← Nederland

ECLI:NL:RVS:2024:2849

202401877/1/V

  1. Datum uitspraak: 11 juli 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 februari 2024 in zaak nr. NL22.8237 in het geding tussen: de vreemdeling en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 4 mei 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd. Bij uitspraak van 28 februari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H. Palanciyan, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen
  2. De vreemdeling komt in zijn enige grief terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat sprake was van een uitzondering als bedoeld in artikel 28, derde lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (hierna: Wbtv). De minister heeft in het proces-verbaal van gehoor van 4 mei 2022 gemotiveerd dat de vreemdeling voor het uitvaardigen van het inreisverbod is gehoord met behulp van een niet-beëdigde tolk Portugees, omdat er een landelijke staking was van de beëdigde tolken. Hiermee heeft de minister echter niet voldaan aan artikel 28, derde en vierde lid, van de Wbtv. Uit die bepalingen volgt dat slechts mag worden afgezien van het gebruik van een beëdigde tolk als sprake is van spoed of als er geen tolk in de betreffende taal is ingeschreven in het register en dat de minister dit schriftelijk en met redenen omkleed moet vastleggen.
  3. De Afdeling ziet aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. De minister heeft in zijn verweerschrift in beroep namelijk alsnog schriftelijk en met redenen omkleed vastgelegd dat sprake was van spoed, omdat de vreemdeling op 6 mei 2022 zou worden uitgezet naar Brazilië. De minister heeft het gebrek met deze aanvullende motivering hersteld. Verder is niet gebleken dat de vreemdeling is benadeeld door het gebrek, omdat hij niet heeft bestreden dat hij de tolk kon verstaan. De grief faalt.
  4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust. De minister moet de proceskosten vergoeden. De reden daarvoor is dat de rechtbank het gebrek in het inreisverbod niet heeft onderkend en dat de Afdeling dat gebrek alsnog met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeert. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.750,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier. w.g. Soffers lid van de enkelvoudige kamer w.g. Buntjer griffier Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2024 962

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.