(2009)" (hierna: de VNG-brochure) geen richtafstanden voor reclamemasten geeft. Volgens Reges voldoet het bouwplan ook aan het criterium over maatverhoudingen. Het gaat volgens haar om een reguliere reclamemast met borden met een gebruikelijke afmeting van 12 bij 4 m. Zij voegt daar aan toe dat de maten zo nodig kunnen worden aangepast. Tot slot betoogt Reges dat het bouwplan ook aan het criterium over ruimtelijke samenhang voldoet. Zij voert aan dat de verlichte led-schermen van de reclamemast naar de rijksweg A13 zijn gericht en niet zichtbaar zullen zijn vanaf de woningen in de woonwijk "Emerald" en vanaf het bedrijventerrein. Bovendien is in de omgeving al veel kunstlicht aanwezig en kan de verlichting van de led-schermen worden gedimd. Reges heeft hier aan toegevoegd dat de mogelijkheid die het bestemmingsplan biedt om ter plaatse een reclamemast te realiseren, niet via een negatief welstandsoordeel teniet kan worden gedaan. 6.5.
- De welstandsnota bevat gebiedsgerichte, objectgerichte en algemene welstandscriteria. De objectgerichte criteria omvatten algemene objectgerichte criteria en objectgerichte criteria die gelden voor zekere gebieden. Niet in geschil is dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, de gebieds- en objectgerichte criteria uit de welstandsnota niet toereikend zijn, en dat dit betekent dat het bouwplan terecht is getoetst aan de algemene criteria. Deze criteria houden, voor zover hier van belang, in dat een bouwwerk in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand als: - een positieve bijdrage wordt geleverd aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte; - de maatverhoudingen met elkaar samenhangen en beheerst worden toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen; - het karakter van het bouwwerk en de bestaande of te verwachten ruimtelijke samenhang met de omgeving duidelijk wordt gemaakt door materiaal, kleur, textuur en licht. 6.5.
- De Afdeling stelt voorop dat de welstandscommissie het bouwplan terecht heeft beoordeeld zoals Reges dat heeft ingediend. Voor zover Reges naar voren brengt dat het bouwplan zo nodig kan worden aangepast, kan dat niet leiden tot het oordeel dat de welstandscommissie over het ingediende bouwplan geen negatief advies mocht uitbrengen. 6.5.
- Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 14 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1565, toetst de welstandscommissie het bouwplan aan de hand van de criteria in de welstandsnota aan redelijke eisen van welstand en heeft zij zich daarbij in beginsel te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt, dan wel, indien het bouwplan daarvan afwijkt, die waaraan het college planologische medewerking wenst te verlenen. Door te overwegen dat de reclamemast zoals die is aangevraagd, namelijk een zware reclamemast met grote led-schermen, hier niet op zijn plaats is, heeft de welstandscommissie zich gericht naar de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Het advies betekent niet dat een mast van 8 m hoog als zodanig op de locatie onaanvaardbaar wordt geacht. 6.5.
- De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de welstandscommissie in de aanzienlijke omvang van de (eventueel deels) te verlichten led-schermen en in de maatverhoudingen van de gevraagde reclamemast op de locatie geen reden had kunnen vinden om deze in strijd met de criteria uit de welstandsnota te achten. De Afdeling stelt vast dat de welstandscommissie zich rekenschap heeft gegeven van de uiterlijke kenmerken van de reclamemast en van het karakter van de omgeving, en dat zij gemotiveerd is ingegaan op de second opinion. De welstandscommissie hoefde bij haar beoordeling niet te betrekken dat het, zoals Reges stelt, bij de led-schermen op de reclamemast gaat om reguliere afmetingen, omdat dit nog niet wil zeggen dat deze in het concrete geval en op de gegeven locatie in overeenstemming met redelijke eisen van welstand moeten worden geacht. Ook hoefde de welstandscommissie bij haar beoordeling niet te betrekken of de reclamemast in overeenstemming is met de "Beoordeling van objecten langs autowegen en autosnelwegen" en met toepasselijke NEN-normen voor verkeersveiligheid en lichtsterkte, omdat dit beleid en deze normen niet gaan over de vraag onder welke omstandigheden een reclamemast in overeenstemming met redelijke eisen van welstand is. Ook de richtafstanden uit de VNG-brochure gaat daar niet over. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de welstandscommissie ten onrechte heeft geconcludeerd dat het bouwplan in strijd is met de twee criteria uit de welstandsnota over de kwaliteit van de openbare ruimte en de maatvoering. Alleen al hierom heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat het college het negatieve advies van de welstandscommissie mocht overnemen. Het betoog slaagt niet.
- Reges betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte heeft nagelaten om te beoordelen of aanleiding bestond om de omgevingsvergunning, ondanks strijd met redelijke eisen van welstand, toch te verlenen. Daartoe bestond volgens Reges aanleiding, nu zij al heeft geïnvesteerd in de realisatie van een door het college vergunde fundering voor de reclamemast. Op de zitting heeft Reges hier aan toegevoegd dat bedrijven er belang bij hebben dat zij reclame kunnen maken. 7.
