(61). De raad wijst er verder op dat er in de avond geen crematies plaatsvinden. Van een eventuele overlap van bezoekers voor het crematorium en het mortuarium is dus alleen sprake in de ochtend. In het Verkeersadvies is ervanuit gegaan dat het aantal bezoekers voor het mortuarium in de ochtend 5 tot 25 bedraagt. In aansluiting bij de CROW-publicatie 272 "Verkeersgeneratie voorzieningen" is in het Verkeersadvies uitgegaan van een autobezetting van gemiddeld 2,8 personen per auto. Bij maximaal 25 bezoekers in de ochtend zijn er 9 parkeerplaatsen voor het mortuarium nodig. De raad wijst erop dat er ook voor deze situaties ruimschoots voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein beschikbaar zijn. Er zijn 61 parkeerplaatsen nodig voor het crematorium en 9 voor het mortuarium. Voor beoogde ontwikkeling zijn er 112 parkeerplaatsen op eigen terrein beschikbaar. Hiermee is volgens de raad voldoende onderbouwd dat kan worden voldaan aan de parkeerbehoefte voor het crematorium en het mortuarium. De Afdeling volgt de raad in dit standpunt. Het betoog slaagt niet. 11.
- Over het betoog dat ten onrechte niet in het plan is vastgelegd dat er maximaal drie crematies per dag mogen plaatsvinden, terwijl hiervan wel uit is gegaan bij de berekening van de parkeerbehoefte voor de beoogde ontwikkeling, overweegt de Afdeling als volgt. De raad wijst erop dat er met de initiatiefnemer een erfpachtovereenkomst is gesloten, waarin uitdrukkelijk als voorwaarde is opgenomen dat er maximaal drie crematies per dag zijn toegestaan. Volgens de raad is hiermee het maximum aantal crematies per dag al vastgelegd en hoeft dit niet meer te worden geregeld in het plan. De Afdeling volgt de raad niet in dit standpunt. Vaststaat dat de erfpachtovereenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer geen onderdeel uitmaakt van het plan. In het Verkeersadvies, dat aan het plan ten grondslag is gelegd, is als uitgangspunt gehanteerd dat de beoogde ontwikkeling een crematorium betreft met maximaal 700 crematies per jaar (ongeveer drie per dag). In het plan is in artikel 3.1, aanhef onder a en sub 2 van de planregels wel vastgelegd dat er maximaal 700 crematies per jaar mogen plaatsvinden. Maar daarbij is niet vermeld hoeveel crematies per dag mogen plaatsvinden. De raad, het college en de initiatiefnemer hebben ter zitting aangegeven dat het de bedoeling is dat er maximaal drie crematies per dag plaatsvinden en dat het uitvoeren van meer dan drie crematies op een dag feitelijk en technisch ook niet mogelijk is. De initiatiefnemer heeft verder ter zitting aangegeven dat hij er niets op tegen heeft als de Afdeling zelf voorziend in de planregels vastlegt dat er maximaal drie crematies per dag mogen plaatsvinden. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in wat is aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat de raad in het plan niet heeft geregeld wat hij heeft beoogd, namelijk dat er maximaal drie crematies per dag mogen plaatsvinden. De Afdeling stelt vast dat, zoals [appellant] en anderen hebben aangevoerd, dit ook niet is geregeld in de omgevingsvergunning. Het plan en de omgevingsvergunning zijn in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Dat is in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het betoog slaagt. 11.
- Vanuit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting en omdat niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om op hierna te vermelden wijze met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Daarbij betrekt de Afdeling wat de raad met artikel 3.1, aanhef onder a en sub 2 van de planregels heeft beoogd en dat de raad, het college en de initiatiefnemer hebben verklaard dat het de bedoeling is dat er maximaal drie crematies per dag plaatsvinden. Verkeer
- [appellant] en anderen betogen dat het plan onvoldoende is gemotiveerd wat betreft het aspect verkeersveiligheid op de Julianasingel. Zij voeren hiertoe aan dat de raad er bij de voorbereiding van het plan ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat de maximumsnelheid op de Julianasingel zal worden verhoogd van 50 naar 70 kilometer per uur. Ook is op de Julianasingel maar één rijbaan beschikbaar, die ook wordt gebruikt door hulpdiensten. Niet is gemotiveerd hoe hiermee wordt omgegaan, wanneer er een rouwstoet is. [appellant] en anderen voeren in dit verband aan dat in het plan en in de omgevingsvergunning ten onrechte niet is vastgelegd dat de crematies buiten de spitsperiode moeten plaatsvinden. 12.
