(2023)546 final). In de toelichting op dat voorstel, in het bijzonder voetnoot 2, wordt artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit niet genoemd. Hieruit leidt de Afdeling af dat artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit alleen relevant is voor het Verlengingsbesluit voor zover lidstaten deze bepaling toepassen op het moment dat het Verlengingsbesluit door de Raad is vastgesteld. Deze uitleg vindt ook steun in de bevoegdheid die de staatssecretaris heeft om de toepassing van een Unierechtelijke facultatieve bepaling te beëindigen, zoals vastgesteld onder 8.
- 9.
- Dat betekent dat de tijdelijke bescherming van derdelanders in Nederland niet wordt verlengd met het Verlengingsbesluit. Voor hen geldt dat de tijdelijke bescherming van kracht is tot en met 4 maart
- Dit geldt voor de derdelanders die in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning hadden en zich voor 19 juli 2022 in Nederland in de BRP hadden ingeschreven. 9.
- De Afdeling stelt met het voorgaande vast dat de tijdelijke bescherming van derdelanders van rechtswege afloopt op 4 maart
- Zij laat het aan de staatssecretaris om te bepalen in welke vorm hij dit aan de betreffende derdelanders zal meedelen. Is er strijd met een van de Unierechtelijke beginselen?
- De vreemdeling klaagt in de zesde tot en met de negende grief over het oordeel van de rechtbank dat het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel niet aan beëindiging van de tijdelijke bescherming in de weg staan. Uit het slagen van de eerder besproken grieven volgt al dat de staatssecretaris de tijdelijke bescherming niet kon beëindigen op 4 september
- Omwille van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling en rechtsbescherming in algemene zin, gaat de Afdeling hierna in op de vraag of het eindigen van de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 in overeenstemming is met de door de vreemdeling aangehaalde Unierechtelijke beginselen. Hiermee beoogt de Afdeling op voorhand duidelijkheid te scheppen wanneer de tijdelijke bescherming van derdelanders eindigt op 4 maart
- 10.
- Het Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel vereist onder meer dat een regeling duidelijk en nauwkeurig is omschreven, opdat de justitiabelen ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen kunnen kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen (arrest van het Hof van Justitie van 28 maart 2017, Rosneft, ECLI:EU:C:2017:236, punt 161). Een regeling moet dus voldoende duidelijk en voorzienbaar zijn. Het vertrouwensbeginsel hangt daarmee samen. Een beroep hierop kan slagen als de staatssecretaris door precieze en voldoende individuele toezeggingen gegronde verwachtingen heeft gewekt bij de derdelanders over de duur van hun tijdelijke bescherming (vergelijk het arrest van het Hof van 20 mei 2021, Riigi Tugiteenuste Keskus, ECLI:EU:C:2021:402, punt 69). 10.
- De Afdeling oordeelt dat dit niet het geval is. De staatssecretaris heeft geen toezeggingen gedaan waaruit derdelanders mochten afleiden dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan is bereikt op 4 maart
- Ook heeft hij geen toezeggingen gedaan waaruit blijkt dat hun tijdelijke bescherming verlengd zou worden van 4 maart 2024 tot en met 4 maart
- Dat de tijdelijke bescherming voor ontheemden uit Oekraïne als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit verlengd zou worden tot en met 4 maart 2025, is bovendien pas duidelijk geworden sinds de Raad dit met het Verlengingsbesluit van 19 oktober 2023 heeft vastgesteld. Daarnaast heeft de staatssecretaris geen gegronde verwachtingen gewekt dat derdelanders altijd hetzelfde zouden worden behandeld als andere ontheemden uit Oekraïne die tijdelijke bescherming hebben gekregen. Hoewel de staatssecretaris in de Kamerbrief van 30 maart 2022 geen onderscheid maakt tussen deze groepen, staat al in de Kamerbrief van 18 juli 2022 dat hij de tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne wil beëindigen. Er is dus geen sprake van schending van het Unierechtelijke rechtszekerheids- of het vertrouwensbeginsel. 10.
- Aan het evenredigheidsbeginsel wordt naar het oordeel van de Afdeling niet toegekomen. Dit is het gevolg van het oordeel onder 9.6 dat de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 van rechtswege afloopt. Voor een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel in een individueel geval is daarom geen plaats. 10.
- De zesde tot en met de negende grief falen. Overige grieven
- Wat de vreemdeling in de tiende grief heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
- De elfde grief heeft geen zelfstandige betekenis. Omdat de eerste tot en met de vijfde grief slagen, slaagt deze grief ook. Conclusie
- De tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne hadden en die zich voor 19 juli 2022 in Nederland hebben ingeschreven in de BRP, kon niet door de staatssecretaris worden beëindigd op 4 september
- Op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming eindigt van rechtswege de tijdelijke bescherming van deze derdelanders wel op 4 maart
- Het is aan de staatssecretaris om te bepalen in welke vorm hij dit aan de betreffende derdelanders meedeelt. Dit oordeel heeft geen gevolg voor de vraag of derdelanders in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning op een andere grond, zoals asiel. 13.
