(2009)" (hierna: de VNG-brochure) heeft gemaakt. In dit tegenrapport is geconcludeerd dat voor dit gedeelte van het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van het gebiedstype "rustige woonwijk", zodat een grotere richtafstand geldt dan waar de raad van is uitgegaan. Bij de berekening van de geluidemissie van de bedrijven aan De Veiling is de raad bovendien niet uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden en van mogelijke werkzaamheden naast en achter de bedrijfshallen en in de avond en nachtperiode.
- Zoals de voorzieningenrechter van de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraken van 20 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2910, en 2 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1569, kan een herhaald verzoek om voorlopige voorziening slechts voor toewijzing in aanmerking komen als sprake is van een terecht beroep op nieuwe feiten of omstandigheden door verzoeker. Het moet gaan om feiten of omstandigheden die verzoeker ten tijde van het vorige verzoek niet bekend waren en redelijkerwijs ook niet bekend konden zijn, of nieuwe feiten of omstandigheden van na de uitspraak op het vorige verzoek, die een herhaald verzoek rechtvaardigen.
- De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 8 maart 2024 overwogen dat hij, gelet op de beschrijving van het gebied door de raad en de toelichting die de raad daar ter zitting op heeft gegeven, geen reden ziet om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de raad dat voor het plangebied moet worden uitgegaan van het gebiedstype "gemengd gebied", en dat de raad terecht is uitgegaan van een richtafstand van 10 m. In het rapport van DGMR staat dat het plangebied, gezien de omvang daarvan, moet worden ingedeeld in deelgebieden. De bestemmingsvlakken waarvan [verzoeker II]en anderen nu schorsing verzoeken, vallen volgens DGMR onder het gebiedstype "rustige woonwijk", waarvoor een richtafstand van 30 m geldt. Verder is volgens DGMR niet juist beoordeeld of daar waar de richtafstanden wel worden gehaald, sprake is van een goed woon- en leefklimaat, gelet op de mogelijke geluidemissie van bedrijven aan De Veiling.
- Nog daargelaten dat de voorzieningenrechter op voorhand niet overtuigd is dat de Afdeling het standpunt van DGMR over de gebiedsindeling in de bodemprocedure zal volgen, overweegt de voorzieningenrechter dat het bepalen van een gebiedstype in een concreet geval niet afhankelijk is van de beoordeling door een deskundige. Het kan ook niet geacht worden te behoren tot de specifieke deskundigheid van de opsteller van een tegenrapport over geluid. Alleen al daarom is het standpunt van DGMR hierover geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid die toewijzing van het herhaalde verzoek om voorlopige voorziening kan rechtvaardigen.
- Ook in de beoordeling door DGMR van de gevolgen van de geluidemissie van de bedrijven aan De Veiling, daar waar aan de richtafstand van 10 m wordt voldaan, ziet de voorzieningenrechter geen dergelijke nieuwe feiten of omstandigheden. Zoals de voorzieningenrechter in de uitspraak van 8 maart 2024 heeft overwogen, is volgens de toetsingssystematiek van de VNG-brochure in beginsel sprake van een aanvaardbare geluidsbelasting, als aan de toepasselijke richtafstand voor geluid wordt voldaan (stap 1). In het rapport van DGMR wordt, kort weergegeven, geïnventariseerd welke geluidemissie is te verwachten bij een maximale benutting van de planologische mogelijkheden door de bedrijven aan De Veiling, en op welke punten het akoestisch rapport dat de raad aan het bestemmingsplan ten grondslag heeft gelegd, daarbij volgens DGMR tekort schiet. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter gaat hieraan echter de vraag vooraf of sprake is van bijzondere omstandigheden, die maken dat in dit geval niet had mogen worden volstaan met stap
- Uit het tegenrapport van DGMR is de voorzieningenrechter niet van dergelijke bijzondere omstandigheden gebleken. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. heft de voorlopige voorziening, getroffen bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:995, op, voor zover het de gronden betreft die blauw omrand zijn weergegeven op de kaart in de bijlage bij deze uitspraak; II. wijst het verzoek van [verzoeker II]en anderen af. Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier. w.g. Borman voorzieningenrechter w.g. Witsen griffier Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2024 727 BIJLAGE De in de beslissing onder I genoemde gronden zijn op onderstaande kaart blauw omrand weergegeven.