hen onjuist. Er is ten onrechte geen rekening gehouden met de parkeerbehoefte van evenementen. Ook is in het onderzoek voorbijgegaan aan de behoefte voor de woningen in het Alexanderkwartier, en (ondergeschikte) detailhandel op de gronden met de bestemming "Gemengd". Het plan voorziet in te weinig parkeerplaatsen. Een deel van de parkeervraag wordt daardoor afgewenteld op de omgeving, terwijl er al in de bestaande situatie sprake is van parkeeroverlast, aldus [appellant sub 3] en anderen. [appellant sub 3] en anderen betogen verder dat de optimalisatie van de twee parkeerterreinen in het plangebied niet is geborgd in het plan. Zo ontbreekt er een voorwaardelijke verplichting in de planregels die strekt tot het realiseren en in stand houden van een toereikend aantal parkeerplaatsen. Ook bij de bestemming "Wonen" is niet geregeld dat parkeren binnen dat bestemmingsvlak moet plaatsvinden, aldus [appellant sub 3] en anderen. 47.
- Zoals hiervoor (overweging 34) bij het behandelen van het onderdeel "verkeer" is vermeld, zullen de beroepsgronden tegen de gevolgen van de evenementenregeling voor het parkeren worden besproken in een afzonderlijk onderdeel van deze uitspraak (overweging 60). De hierna te verrichten beoordeling is beperkt tot de gevolgen van het reguliere gebruik voor de parkeersituatie. 47.
- Volgens de raad zijn er voldoende parkeerplaatsen op de Parade en De Dries om de reguliere behoefte van het plan op de vangen. Voor parkeeroverlast op de Praamgracht en de Stadhouderslaan behoeft daarom niet te worden gevreesd. Voor het berekenen van de parkeervraag in de reguliere situatie is de ondergeschikte detailhandel niet opgenomen, omdat het daarbij gaat om dezelfde bezoekers als die van het Paleis en/of de Parade. De parkeervraag van de woningen in het Alexanderkwartier is niet in de parkeerbalans betrokken, omdat deze vraag op de locatie moet worden opgelost. De raad verwijst in dit verband naar artikel 8.1, onder j, van de planregels voor de bestemming "Wonen", artikel 3.1, onder q (bestemming "Gemengd"), artikel 5.1, sub 1 (bestemming "Natuur"), en naar artikel 18, van de planregels. Hiermee is volgens de raad geborgd dat er voldoende parkeeraanbod wordt gerealiseerd in het Alexanderkwartier, overeenkomstig de parkeernormen van de gemeente Baarn. 47.
- In het Mobiliteitsonderzoek staat dat er in de bestaande situatie bij parkeerterrein de Dries (P1) ruimte is voor 230, en bij de Parade (P2) voor 42 auto’s. Op parkeerterrein de Dries is na transformatie plaats voor 330 auto’s, op parkeerterrein Parade is de toekomstige capaciteit 227 plaatsen. In totaal voorziet het plan dus in 557 parkeerplaatsen op deze twee parkeerterreinen in het plangebied. De resultaten van de gemaakte berekening van de parkeerbehoefte - de zogenoemde parkeerbalans - zijn weergegeven in tabel 4.5 van het Mobiliteitsonderzoek. Hieruit volgt dat het maatgevende moment voor de parkeerbehoefte de zaterdagmiddag is, om 14.00 uur. Het aantal benodigde parkeerplaatsen bedraagt dan
- Het toekomstige aanbod van 557 parkeerplaatsen is volgens het Mobiliteitsonderzoek ruimschoots voldoende om de berekende parkeerbehoefte op te vangen. 47.
- De Afdeling stelt voorop dat de raad als uitgangspunt heeft gehanteerd dat in de parkeerbehoefte van de woningen in het Alexanderkwartier moet worden voorzien op eigen terrein, dat wil zeggen op de gronden met de bestemming "Wonen". Het is niet aannemelijk (en ook niet de bedoeling) dat de bewoners van het Alexanderkwartier parkeren op de twee parkeerterreinen bij het Paleis en de Parade. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat in de parkeerbalans terecht geen rekening is gehouden met de parkeerbehoefte door de woningen. Hieronder gaat de Afdeling eerst in op de parkeerbehoefte voor het Paleis en de Parade. Daarna zal worden beoordeeld of de raad deugdelijk in het plan heeft geborgd dat op de gronden met de bestemming "Wonen" moet worden voorzien in de eigen parkeerbehoefte. 47.
- In artikel 3.1, onder j, van de planregels is bepaald dat de gronden met de bestemming "Gemengd" onder meer zijn bestemd voor ondergeschikte detailhandel tot een maximum van 750 m² bvo. In bijlage 1 van het rapport Mobiliteitsonderzoek staat dat over het paleisterrein in totaal 750 m² bvo aan ondergeschikte detailhandel wordt gerealiseerd. Deze detailhandel zal in de vorm van een museumwinkel zijn met producten afkomstig van het Paleis. De ondergeschikte detailhandel is bedoeld voor de bezoekers van het Paleis en de Parade. Gelet daarop heeft deze functie geen (zelfstandige) verkeersaantrekkende werking. Daarom is dit niet betrokken bij het berekenen van de verkeersgeneratie van het plan. In het deskundigenverslag staat dat er geen reden is om te veronderstellen dat de mogelijk gemaakte ondergeschikte detailhandel verkeersbewegingen genereert. De Afdeling ziet geen aanleiding om deze conclusie van de deskundige niet te volgen en zij deelt het standpunt van de raad dat de bezoekers van de ondergeschikte detailhandel dezelfde bezoekers zijn als die van het paleis en de overige functies op de gronden met de bestemming "Gemengd". Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat bij het berekenen van de parkeerbehoefte ten onrechte geen rekening is gehouden met de (ondergeschikte) detailhandel op de gronden met de bestemming "Gemengd". Het betoog slaat niet. 47.
- Hiervoor is al overwogen dat het aantal benodigde parkeerplaatsen 456 bedraagt en dat het plan voorziet in 557 parkeerplaatsen voor de bezoekers van het Paleis en de Parade. Dit betekent dat de raad zich in zoverre terecht op het standpunt heeft gesteld dat er voldoende parkeerplaatsen zullen zijn om te voorzien in de behoefte. Echter, zoals hiervoor in 44.1 en 44.2 is overwogen, is de verkeersgeneratie van het plan onjuist berekend. Wat betreft de gronden met de bestemming "Gemengd" is de verkeersgeneratie van de kantoorfunctie van 248 verkeersbewegingen per etmaal niet betrokken in het Mobiliteitsonderzoek. De verkeersgeneratie van de hotelfunctie is overschat met 12,2 verkeersbewegingen. Dat betekent dat het gebruik van de gronden met de bestemming "Gemengd" leidt tot 226 verkeersbewegingen meer (per etmaal) dan waarvan de parkeerbalans uitgaat. Dit betekent dat de parkeervraag met maximaal 113 plaatsen is onderschat, zij het dat de werkelijke parkeerbehoefte die gerelateerd moet worden aan 226 verkeersbewegingen lager zal zijn (door bijvoorbeeld het tijdstip van komen en gaan en dubbelgebruik). Gelet op de beschikbare overcapaciteit van ongeveer 100 parkeerplaatsen, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat als gevolg van de onderschatting van de verkeersgeneratie de conclusie van het parkeeronderzoek onjuist is. Het betoog slaagt niet. 47.