- De raad en het college hebben erop gewezen dat ten tijde van de planvoorbereiding en de planvaststelling de maximumsnelheid op de Julianasingel 50 kilometer per uur was. Dit is als uitgangspunt gehanteerd bij de verkeersonderzoeken. Zij wijzen er verder op dat de maximumsnelheid op de Julianasingel nog steeds 50 kilometer per uur is. Ter zitting is bevestigd dat de maximumsnelheid op de Julianasingel vooralsnog ook 50 kilometer per uur zal blijven en dat er geen voornemen bestaat om die verkeerssnelheid te verhogen. Gelet hierop overweegt de Afdeling dat de raad geen aanleiding hoefde te zien om bij de planvoorbereiding en de planvaststelling uit te gaan van een maximumsnelheid op de Julianasingel van 70 kilometer per uur. De raad en het college hebben verder aangegeven dat een verslechtering van de doorstroming en doorgang voor hulpdiensten vanwege rouwstoeten op de Julianasingel niet aan de orde is. Doordat het crematorium en het mortuarium op één plek worden samengebracht is er juist sprake van een afname van rouwstoeten naar het crematorium. Uit het Verkeersadvies, paragraaf 5.1 - 5.4, volgt dat de toename van de hoeveelheid verkeer op de Julianasingel als gevolg van het beoogde crematorium (uitgaande van maximaal drie crematies per dag) relatief beperkt is. Daarbij is ook rekening gehouden met de verkeersafwikkeling in de spitsperioden. In een worst-case scenario met maximaal 360 extra verplaatsingen op een dag neemt de intensiteitswaarde toe van 0,91 naar 0,
- Het treffen van maatregelen is volgens het Verkeersadvies pas noodzakelijk bij een waarde boven 1,
- De raad en het college hebben daarom geen aanleiding gezien om in het plan of - zo dat mogelijk zou zijn - in de omgevingsvergunning op te nemen dat crematies buiten de spitsperiode moeten plaatsvinden. De Afdeling volgt de raad en het college in dit standpunt. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het plan onvoldoende is gemotiveerd wat betreft het aspect verkeersveiligheid op de Julianasingel. Evenmin ziet de Afdeling in het aangevoerde aanleiding voor het oordeel dat in het plan moet worden vastgelegd dat de crematies buiten de spitsperiode moeten plaatsvinden. De betogen slagen niet. Geur
- [appellant] en anderen betogen dat bij de voorbereiding van het plan onvoldoende is gemotiveerd dat er geen sprake zal zijn van geuroverlast bij hun woningen. Zij wijzen erop dat er ook woningen op minder dan 100 m afstand van het beoogde crematorium liggen. 13.
- Voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de milieugevolgen van de crematiefaciliteit heeft de raad bij de voorbereiding van het plan aansluiting gezocht bij de richtafstand uit de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure). Uit de VNG-brochure volgt dat een crematorium een bedrijf in milieucategorie 3.2 is, waarvoor een richtafstand geldt van 100 meter. In dit geval ligt een klein aantal woningen binnen de richtafstand. Omdat niet aan de richtafstand van 100 meter van de VNG-brochure wordt voldaan, heeft de raad de gevolgen van de beoogde ontwikkeling, onder meer wat betreft het aspect geur, laten onderzoeken. De bevindingen daarvan zijn opgenomen in het rapport Geuronderzoek van 17 april 2019 van adviesbureau Windmill, dat als bijlage 6 bij de plantoelichting is opgenomen. In het rapport Geuronderzoek is de geurbelasting vanwege de beoogde ontwikkeling berekend. Voor het gebiedstype ‘rustige woonwijk’ is uitgegaan van een maximale geurbelasting van 1 ge/m³ als 98-percentiel ter plaatse van woningen. Dat betekent dat er gedurende 2% van de tijd sprake mag zijn van een overschrijding van de geurconcentratie van 1 ouE/m³, dus minder dan 176 uur per jaar. Uit de berekening volgt dat de geurimmissie ter plaatse van de meest nabije woningen ruimschoots minder dan 0,5 ouE/m³ als 98-percentiel bedraagt. Het rapport Geuronderzoek vermeldt dat er daarom geen aanleiding bestaat om daar geurhinder te verwachten. Gelet hierop heeft de raad de milieugevolgen van de beoogde ontwikkeling ruimtelijk aanvaardbaar geacht. Daarbij heeft de raad mede van belang geacht dat uit de berekening volgt dat het crematorium, wat betreft het aspect geur, ook ruimschoots voldoet aan de eisen van het Activiteitenbesluit milieubeheer en het provinciaal geurbeleid. Het aspect geur vormt derhalve geen beperking voor planrealisatie. 13.