- Zoals de Afdeling onder meer heeft overwogen in de uitspraak van 24 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:222), onder 8.3, mag het college van een negatief welstandsoordeel afwijken op grond van overwegingen van algemeen belang, zoals economische of maatschappelijke belangen. Het college mag ook afwijken van een negatief welstandsoordeel op overwegingen die niet van algemeen belang zijn, zoals individuele omstandigheden van de aanvrager. Reges heeft bij de aanvraag en in bezwaar geen omstandigheden naar voren gebracht die volgens haar aanleiding geven om van het negatieve advies af te wijken. Het kan het college dan ook niet worden verweten dat het hierover geen afweging heeft gemaakt. Voor zover Reges in hoger beroep heeft gewezen op de al gerealiseerde fundering en op het belang van de mogelijkheid voor bedrijven om reclame te kunnen maken, overweegt de Afdeling dat het negatieve welstandsadvies er niet toe leidt dat in het geheel geen reclamemast mogelijk is. Het betoog slaagt niet. Conclusie hoger beroep
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden in verband met de behandeling van het hoger beroep. Overschrijding redelijke termijn
- Reges heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). 10.
- Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, is de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, overschreden, indien de duur van de totale procedure te lang is. In zaken met een voorafgaande bezwaarschriftprocedure vangt de termijn aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. De termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste zes maanden, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalve jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren. Of de redelijke termijn is overschreden, dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop deze door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene. 10.
- In dit geval is de termijn beginnen te lopen na ontvangst van het bezwaarschrift van Reges door het college op 31 augustus
- De behandeling van het bezwaar is op verzoek van Reges aangehouden tussen 9 april 2019 en 9 december
- Op 25 november 2020 heeft het college op het bezwaar beslist. De rechtbank heeft het door Reges tegen dat besluit ingediende beroepschrift ontvangen op 15 december
- De rechtbank heeft op dit beroep uitspraak gedaan op 22 november
- De Afdeling heeft het door Reges tegen die uitspraak ingediende hogerberoepschrift ontvangen op 6 januari
- In de uitspraak van vandaag beslist de Afdeling op dit hoger beroep. 10.
- Sinds 31 augustus 2018 en de uitspraak van vandaag zijn er vijf jaar en elf maanden verstreken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2689, onder 9.4, blijft de periode waarin het college het bezwaar met instemming van Reges heeft aangehouden, bij de beoordeling van de vraag of een redelijke termijn is overschreden, buiten beschouwing. Dit gaat om een periode van acht maanden. Dit betekent dat de procedure vijftien maanden te lang heeft geduurd. De Afdeling moet beoordelen in welke mate het overschrijden van de redelijke behandelingsduur moet worden toegerekend aan het college, aan de rechtbank en aan de Afdeling. 10.
- De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:176, onder 5.1). 10.
- De behandelingsduur van het bezwaarschrift door het college heeft afgerond zevenentwintig maanden in beslag genomen, waarbij het bezwaar acht maanden op verzoek van Reges aangehouden is geweest. Het college heeft de redelijke behandelingsduur van zes maanden dus met afgerond dertien maanden overschreden. De rechtbank heeft binnen een redelijke behandelingsduur van anderhalf jaar op het beroep beslist. De Afdeling heeft niet binnen de redelijke behandelingsduur van twee jaar op het hoger beroep beslist. De Afdeling heeft de redelijke behandelingsduur met afgerond zeven maanden overschreden. 10.
- De overschrijding van de redelijke termijn met in totaal vijftien maanden wordt daarom voor 13/20e deel toegerekend aan het college en voor 7/20e deel toegerekend aan de Afdeling. 10.
- Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen. Bij een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal naar boven wordt afgerond, bedraagt de aan Reges toe te kennen schadevergoeding € 1.500,
- De vergoeding van de schade naar evenredigheid uitgesproken ten laste van het college en de Staat der Nederlanden. Het college wordt veroordeeld tot betaling van € 975,00 aan Reges en de Staat (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot betaling van € 525,00 aan Reges als vergoeding voor door haar geleden immateriële schade.
- Omdat de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan het college, als aan de Afdeling is toe te rekenen, moeten het college en de Staat (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) ieder de helft van de proceskosten vergoeden voor het verzoek om schadevergoeding. Bij de berekening van de kosten gaat de Afdeling wat betreft de zwaarte van de zaak uit van de wegingsfactor licht (0,5), omdat het hier alleen gaat om beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp om aan Reges B.V. een schadevergoeding van € 975,00 te betalen; III. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan Reges B.V. een schadevergoeding van € 525,00 te betalen; IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp tot vergoeding van bij Reges B.V. in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 218,75, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; V. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij Reges B.V. in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 218,75, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en G.O. van Veldhuizen en mr. H. Benek, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier. w.g. Hoekstra voorzitter w.g. Witsen griffier Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2024 727 BIJLAGE Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden Artikel 6 Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden. Algemene wet bestuursrecht Artikel 3:2 Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Artikel 3:9 Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2.1
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: a. het bouwen van een bouwwerk, […] Artikel 2.10 Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien: […] d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend; […]