- Zoals hiervoor is overwogen zijn de Dries en Parade bestaande parkeerterreinen. Bij de uitvoering van het plan worden deze parkeerterreinen heringericht. Parkeerterrein de Dries bevindt zich bij de bezoekersingang van het landgoed. Aan deze gronden is in het plan de bestemming "Natuur", met de aanduiding "parkeerterrein" toegekend. In artikel 5.1, aanhef en onder k, van de planregels is vastgelegd dat deze gronden zijn aangewezen voor een parkeerterrein. Aan de gronden van parkeerterrein Parade, ten noorden van het Paleis, is de bestemming "Gemengd", met de aanduiding "parkeerterrein" toegekend. Blijkens artikel 3.1, aanhef en onder q, zijn deze gronden onder meer bestemd voor parkeervoorzieningen. Hiermee zijn naar het oordeel van de Afdeling de twee parkeerterreinen, waarmee wordt beoogd te voorzien in de behoefte van de gronden met de bestemming "Gemengd", geborgd in het plan. De beoogde optimalisatie of herinrichting van de terreinen is een kwestie van uitvoering. Wat [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de beoogde herinrichting niet zal worden uitgevoerd. Het betoog slaagt niet. 47.
- De Afdeling overweegt dat aan de gronden van het Alexanderkwartier de bestemming "Wonen" is toegekend. Op deze gronden worden de 98 woningen gerealiseerd. In artikel 8.1, onder j, van de planregels is vastgelegd dat deze gronden zijn aangewezen voor gebouwde parkeervoorzieningen. In artikel 18.1, onder a, staat dat "een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, niet mag worden gebouwd of gebruikt wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden". Het bepaalde onder b luidt: "bij een omgevingsvergunning wordt aan de hand van op dat moment van toepassing zijnde beleidsregels bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid". Met deze regeling heeft de raad beoogd om in het plan te borgen dat in het kader van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen moet worden voorzien in de benodigde parkeerbehoefte, in beginsel op eigen terrein. Met artikel 18.1 van de planregels is beoogd te voorzien in een zogenoemde "dynamische verwijzing" naar de gemeentelijke parkeernormen. Met toepassing van artikel 3.1.2, tweede lid, onder a, van het Bro kan het aspect "parkeren" in het bestemmingsplan worden geregeld door in een planregel op te nemen dat bij de uitoefening van de bevoegdheid voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen, de regel geldt dat op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid voor auto’s wordt gerealiseerd; dat "voldoende" betekent dat wordt voldaan aan de normen van het gemeentelijk beleid en dat indien de beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met de wijziging. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2837, o. 14.
- Voor een dergelijke dynamische verwijzing is echter vereist dat de concrete (bij besluit vastgestelde) beleidsregel wordt geduid in de planregels. Een algemene verwijzing naar "de op dat moment van toepassing zijnde beleidsregels" is rechtsonzeker. Voor zover de raad heeft beoogd te verwijzen naar de "Nota Parkeernormen 2014-2019 gemeente Baarn", vastgesteld door de raad bij besluit van 17 december 2014, had hij dit dus nadrukkelijk moeten doen in de planregels, met de toevoeging dat indien deze beleidsregel wordt gewijzigd, rekening dient te worden gehouden met die wijziging. Het betoog slaagt. 47.
- Het hiervoor gegeven oordeel betekent dat artikel 18.1 van de planregels in strijd is met de rechtszekerheid. Als gevolg daarvan heeft de raad, anders dan hij heeft beoogd, niet geborgd dat in de parkeerbehoefte voor de gronden met de bestemming "Wonen" moet worden voorzien op eigen terrein. Het plandeel met de bestemming "Wonen" is daarom vastgesteld in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid, zodat dit plandeel niet in stand kan blijven. Geluid (regulier gebruik)
- Stichting De Parel en Natuurmonumenten en andere betogen dat de herontwikkeling van het plangebied leidt tot een verslechtering van het akoestisch klimaat in de omgeving. 48.
- De hierna te verrichten beoordeling is beperkt tot de reguliere gevolgen van het plan voor het geluidklimaat in de omgeving. De gevolgen van de evenementen worden elders in de uitspraak besproken (overweging 53-75). 48.
- Bij het voorbereiden van het plan is onderzoek gedaan naar de gevolgen van het wegverkeer voor de geluidbelasting bij de nieuw te bouwen woningen in het Alexanderkwartier. De resultaten hiervan zijn vastgelegd in de notitie "Geluidonderzoek wegverkeerslawaai Alexanderkwartier" van Aveco de Bondt van 20 december
- Dit onderzoek heeft in zoverre een beperkte strekking en ziet dus niet op de gevolgen van het verkeerslawaai voor de bestaande woningen in de omgeving van het landgoed. Dit wordt bevestigd in het deskundigenverslag. De aanvaardbaarheid van de geluidsgevolgen van het plan is beoordeeld aan de hand van de systematiek van de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure). De resultaten van deze beoordeling zijn vastgelegd in het rapport "Quickscan bedrijven en milieuzonering Landgoed Paleis Soestdijk" van 9 april 2021 van Aveco de Bondt (hierna: Quickscan milieuzonering). Hierin wordt geconcludeerd dat in het plangebied uitsluitend milieubelastende activiteiten van milieucategorie 1 of 2 worden gerealiseerd, onder meer detailhandel, logiesverstrekking en een autoparkeerterrein. Daarvoor gelden richtafstanden van 10 m tot 30 m. Binnen een straal van 30 m van het plangebied zijn er geen milieugevoelige bestemmingen. De meest nabijgelegen woningen liggen volgens de Quickscan milieuzonering op een afstand van meer dan 50 m. 48.
- Stichting De Parel en Natuurmonumenten en andere hebben de hiervoor weergegeven conclusie van het rapport Quickscan milieuzonering dat ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden van de VNG-brochure voor de in het plan toegelaten milieubelastende functies niet bestreden. Gelet daarop is de Afdeling van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de op het landgoed toegelaten milieubelastende functies niet zullen leiden tot onaanvaardbare geluidbelasting in de omgeving. De Afdeling overweegt dat de raad ten tijde van het vaststellen van het plan ervan heeft mogen uitgaan dat het landgoed, wat betreft het reguliere gebruik, zal moeten voldoen aan de geluidnormen die zijn opgenomen in artikel 2.17, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit. Deze normen gelden op de gevels van buiten de inrichting gelegen gevoelige objecten. Omdat zoals hiervoor is geoordeeld ruimschoots aan de richtafstanden wordt voldaan, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat aan deze geluidnormen niet kan worden voldaan. Het betoog slaagt niet.