- Gelet op deze motivering heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat de milieugevolgen van het crematorium, wat betreft het aspect geur, ruimtelijk aanvaardbaar zijn. [appellant] en anderen hebben geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waarom de raad in dit geval geen aansluiting mocht zoeken bij de VNG-brochure. Het betoog slaagt niet. Begrippen onduidelijk
- [appellant] en anderen betogen dat onduidelijk is wat in artikel 3.1 van de planregels wordt bedoeld met de begrippen crematorium, rouwcentrum, aula en mortuarium. Zij stellen hiertoe dat de ter plaatse toegestane activiteiten ten onrechte niet nader zijn omschreven. 14.
- In de verbeelding heeft het plangebied de bestemming "Maatschappelijk - Uitvaartcentrum". Artikel 3.1 van de planregels luidt: "De voor "Maatschappelijk - Uitvaartcentrum" aangewezen gronden zijn bestemd voor een crematorium, inclusief rouwcentrum, aula en mortuarium, met dien verstande dat: a.
- asbestemmingen niet zijn toegestaan;
- maximaal 700 crematies per jaar mogen plaatsvinden; (…)" 14.
- De raad wijst erop dat hij, in plaats van te volstaan met een algemene maatschappelijke bestemming voor uitvaartcentrum, er bewust voor heeft gekozen om het doel van deze ontwikkeling, namelijk het realiseren van een crematorium in aanvulling op de bestaande uitvaartvoorzieningen, nader te omschrijven. De raad stelt zich op het standpunt dat de betekenis van de begrippen crematorium, rouwcentrum, aula en mortuarium kan worden afgeleid uit de samenhang met andere planregels en de plantoelichting. De raad stelt verder dat aan de begrippen crematorium, rouwcentrum, aula en mortuarium in het plan de in het dagelijks spraakgebruik toegekende betekenis moet worden toegekend in het kader van een uitvaartcentrum. In dit geval zal het te realiseren uitvaart-/rouwcentrum uiteindelijk bestaan uit een crematorium (de technische voorziening) met aula en bijbehorende voorzieningen voor het nemen van afscheid, met dien verstande dat er maximaal 700 crematies per jaar mogen plaatsvinden, en een mortuarium. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de bij het crematorium te bouwen aula alleen is bedoeld voor afscheidsdiensten, die gekoppeld zijn aan het nieuw te bouwen crematorium en de direct daaraan gerelateerde dienstverlening. Het bestaande mortuarium is bedoeld voor de dienstverlening die daar al plaatsvindt, namelijk als locatie waar overledenen kunnen worden opgebaard tot aan de crematie of de begrafenis, met gelegenheid tot rouwbezoek. De raad stelt dat, voor zover dat al niet uit de planregels, de plantoelichting en het dagelijkse spraakgebruik volgt, zeker met inachtneming van de door hem ter zitting gegeven toelichting duidelijk is welk gebruik ter plaatse van de bestemming "Maatschappelijk - uitvaartcentrum" is toegestaan en welke activiteiten er zijn toegestaan in het crematorium, het rouwcentrum, de aula en het mortuarium. De Afdeling is van oordeel dat de raad hiermee voldoende en voldoende kenbaar heeft onderbouwd welke betekenis in de planregels aan de betreffende begrippen moet worden toegekend. Gelet op het bovenstaande ziet de Afdeling in wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 3.1 van de planregels, wat betreft deze begrippen, onduidelijk is. Het betoog slaagt niet. Uitvoerbaarheid
- [appellant] en anderen twijfelen aan de economische uitvoerbaarheid van het plan. Zij betogen dat onvoldoende is gemotiveerd of en hoe het plan kan worden gefinancierd. 15.