- Dit betekent dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris bevoegd was om de tijdelijke bescherming van derdelanders te beëindigen. De grieven die de vreemdeling daarover heeft aangevoerd, slagen.
- Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 3 juli 2023 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 9 augustus 2023 in zaak nr. NL23.19504; III. verklaart het beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van 3 juli 2023, V-[…]; V. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.500,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. J.H. van Breda, leden, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier. w.g. Sevenster voorzitter w.g. Tibold griffier Uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2024 853-987 Richtlijn Tijdelijke Bescherming (2001/55/EG) Artikel 4
- Onverminderd artikel 6 duurt de tijdelijke bescherming één jaar. Wanneer de bescherming niet op grond van artikel 6, lid 1, onder b), wordt beëindigd, kan deze automatisch met telkens zes maanden worden verlengd voor maximaal één jaar.
- Indien er aanleiding blijft om tijdelijke bescherming te verlenen, kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie, die tevens elk verzoek van een lidstaat om bij de Raad een voorstel in te dienen, onderzoekt, besluiten de tijdelijke bescherming met maximaal één jaar te verlengen. Artikel 6
- De tijdelijke bescherming wordt beëindigd: a) wanneer de maximale duur is bereikt, hetzij b) op ieder moment, door de vaststelling van een met gekwalificeerde meerderheid genomen besluit van de Raad, op voorstel van de Commissie, die tevens elk verzoek van een lidstaat om een voorstel aan de Raad voor te leggen, onderzoekt. […] Artikel 7
- De lidstaten kunnen andere categorieën ontheemden dan die welke onder het in artikel 5 bedoelde besluit van de Raad vallen, tijdelijke bescherming krachtens deze richtlijn bieden ingeval deze om dezelfde redenen ontheemd zijn en uit hetzelfde land of dezelfde regio van oorsprong komen. Zij stellen de Raad en de Commissie hiervan onverwijld in kennis. […] Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 Artikel 2
- Dit besluit is van toepassing op de volgende categorieën van personen die sinds 24 februari 2022 ontheemd zijn geraakt als gevolg van de militaire invasie door de Russische strijdkrachten die op die datum begon: a) Oekraïense onderdanen die vóór 24 februari 2022 in Oekraïne verbleven; b) staatlozen en onderdanen van andere derde landen dan Oekraïne die vóór 24 februari 2022 in Oekraïne internationale bescherming of gelijkwaardige nationale bescherming genoten; c) gezinsleden van de in punten a) en b) genoemde personen.
- De lidstaten passen dit besluit of passende bescherming uit hoofde van hun eigen nationale recht toe op staatlozen en onderdanen van andere derde landen dan Oekraïne die kunnen aantonen dat zij vóór 24 februari 2022 legaal in Oekraïne verbleven op basis van een geldige permanente verblijfsvergunning die overeenkomstig Oekraïens recht is afgegeven, en die niet in staat zijn in veilige en duurzame omstandigheden naar hun land of regio van oorsprong terug te keren.
- Overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn 2001/55/EG kunnen de lidstaten dit besluit ook toepassen op andere personen, onder wie staatlozen en onderdanen van andere derde landen dan Oekraïne, die legaal in Oekraïne verbleven en die niet in veilige en duurzame omstandigheden naar hun land of regio van oorsprong kunnen terugkeren. […] Uitvoeringsbesluit (EU) 2023/2409 Artikel 1 De tijdelijke bescherming die wordt verleend aan ontheemden uit Oekraïne als bedoeld in artikel 2 van Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382, wordt met één jaar verlengd tot en met 4 maart
- Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 25 augustus 2022 (wijziging van het Voorschrift Vreemdeling 2000, in verband met het aanpassen van de doelgroep ontheemden uit Oekraïne, waaraan tijdelijke bescherming wordt verleend (Stcrt. 2022, 22623)) ARTIKEL I Het Voorschrift Vreemdelingen 2000 wordt als volgt gewijzigd: […] Artikel 3.9a
- Als vreemdelingen, bedoeld in artikel 3.1a, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit, zijn aangewezen vreemdelingen die: […] c. beschikken over een op 23 februari 2022 geldige Oekraïense verblijfsvergunning en ten aanzien van wie aannemelijk is dat zij Oekraïne na 26 november 2021 hebben verlaten. […] ARTIKEL II Artikel 3.9a, eerste lid, aanhef en onder c, zoals dat luidde tot 19 juli 2022, blijft tot 4 maart 2023 van toepassing op vreemdelingen: a. die niet beschikken over een op 23 februari 2022 geldige Oekraïense permanente verblijfsvergunning; en b. die vóór 19 juli 2022 stonden ingeschreven in de BRP. Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 1 maart 2023 (in verband met de verlenging van de duur van tijdelijke bescherming aan een groep ontheemden uit Oekraïne (Stcrt. 2023, 7194)) ARTIKEL II Artikel 3.9a, eerste lid, aanhef en onder c, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000, zoals dat luidde tot 19 juli 2022, blijft tot 4 september 2023 van toepassing op vreemdelingen: a. die niet beschikken over een op 23 februari 2022 geldige Oekraïense permanente verblijfsvergunning; en b. die vóór 19 juli 2022 stonden ingeschreven in de BRP.