- Over de gevolgen van de geluidbelasting door het wegverkeer bij de bestaande woningen, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft in reactie op het deskundigenverslag gesteld dat er op de Amsterdamsestraatweg geen woningen van derden zijn. Na de eerstvolgende, met verkeersinstallaties geregelde, kruisingen van de Hilversumsestraatweg/Lt. Gen. van Heutszlaan en Biltseweg/Vredenhofstraat/Praamgracht is het verkeer iopgenomen in het heersende verkeersbeeld. Gelet hierop bestond er volgens de raad geen aanleiding voor een nader onderzoek naar de toename van de geluidbelasting bij de bestaande woningen. Stichting De Parel en Natuurmonumenten en andere hebben deze toelichting niet gemotiveerd bestreden. Gelet daarop is de Afdeling van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het wegverkeer dat is toe te schrijven aan het regulier gebruik van het plangebied niet zal leiden tot onaanvaardbare geluidhinder bij de bestaande woningen in de omgeving van het landgoed. Het betoog slaagt niet. Luchtkwaliteit (regulier gebruik)
- Stichting De Parel en Natuurmonumenten vrezen voor een ernstige verslechtering van de luchtkwaliteit als gevolg van het plan.
- Bij het voorbereiden van het plan is onderzoek gedaan naar de gevolgen daarvan voor de luchtkwaliteit. De resultaten hiervan zijn vastgelegd in het rapport "Quickscan luchtkwaliteit Landgoed Paleis Soestdijk" van Aveco de Bondt van 16 december 2021 (hierna: Quickscan luchtkwaliteit). Voor zover het gaat om de uitstoot door het wegverkeer is in dit rapport gebruik gemaakt van de gegevens uit het Mobiliteitsonderzoek. Dat betekent dat (alleen) de reguliere gevolgen van het plan zijn onderzocht. In dit rapport wordt geconcludeerd dat de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie NO2 op geen van de toetsingslocaties wordt overschreden. Ook de grenswaarde van NO2 als uurgemiddelde van 200 μg/m3 wordt niet vaker dan 18 keer (per kalenderjaar) overschreden. De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM10 van 40 µg/m3 wordt niet overschreden. Ook de grenswaarde van PM10 als 24-uursgemiddelde van 50 µg/m3 wordt niet vaker dan 35 keer (per kalenderjaar) overschreden. De jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 wordt niet overschreden. In het deskundigenverslag staat dat ook bij een grotere verkeersgeneratie dan waarvan is uitgegaan in het Mobiliteitsonderzoek, dat wil zeggen bij 248 extra verkeersbewegingen, de grenswaarden niet zullen worden overschreden, gelet op de "ruimte" die er nog is tot de grenswaarden. Gelet op de Quickscan luchtkwaliteit en het deskundigenverslag, die door appellanten niet inhoudelijk zijn bestreden, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het plan, wat betreft het "reguliere verkeer", niet leidt tot het overschrijden van een in bijlage 2 bij de Wm opgenomen grenswaarde voor N02, PM10 en PM2,
- Het plan is in zoverre niet in strijd met artikel 5.16, eerste lid, onder a, van de Wm). Het betoog slaagt niet. Evenementen
- In dit onderdeel van de uitspraak bespreekt de Afdeling beroepsgronden die gericht zijn tegen de gevolgen van de evenementenregeling van het plan. Na een inleiding, waarin de regeling zal worden toegelicht, gaat de Afdeling eerst in op de beroepsgronden die zien op algemene aspecten van de regeling. Daarna komen aan de orde de betogen tegen de wijzigingsbevoegdheid van artikel 16.6 van de planregels. Vervolgens gaat de Afdeling onderscheidenlijk in op de gevolgen van de regeling voor de verkeersafwikkeling en -veiligheid, parkeren, de geluidbelasting en luchtkwaliteit in relatie tot het woon- en leefklimaat. De gevolgen van de evenementenregeling voor beschermde natuur worden elders in de uitspraak behandeld (vanaf overweging 81). Planregeling
- Het plan maakt evenementen mogelijk in het zuidoostelijke deel van het plangebied. Het gaat om de gronden met de bestemming "Gemengd" (Paleis) en "Natuur" (Paleistuin) waaraan tevens de aanduiding "overige zone - evenementen" is toegekend. Daarnaast zijn evenementen toegelaten in het gebied Parade, zijnde het oostelijke deel van het plangebied, tegenover het Paleis. Aan deze gronden is de bestemming "Gemengd" toegekend, met de aanduiding "overige zone - evenementen Parade". In artikel 3.1, aanhef en onder c, en 5.1, aanhef en onder d, van de planregels is vastgelegd dat de gronden met de bestemming "Gemengd", onderscheidenlijk "Natuur" zijn aangewezen voor evenementen, met inachtneming van het bepaalde in artikel 16.1 van de planregels. In artikel 16.1.1 staan de algemene gebruiksregels voor evenementen. Dit artikel luidt: "a. Ter plaatse van de aanduidingen "overige zone - evenementen" en "overige zone - evenementen Parade" mogen voor beide zones samen in totaal maximaal 40 dagen per jaar evenementen worden gehouden (exclusief op- en afbouwdagen). b. tijdens een evenement zijn maximaal 5.000 bezoekers per dag toegestaan; c. een evenement dient te voldoen aan de reguliere geluidnormen zoals opgenomen in artikel 1.33; d. in uitzondering op lid c is het maximaal 12 dagen per jaar toegestaan dat sprake is van een maximale geluidbelasting welke voldoet aan de verhoogde geluidnormen, zoals opgenomen in artikel 1.35; e. ter plaatse van de aanduiding "overige zone - evenementen Parade" zijn uitsluitend evenementen toegestaan die voldoen aan de reguliere geluidnormen zoals opgenomen in artikel 1.33." In artikel 16.2.2 van de planregels zijn (aanvullende) voorschriften opgenomen die tot doel hebben om verstoring van beschermde diersoorten te voorkomen. Zoals hiervoor is toegelicht worden de gevolgen van de evenementen voor beschermde natuur elders in de uitspraak behandeld. In artikel 1.22 van de planregels is het begrip "evenementen" gedefinieerd als "periodieke en/of incidentele publiek toegankelijke manifestaties zoals sportmanifestaties, concerten, voorstellingen, shows, thematische beurzen en thematische markten, niet behorend tot de reguliere gebruiksactiviteiten." Blijkens artikel 1.33 van de planregels wordt onder "reguliere geluidnormen" verstaan: "De geluidnormen zoals opgenomen in tabel 1.
- van Bijlage 4 Geluidnormen, dan wel de reguliere geluidnormen van de meest recente versie van de geluidbeleidsregels voor evenementen van de gemeente Baarn." Het begrip "verhoogde geluidnormen" is in artikel 1.35 gedefinieerd als: "De geluidnormen zoals opgenomen in tabel 2.
- van Bijlage 4 Geluidnormen, dan wel de verhoogde geluidnormen van de meest recente versie van de geluidbeleidsregels voor evenementen van de gemeente Baarn." 53.