- Bij een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog over de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder de financieel-economische uitvoerbaarheid, alleen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit als de raad redelijkerwijs had moeten inzien dat het plan om financieel-economische of andere redenen op voorhand niet uitvoerbaar is. In paragraaf 7 van de plantoelichting is ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan. Vermeld is dat de beoogde ontwikkeling een gemeentelijke grondexploitatie betreft. De kosten voor de beoogde ontwikkeling zijn gedekt in de grondexploitatie. De raad heeft toegelicht dat dit betekent dat de benodigde planologische maatregelen worden vastgesteld en de gemeente de gronden bouwrijp maakt. Voorts heeft de gemeente de benodigde gronden verworven en gekocht. Dat valt ook binnen de vastgestelde exploitatie. Zowel de aankoop als de verkoop van grond vindt plaats tegen marktwaarde. De raad wijst erop dat de gemeente voor het bepalen van die marktwaarde advies heeft gevraagd aan de gemeentelijke taxatiecommissie. In de plantoelichting staat dat, gelet op de huidige inzichten, sprake is van een budgettair neutraal plan. Dat betekent dat de verwachte en reeds gerealiseerde opbrengsten gelijk zijn aan de verwachte en reeds gemaakte kosten. Verder vermeldt de plantoelichting dat de grondexploitatie conform gemeentelijk beleid twee keer per jaar wordt geactualiseerd en ter vaststelling aan de raad wordt voorgelegd. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat er geen financieel-economische redenen zijn op grond waarvan de raad redelijkerwijs had moeten aannemen dat het plan op voorhand niet uitvoerbaar is. Het betoog slaagt niet. Relativiteit
- Voor zover in deze uitspraak is geoordeeld dat een beroepsgrond niet slaagt, heeft de Afdeling zich niet uitgesproken over de vraag of artikel 8:69a van de Awb aan vernietiging van het bestreden besluit in de weg zou hebben gestaan. Conclusie
- Gelet op wat is overwogen onder 11.4, moet het bestemmingsplan wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb worden vernietigd, voor zover in artikel 3.1, aanhef onder a en sub 2 van de planregels niet is vastgelegd dat er maximaal drie crematies per dag mogen plaatsvinden. Het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening. Omdat het bestemmingsplan het toetsingskader voor het college is geweest voor de verlening van de omgevingsvergunning en in de omgevingsvergunning geen beperkingen zijn gesteld aan het aantal crematies, moet ook de door het college verleende omgevingsvergunning worden vernietigd, voor zover daarin niet is vastgelegd dat er maximaal 700 crematies per jaar en maximaal drie crematies per dag mogen plaatsvinden.
- Het beroep tegen het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning is gegrond. Zelf voorzien
- Zoals overwogen onder 11.5 en omdat niet aannemelijk is dat derden door het zelf voorzien in hun belangen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien en te bepalen - dat artikel 3.1, aanhef onder a en sub 2 van de planregels als volgt komt te luiden: "
- maximaal 700 crematies per jaar mogen plaatsvinden, met dien verstande dat er maximaal drie crematies per dag mogen plaatsvinden;" en - dat aan de omgevingsvergunning het voorschrift wordt toegevoegd dat er maximaal 700 crematies per jaar mogen plaatsvinden, met dien verstande dat er maximaal drie crematies per dag mogen plaatsvinden.
- De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de bestreden besluiten, voor zover deze worden vernietigd.