- Uit de hiervoor weergegeven bepalingen die onderdeel zijn van de evenementenregeling blijkt dat in artikel 16.1.1 onderscheid wordt gemaakt tussen evenementen die krachtens artikel 1.33 moeten voldoen aan de "reguliere geluidnormen" en evenementen die krachtens artikel 1.35 moeten voldoende aan de "verhoogde geluidnormen" van de toepasselijke geluidbeleidsregels van de gemeente. In artikel 1.33 wordt verwezen naar de geluidnormen van tabel 1.1 van bijlage 4 (Geluidnormen) bij de planregels, en artikel 1.35 verwijst naar tabel 2.2 van deze bijlage. De geluidnormen van tabel 2.2 zijn aanmerkelijk hoger dan die van tabel 1.
- Het gaat in deze tabellen om de ten hoogste toegestane geluidbelasting voor de dag- avond- en nachtperiode die geldt op de gevel van woningen van derden of op een afstand van 50 m van de grens van de inrichting, indien er geen woning binnen deze afstand aanwezig is. Deze geluidnormen zijn afkomstig uit de "Geluidbeleidsregels bij evenementen gemeente Baarn", vastgesteld door het college van B en W bij besluit van 13 maart
- Het plan laat in totaal 40 evenementendagen toe per jaar, met dien verstande dat op gronden van het paleis en de paleistuin maximaal 12 evenementen per jaar zijn toegelaten waarvoor de verhoogde geluidnormen van tabel 2.2 gelden. In de plantoelichting worden de twee typen evenementen geduid als "niet-geluiddragende" en "geluiddragende" evenementen. De Afdeling zal in het navolgende deze terminologie hanteren. Algemeen
- [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 4] en anderen, en Natuurmonumenten en andere betogen dat artikel 16.1.1, onder b, van de planregels waarin is vastgelegd dat er per evenement maximaal 5.000 bezoekers per dag zijn toegestaan rechtsonzeker is. In de planregels ontbreekt een definitie van het begrip "bezoekers (van evenementen)". Bovendien is deze planregeling volgens [appellant sub 3] en anderen niet handhaafbaar. 54.
- De Afdeling overweegt dat ook zonder een definitie van "bezoekers" in de planregels duidelijk is wat onder bezoekers van een evenement moet worden verstaan. Naar normaal dagelijks spraakgebruik gaat het hierbij om de personen die een evenement bezoeken. Voor het bezoeken van evenementen op het landgoed zal er in de regel een toegangsbewijs vereist zijn. Via de afgifte hiervan kan worden geborgd dat er niet meer dan 5.000 bezoekers zullen zijn per evenement. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het genoemde maximumaantal niet handhaafbaar is. Het betoog slaagt niet.
- Een aantal appellanten heeft aangevoerd dat bij het vaststellen van het plan niet inzichtelijk is gemaakt wat de ruimtelijke gevolgen zullen zijn van het houden van evenementen. Volgens hen is de beoordeling van deze gevolgen doorgeschoven naar de procedure van het verlenen van een evenementenvergunning krachtens de Algemene plaatselijke verordening (hierna: APV). Bij het bespreken van de beroepsgronden over de gevolgen van evenementen - voor de verkeersafwikkeling, geluidoverlast en dergelijke - zal de Afdeling beoordelen of de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het gebruik van het landgoed voor evenementen deugdelijk is onderbouwd.
- [ appellant sub 4] en anderen betogen dat de wijze waarop in de planregels wordt verwezen naar de geluidnormen voor evenementen, onjuist is. De artikelen 1.33 en 1.35 van de planregels verwijzen naar de in bijlage 4 bij de planregels opgenomen concrete geluidnormen, "dan wel de geluidnormen van de meest recente versie van de geluidbeleidsregels voor evenementen van de gemeente Baarn". Hiermee heeft de raad beoogd een zogenoemde "dynamische verwijzing" naar gemeentelijk beleid op te nemen in de planregels, maar de wijze waarop dat is gedaan is rechtsonzeker. Er wordt namelijk niet verwezen naar concrete geluidnormen, althans naar concreet beleid, aldus [appellant sub 4] en anderen. 56.
- De Afdeling overweegt dat in artikel 16.1.1 (onder c, d, en e) van de planregels bezien in samenhang met artikel 1.33 en 1.35, concrete geluidnormen zijn vastgelegd voor de twee typen evenementen. Het gaat om de geluidnormen van tabel 1.1 en 2.2 van bijlage 4 bij de planregels. Daarnaast geldt dat indien de geluidbeleidsregels voor evenementen wijzigen, deze gewijzigde geluidnormen gelden. Deze regeling is niet een regeling als bedoeld in artikel 3.1.2, tweede lid, van het Bro. Het Bro biedt de mogelijkheid beleidsregels normerend te laten zijn voor de toepassing van een bevoegdheid, bijvoorbeeld het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. In de hier aan de orde zijnde situatie gaat het om het (bij recht) toegelaten planologisch gebruik van de gronden. De toevoeging dat bij wijziging van de geluidnormen voor evenementen in het door het college van B en W vastgestelde beleid, deze gewijzigde geluidnormen onderdeel worden van de planregels, betekent dat het door het bestemmingsplan toegelaten gebruik kan worden gewijzigd door een (later) besluit van het college van B en W. Een dergelijke planregeling is in strijd met de rechtszekerheid en met het stelsel van de Wro. Het betoog slaagt. Met het oog op een eventueel toekomstig besluit overweegt de Afdeling ter voorlichting van de raad dat dit gebrek kan worden gerepareerd door de bijzin "dan wel de […] geluidnormen van de meest recente versie van de geluidbeleidsregels voor evenementen van de gemeente Baarn" in artikel 1.33 en 1.35 te schrappen. Wijzigingsbevoegdheid
- [appellant sub 4] en anderen, stichting Eemvallei en Natuurmonumenten en andere bestrijden de wijzigingsbevoegdheid van artikel 16.6 van de planregels. De voorwaarden voor het toepassen van de bevoegdheid zijn niet objectief begrensd. Ook is volgens hen niet duidelijk hoeveel evenementen er dan in de toekomst mogelijk zullen zijn. 57.
- In artikel 16.6 van de planregels is vastgelegd dat het college van B en W het plan kan wijzigen door het in artikel 16.1.1 genoemde aantal evenementendagen bij te stellen. Als voorwaarde geldt dat de wijziging van het aantal evenementen(dagen) in overeenstemming moet zijn met het meest recente evenementenbeleid van de gemeente Baarn. Daarnaast moet op grond van onderzoek worden aangetoond dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van landschappelijke-, cultuurhistorische- en natuurlijke waarden, de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, het woon- en leefklimaat, en de verkeersveiligheid en verkeersdoorstroming. 57.
- In artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de Wro, staat dat bij een bestemmingsplan kan worden bepaald dat het college van B en W, met inachtneming van de bij het plan te geven regels, het plan kan wijzigen binnen de bij het plan te bepalen grenzen. Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een wijzigingsbevoegdheid in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een wijzigingsbevoegdheid dient dus door voldoende objectieve normen te worden begrensd. De vraag of een wijzigingsbevoegdheid door voldoende objectieve normen wordt begrensd, hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van deze wijzigingsbevoegdheid. Verder is van belang dat het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan inhoudt dat het eventuele gebruik daarvan in beginsel in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening wordt geacht. De gemeenteraad dient daarom bij de vaststelling van de wijzigingsbevoegdheid te onderzoeken of toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in beginsel mogelijk is. Daarbij dient onder meer vastgesteld te worden dat bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden. 57.
- De Afdeling overweegt dat de raad, gelet op artikel 3.1 van de Wro, bij het vaststellen van een bestemmingsplan de ruimtelijke gevolgen van de evenementenregeling dient te onderzoeken en de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan dient te onderbouwen. De wijzigingsbevoegdheid van artikel 16.6 van de planregels is in strijd met artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de Wro, omdat deze bevoegdheid niet objectief is begrensd. Er is geen "grens" gesteld aan de bevoegdheid van het college van B en W om het aantal evenementendagen "naar boven" bij te stellen, terwijl de gevolgen van het verhogen van het aantal evenementendagen niet zijn onderzocht. De onderzoeksplicht is "volledig" doorgeschoven naar het moment waarop de wijzigingsbevoegdheid wordt toegepast. Het betoog slaagt.
- Meerdere appellanten hebben bij verschillende beroepsonderdelen aangevoerd dat de raad bij het beoordelen van de ruimtelijke gevolgen van het plan ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 16.6 van de planregels. Omdat gelet op het voorgaande die wijzigingsbevoegdheid niet in stand kan blijven, behoeven de verdere betogen daarover geen bespreking. Verkeersafwikkeling en -veiligheid bij evenementen
- [ appellant sub 3] en anderen, [appellanten sub 6], en stichting Eemvallei vrezen voor ernstige verkeersoverlast als gevolg van evenementen in het plangebied. De toename van het verkeer leidt tot ernstige verkeerscongestie gelet op het aantal van (maximaal) 5.000 bezoekers op evenementendagen. Op de N221-Noord (Amsterdamsestraatweg) zal de I/C-verhouding stijgen tot 0,8 en 1,0, of mogelijk zelfs boven de 1,
- De voorgestane maatregelen om dit te voorkomen zijn volgens appellanten niet voldoende. Bovendien staat niet vast dat deze maatregelen zullen worden getroffen. [appellant sub 3] en anderen verwachten dat de verkeerscongestie zal leiden tot sluipverkeer op de Praamgracht en Torenlaan. 59.
- De raad stelt dat de gevolgen van evenementen voor de verkeersafwikkeling niet zijn meegenomen in de verkeersberekeningen omdat dit geen reguliere verkeerssituaties zijn. Voor evenementen dient de gemeente separaat een vergunning te verlenen. Bij beoordeling van de vergunningaanvraag zal worden getoetst op het onderdeel "mobiliteit". Een verkeersplan maakt daarom vaak onderdeel uit van de onderbouwing van een vergunningaanvraag, aldus de raad. 59.
- De gevolgen van evenementen voor de verkeers- en parkeersituatie zijn nader beschouwd in het rapport Evenementenverkeer. Hierin staat dat per evenement moet worden geanalyseerd of de extra verkeersdrukte die wordt verwacht verwerkt kan worden op de wegen in de omgeving. Per evenement moet worden bezien of de beschikbare wegcapaciteit toereikend is voor het reguliere verkeer, aangevuld met het extra aanbod. Ervaring van de afgelopen jaren leert dat dit goed mogelijk is, als gebruik wordt gemaakt van verschillende parkeerterreinen en dynamisch verkeersmanagement. Indien er geen dynamisch verkeersmanagement wordt toegepast en/of slechts één parkeerterrein wordt gebruikt, leidt dit ertoe dat het gehele verkeersaanbod over één weg rijdt en dat deze wegcapaciteit, afhankelijk van het verwachte aantal auto's per uur, al snel niet toereikend zal zijn. Daarnaast is in het geval van een ongeluk of stagnatie, bijsturen niet mogelijk, aldus het rapport. 59.
- In het deskundigenverslag staat dat in het rapport Evenementenverkeer alle relevante aandachtspunten voor het verkeer en het parkeren bij evenementen worden besproken. Er wordt echter geen verband gemaakt met de conclusies van het Mobiliteitsonderzoek. De beoordeling of een evenement vanuit verkeerskundig oogpunt aanvaardbaar is, vindt plaats bij de vergunningverlening voor het desbetreffende evenement en komt ten laste van de initiatiefnemer. Daarbij dient het rapport Evenementenverkeer als een hulpmiddel voor de initiatiefnemer van het evenement of als toetsingskader voor de vergunningverlener. Dit betekent volgens het deskundigenverslag dat bij het vaststellen van het bestemmingsplan niet inzichtelijk is gemaakt wat de verkeersgevolgen zijn van evenementen op bijvoorbeeld de wachttijden voor het verkeer dat de Amsterdamsestraatweg-Noord kruist of het verkeer dat vanaf de erven of vanuit de aanliggende woonwijken de Amsterdamsestraatweg-Noord wil oprijden. De deskundige concludeert dat in het rapport vermeld wordt wat de aandachtspunten zijn voor het evenementenverkeer in relatie tot het reguliere verkeer, maar dat niet is onderzocht wat de verkeersintensiteiten zijn bij een reële maximale invulling voor een evenement. Er staan in de blauwdruk maatregelen vermeld om overlast tegen te gaan, maar die zijn niet geborgd in het plan. 59.
- De Afdeling overweegt dat de gevolgen van evenementen voor de verkeersafwikkeling en -veiligheid niet zijn onderzocht. De beoordeling van de aanvaardbaarheid en de zo nodig te treffen maatregelen vindt plaats in het kader van de beslissing over een aanvraag om evenementenvergunning. Zoals de Afdeling hiervoor heeft overwogen moet de raad, gelet op artikel 3.1 van de Wro, bij het vaststellen van een bestemmingsplan de ruimtelijke gevolgen van de evenementenregeling onderzoeken en de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan onderbouwen. De beoordeling die verricht moet worden bij het beslissen op een aanvraag om een evenementenvergunning is met name ingegeven vanuit het oogpunt van handhaving van de openbare orde. Deze beoordeling komt niet in de plaats voor de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het gebruik van het plangebied voor evenementen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV
- Dat evenementen mede worden gereguleerd door de APV kan dus geen reden zijn om een onderzoek naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid van evenementen achterwege te laten bij het vaststellen van het plan. De deskundige heeft zelf een berekening gemaakt van de gevolgen van het evenementenverkeer voor de I/C-verhouding op de Amsterdamsestraatweg-Noord. Daarbij heeft de deskundige gebruikgemaakt van de volgende uitgangspunten. Het aantal bezoekers per evenement bedraagt, gelet op artikel 16.1.1, onder b, van de planregels, maximaal 5.