- De Afdeling ziet aanleiding de raad en het college op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan, dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, en in de verleende omgevingsvergunning. Proceskosten
- De raad en het college moeten de proceskosten van [appellant] en anderen vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van de raad van de gemeente Oss van 17 december 2020 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Crematorium Docfalaan Oss - 2020" gegrond; II. verklaart het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van het college van de gemeente Oss van 17 december 2020 tot verlening van de omgevingsvergunning voor de bouw van een crematorium aan de Docfalaan 2 in Oss gegrond; III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Oss van 17 december 2020 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Crematorium Docfalaan Oss - 2020", voor zover in artikel 3.1, aanhef onder a en sub 2 van de planregels niet is vastgelegd dat er maximaal drie crematies per dag mogen plaatsvinden; IV. vernietigt het besluit van het college van de gemeente Oss van 17 december 2020 tot verlening van de omgevingsvergunning voor de bouw van een crematorium aan de Docfalaan 2 in Oss, voor zover daaraan niet het voorschrift is verbonden dat er maximaal 700 crematies per jaar mogen plaatsvinden, met dien verstande dat er maximaal drie crematies per dag mogen plaatsvinden; V. bepaalt dat artikel 3.1, aanhef onder a en sub 2 van de planregels als volgt komt te luiden: "
- maximaal 700 crematies per jaar mogen plaatsvinden, met dien verstande dat er maximaal drie crematies per dag mogen plaatsvinden;"; VI. bepaalt dat aan de omgevingsvergunning het voorschrift wordt toegevoegd dat er maximaal 700 crematies per jaar mogen plaatsvinden, met dien verstande dat er maximaal drie crematies per dag mogen plaatsvinden; VII. bepaalt dat deze uitspraak, wat onderdelen V en VI betreft, in de plaats treedt van de besluiten, voor zover deze zijn vernietigd; VIII. draagt de raad en het college van de gemeente Oss op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdelen VII en VIII worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan, dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, en in de omgevingsvergunning; IX. veroordeelt de raad en het college van de gemeente Oss tot vergoeding van de bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten, met dien verstande dat bij betaling door één van hen, de bestuursorganen aan hun betalingsverplichting hebben voldaan, tot een bedrag van € 1.750,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. X. gelast dat de raad en het college van de gemeente Oss aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt, met dien verstande dat bij betaling door één van hen, de bestuursorganen aan hun betalingsverplichting hebben voldaan, ten bedrage van € 181,00, met dien verstande dat bij betaling aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.S.D. Ramrattansing, griffier. w.g. Scholten-Hinloopen voorzitter w.g. Ramrattansing griffier Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2024 408 BIJLAGE Planregels Artikel 3.1 luidt: "De voor "Maatschappelijk - Uitvaartcentrum" aangewezen gronden zijn bestemd voor een crematorium, inclusief rouwcentrum, aula en mortuarium, met dien verstande dat: a.
- asbestemmingen niet zijn toegestaan;
- maximaal 700 crematies per jaar mogen plaatsvinden;
- de verbrandingsoven met rookkanaal uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'rookkanaal' is toegestaan; b. onzelfstandige en ondergeschikte dienstverlening, detailhandel en horeca in combinatie met en ten dienste van deze voorzieningen zijn toegestaan; c. parkeren ten behoeve van bovengenoemde functie is toegestaan; d. ondergeschikte waterhuishoudkundige voorzieningen, verkeers- en groenvoorzieningen, tuinen, erven en terreinen zijn toegestaan; e. (onverharde) paden en wegen zijn toegestaan; f. één bedrijfswoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - bedrijfswoning', inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen voor de woonfunctie met bijbehorende voorzieningen." Artikel 7.3.2 luidt: "In aanvulling op wat er geregeld is voor de voorkomende bestemmingen gelden de volgende regels: a. Als de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet het gebouw en moet de andere bebouwing op het betreffende bouwperceel zodanig worden geplaatst of ingericht dat voor het parkeren of stallen van auto's voldoende ruimte aanwezig is in, op of onder het gebouw dan wel op of onder het onbebouwde gedeelte van het bouwperceel. (…)" Artikel 7.3.3 luidt: "Van voldoende ruimte voor parkeren of stallen van auto's als bedoeld in lid 7.3.2 sub a is sprake als wordt voldaan aan de door burgemeester en wethouders op 13 december 2016 vastgestelde 'Parkeernormen 2017 gemeente Oss'. Hierbij geldt dat als deze beleidsregels worden gewijzigd of vervangen, rekening wordt gehouden met deze wijziging of vervanging."