- Op basis hiervan gaat de deskundige uit van maximaal 1.620 motorvoertuigen (auto’s). De Amsterdamsestraatweg-Noord verwerkt 45 procent van het verkeer van en naar het evenement op Paleis Soestdijk. De deskundige heeft op grond van deze uitgangspunten berekend dat op een evenementendag sprake zal zijn van 729 (extra) motorvoertuigen op de Amsterdamsestraatweg-Noord. Wanneer dit aantal wordt toegevoegd op bijvoorbeeld de reguliere verkeersintensiteit in de avondspits, dan wordt de totale verkeersintensiteit in de avondspits 4.429 motorvoertuigen. De I/C-verhouding op de Amsterdamsestraatweg-Noord bedraagt dan 0,767, afgerond 0,
- Een I/C-verhouding van 0,8 en hoger wordt gewoonlijk als problematisch gezien. De deskundige maakt het voorbehoud dat de hogere verkeersintensiteiten tot gevolg kunnen hebben dat de routekeuzes van de automobilisten wijzigen. Dit kan uiteindelijk leiden tot een lagere verkeersintensiteit op de Amsterdamsestraatweg-Noord. Ook zijn de parkeerlocaties buiten het plangebied buiten beschouwing gelaten bij deze berekening. De deskundige concludeert dat hoewel de door hem verrichte berekening gezien moet worden als een grove benadering, evenementen kunnen leiden tot een problematische situatie op de Amsterdamsestraatweg-Noord. Omdat niet gebleken is dat de gevolgen van de evenementen voor de verkeersafwikkeling en -veiligheid zijn onderzocht, en gelet op de bevindingen van de deskundige niet aannemelijk is dat de gevolgen van het extra verkeer door de evenementen marginaal zullen zijn, is de Afdeling van oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het betoog slaagt. Dit betekent dat de evenementenregeling van het plan niet in stand kan blijven. De Afdeling zal echter in de uitspraak wat nog meer is aangevoerd tegen de evenementenregeling zoveel mogelijk bespreken. Parkeren
- [appellant sub 3] en anderen en [appellanten sub 6] vrezen voor ernstige parkeeroverlast in de omgeving van het plangebied als gevolg van evenementen. Het verrichte parkeeronderzoek is volgens hen ondeugdelijk. Het beschikbare aantal parkeerplaatsen van 1.010 is niet voldoende om te voorzien in de reguliere parkeerbehoefte plus de behoefte van (maximaal) 5.000 bezoekers van een evenement. De meeste bezoekers zullen gebruikmaken van eigen vervoer, omdat het plangebied niet of beperkt bereikbaar is met openbaar vervoer. De parkeerplaatsen op grotere afstand van het plangebied bieden volgens appellanten geen oplossing. Volgens [appellant sub 3] en anderen zullen de bezoekers van evenementen een voorkeur hebben voor het parkeren op de Praamgracht en de Stadhouderslaan, omdat deze locaties op loopafstand liggen van het plangebied. 60.
- In paragraaf 2.4 van het rapport Evenementenverkeer wordt een onderbouwing gegeven van de parkeerbehoefte bij evenementen bij (maximaal) 5.000 bezoekers. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen "lokale" en "regionale/landelijke" evenementen. Berekend is dat de parkeerbehoefte bij een lokaal evenement maximaal 700 parkeerplaatsen bedraagt en bij een regionaal/landelijk maximaal 1.
- Appellanten hebben deze berekening van de parkeerbehoefte bij evenementen niet gemotiveerd bestreden. 60.
- In het rapport Evenementenverkeer is een overzicht opgenomen van parkeerterreinen in en buiten het plangebied. Hiervoor is al toegelicht dat het aanbod op de Parade en op De Dries in totaal 557 parkeerplaatsen bedraagt. Het plan voorziet daarnaast in een aanvullende parkeervoorziening op gronden met de bestemming "Natuur" nabij de boerderij 't Kraayenest (globale ligging ten zuidwesten van het parkeerterrein De Dries). Aan deze gronden is de aanduiding "specifiekere vorm van verkeer - overloopparkeerterrein" toegekend. In artikel 3.1, aanhef en onder l, van de planregels staat dat deze gronden zijn aangewezen voor een overloopparkeerterrein dat maximaal 12 dagen per jaar te gebruiken is voor het parkeren van auto's. Volgens de tabel in paragraaf 3 van het rapport Evenementenverkeer is het overloopterrein geschikt voor 450 parkeerplaatsen. Het totale parkeeraanbod in het plangebied bedraagt dan - gedurende maximaal 12 dagen per jaar - 1.007 parkeerplaatsen. In de al genoemde tabel van het rapport Evenementenverkeer zijn nog 11 locaties buiten het plangebied beschreven waar geparkeerd kan worden. Dit zijn de zogenoemde "externe locaties". In totaal gaat het om ongeveer 3.000 extra parkeerplaatsen. Volgens het deskundigenverslag liggen de meeste externe locaties op grote afstand van de locaties in het plangebied waar evenementen gehouden kunnen worden. Er moeten daarom pendelbussen worden ingezet om bezoekers naar de evenementenlocaties te brengen. Twee locaties waar in totaal 750 van de 3.000 parkeerplaatsen gevonden kunnen worden ter vergroting van het parkeeraanbod voor evenementen zijn het Baarns Lyceum aan de Torenlaan in Baarn en het Griftland College aan de Noorderweg in Soest. Deze twee locaties liggen op loopafstand van de evenementenlocatie in het plangebied. De afstand van het Baarns Lyceum tot de evenementenlocatie in het plangebied is hemelsbreed ongeveer 780 m. Nabij het Baarns Lyceum zijn ongeveer 500 parkeerplaatsen mogelijk beschikbaar op een grasveld. Bezoekers aan een evenement die hier hun auto parkeren kunnen naar de evenementenlocatie lopen. Gezien de afstand ligt het in de verwachting dat veel bezoekers aan het evenement dat zullen doen, aldus het deskundigenverslag. Het totale aantal parkeerplaatsen op de mogelijke parkeerterreinen die in het rapport Evenementenverkeer worden genoemd lijkt genoeg te zijn voor evenementen met een maximaal aantal van 5.000 bezoekers. Wanneer bij een evenement er gehandhaafd wordt op illegaal parkeren zoals in de bermen van bijvoorbeeld de Praamgracht, behoeft er niet gevreesd te worden voor parkeeroverlast voor omwonenden, aldus het deskundigenverslag. 60.
- Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad deugdelijk heeft onderbouwd dat er voldoende parkeerplaatsen zijn binnen en in de omgeving van het plangebied om te voorzien in de parkeerbehoefte bij evenementen. Het betoog slaagt niet. Luchtkwaliteit
- Stichting De Parel, en Natuurmonumenten en andere betogen dat de gevolgen van het evenementenverkeer voor de luchtkwaliteit niet zijn onderzocht. 61.
- Volgens de raad is het aantal motorvoertuigbewegingen - en daarmee de uitstoot van luchtvervuilende stoffen - door evenementen in de nieuwe situatie (200 mvt/etmaal) ongeveer gelijk aan het aantal als gevolg van het reguliere gebruik (150 mvt/etmaal) en de evenementen (70 mvt/etmaal) in de "oude" situatie. Gelet daarop leidt de evenementenregeling per saldo niet tot extra uitstoot van luchtvervuilende stoffen, zodat een onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit door evenementen in de nieuwe situatie niet is vereist, aldus de raad. 61.
- De raad heeft onderzoek gedaan naar de gevolgen van het door het plan voorziene reguliere gebruik voor de luchtkwaliteit. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in de Quickscan luchtkwaliteit. Dit is hiervoor in de uitspraak al aan de orde geweest in overweging
- Op grond van de in de bijlage bij de Quickscan gemaakte berekening heeft de raad geconcludeerd dat het plan wat betreft het reguliere verkeer, niet zal leiden tot overschrijding van de toepasselijke grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Vervolgens stelt de raad dat de extra bijdrage door het evenementenverkeer per saldo niet leidt tot een toename van het aantal verkeersbewegingen en daarmee de uitstoot. Die conclusie berust kennelijk op de veronderstelling dat de uitstoot door het evenementenverkeer in de nieuwe situatie kan worden "gesaldeerd" met de uitstoot in de "oude" situatie, dus het reguliere gebruik en de evenementen. De Afdeling is van oordeel dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe deze "saldering" is verricht, en in het bijzonder hoe dit zich verhoudt tot de regeling over de luchtkwaliteit van de Wm. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de gevolgen van het evenementenverkeer voor de luchtkwaliteit niet deugdelijk zijn onderzocht. Het betoog slaagt. Geluid
- In dit onderdeel van de uitspraak bespreekt de Afdeling de beroepsgronden over de geluidoverlast door evenementen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen overlast als gevolg van het wegverkeerslawaai en overlast door een evenement in strikte zin, bijvoorbeeld het afspelen van muziek. Wegverkeer
- Stichting De Parel, en Natuurmonumenten en andere vrezen voor geluidhinder door het evenementenverkeer. De gevolgen van het evenementenverkeer voor de geluidbelasting in de omgeving zijn volgens hen ten onrechte niet onderzocht. 63.
- In het deskundigenverslag staat dat de toename van verkeer vanwege evenementen geen grote invloed zal hebben op de (jaar)gemiddelde geluidwaarden op de gevels van woningen in de omgeving. Het verkeer zal in verband met (grote) evenementen op sommige specifieke momenten wel toenemen, wat een korte periode geluidhinder kan veroorzaken. 63.
- De Afdeling heeft hiervoor in overweging 49 geoordeeld dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het wegverkeer dat is toe te schrijven aan het reguliere gebruik van het plangebied niet zal leiden tot onaanvaardbare geluidhinder bij de bestaande woningen in de omgeving van het landgoed. De Afdeling ziet, gelet op wat Stichting De Parel, en Natuurmonumenten en andere hebben aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat met de bijdrage van het evenementenverkeer wel sprake zal zijn van onaanvaardbare geluidhinder, nu in de nabije omgeving van het plangebied, in het bijzonder aan de Amsterdamsestraatweg, geen woningen van derden zijn. Het betoog slaagt niet. Evenementen
- Appellanten vrezen voor ernstige geluidoverlast in de omgeving door de evenementen die het plan mogelijk maakt. 64.
- Bij het bespreken van de betogen van appellanten over het geluid van evenementen, is het nodig om eerst het wettelijke toetsingskader uiteen te zetten. De raad heeft ten tijde van het vaststellen van het plan ervan mogen uitgaan dat het landgoed moet voldoen aan de geluidnormen voor type B-inrichtingen van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor het landtijdgemiddelde geluidniveau geldt als norm 50 dB(A), 45 dB(A) en 40 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Voor het maximale geluidniveau gelden de normen van 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) voor de dag-, avond- en nachtperiode. Deze normen gelden in beginsel zowel voor het reguliere gebruik als voor evenementen. Echter, in artikel 2.21, eerste lid, onder b, van het Activiteitenbesluit is bepaald dat bij of krachtens gemeentelijke verordening van deze normen mag worden afgeweken gedurende maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar. Dit zijn de zogenoemde "incidentele festiviteiten". In de "Verordening fysieke leefomgeving Baarn", vastgesteld door de raad bij besluit van 25 november 2020 (hierna: verordening Leefomgeving) is gebruik gemaakt van deze mogelijkheid af te wijken van de geluidnormen van het Activiteitenbesluit. In artikel 3:2, eerste lid, onder a, van de verordening Leefomgeving staat dat het een inrichting is toegestaan om op maximaal drie dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidnormen van het Activiteitenbesluit niet gelden. Voor inrichtingen geheel of gedeeltelijk gelegen in een strook van 400 m aan de westzijde van de Amsterdamsestraatweg, geldt een maximum van twaalf dagen of dagdelen per kalenderjaar (artikel 3:2, eerst lid, onder b). Als een inrichting gebruik wenst te maken van de mogelijkheid af te wijken van de geluidnormen van het Activiteitenbesluit moet ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit een melding worden gedaan bij het college van B en W (artikel 3:2, eerste lid). Overigens zijn evenementen met meer dan 150 bezoekers op grond van de APV vergunningplichting. Het zesde lid bevat een nadere regeling van de geluidnormen voor incidentele festiviteiten: "Bij een incidentele festiviteit mag het equivalent geluidniveau, veroorzaakt door de inrichting, op de gevels van geluidgevoelige gebouwen voor de dagperiode maximaal 20 dB(A), voor de avondperiode maximaal 25 dB(A) en voor de nachtperiode maximaal 30 dB(A) hoger zijn ten opzichte van de geluidvoorschriften van het Activiteitenbesluit milieubeheer. De volgende geluidnormen gelden. Festiviteit binnen gebouw van een inrichting. Geluidnormen respectievelijk 7.00 uur tot 19.00 uur / 19.00 uur tot 23.00 uur / vrijdag & zaterdag tussen 23.00 uur en 1.00 uur / 23.00 uur tot 7.00 uur en vrijdag- & zaterdagnacht na 01.00 uur. LAeq [op de gevel(s) van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is]. 70 dB(A) / 70 dB(A) / 70 dB(A) / 60 dB(A). LCeq [idem]. 83 dB(C) / 83 dB(C) / 83 dB(C) / 73 dB(C). LAmax [idem]. 90 dB(A) / 90 dB(A) / 90 dB(A) / 80 dB(A). Festiviteit op het terrein van een inrichting. Geluidnormen respectievelijk 7.00 uur-19.00 uur / 19.00 uur-23.00 uur / 23.00 uur-7.00 uur. LAeq [op de gevel(s) van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is]. 70 dB(A) / 70 dB(A) / 40 dB(A). LCeq [idem]. 83 dB(C) / 83 dB(C) / 53 dB(C). LAmax [idem]. 90 dB(A) / 90 dB(A) / 60 dB(A)."
- De Afdeling komt nu toe aan de bespreking van de beroepsgronden tegen de evenementenregeling. Allereerst komen de betogen aan de orde die gaan over de vraag of de planregeling over de (maximaal) 12 evenementen met verhoogde geluidnormen in overeenstemming is met de verordening Leefomgeving, en/of het Activiteitenbesluit. Vervolgens bespreekt de Afdeling de beroepsgronden die gericht zijn tegen het verrichte akoestisch onderzoek. -algemeen
- Stichting Eemvallei betoogt dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt dat er behoefte is aan 12 evenementendagen met verhoogde geluidnormen. De raad heeft toegelicht dat het Activiteitenbesluit (en de verordening Leefomgeving) maximaal 12 incidentele festiviteiten toelaten en dat in zoverre gebruik is gemaakt van de maximale mogelijkheden. Voor evenementen met versterkte muziek zijn de reguliere geluidnormen van artikel 2.17, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit niet voldoende. De Afdeling is van oordeel dat de raad hiermee voldoende heeft toegelicht waarom het plan (maximaal) 12 dagen toelaat waarop de verhoogde geluidnormen gelden.
- Stichting Borrebos betoogt dat artikel 16.1, onder d, van de planregels niet in overeenstemming is met artikel 3.2, eerste lid, van de verordening Leefomgeving. Volgens haar ligt niet het gehele landgoed binnen een strook van 400 m aan de westzijde van de Amsterdamsestraatweg. Gelet hierop geldt de "hoofdregel" van artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de verordening Leefomgeving dat er maximaal drie dagen mogelijk zijn waarop de geluidnormen van het Activiteitenbesluit niet gelden. Het plan laat dus gedurende 12 dagen per jaar evenementen toe met verhoogde geluidnormen, terwijl dit niet is toegestaan op gronden van de verordening Leefomgeving, aldus Stichting Borrebos. 67.
- In artikel 3.2, eerste lid, van de verordening Leefomgeving is bepaald dat inrichtingen die geheel of gedeeltelijk gelegen zijn in een strook van 400 m aan de westzijde van de Amsterdamsestraatweg, maximaal 12 kalenderdagen per jaar gebruik kunnen maken van de mogelijkheid af te wijken van de geluidnormen van het Activiteitenbesluit. Landgoed Soestdijk ligt (gedeeltelijk) in de genoemde strook en dan geldt deze regel voor de gehele inrichting, en dus niet alleen voor de delen van het landgoed die binnen de strook van 400 m liggen. Artikel 16.1, onder d, van de planregels is dus in overeenstemming met artikel 3.2, eerste lid, van de verordening Leefomgeving. Het betoog slaagt niet.
- [appellant sub 4] en anderen betogen dat het plan, anders dan de raad heeft beoogd, geen maximum stelt aan het aantal evenementendagen. In artikel 16.1.1 van de planregels is weliswaar vastgelegd dat er maximaal 40 evenementendagen per jaar zijn toegelaten, maar op gronden met de bestemming "Gemengd" zijn activiteiten als feesten en bijeenkomsten toegestaan, bij wijze van regulier gebruik dus. De geluidbelasting van de evenementen die vallen onder het reguliere gebruik van de gronden met de bestemming "Gemengd" wordt niet genormeerd in het plan, aldus [appellant sub 4] en anderen. 68.
- De Afdeling overweegt dat blijkens artikel 3.1, onder b, van de planregels op de gronden met de bestemming "Gemengd" exposities, tentoonstellingen, bijeenkomsten en vergaderingen zijn toegelaten. Op deze gronden zijn ook "evenementen" toegelaten (3.1, aanhef en onder c). Het begrip "evenement" is in artikel 1.22 van de planregels gedefinieerd als "periodieke en/of incidentele publiek toegankelijke manifestaties zoals sportmanifestaties, concerten, voorstellingen, shows, thematische beurzen en thematische markten, niet behorend tot de reguliere gebruiksactiviteiten". Het plan laat dus toe dat op gronden met de bestemming "Gemengd" bijeenkomsten worden gehouden die geen "evenement" zijn als bedoeld in de planregels, maar worden aangemerkt als een vorm van regulier gebruik. Het is juist dat in de planregels geen geluidnormen zijn opgenomen voor de geluidbelasting van bijeenkomsten die vallen onder het reguliere gebruik van de gronden met de bestemming "Gemengd". Maar dit betekent niet dat voor het reguliere gebruik van het landgoed geen geluidnormen gelden. Zoals hiervoor in overweging 64.1 al is toegelicht, heeft de raad ten tijde van het vaststellen van het plan ervan mogen uitgaan dat voor het reguliere gebruik van het landgoed de geluidnormen voor B-inrichtingen als bedoeld in het Activiteitenbesluit zullen gelden, en dat het landgoed dus zal moeten voldoen aan de geluidnormen van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit. Uitzondering hierop zijn de 12 dagen waarop incidentele festiviteiten zijn toegelaten, waarvoor hogere geluidnormen gelden dan die van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit. Het betoog slaagt niet.
- Over het betoog van Stichting Borrebos dat het plan toelaat dat de geluidnormen van het Activiteitenbesluit op meer dan 12 dagen per jaar worden overschreden, overweegt de Afdeling als volgt. De planregeling laat maximaal 40 evenementdagen per jaar, waarvan maximaal 12 evenementendagen waarvoor de verhoogde geluidnormen gelden van tabel 2.
- van bijlage 4 bij de planregels. Voor zowel "niet-geluiddragende evenementen" als voor activiteiten die niet worden aangemerkt als een evenement in de zin van de planregels gelden de "standaard" geluidnormen van artikel 2.17, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit. Dus de verhoogde geluidnormen zijn gelet op de planregeling alleen toegestaan tijdens evenementen, waarbij een maximum geldt van 12 evenementendagen waarop deze normen zijn toegelaten. Het betoog slaagt niet.
- De vrees van een aantal appellanten dat niet is uitgesloten dat er evenementen worden gehouden waarvoor de in tabel 3.
- van bijlage 4 bij de planregels opgenomen geluidnormen gelden, is naar het oordeel van de Afdeling ongegrond. In deze tabel zijn de geluidnormen voor zogenoemde "categorie 3-evenementen" opgenomen. Deze normen zijn hoger dan de normen uit tabel 2.
- Echter, in de planregels is geen koppeling gemaakt met tabel 3.
- van de bijlage. Dat betekent dat het plan geen evenementen toelaat waarvoor deze (nog hogere) geluidnormen gelden. Het betoog slaagt niet.
- Over het betoog dat artikel 3:2, negende lid, van de verordening Leefomgeving zich verzet tegen evenementen in de buitenlucht van het landgoed, overweegt de Afdeling als volgt. 71.
- Artikel 3:2, negende lid, van de verordening Leefomgeving luidt: "Met uitzondering van inrichtingen buiten de bebouwde kom mogen in de buitenruimte van de inrichting tijdens incidentele